Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1571

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
17/00614
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:4274, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 16 AWR. Navorderingsaanslag. Kwade trouw. Negatief kassaldo. Inspecteur maakt aannemelijk dat de lening die volgens belanghebbende per abuis niet is geboekt en een verklaring zou zijn voor het negatief kassaldo, geen realiteitswaarde heeft. Aannemelijk dat negatief kassaldo door vennoten aan winst is onttrokken. Vennootschap is feitelijk niet per 31 december 2012 ontbonden, boete is terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-06-2019
FutD 2019-1726
V-N Vandaag 2019/1493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00614

Uitspraak op het hoger beroep van

[C] V.O.F.

wonende te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 17 juli 2017, nummer BRE 15/7004 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] .F01.1506 voor het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 55.563. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 13.890 en is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 5.205.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beide beschikkingen bij brief van 27 januari 2015 bezwaar gemaakt.

1.3.

Belanghebbende is bij brief van 29 oktober 2015 in beroep gekomen tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2015 de naheffingsaanslag en de beide beschikkingen gehandhaafd. Belanghebbende is bij brief van 29 oktober 2015 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar.

De Rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard, het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 49.222, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete verminderd tot € 11.074.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 november 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , advocaat te [plaats] , en, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .

Als getuige is verschenen en gehoord, mevrouw [getuige] .

1.7.

De Inspecteur heeft tijdens deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit de handel in en het verhuren van nieuwe en gebruikte personenauto’s en bedrijfsauto’s. In het naheffingstijdvak waren [B] en diens zonen [D] en [A] de firmanten van belanghebbende.

2.2.

Op 3 december 2014 is de Inspecteur begonnen aan een boekenonderzoek bij belanghebbende. Per brief van 19 januari 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat voor het jaar 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting zal worden opgelegd en in een andere brief met dezelfde dagtekening heeft de Inspecteur medegedeeld dat in verband met die naheffingsaanslag tevens een boete zal worden opgelegd. Aan het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur het volgende ten grondslag gelegd:

“In de kas administratie van de onderneming op 9 december 2011 blijkt een negatieve kas van € 308.289,20. Rekening houdende met dit negatieve kassaldo en het negatieve netto privé van de heer [B] , wordt de omzet met € 348.000,- (inclusief 19% omzetbelasting) verhoogd. Dat betekent dat er een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2011 moet worden opgelegd van € 55.563,-.”

De naheffingsaanslag, de boetebeschikking en beschikking heffingsrente zijn eveneens gedagtekend 19 januari 2015.

2.3.

Per brief van 27 januari 2015, door de Inspecteur ontvangen op 28 januari 2015, heeft belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt.

2.4.1.

In een e-mail van 22 januari 2015 aan de Inspecteur heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, [E] , onder meer het volgende medegedeeld:

“Geachte heren [F] en [inspecteur 2] ,

Mijn cliënt [B] heeft de administratie 2011 nogmaals nagelopen en hierbij pas recent geconstateerd dat de bijgevoegde lening daarin niet was opgenomen, terwijl hij daar altijd wel vanuit is gegaan. In het onderbreken van deze leningsovereenkomst in de administratie is de oorzaak gelegen van het negatieve kassaldo in de administratie.”

2.4.2.

In zijn brief van 27 maart 2015 aan de Inspecteur heeft de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende medegedeeld:

“Door De Heer [G] is een contante storting geboekt. Naar recentelijk is gebleken is een lening afgesloten met de heer [H] begin 2011. De geboekte storting vanuit privé dient derhalve ongedaan te worden gemaakt.”

2.5.

Met dagtekening 1 april 2015 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur een brief gestuurd die op 3 april 2015 is ontvangen en waarin belanghebbende opkomt tegen de door de Inspecteur vastgestelde negatieve kas.

2.6.

Op 12 november 2015 heeft de Inspecteur de bestreden uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij het bezwaar afgewezen.

2.7.

Op 2 december 2015 heeft de Inspecteur het concept rapport van het boekenonderzoek uitgebracht (hierna: controlerapport). In dit controlerapport is vermeld dat uit de gevoerde administratie van de Vof niet te allen tijde duidelijk de rechten en verplichtingen van belanghebbende blijken (paragraaf 2.3.3) en dat de kasadministratie vanwege de daarin geconstateerde gebreken geen getrouw beeld geeft van de ontvangsten en uitgaven van de onderneming (3.4). In paragraaf 3.3.1 van het controlerapport wordt melding gemaakt van negatieve kassaldi. De adviseur heeft in de administratie een drietal stortingen uit privémiddelen geboekt van in totaal € 294.554,73, waardoor het negatieve kassaldo is aangezuiverd.

2.8.

Belanghebbende heeft verklaard dat deze middelen geleend zijn van [H] te [plaats 2] , overleden op [datum] 2014, en heeft ter onderbouwing daarvan de volgende stukken overgelegd:

2.8.1.

Een overeenkomst van geldlening, gedagtekend 3 januari 2011 (hierna: de Overeenkomst). Deze overeenkomst luidt als volgt:

“03-01-2011

Opgemaakt te [plaats 2] ,

Hierbij verklaar ik [H] dat er per 03-01-2011 een bedrag van 300000 euro of te wel

(driehonderduizendeuro) in contanten aan de heer [B] word geleend.

Dit bedrag moet uiterlijk voor 03-01-2014 terug betaald worden

De rentepercetage is 2% per jaar ivm ter compensatie voor in het verleden lopende rechtzaak van een [auto] .

De hoofdsom inclusief de rente dient voor 03-01-2014 in contanten terug betaald te worden dit bedrag is dan 318000 euro ofte wel (driehonderdachtienduizendeuro).

Als de betaling niet tijdig word betaald zoals de afgesproken datum dan word de vordering uit handen gegeven, en worden alle rechtelijke en bijkomende kosten op uw verhaald.

[H] [B]

[Handtekening] [Handtekening]

2.8.2.

Een verklaring van aflossing, gedagtekend 3 januari 2014. In dit stuk is het volgende vermeld:

“03-01-2014

Opgemaakt te Hilvarenbeek,

Op 03-01-2011 is de Heer [H] en de Heer [B] overeengekomen aan een geldlening van 318000 euro ofte wel (driehonderdachtienduizendeuro) inclusief rente dat uiterlijk voor 03-01-2014 betaald moest worden.

Vandaag per 03-01-2014 heeft de Heer [B] de voledige bedrag inclusief rente aan contanten aan de Heer [H] terug betaald is.

Dit betekend dat de lening hiermee vervallen is of te wel afgelost is.

[H] [B]

[Handtekening] [Handtekening]”

2.8.3.

Een overeenkomst van geldlening, gedagtekend 2 januari 2014. Deze luidt als volgt:

“02/01/2014, [plaats]

OVEREENKOMST

Tussen [J] geboren te [plaats 4] op [geboortedatum] 1967, wonende te [plaats 5] , [adres 2] , te België.

En

[B] . geboren te [plaats] op [geboortedatum 2] 1959, wonende te [postcode] [plaats] ,

[adres] , te Nederland.

Op 02 januari 2014 word het volgende overeengekomen tussen beide partijen.

[J] leent aan [B] het bedrag van 300.000 € in contanten. Het bedrag wordt ontleent aan een rente van 5 % op jaar basis. Het bedrag zal door [B] volledig terug betaald worden ten laatste op 02 januari 2016.

Het geleende bedrag is betaald in contanten gezien de gelden gebruikt worden voor handel in voertuigen en toebehoren.

Bij het niet naleven van deze overeenkomst zal er een nalatigheidsintrest worden aangerekend van 5 % op jaarbasis.

De gelden werden overgedragen en geteld door beide partijen op het adres gelegen te [postcode] [plaats] , [adres] .

Voor akkoord Voor akkoord

[J] [B]

[Handtekening] [Handtekening]”

2.9.

In het door de Inspecteur opgemaakte verslag van het gesprek van 16 februari 2015 met de echtgenote van de heer [H] , is onder meer het volgende vermeld:

“Wij hebben mevrouw [getuige] de navolgende vragen gesteld:

1. Hoe voorzag uw overleden echtgenoot, de heer [H] , in zijn levensonderhoud? Met welke activiteiten hield hij zich bezig?

Antwoord:

Mevrouw [getuige] had geen idee wat [H] eigenlijk deed. Sinds medio 2012 woonde hij in E [Hof: de woonplaats is gedeeltelijk zwart gemaakt. Het Hof zal die passages voor zover relevant aanduiden met […]] samen met twee van zijn zonen uit zijn tweede huwelijk en hield hij zich met een van hen bezig met de aan- en verkoop van olie (termijnhandel).

Tot die tijd hadden zij het financieel erg moeilijk, maar door de oliehandel kreeg [H] het financieel een stuk beter. (…)

2. Woonde u samen met de heer [H] of woonde [H] ergens anders?

Antwoord:

Mevrouw [getuige] en de heer [H] kenden elkaar sinds 2005. Zij hebben een tijd samengewoond in de huidige woning van mevrouw [getuige] in [plaats 2] .

[H] is daar medio 2012 vertrokken, omdat hij het niet kon vinden met de kinderen van mevrouw [getuige] . Hij is toen samen met twee van zijn zonen uit zijn tweede huwelijk in […] gaan wonen (…). Mevrouw [getuige] logeerde in de weekenden steeds bij [H] in […]. Op 30 augustus 2013 zijn zij in [plaats 6] met elkaar in het huwelijk getreden.

(…)

5. U bent op 30 augustus 2013 in [plaats 6] gehuwd met de heer [H] , onder huwelijkse voorwaarden. Hiervan is een inbrengstaat opgemaakt. (…) Blijkt hieruit dat uw overleden echtgenoot op dat moment een vordering had op de heer [B] in [plaats] ?

Antwoord:

Van de inbrengakte hebben wij een fotokopie ontvangen.

Hieruit blijkt NIET dat [H] vorderingen op derden had. Volgens mevrouw [getuige] was [H] niet vermogend.

Althans, daar is haar nooit iets van gebleken.

Hij had het sinds medio 2012 wel wat beter en had een redelijk gevulde portemonnee, maar haar is nooit iets gebleken van grote sommen geld of van contacten met derden, waarbij grote bedragen werden genoemd. Wel was zijn woning in […] mooi en luxueus ingericht. Volgens mevrouw [getuige] had [H] ook geen kluis in zijn of haar huis of bij de bank.

(…)

8. Bent u op de hoogte van een door uw overleden echtgenoot, de heer [H] , aan de heer [B] te [plaats] verstrekte geldlening?

Antwoord:

Nee, zoals reeds eerder vermeld, was [H] volgens mevrouw [getuige] niet vermogend en had hij van niemand geld tegoed. Van een vordering op [B] of op anderen is haar dan ook helemaal niets bekend. Zij heeft hier nooit iets over gehoord of van gemerkt.

Begin 2011, toen de lening aan [B] zou zijn verstrekt, had [H] het financieel zeer zwaar en kon maar met moeite voorzien in zijn levensonderhoud. Het lijkt mevrouw [getuige] dan ook onmogelijk dat hij in die periode contant € 300.000 aan [B] zou hebben verstrekt.”

2.10.

In een vaststellingsovereenkomst van 18 juli 2013 is het volgende vermeld:

“VASTSTELLINGSOVEREENKOMST

De vennootschap onder firma [C] V.O.F. (…) is op 6 februari 1996 aangegaan tussen de firmanten:

1. [B] , geboren op [geboortedatum 2] 1959 (…) datum van in functie treden 6 februari 1996

2. [D] , geboren op [geboortedatum 3] 1978 (…); datum van in functie treden 6 februari 1996

3. [A] , geboren op [geboortedatum 4] 1987 (…); datum van in functie treden 1 januari 2006 en feitelijk (maar niet formeel) uitgetreden per 1 januari 2013.

Tussen firmanten is verschil van mening ontstaan, waardoor het wenselijk wordt geacht om de samenwerking binnen genoemde vennootschap onder firma te beëindigen.

Teneinde deze beëindiging daadwerkelijk tot stand te brengen, is een balans opgesteld per 31 december 2012, waarbij alle activa en passiva van [C] V.O.F. zijn opgenomen tegen de waarde in het economisch verkeer.

Vervolgens is voor elk van de firmanten vastgesteld tot welk deel van het ondernemingsvermogen (dat is vastgesteld als de resultante van bezittingen minus schulden) ieder van hen gerechtigd is.

De verdeling naar de firmanten zal daarna als volgt plaatsvinden:

a. door de firmant [D] zal het volgende uit de firma worden verworven:

1. de werkplaats met ondergrond, staande en gelegen aan [adres 3] 40 en 42 te [postcode] [plaats]

2. € 125.000 in contanten, te voldoen uiterlijk binnen vier weken na heden

c. alle overige activa en passiva verblijven aan de firmant [B] en deze zal de afwikkeling van de huidige vennootschap onder firma, alsmede de afrekening met de firmant [A] voor zijn rekening nemen.

Nadat verdeling van de activa en passiva op bovenomschreven wijze heeft plaatsgevonden zal afwikkeling van de vennootschap onder firma plaatsvinden middels inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Firmanten hebben vervolgens niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar nu voor alsdan finale kwijting.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Inspecteur terecht de omzetbelasting nageheven wegens een in de kas ontbrekend bedrag?

2. Is de boete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor dat wat hieraan op zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Inspecteur en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Naheffingsaanslag

4.1.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van de onder 2.7 bedoelde administratieve kasstortingen tot de winst van de onderneming behoort, maar daaraan door de vennoten is onttrokken.

4.2.

Belanghebbende bestrijdt het bestaan van een negatief kassaldo. Volgens belanghebbende heeft [B] in januari 2011 in privé een bedrag van € 300.000 geleend van de heer [H] en dit bedrag in de kas van de Vof gestort, maar is deze lening ten onrechte niet in de kasadministratie verwerkt. Belanghebbende stelt dat zij pas in 2015 ontdekte dat de lening niet in de boekhouding was verwerkt. De boekhouder heeft aan het einde van het jaar 2011 geconstateerd dat kasgelden ontbraken in de kas. Hij heeft dit kassaldo gecorrigeerd door, naar belanghebbende stelt, zonder overleg met belanghebbende kasstortingen te boeken. Hij had – aldus belanghebbende – echter alsnog het bedrag van de in januari afgesloten lening moeten boeken.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat op de Inspecteur, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, de bewijslast rust van de feiten en omstandigheden waaraan volgens hem, in onderlinge samenhang bezien, de gevolgtrekking moet worden verbonden dat sprake is van een negatief kassaldo en daarmee van niet in de omzet verantwoorde bedragen.

4.4.

In aanmerking genomen dat volgens belanghebbende sprake is van een lening die door [B] ten behoeve van belanghebbende is afgesloten, is het, zoals de Inspecteur terecht stelt, opmerkelijk dat pas in 2015 wordt geconstateerd dat de lening niet in de boekhouding van 2011 was opgenomen en dat de boekhouder eind 2011 eigenhandig kasstortingen vanuit privé boekt, waarvan belanghebbende stelt geen kennis te dragen. In de onder 2.10 vermelde vaststellingsovereenkomst in verband met de beëindiging van de samenwerking tussen de vennoten in de Vof is evenmin rekening gehouden met deze lening. De lening is ook niet opgenomen in de jaarrekening over 2013, die is gebruikt voor de op 10 december 2014 ingediende aangifte inkomstenbelasting. De lening is volgens belanghebbende op 3 januari 2014 afgelost door [B] en ter voldoening van dat bedrag heeft hij de onder 2.8.3 vermelde lening bij [J] afgesloten.

De echtgenote van de heer [H] heeft bovendien op 16 februari 2015 tijdens een gesprek met de controlerend ambtenaren verklaard dat de heer [H] “het begin 2011 financieel zwaar had” en het haar dan ook onmogelijk lijkt dat de heer [H] op die datum € 300.000 kon lenen aan [B] . Zij heeft tijdens het onderzoek ter zitting als getuige verklaard dat de heer [H] en zij op 3 januari 2011 samenwoonden, dat het de bedoeling was dat hij elders ging wonen maar dat dat niet lukte omdat er voor hem niet voldoende inkomsten waren en hij onvoldoende geld had daarvoor.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de onder 2.8.1 weergegeven schriftelijke overeenkomst van geldlening in werkelijkheid geen juridisch afdwingbare verplichtingen bevat en dat door de heer [H] op 3 januari 2011 in werkelijkheid niet een bedrag van € 300.000 in de vorm van een lening is verstrekt aan [B] . Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat de Overeenkomst veeleer lijkt te zijn opgesteld om de indruk te wekken dat sprake is van een zakelijke lening onder tussen deze partijen zakelijke voorwaarden, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is. Belanghebbende heeft dat wat de Inspecteur heeft aangevoerd niet dan wel onvoldoende weerlegd. In het midden kan dan ook blijven of de onder 2.8.1 weergegeven schriftelijke overeenkomst van geldlening daadwerkelijk door de heer [H] is ondertekend.

4.5.

De Inspecteur heeft bij de berekening van de omvang van de negatieve kas het kassaldo per 31 december 2010 als uitgangspunt genomen. In dit kassaldo zijn, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, de correcties verwerkt die voortvloeiden uit het boekenonderzoek over de periode 2007 tot en met 2010. De Inspecteur mocht daarom naar het oordeel van het Hof in redelijkheid uitgaan van het kassaldo op 31 december 2010. De beginbalans voor het jaar 2011 sluit daarmee op juiste wijze aan bij de eindbalans van 2010. Belanghebbende heeft zich ten aanzien van het kassaldo op 31 december 2010 op het standpunt gesteld dat dat kassaldo – gelet op de bevindingen naar aanleiding van het eerdere boekenonderzoek – niet correct is, maar heeft deze stelling niet nader onderbouwd, althans daarmee is niet weersproken de stelling van de Inspecteur dat de eerder vastgestelde tekortkomingen zijn verwerkt in dat kassaldo. Aangezien partijen – behoudens de hiervoor besproken stelling met betrekking tot de geldlening – niet van mening verschillen over het eindsaldo van de kas van belanghebbende, is het bedrag van de negatieve kas door de Inspecteur op juiste wijze berekend.

4.6.

Aangezien niet aannemelijk is dat het negatieve kassaldo is ontstaan door het ten onrechte niet in de kasadministratie verwerken van een geldlening van € 300.000 en belanghebbende ook overigens geen verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van dit bedrag in kas, acht het Hof aannemelijk dat het ontbrekende kasgeld van € 294.554,73 door de vennoten aan de winst van de Vof is onttrokken. De Inspecteur heeft terecht 40%, het winstaandeel van belanghebbende, van dit bedrag tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende gerekend.

Boete

4.7.

De boete is zoals volgt uit het exploot van betekening aan belanghebbende medegedeeld op 19 januari 2015, 11.52 uur. Tijdens de zitting heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat de aankondiging van de naheffingsaanslag op 19 januari 2015, om 11.54 uur is uitgereikt en de naheffingsaanslag op 19 januari 2015, om 11.57 uur. In het licht hiervan acht het Hof aannemelijk dat de boete correct en vóór de bekendmaking van de naheffingsaanslag is aangekondigd.

4.8.

Belanghebbende stelt dat de Vof per 31 december 2012 is ontbonden, zodat geen boete kan worden opgelegd. en verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655.

4.9.

In het genoemde arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“Indien ten tijde van het instellen van de strafvervolging uit de stukken het rechtstreekse en ernstige vermoeden rijst dat de rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit voor het instellen van de vervolging was ontbonden, is de officier van justitie gehouden tot een nader onderzoek ter zake (zie HR 16 november 2010, nr. 07/12758, ECLI:NL:HR:2010:BM3630, NJ 2010/625). Overeenkomstige toepassing daarvan in het bestuurlijke boeterecht brengt mee dat het opleggen van een bestuurlijke boete aan een rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit (zoals een vennootschap onder firma) die is ontbonden, slechts mogelijk is in gevallen waarin de kennisgeving van het voornemen tot boeteoplegging – of bij het ontbreken van een voorafgaande kennisgeving: het opleggen van de boete zelf - heeft plaatsgevonden voordat de ontbinding van die rechtspersoon of entiteit voor derden kenbaar was (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister). In de overige gevallen leidt kenbaarheid van de ontbinding voor derden ertoe dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan de ontbonden rechtspersoon of entiteit vervalt.

4.10.

Zoals volgt uit een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van 6 november 2015 is de Vof op die datum nog actief en bestaat de Vof uit drie vennoten, te weten [B] , [D] en [A] . Uit dit voor derden kenbare stuk volgt niet dat de Vof ontbonden is. Ter zitting is naar voren gekomen dat de onderneming van belanghebbende op de website tot op heden wordt gepresenteerd als [C] vof. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat voor derden kenbaar was dat de Vof was ontbonden op het moment van opleggen van de boete. Haar beroep op het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017 kan haar dan ook niet baten. Gelet hierop was de Inspecteur bevoegd de boete op te leggen.

4.11.1.

De Rechtbank heeft in r.o. 4.8 ten aanzien van de boete onder meer het volgende overwogen:

“(…) In de aan belanghebbende gezonden kennisgeving van de boete met dagtekening 19 januari 2015 heeft de inspecteur – kort weergegeven – als motivering voor de boete gegeven dat belanghebbende, ondanks eerdere waarschuwingen, geen kasadministratie bijhield, terwijl dit, gezien de aard van de onderneming, wel vereist was en dat het negatieve kassaldo aanvankelijk was weggewerkt met stortingen in contanten waarvan de herkomst onbekend was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee bewezen dat belanghebbende verwijtbaar nalatig is geweest in het voeren van een deugdelijke administratie en dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat daardoor te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. De inspecteur heeft, op grond van artikel 67f van de AWR en met inachtneming van paragraaf 28 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst, terecht een boete van 25 procent opgelegd. Wel dient de boete, overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag, te worden verminderd tot

€ 12.305 (25% van € 49.222; zie 4.7). Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een wanverhouding tussen voormelde boete en het beboete feit. Wel vindt de rechtbank aanleiding de boete verder te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Uitgaande van de aankondiging van de boete op 12 december 2014 is de redelijke termijn bij het doen van uitspraak in deze zaak met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden overschreden. Daarvan uitgaande dient de boete te worden verminderd met 10% (€ 1.231) tot € 11.074.”

4.11.2.

Het Hof acht deze overweging juist en maakt die tot de zijne. Tussen het moment van indiening van het hoger beroep, 24 augustus 2017, en de onderhavige uitspraak zijn minder dan twee jaren verstreken, zodat de redelijke termijn van twee jaren voor de behandeling van het hoger beroep niet is overschreden.

4.12.

De stelling van belanghebbende dat sprake is van dubbele beboeting, wat er van die stelling ook zij, vindt geen steun in de vaststaande feiten, aangezien de aan [B] voor de inkomstenbelasting 2011 opgelegde boete is verminderd tot nihil.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 25 apil 2019 door M.J.C. Pieterse, voorzitter, A.J. Kromhout en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.