Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:16

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
09-01-2019
Zaaknummer
200.204.508_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:7132, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht aan advocaat. Vraag is of de advocaat tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.204.508/01

arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.W.J. Hopmans te Groesbeek,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M .G. Spijker te Boxmeer,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 januari 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 4940251\CV EXPL 16-3470 gewezen vonnis van 17 augustus 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 24 januari 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 februari 2017;

  • -

    de memorie van grieven met producties en voorwaardelijke eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel met één productie;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] met één productie;

  • -

    de antwoordakte van [appellant] met één productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

6.1.1.

[appellant] exploiteert een bouwbedrijf en handelt onder de naam [handelsnaam] .

6.1.2.

[geïntimeerde] heeft in opdracht van [handelsnaam] – voor zover hier relevant - in twee kwesties juridische bijstand verleend. Deze twee kwesties heeft [geïntimeerde] behandeld onder de namen ‘ [handelsnaam] / [derde 1] ’ en ‘ [handelsnaam] / [derde 2] ’.

6.1.3.

De kwestie [handelsnaam] / [derde 1] betreft een vordering ter zake van onbetaald gebleven facturen die [handelsnaam] aan de heer [derde 1] had gezonden in verband met door [handelsnaam] uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden. Met het oog op de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden is door [geïntimeerde] een opdrachtbevestiging verzonden aan [handelsnaam] ter attentie van de heer [derde 3] (productie 1 bij CvA/CvE). Uit dit schrijven blijkt dat de zaak bij [geïntimeerde] bekend is onder de naam [handelsnaam] / [derde 1] .

In die opdrachtbevestiging wordt niet expliciet aan de orde gesteld wie als eiser zal optreden. Vervolgens is door [geïntimeerde] een dagvaardingsprocedure opgestart, waarin de commanditaire vennootschap [CV] , en niet [handelsnaam] , door [geïntimeerde] als eisende partij is opgevoerd. Bij vonnis van 3 juli 2013 van de rechtbank Gelderland is de vordering van [CV] afgewezen vanwege het feit dat naar het oordeel van de rechtbank Gelderland de commanditaire vennootschap [CV] niet als contractpartij van de heer [derde 1] te gelden heeft.

6.1.4.

De kwestie [handelsnaam] / [derde 2] betreft een vordering van [derde 2] op [appellant] . In verband met die vordering heeft [derde 2] de commanditaire vennootschap [CV] gedagvaard, alsmede de beherend vennoot van de commanditaire vennootschap, [beherend vennoot van de CV] . In die procedure heeft de kantonrechter te Nijmegen op 15 februari 2013 een (toewijzend) verstekvonnis gewezen (productie 13 bij akte van [geïntimeerde] d.d. 17 oktober 2017). In opdracht van [appellant] heeft [geïntimeerde] een verzetdagvaarding uitgebracht en is daarmee een verzetprocedure gestart. De opdrachtbevestiging voor deze zaak is gedateerd 3 april 2013 en is gericht aan [handelsnaam] (productie 8 CvA/CvE).

6.1.5.

De verzetprocedure is in het najaar van 2013 door [geïntimeerde] ingetrokken.

6.1.6.

[handelsnaam] heeft [geïntimeerde] voor het eerst per e-mail van 4 mei 2015 aansprakelijk gesteld voor geleden schade door het maken van beroepsfouten in de kwesties [handelsnaam] / [derde 1] en [handelsnaam] / [derde 2] .

6.1.7.

[geïntimeerde] heeft de volgende facturen verzonden aan [appellant] , [beherend vennoot van de CV] en [handelsnaam] :

- € 769,56, factuur van 7 mei 2013, declaratienummer [declaratienummer 1] , verstuurd aan [appellant]

inzake [appellant] /Basisschool [basisschool] ;

- € 1.658,00, factuur van 31 maart 2013, declaratienummer [declaratienummer 2] , verstuurd aan [handelsnaam]

inzake [handelsnaam] / [derde 2] ;

- € 150,00, factuur van 9 april 2013, declaratienummer [declaratienummer 3] , verstuurd aan

[beherend vennoot van de CV] inzake [naam] /Camping [camping] ;

- € 1.292,89, factuur van 31 mei 2013, declaratienummer [declaratienummer 4] , verstuurd aan [handelsnaam]

inzake [handelsnaam] / [derde 1] ;

- € 404,02, factuur van 31 maart 2013, declaratienummer [declaratienummer 5] , verstuurd aan [handelsnaam]

inzake [handelsnaam] / [derde 1] ;

- € 1.131,23, factuur van 28 februari 2013, declaratienummer [declaratienummer 6] , verstuurd aan [handelsnaam]

inzake [handelsnaam] / [derde 1] ;

- € 700,29, factuur van 31 januari 2013, declaratienummer [declaratienummer 7] , verstuurd aan [handelsnaam]

inzake [handelsnaam] / [derde 1] ;

- € 1.536,42, factuur van 31 juli 2013, declaratienummer [declaratienummer 8] , verstuurd aan [handelsnaam]

inzake [handelsnaam] / [derde 1] .

6.1.8.

Op de facturen is aangegeven: “Gelieve het totaalbedrag binnen 14 dagen over te maken op bankrekeningnr. [bankrekeningnummer] o.v.v. het declaratienummer.” Ten aanzien van deze facturen heeft [geïntimeerde] aanmaningen verzonden en daarbij een vertragingsrente van één procent en incassokosten in rekening gebracht.

6.2.

[appellant] vorderde in eerste aanleg de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] een bedrag te betalen van € 15.606,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten van € 1.738,-, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Aan deze vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] beroepsfouten heeft gemaakt en daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de dienstverleningsopdracht, waardoor zij tot het betalen van schadevergoeding verplicht is.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen deze vordering. In reconventie vorderde [geïntimeerde] de veroordeling van [appellant] tot betaling van de openstaande facturen van [geïntimeerde] , te vermeerderen met rente en incassokosten, berekend tot 11 mei 2016, in totaal € 13.415,04, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal bepalen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat [appellant] opdrachtgever was voor de werkzaamheden waarvoor de facturen zijn verstuurd en tot betaling verplicht is.

[appellant] heeft in reconventie verweer gevoerd tegen de vordering van [geïntimeerde] .

6.3.

De kantonrechter heeft, bij vonnis waarvan beroep, de vordering van [appellant] in conventie toegewezen tot een bedrag van € 10.022,19. Dit bedrag betreft de door [appellant] in eerste aanleg gestelde schade wegens een beroepsfout van [geïntimeerde] in de zaak [handelsnaam] / [derde 1] . De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] voor het overige afgewezen.

In reconventie heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot betaling van de door [geïntimeerde] genoemde facturen, behalve de factuur inzake [naam] /Camping [camping] ad € 150,-. De kantonrechter heeft een bedrag van € 7.492,41 toegewezen, te vermeerderen met de contractuele vertragingsrente van 1% per maand, berekend vanaf de vervaldata van de declaraties tot aan 11 mei 2016. De kantonrechter heeft de reconventionele vordering van [geïntimeerde] voor het overige afgewezen.

De kantonrechter heeft de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd.

6.4.

[appellant] is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de kantonrechter en heeft vier grieven tegen het vonnis aangevoerd. Zijn eerste grief is gericht tegen de afwijzing van de schadeclaim in de zaak [handelsnaam] / [derde 2] . Grief twee is gericht tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van de door hem gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Zijn derde grief is gericht tegen de toewijzende beslissing van de kantonrechter in reconventie en zijn vierde grief betreft de proceskostenbeslissing.

6.5.

[geïntimeerde] heeft incidenteel geappelleerd. Haar eerste incidentele grief is gericht tegen de toewijzende beslissing in conventie wat betreft de zaak [handelsnaam] / [derde 1] . Incidentele grief twee is gericht tegen de afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] in reconventie wat betreft de factuur in de zaak [naam] /Camping [camping] en wat betreft de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten. De derde incidentele grief betreft de proceskostenbeslissing.

6.6.1.

Bij de beoordeling van de eerste grief van [appellant] , gericht tegen de afwijzing van de schadeclaim in de zaak [handelsnaam] / [derde 2] merkt het hof allereerst op dat [appellant] zich ten aanzien van deze kwestie vereenzelvigt met [CV] . Immers: het verstekvonnis in deze zaak d.d. 15 februari 2013 (productie 13 bij akte houdende uitlating van [geïntimeerde] d.d. 17 oktober 2017) is gewezen tegen [CV] h.o.d.n. [handelsnaam] en [appellant] stelt in zijn inleidende dagvaarding (randnummers 11 tot en met 15) dat hij aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven om verzet in te stellen tegen het verstekvonnis en dat hij schade heeft geleden omdat de verzetprocedure door [geïntimeerde] is ingetrokken.

6.6.2.

[appellant] heeft aan zijn schadeclaim met betrekking tot de zaak [handelsnaam] / [derde 2] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] jegens hem tekort is geschoten in haar verplichtingen als opdrachtnemer door – zonder overleg en zonder instemming van hem – de verzetprocedure in te trekken.

6.6.3.

[geïntimeerde] heeft deze stelling van [appellant] bestreden. Zij stelt dat zij in opdracht van [appellant] een verzetdagvaarding heeft uitgebracht, gericht tegen het verstekvonnis van 15 februari 2013. Zij stelt verder dat zij bij brief van 30 september 2013 (productie 11 CvA/CvE) aan [handelsnaam] heeft laten weten dat zij zich in de verzetprocedure zou onttrekken indien [handelsnaam] niet vóór 10 oktober 2013 zou reageren op haar sommaties om openstaande facturen te betalen. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] vervolgens aan haar laten weten dat hij de verzetprocedure wenste in te trekken, hetgeen blijkt uit de e-mailwisseling die als productie 12 bij CvA/CvE in het geding is gebracht. Volgens die e-mailwisseling heeft [geïntimeerde] op 14 oktober 2013 aan [handelsnaam] (aan het e-mailadres “ [e-mailadres] ”) een e-mail gezonden met de volgende tekst:

“Geachte heer [appellant] , heer [naam] ,

In opgemelde aangelegenheid bericht ik u dat – op uw verzoek – inmiddels is verzocht – na instemming van de wederpartij – om intrekking bij de rechtbank Gelderland, kamers voor kantonzaken Nijmegen. Een kopie van gemeld schrijven aan de rechtbank en van de wederpartij heb ik bijgevoegd. (*) Kortheidshalve moge ik u naar de inhoud hiervan verwijzen.

Met vriendelijke groet,

Mr [mr]

[handelsnaam] heeft op 21 oktober 2013 (vanaf het e-mailadres “[e-mailadres]”) een e-mail aan [geïntimeerde] gezonden, met daarin de volgende tekst:

“Geachte heer [mr] ,

U zou ons ook doorgeven wat het totaalbedrag is van de vordering van [derde 2] , kunt u dat alsnog even mailen.

Met vriendelijke groet,

[appellant] ”

[appellant] heeft betwist dat hij de hiervoor weergegeven e-mail van 14 oktober 2013 heeft ontvangen.

6.6.4.

Het hof stelt bij de beoordeling van de eerste grief van [appellant] voorop dat ingevolge artikel 7:401 BW een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen, hetgeen betekent dat hij dient te handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou gaan.

Indien een opdrachtgever, zoals in dit geval, zich op het standpunt stelt dat de opdrachtnemer is tekortgeschoten in de nakoming van voornoemde verplichting, dan dient de opdrachtgever daartoe voldoende feiten te stellen en – bij betwisting – het bewijs daarvan te leveren.

6.6.5.

Tussen partijen staat als onweersproken vast dat [appellant] [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven om een verzetprocedure te starten, dat [geïntimeerde] die opdracht heeft aanvaard en dat zij daar ook uitvoering aan heeft gegeven door een verzetdagvaarding op te stellen en te laten betekenen. Voorts staat tussen partijen vast dat door toedoen van [geïntimeerde] de verzetprocedure is ingetrokken. Daarmee staat vast dat [geïntimeerde] de haar gegeven opdracht niet, althans niet volledig, heeft uitgevoerd. [geïntimeerde] voert ter rechtvaardiging hiervan aan dat in overleg met en met instemming van [appellant] is besloten de verzetprocedure in te trekken. Ter onderbouwing van deze stellingname verwijst [geïntimeerde] naar haar e-mailbericht aan [handelsnaam] van 14 oktober 2013, zoals hierboven aangehaald, waarin zij bevestigt dat zij op verzoek van [appellant] de verzetprocedure heeft ingetrokken.

6.6.6.

[appellant] betwist in de toelichting op grief 1 in het principaal hoger beroep dat hij opdracht heeft gegeven tot of heeft ingestemd met het intrekken van de verzetprocedure. Het betreft een blote betwisting van het door [geïntimeerde] gestelde en met een kopie van een e-mailbericht onderbouwde stellingname. Het hof is van oordeel dat deze blote ontkenning van het door [geïntimeerde] gestelde, gelet op de onderbouwing van haar stellingname door [geïntimeerde] , niet kan gelden als een voldoende gemotiveerde betwisting van het door [geïntimeerde] gestelde. Dat hiernaast nog een discussie speelde over de betaling van facturen van [geïntimeerde] , waarbij [geïntimeerde] dreigde zich aan de procedure te onttrekken, doet aan het voorgaande niet af. In de toelichting suggereert [appellant] door naar de discussie over de facturen te verwijzen, dat een samenhang bestaat tussen die discussie en het intrekken van de verzetprocedure, maar [appellant] stelt niet expliciet dat [geïntimeerde] de procedure heeft ingetrokken omdat haar rekeningen niet werden betaald. Hetgeen zij dienaangaande aanvoert is daarom suggestief en vormt geen deugdelijke onderbouwing van haar verweer. Voor zover [appellant] nog aanvoert dat bewijs ontbreekt voor de juistheid van de stellingname en haar onderbouwing van [geïntimeerde] , miskent [appellant] dat het leveren van bewijs pas aan de orde komt wanneer een stellingname en de daarvoor gegeven onderbouwing voldoende deugdelijk wordt betwist. Met de blote ontkenning door [appellant] is dat niet het geval.

6.6.7.

[geïntimeerde] betwist in de toelichting op grief 1 voorts nog dat zij dit e-mailbericht heeft ontvangen. Het hof gaat aan die betwisting voorbij, omdat, zoals uit de overgelegde e-mails blijkt, dit e-mailbericht is verzonden aan het zelfde e-mailadres als dat wat [appellant] gebruikte om te communiceren met [geïntimeerde] (zie diens e-mailbericht van 21 oktober 2013). Zonder nadere toelichting van [appellant] , die ontbreekt, is niet aannemelijk dat berichten die [geïntimeerde] aan dat adres heeft gezonden niet zouden zijn aangekomen. Bovendien is met de betwisting van de ontvangst van het e-mailbericht van [geïntimeerde] van 14 oktober 2013 de juistheid van de inhoud van dat bericht niet betwist.

6.6.8.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat in rechte bij gebreke aan deugdelijk onderbouwde betwisting voldoende is komen vast te staan dat de intrekking van de verzetprocedure op verzoek en met instemming van [appellant] heeft plaatsgevonden. Grief 1 van [appellant] in het principaal hoger beroep faalt.

6.7.1.

Grief twee van [appellant] alsmede de eerste incidentele grief van [geïntimeerde] hebben betrekking op de (toewijzende) beslissing van de kantonrechter op de schadeclaim van [appellant] wegens een door [geïntimeerde] gemaakte beroepsfout die hierin bestaat dat [geïntimeerde] ter uitvoering van de door [appellant] gegeven opdracht om een procedure te starten tegen [derde 1] ter inning van openstaande facturen, ten onrechte [CV] als eisende partij heeft vermeld in plaats van [appellant] . Als gevolg hiervan is de vordering jegens [derde 1] door de kantonrechter Arnhem bij vonnis van 3 juli 2013 afgewezen (productie 2 bij inleidende dagvaarding). [appellant] stelt als gevolg hiervan schade te hebben geleden wegens door hem betaalde griffierechten ad € 2.791,72, advocaatkosten ad € 4.318,-, deurwaarderskosten ad € 83,17, kosten beslaglegging ad € 850,30, alsmede de proceskosten ad € 1.979,- waartoe [CV] door de kantonrechter was veroordeeld. [appellant] vorderde in eerste aanleg vergoeding van deze schade, in totaal groot € 10.022,19 met wettelijke rente en met een bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 1.738,04.

De kantonrechter heeft, bij vonnis waarvan beroep, de gevorderde hoofdsom ad € 10.022,19 toegewezen, met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering ter zake van buitengerechtelijk kosten is door de kantonrechter afgewezen.

6.7.2.

De tweede grief van [appellant] is gericht tegen de beperking van de wettelijke rente en de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten. [appellant] stelt dat hij aanspraak kan maken op wettelijke rente vanaf 4 mei 2015, althans vanaf 13 augustus 2015 en dat hij wel degelijk aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

[appellant] heeft bovendien zijn vordering in hoger beroep vermeerderd: voor het geval hij op vordering van [geïntimeerde] in reconventie tot méér zal worden veroordeeld dan het voormelde bedrag aan advocaatkosten ad € 4.318,-, wenst hij zijn schadeclaim met dat meerdere te verhogen.

Tegen deze eisvermeerdering is op zichzelf geen bezwaar gemaakt door [geïntimeerde] . De eisvermeerdering is toelaatbaar en zal – indien het hof daaraan toekomt – in de beoordeling worden betrokken.

6.7.3.

De eerste incidentele grief van [geïntimeerde] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep dat [geïntimeerde] in de zaak [handelsnaam] / [derde 1] is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen door, zonder dat [appellant] hiermee had ingestemd, de procedure tegen [derde 1] te voeren op naam van [CV] in plaats van op naam van [appellant] .

[geïntimeerde] acht dit oordeel van de kanonrechter onjuist en zij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

  • -

    omtrent de onderhavige zaak heeft zij overleg gevoerd met [appellant] en diens stief- en/of schoonvader [beherend vennoot van de CV] ;

  • -

    de opdracht betrof de incasso van onbetaald gebleven facturen die door [handelsnaam] waren gezonden aan [derde 1] . Die facturen, alsmede de daaraan ten grondslag liggende offertes, zijn door [geïntimeerde] als productie 2 bij CvA/CvE in het geding gebracht;

  • -

    op de offertes en facturen was als adres van [handelsnaam] vermeld: [adres] te [plaats] , zijnde het adres van [CV] . Tevens was op die stukken verwezen naar het nummer bij de KvK van [CV] . In de offertes is voorts steeds vermeld: “ [handelsnaam] is onderdeel van [CV] ”. Het hof merkt op dat op offerte met nummer [nummer] ook nog is vermeld dat de aanbetaling overgemaakt kan worden op een bankrekening ten name van [beherend vennoot van de CV] , de beherend vennoot van [CV] ;

  • -

    in verband met de door [appellant] aan [geïntimeerde] gegeven opdracht heeft [geïntimeerde] een opdrachtbevestiging gezonden aan “ [handelsnaam] , t.a.v. [derde 3] , [adres] te [plaats] .” (productie 1 bij CvA/CvE);

  • -

    bij de voorbereiding van de juridische procedure tegen [derde 1] bleek aan [geïntimeerde] dat [handelsnaam] geen rechtspersoon is en niet is ingeschreven bij de KvK. In overleg met [appellant] en [beherend vennoot van de CV] is ervoor gekozen om [CV] als eisende partij te vermelden in de beslagstukken en in de dagvaarding, aangezien [handelsnaam] de handelsnaam zou zijn van [CV] ;

  • -

    de beslagstukken en de (concept)dagvaarding, alsmede de overige processtukken zijn steeds aan “ [handelsnaam] t.a.v. de heer [derde 3] , [adres] te [plaats] ” gezonden (producties 9, 10, 12 en 13 MvA/MvG). In reactie op de (concept-)antwoordakte waarin het standpunt van [CV] in de procedure tegen [derde 1] op het punt van de samenhang tussen [handelsnaam] en [CV] wordt uiteengezet, heeft “de heer [naam] , [handelsnaam] ” per e-mail d.d. 5 februari 2013 (productie 12 MvA/MvG) geantwoord:

“Geachte heer [mr] ,

We hebben de brief gelezen en deze is keurig opgesteld, dus kan wat ons betreft zo verstuurd worden.”

6.7.4.

Bij de beoordeling van de eerste incidentele grief van [geïntimeerde] gelden de uitgangspunten die hiervoor onder 6.6.4 zijn vermeld.

Het hof stelt met betrekking tot de zaak [handelsnaam] / [derde 1] verder voorop dat het enkele feit dat in een juridische procedure, waarin de eisende partij wordt bijgestaan door een advocaat, die eisende partij in het ongelijk wordt gesteld, nog niet betekent dat de advocaat is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 7:401 BW.

In de onderhavige zaak stelt [appellant] dat [geïntimeerde] wél is tekortgeschoten, omdat de procedure tegen [derde 1] is verloren doordat [geïntimeerde] – zonder overleg en buiten zijn medeweten – een feitelijke onjuistheid in de dagvaarding heeft vermeld, inhoudende dat [CV] de wederpartij van [derde 1] zou zijn.

6.7.5.

Naar het oordeel van het hof kan de stelling van [appellant] dat de keuze om te procederen op naam van [CV] zonder overleg en buiten medeweten is gedaan, niet worden aanvaard, gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , welke betwisting bovendien wordt ondersteund door de overgelegde producties die hiervoor onder 6.7.3 zijn genoemd.

Dat [geïntimeerde] in de zaak [handelsnaam] / [derde 1] reeds is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen door het enkele feit dat [CV] als eisende partij is vermeld in de processtukken in plaats van [appellant] , acht het hof onvoldoende onderbouwd, dit gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] die wordt ondersteund door de overgelegde producties. Het hof neemt hierbij mede in overweging dat, zoals hiervoor opgemerkt onder 6.6.1, uit het standpunt van [appellant] in de zaak [handelsnaam] / [derde 2] blijkt dat hij zich vereenzelvigt met [CV] . Dit blijkt ook uit de onderhavige zaak (de zaak [handelsnaam] / [derde 1] ), nu [appellant] de door [CV] geleden schade als gevolg van het afwijzende vonnis van de kantonrechter Arnhem d.d. 3 juli 2013, beschouwt als door hem geleden schade.

Toereikend bewijs voor hier bedoelde stelling van [appellant] ontbreekt, evenals een voldoende specifiek bewijsaanbod op dit punt.

6.7.6.

Het voorgaande betekent dat de eerste incidentele grief van [geïntimeerde] slaagt en dat het vonnis waarvan beroep op dit onderdeel niet in stand kan blijven. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellant] in conventie alsnog geheel afwijzen.

De tweede grief van [appellant] behoeft, gelet op deze beslissing, geen bespreking meer, evenmin als zijn eisvermeerdering.

6.8.1.

De kantonrechter heeft de reconventionele vordering van [geïntimeerde] , tot betaling van de openstaande facturen met rente en incassokosten, toegewezen tot een bedrag van € 7.492,41, te vermeerderen met de contractuele vertragingsrente van 1% per maand vanaf de vervaldata van de declaraties tot aan 11 mei 2016. Het bedrag van de toegewezen hoofdsom is het saldo van de openstaande facturen, hiervoor genoemd onder 6.1.7, minus de factuur inzake [naam] /Camping [camping] ad € 150,-.

6.8.2.

De derde grief van [appellant] is gericht tegen de voormelde toewijzende beslissing van de kantonrechter. Hij stelt dat [geïntimeerde] jegens hem is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat om die reden zijn beroep op opschorting, verrekening en ontbinding ten onrechte door de kantonrechter is gepasseerd.

Hieromtrent overweegt het hof dat uit hetgeen in het voorgaande is overwogen en beslist, volgt dat de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, niet kan worden aanvaard, zodat reeds om die reden zijn beroep op opschorting, verrekening en ontbinding niet opgaat.

6.8.3.

[appellant] betwist ook de hoogte van de (vijf) facturen die betrekking hebben op de zaak [handelsnaam] / [derde 1] en hij stelt in dit verband dat door [geïntimeerde] ten onrechte geen urenspecificaties in het geding zijn gebracht.

[geïntimeerde] heeft dit betwist. Zij stelt dat bij de facturen steeds urenspecificaties zijn meegezonden. Ten bewijze van deze stelling heeft zij – met betrekking tot de vijf facturen in de zaak [handelsnaam] / [derde 1] – de urenspecificaties in het geding gebracht (productie 4 bij MvA/MvG).

[appellant] heeft voorts met betrekking tot de laatste factuur van [geïntimeerde] ad € 1.536,42, betrekking hebbend op de periode 3 juni 2013 tot en met 31 juli 2013, aangevoerd dat ten onrechte ná 3 juli 2013 nog tijd is gedeclareerd inzake [handelsnaam] / [derde 1] , omdat die zaak op 3 juli 2013 is geëindigd door het vonnis van de kantonrechter.

[geïntimeerde] heeft deze stelling gemotiveerd weersproken door overlegging van de urenspecificatie bij deze factuur, waaruit blijkt dat ná het vonnis van 3 juli 2013 sprake is geweest van diverse contactmomenten waardoor na die datum nog in totaal 1 uur en 36 minuten aan de zaak [handelsnaam] / [derde 1] is besteed. Op genoemde specificaties is [appellant] niet ingegaan.

[appellant] heeft verder nog aangevoerd dat [geïntimeerde] bij de rechtsbijstandsverzekeraar van [beherend vennoot van de CV] voor de zaak [naam] /Camping [camping] een bedrag van € 4.328,88 teveel heeft gedeclareerd. [appellant] stelt dat dit bedrag in mindering moet worden gebracht op de facturen voor de zaak [handelsnaam] / [derde 1] .

[geïntimeerde] heeft ook deze stelling bestreden. Weliswaar erkent zij dat door haar teveel was gedeclareerd in de zaak [naam] /Camping [camping] maar zij stelt dat het teveel gedeclareerde bedrag weer is terugbetaald aan de verzekeraar. Er is volgens [geïntimeerde] geen reden om enig bedrag in mindering te brengen op de nog openstaande facturen in de zaak [handelsnaam] / [derde 1] .

[appellant] heeft tot slot aangevoerd dat hij voor de zaak [handelsnaam] / [derde 1] een bedrag van

€ 4.318,- aan [geïntimeerde] heeft betaald en dat dit bedrag ten onrechte niet in mindering is gebracht op de openstaande facturen.

[geïntimeerde] heeft de ontvangst van in totaal € 4.318,- (in vijf verschillende deelbetalingen) weliswaar bevestigd, maar zij stelt dat die betalingen zijn afgeboekt op de facturen die zijn genoemd onder randnummer 37 van haar MvA/MvG. Zij betwist dat door [appellant] (deel)betalingen zijn verricht op de facturen waarvan zij thans betaling vordert.

6.8.4.

Naar het oordeel van het hof moet de conclusie zijn, gelet op het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] , dat [appellant] zijn stelling dat de vijf facturen inzake [handelsnaam] / [derde 1] te hoog dan wel reeds betaald zijn, onvoldoende heeft onderbouwd.

6.8.5.

De tweede incidentele grief van [geïntimeerde] heeft (deels) betrekking op de afwijzing door de kantonrechter van haar vordering, betrekking hebbend op de factuur inzake [naam] /Camping [camping] ad € 150,-.

Naar het oordeel van het hof faalt de grief op dit punt. Weliswaar blijkt uit het hiervoor overwogene dat er sprake is van een nauwe verbondenheid tussen [appellant] / [handelsnaam] en [CV] / [naam] , maar uit de stellingen van [geïntimeerde] zelf (met name randnummer 51 van de MvA/MvG) leidt het hof af dat de opdracht in de hier bedoelde zaak is gegeven door [beherend vennoot van de CV] privé en niet in diens hoedanigheid van vennoot van [CV] . Om die reden valt niet in te zien dat [appellant] gehouden zou zijn om de desbetreffende factuur te betalen.

6.8.6.

De tweede incidentele grief van [geïntimeerde] is voorts gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] op dit punt afgewezen omdat niet is gesteld of gebleken dat aan [appellant] een aanmaning is gestuurd conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW.

Naar het oordeel van het hof is de grief van [geïntimeerde] op dit punt terecht aangevoerd. [appellant] is niet aan te merken als “een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf” zoals omschreven in genoemd wetsartikel. [appellant] is immers eigenaar van een bouwbedrijf en hij heeft zich tot [geïntimeerde] gewend in verband met rechtsbijstand in procedures die betrekking hadden op zijn bedrijf.

6.8.7.

[geïntimeerde] vordert, ook in hoger beroep, veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 13.415,04. Dit bedrag omvat hoofdsom, buitengerechtelijke kosten en contractuele rente tot 11 mei 2016. Een specificatie van dit bedrag is te vinden in productie 16 bij CvA/CvE. Uit die specificatie blijkt dat in het bedrag van € 13.415,04 een bedrag aan hoofdsom is begrepen van € 8.392,54 + € 769,56 = € 9.161,10 en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 794,63 + € 115,43 = € 910,06. Voor het overige bestaat het gevorderde bedrag uit contractuele rente.

Het hof merkt hierbij op dat het bedrag aan hoofdsom ad € 9.161,10 niet correspondeert met het saldo van de openstaande facturen, hiervoor vermeld onder 6.1.7. Dat saldo is € 7.642,41. Indien daarop de factuur inzake [naam] /Camping [camping] in mindering wordt gebracht, resteert een bedrag van € 7.492,41, de door de kantonrechter toegewezen hoofdsom. Uitgaande van dit bedrag bedraagt het toewijsbare bedrag aan buitengerechtelijke kosten op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke Incassokosten: € 749,62.

6.8.8.

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter in reconventie, wat betreft de door [appellant] te betalen hoofdsom, bekrachtigen en de contractuele rente toewijzen zoals gevorderd. Daarnaast zal [appellant] worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van

€ 749,62 aan buitengerechtelijke kosten.

6.9.

[appellant] heeft in algemene termen bewijs van zijn stellingen aangeboden. Er zijn door hem echter geen (voldoende) concrete feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. Om die reden wordt het bewijsaanbod door het hof gepasseerd.

6.10.

[appellant] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, zowel die in eerste aanleg als in principaal en in incidenteel appel.

Dit betekent dat de vierde grief van [appellant] faalt en dat de derde incidentele grief van [geïntimeerde] slaagt.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in conventie en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [appellant] af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, gewezen in reconventie, voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan hoofdsom ad € 7.492,41;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van de contractuele rente ad 1% per maand over voormelde hoofdsom, berekend vanaf de vervaldata van de respectievelijke facturen tot aan het moment van betaling van die facturen;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 749,62 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten, zowel die van de eerste aanleg als die van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt:

- wat betreft de eerste aanleg op € 600,- voor salaris gemachtigde;

- wat betreft het hoger beroep op € 1.957,- voor verschotten en op € 1.611,= voor salaris

van de advocaat, waarvan € 1.074 in het principaal hoger beroep en € 537,= in het incidenteel hoger beroep;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen door [geïntimeerde] meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M .G.W. M . Stienissen, C.W.T. Vriezen en R.J. M . Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 januari 2019.

griffier rolraadsheer