Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1566

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
17/00005 t/m 17/00021
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8929, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking I. Tijdens de uitreiking van direct invorderbare aanslagen in de woning van belanghebbende is met instemming van de echtgenote van belanghebbende een ordner meegenomen uit de woning. Het Hof stelt vast dat de stukken in de ordner aan de advocaat in zijn hoedanigheid van advocaat waren toevertrouwd, zodat deze zich terecht heeft beroepen op het verschoningrecht. De Inspecteur was daarom niet bevoegd om vragen te stellen naar aanleiding van de informatie uit de ordner. Het Hof vernietigt informatiebeschikking I. Informatiebeschikking II wordt gedeeltelijk vernietigd, omdat een deel van de vragen onvoldoende concreet weergeven welke informatie de Inspecteur wenst te verkrijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-07-2019
V-N Vandaag 2019/1515
FutD 2019-1759 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2019/1687 met annotatie van Ludwijn Jaeger
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00005 t/m 17/00021

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 november 2016, nummers BRE 15/3497 tot en met 15/3513, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te melden informatiebeschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 24 november 2014 en 22 december 2014 informatiebeschikkingen gegeven. De tegen deze informatiebeschikkingen door belanghebbende gemaakte bezwaren zijn bij uitspraken van de Inspecteur ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is tegen elk van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft deze beroepen geregistreerd onder de nummers 15/3497 tot en met 15/3513. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar en de informatiebeschikkingen vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.472 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en zijn brief van 30 augustus 2017 heeft belanghebbende – uiteindelijk - verzocht om 1) de integrale versie van het proces-verbaal van 25 februari 2014 van het Integraal Afpakteam Brabant, 2) het proces-verbaal van de Financial Intelligence Unit (FIU), waarnaar wordt verwezen op pagina 1 van het proces-verbaal van de politie van 22 oktober 2013, dat is ondertekend door de heer [H] ; en 3) de gegevensuitwisseling tussen het Afpakteam en de Inspecteur.

1.5.

De Inspecteur heeft een zienswijze op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep aan het Hof doen toekomen. Daarin heeft de Inspecteur voor wat betreft het niet geheel ongeschoonde overgelegde proces-verbaal van het Afpakteam primair gesteld dat het geen op de zaak betrekking hebbend stuk is en subsidiair dat gewichtige redenen geheimhouding of beperkte kennisneming van dit proces-verbaal rechtvaardigen.

1.6.

Gelijktijdig met zijn zienswijze heeft de Inspecteur een gesloten envelop met de

ongeschoonde versie van een proces-verbaal van het Afpakteam van 25 februari 2014 aan de

geheimhoudingskamer van het Hof (hierna: de Geheimhoudingskamer) overgelegd. Bij het stuk is een brief gevoegd waarin het

verzoek om geheimhouding van het proces-verbaal is toegelicht.

1.7.

Naar aanleiding van dit standpunt van de Inspecteur, heeft het Hof de zaak in handen

gesteld van de Geheimhoudingskamer.

1.8.

De Geheimhoudingskamer heeft op 13 april 2018 uitspraak gedaan en daarbij beslist dat

 de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van (delen van)

de aan de Geheimhoudingskamer overgelegde stukken deels gerechtvaardigd zijn;

 de Geheimhoudingskamer niet heeft kunnen vaststellen dat de Inspecteur met

betrekking tot de gegevensuitwisseling tussen de Inspecteur en het Openbaar Ministerie

(Officier van Justitie) wel beschikt over stukken waarin de gegevensuitwisseling is vastgelegd;

 dat het niet geheel overleggen van het ongeschoonde proces-verbaal van het

Afpakteam gerechtvaardigd is; en

 dat het niet overleggen van het gehele ongeschoonde proces-verbaal van de FIU van 22 oktober 2013 niet gerechtvaardigd is.

De Geheimhoudingskamer heeft daarbij de Inspecteur verzocht om binnen acht weken na verzending van de uitspraak aan de Geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is het gehele ongeschoonde proces-verbaal van de FIU alsnog in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van acht weken.

1.9.

De Geheimhoudingskamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige Kamer die de hoofdzaak behandelt en de procesdossiers, met uitzondering van de aan de Geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde stukken, in handen gesteld van die Kamer.

1.10

Bij brief van 6 juni 2018 heeft de Inspecteur gevolg gegeven aan de uitspraak van de Geheimhoudingskamer.

1.11.

De zitting heeft plaatsgehad op 23 november 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Op deze zitting zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [E] .

1.12.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.13.

De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota gevoegde e-mail van 23 april 2014.

1.14.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.15.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is van Turkse afkomst. Hij woont in Nederland en is gehuwd. Zijn echtgenote (hierna: de echtgenote) is van Marokkaanse afkomst. Belanghebbende heeft tot ongeveer 2009 in [plaats 1] een onderneming gedreven onder de naam “ [X] ”, bestaande uit de handel in bad- en bedtextiel. Hij heeft voor de jaren 2009 tot en met 2011 in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) verliezen uit de onderneming aangegeven, die naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2013 niet door de Inspecteur zijn geaccepteerd. Ook na deze correcties waren zijn belastbare inkomens uit werk en woning over deze jaren nihil.

2.2.

Belanghebbende is in 2009 gewond geraakt als gevolg van een vliegtuigongeluk met een Boeing van Turkish Airlines nabij Schiphol. Hij heeft in verband daarmee in Amerika een schadeclaim ingediend tegen zowel Boeing als Turkish Airlines. De door Boeing en Turkish Airlines toegekende schadevergoedingen bedragen $ 2.750.000 respectievelijk € 84.134,83. In 2009 en 2010 heeft belanghebbende in totaal € 84.134,83 ontvangen van Turkish Airlines. Na aftrek van advocaatkosten is ter zake van de claim tegen Boeing $ 2.000.738 in 2012 aan belanghebbende uitgekeerd (hierna: de uitkering). In de aangiften IB/PVV zijn beide schadevergoedingen niet vermeld.

2.3.

In 2012 heeft belanghebbende een BMW gekocht die hij gedeeltelijk contant heeft betaald. Deze transactie is in 2013 gemeld op grond van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (Mot-melding) waarna de FIOD-medewerkers van het Integraal Afpakteam Brabant (hierna: het Afpakteam) een onderzoek zijn gestart.

2.4.

Op 20 december 2013 heeft de Inspecteur, de heer [E] (hierna: [E] ), schriftelijke vragen gesteld aan belanghebbende over de financiering van de aan belanghebbende toebehorende onroerende zaken, de aanschaf van de BMW en overige inkomsten en uitgaven. De accountant van belanghebbende, [de accountant] (hierna: [de accountant] ) heeft de Inspecteur bij brief van 21 december 2014, door de Inspecteur ontvangen op 27 januari 2014, geïnformeerd over de uitkering.

2.5.

Bij brief van 5 februari 2014 heeft de Inspecteur ( [E] ) de onbeantwoorde vragen van zijn brief van 20 december 2013 herhaald en nadere vragen gesteld over de financiering van de onroerende zaken die al op 1 januari 2012 op de naam van belanghebbende stonden, de inkomsten uit (in Turkije gelegen) onroerende zaken, de uitkering, eventuele andere vervoersmiddelen dan de BMW en overige inkomsten en uitgaven.

2.6.

Bij brief van 28 februari 2014 heeft [de accountant] gereageerd. In de brief heeft hij vermeld dat aan [het advocatenkantoor] in [plaats 2] (hierna: [het advocatenkantoor] ) is gevraagd om op de vragen over de uitkering te reageren.

2.7.

Bij brief van 18 maart 2014 heeft de Inspecteur ( [E] ) een opsomming gegeven van gegevens die nog ontbraken, verwezen naar de informatieverplichting van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2012 aangekondigd met een correctie van € 2.149.940 (de uitkering vóór aftrek van advocaatkosten, tegen de wisselkoers van de euro op 1 maart 2012). [de accountant] heeft daarop gereageerd bij brief van 26 maart 2014 en gevraagd om een gesprek, dat heeft plaatsgevonden op 10 april 2014. Daarbij was ook belanghebbende aanwezig. Belanghebbende heeft gezegd dat hij niets op papier had over de uitkering en er verder niets over te vertellen had. De Inspecteur ( [E] ) heeft tijdens het gesprek aangeboden zelf contact op te nemen met [het advocatenkantoor] .

2.8.

Naar aanleiding van een telefoongesprek met de Inspecteur heeft [het advocatenkantoor] de settlement demand (zijnde de claim zoals die is ingediend in Amerika, hierna: de settlement demand) aan belanghebbende gestuurd met een begeleidende brief gedagtekend 22 april 2014. In deze brief staat – kort weergegeven - dat de settlement demand is ingediend in het kader van mediation, dat dit soort claims altijd hoger wordt ingezet dan waar in werkelijkheid overeenstemming over wordt verkregen en dat het verschil tussen de toegekende uitkering van $ 2.750.000 en het uitbetaalde bedrag van $ 2.000.761,83 betrekking heeft op betalingen aan de advocaten vanwege het “no cure no pay” contract dat belanghebbende had getekend.

2.9.

In de settlement demand staat onder meer het volgende:

“Prior to the disaster, [belanghebbende] was a healthy and dynamic entrepreneur who counted retail and real estate investment among his varied business endeavors. He operated multiple commercial operations and owned several properties in the Netherlands and Turkey. His retail shop in the Netherlands sold textiles, gifts, and furnishings that he imported from Turkey. His business interests in Turkey included a yacht charger operation and real estate investments. In the two plus years since the crash, he has liquidated his inventory, closed all business operations, and sold off two properties to cover living expenses, supplemented by advance payments from Turkish Airlines.

[Belanghebbendes] financial records show that his average earnings, or funds available for support of his family, exceeded € 100,000 annually. (…)”

2.10.

Op 8 juli 2014 bezoekt een delegatie van het Afpakteam de woning van belanghebbende. Tijdens dit bezoek wordt een schriftelijke aankondiging van boeten voor de jaren 2009, 2010 en 2012 en worden navorderingsaanslagen IB/PVV uitgereikt over de jaren 2009, 2010 en 2012 waarbij de van Turkish Airlines (in 2009 en 2010) en Boeing (in 2012) ontvangen bedragen worden belast als inkomen uit werk en woning. Tevens is daarbij aangegeven dat voormelde aanslagen dadelijk en ineens invorderbaar zijn verklaard.

2.11.

De delegatie die het bezoek bracht aan de woning, bestond uit twee deurwaarders van de belastingdienst, zijnde [A] (hierna: [A] ) en [B] (hierna: [B] ), twee politierechercheurs, zijnde [C] (hierna: [C] ) en

[D] (hierna: [D] ) en een vertegenwoordiger van het Afpakteam, [E] . [E] is de persoon die als Inspecteur de onder 2.4, 2.5, 2.7 vermelde brieven en de in 2.10 vermelde aankondigingen heeft geschreven. Hij was ook aanwezig bij de bespreking op 10 april 2014 (zie 2.7) en heeft het in 2.8 vermelde telefoongesprek gevoerd met [het advocatenkantoor] . [E] is belastinginspecteur. [E] heeft verklaard ook een beperkt ontvangersmandaat te hebben. Tot de stukken behoort een uittreksel uit het bevoegdhedenregister van de Belastingdienst ten name van [E] waarop - voor zover hier van belang - staat vermeld:

Positien...

Product

Contractbegin

Contracteinde

Positietype

Status

1

Legitmatiebewijs mandaten

18.03.2016

18.03.2021

Wel afdruk

Pas verzonden

2

Insp. met beperkte ontvangersbevoegd…

19.05.2011

18.03.2021

Wel afdruk

In bewerking

2.12.

Bij het huisbezoek was belanghebbende niet aanwezig. Zijn echtgenote was er wel. De ambtenaren van de delegatie zijn door haar binnengelaten. Vier van de vijf personen die bij het bezoek aanwezig waren, zijnde [A] , [B] , [D] en [E] zijn door de Rechtbank als getuige gehoord. [E] en de twee politierechercheurs ( [C] en [D] ) hebben daarnaast een schriftelijk verslag gemaakt van het bezoek. Tijdens het huisbezoek is onder meer een kast geopend waarin 13 ordners stonden en een paar plastic mappen met administratie. [E] heeft de ordners ter plaatse ingezien en heeft ze vervolgens meegenomen om ze op kantoor te bekijken. Een papier met een overzicht van de meegenomen stukken is door de echtgenote voor akkoord ondertekend. Een van de ordners droeg een etiket waarop stond: "25. Febr. uçak kazasi hastane ve avukat bilgileri” (vertaling: “25 februari vliegtuigcrash en het ziekenhuis advocaat informatie”, hierna: de ordner). In de ordner zat onder meer correspondentie tussen belanghebbende en [het advocatenkantoor] . De ordners zijn op 25 juli 2014 aan belanghebbende geretourneerd.

De informatiebeschikking van 24 november 2014

2.13.1.

Tegen de navorderingsaanslagen en boeten is bij brieven van 23 juli 2014 bezwaar gemaakt. Bij brief van 1 oktober 2014 heeft de Inspecteur ( [B] ) aangekondigd de beslistermijn te verdagen, heeft hij onder verwijzing naar artikel 47 AWR (aanvullende) vragen gesteld en heeft hij gevraagd vóór 18 oktober 2014 de gevraagde informatie te verstrekken en te reageren op de vragen. De vragen staan verspreid in de brief en luiden:

"1.6. (...) a: Graag ontvang ik van u een ook door [belanghebbende] ondertekend afschrift van deze koopovereenkomst uit 2011, waarna wordt verwezen in de notariële akte van levering van [datum] 2012. (...)

2.0

a: (…) wil ik graag van u vernemen op welke wijze de lening aan de heer [F] is verstrekt. Ik verzoek u daartoe de benodigde schriftelijke vastleggingen en de betreffende bankafschriften te overleggen.

b. (…) Graag ontvang ik daarom van u alle overeenkomsten van geldleningen tussen [belanghebbende] en zijn familieleden, welke zijn verantwoord in box 3 van de aangiften inkomstenbelasting 2009 tot en met 2013.

c. (…) Graag ontvang ik van u het betreffende echtscheidingsconvenant.

d. Graag ontvang ik van u de in de DISTRIBUTION MEMO FOR KREINDLER & KREINDLER aangehaalde financiële vastleggingen van [belanghebbende].

(...) a. Mocht u over meerdere vastleggingen of informatie beschikken over de zowel van Turkish Airlines als van Boeing ontvangen schadevergoedingen dan alleen de Settlement Demand, dan zou ik deze informatie graag van u ter inzage willen ontvangen.”

2.13.2.

In de brief van 1 oktober 2014 zijn de volgende vragen naar aanleiding van het settlement demand opgenomen:

“3. Opvragen nadere informatie: (…)

a. Volgens de Settlement Demand heeft [belanghebbende] activiteiten verricht en bezittingen in Turkije (yacht charger (bedoeld zal zijn: charter) operation and real estate investment). Dit blijkt niet uit de door of namens [belanghebbende] in Nederland ingediende aangiften inkomstenbelasting, terwijl hij hier toch voor zijn gehele wereldinkomen belast is. Graag ontvang ik daarom van u een volledig overzicht over de periode 1 januari 2009 tot en met heden van de Turkse activiteiten en bezittingen van [belanghebbende], alsmede van de resultaten welke hij hiermee heeft behaald.

b. Tevens zou ik graag van u willen vernemen of, en zo ja in hoeverre, [belanghebbende] in Turkije belastingen heeft betaald over zijn inkomsten en vermogen, over de periode 1 januari 2009 tot en met heden.

c. In de Settlement Demand wordt gesproken over € 100.000 netto-inkomsten, die [belanghebbende ] jaarlijks ter beschikking zou hebben om zijn gezin te onderhouden. Graag ontvang ik van u een zo volledig en compleet mogelijke onderbouwing van deze netto-inkomsten over de periode 1 januari 2009 tot en met heden.”

2.13.3.

In de brief van 1 oktober 2014 zijn tevens de volgende, niet genummerde, vragen opgenomen:

“In het bezwaarschrift betreffende het jaar 2012 merkt u onder punt 4.4 op dat de inkomsten die belastingplichtige heeft geraamd, in het kader van de onderhandelingen met Boeing “ruim geschetst” zijn. Als gedaagde zal Boeing toch wel om een gespecificeerde, met bewijsstukken onderbouwde, claim verzocht hebben, zoals uit de DISTRIBUTION MEMO FOR KREINDLER & KREILDLER (pagina 4 “ [belanghebbende] ’ financial records show”) mag blijken? Genoemde € 100.000 per jaar zijn nooit in enige aangifte opgenomen. Kwader trouw / bewust doen van onjuiste (niet vereiste) aangifte kan hier dus een rol gaan spelen. Of moet de Belastingdienst nu maar aannemen dat Boeing zonder meer genoegen heeft genomen met de enkele, niet nader onderbouwde, verklaring dat er sprake was van een forse inkomstenderving en dat deze schatting dus op gebakken lucht berust? Waarom draagt de heer [belanghebbende] deze inkomstenderving aan als er nagenoeg uitsluitend sprake is van immateriële letselschade?”

2.14.

Bij brief van 17 oktober 2014 zijn namens belanghebbende verstrekt: de notariële akte van geldlening aan [F] , het koopcontract van een woning waarvoor belanghebbende geld had geleend bij familie, een aantal geldleningsovereenkomsten met familie en het echtscheidingsconvenant. Tevens is bijgevoegd de al eerder toegezonden brief van [het advocatenkantoor] van 22 april 2014 (zie 2.8) over het verloop van de onderhandelingen en de uiteindelijke afrekening van de schadevergoeding.

2.15.

Bij brief van 13 november 2014, kenmerk [kenmerk] , heeft de Inspecteur, onder verwijzing naar de inhoud van de ordner, de volgende aanvullende vragen gesteld:

“(…) In verband hiermee zou ik graag het volgend van u willen vernemen:

a. In de “voorlopige schadestaat” wordt bij onderdeel 12 gesproken over arbeidskundige rapportages van de heer [J] . Ik verzoek om inzage in deze rapportages.

b In de brief van 17 januari 2011 van [het advocatenkantoor] wordt gesproken over een financiële analyse van de heer [J] . Ik verzoek u om inzage in deze financiële analyse.

c. In de brief van 17 januari 2011 van [het advocatenkantoor] wordt gesproken over het argument dat er naast witte inkomsten sprake was van een zwarte inkomstenstroom. En in de slot alinea wordt verzocht of de heer [belanghebbende] instemt met de definitieve rapportage “waar de bijlage is bijgevoegd”. Ik verzoek om inzage in genoemde

bijlage.

d. In het Settlement Demant van 12 april 2012 wordt gesproken over “ [belanghebbende] ’ financial records show that his average earnings, or funds available for support of his family, exceeded € 100.000 annually. Ik verzoek om inzage in genoemde “financial records”

2.16.

Bij brief van 20 november 2014 heeft belanghebbende geweigerd deze informatie te verstrekken met als motivering dat de ordner onrechtmatig is verkregen en de stukken waar de Inspecteur naar vraagt onder het verschoningsrecht van [het advocatenkantoor] vallen.

2.17.

Met dagtekening 24 november 2014 is de eerste informatiebeschikking gegeven. De beschikking luidt - voor zover hier van belang - :

“Deze informatiebeschikking, gebaseerd op artikel 52a van de [AWR], wordt aan u afgegeven omdat u, ook na herhaald verzoek, niet heeft voldaan aan uw informatieverplichting als bedoeld in de artikelen 47 tot en met 52 AWR. De vaststelling dat u niet heeft voldaan aan bovengenoemde informatieverplichtingen is gegrond op de volgende constateringen.

Naar aanleiding van de behandeling van de bezwaarschriften tegen de aan u opgelegde navorderingsaanslagen (…) 2009, 2010 en 2012 heb ik op 1 oktober 2014 en op 13 november 2014 brieven gestuurd (…). De in de brieven gesteld vragen zijn echter niet binnen de gestelde termijn beantwoord en de gevraagde stukken en bescheiden zijn niet verstrekt. U heeft dus niet aan mijn informatieverzoeken voldaan.(…)”

2.18.

Belanghebbende heeft bij brief van 11 december 2014 bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. In de uitspraak op bezwaar is de informatiebeschikking gehandhaafd.

De informatiebeschikking van 22 december 2014

2.19.

Bij brief van 13 november 2014, kenmerk “ [kenmerk] -inkomsten/vermogen

buitenland”, heeft de Inspecteur, in de persoon van [E] , aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd betreffende in het buitenland opgekomen en/of gehouden inkomsten en vermogen. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Op 8 juli 2014 heb ik met toestemming van uw echtgenote vanaf uw woonadres een ordner meegenomen met het etiket “25. Febr. uçak kazasi hastane ve avukat bilgileri”, welke ik op 25 juli 2014 weer heb terugbezorgd bij mevrouw [K] van het kantoor [L] in [plaats 1] . In deze ordner zit onder andere correspondentie die u heeft gevoerd met [het advocatenkantoor] .

Uit deze correspondentie maak ik op dat u de beschikking heeft of heeft gehad over aantoonbare zwarte inkomstenstromen vanuit uw ondernemingen in Turkije (jachtenverhuurbedrijf, vakantieappartementen) en in Nederland en over een substantiële hoeveelheid spaargeld. De ondernemingen in Turkije zou u hebben moeten verkopen. (…)

In genoemde ordner heb ik onder andere de navolgende zinsneden aangetroffen:

• Voorlopige schadestaat [het advocatenkantoor] , punt 12: “Aan de hand van arbeidskundige rapportages is aangetoond dat er sprake was van zwarte inkomsten.”, “Als bijlage 5 wordt overgelegd een financieel overzicht….zodat het tekort uitkomt op (afgerond € 6.000). In het kader van de schaderegeling is cliënt bereid om… € 80.000.”

• Brief [het advocatenkantoor] van 17 januari 2011  Definitieve versie arbeidskundige rapportage [J] : “ de gemiddelde omzet die gedurende de jaren 2006 tot en met 2008 in Turkije is gemaakt (€ 56.235,--). En “dat is een argument om te stellen dat er naast de witte inkomsten sprake was van een zwarte inkomstenstroom.”

• Brief [het advocatenkantoor] van 22 juni 2010, blad 2: “Zo had hij ook een aanzienlijk bedrag gespaard. Hij wees mij op het bestaan van een substantiële hoeveelheid spaargeld….. “ Blad 3: “…dat voor een groot gedeelte is gebaseerd op zwarte inkomsten.”

• Keuring [het advocatenkantoor] / [belanghebbende] , pag. 10: “Hij had een onroerend goedbedrijf in Turkije (vakantieappartementen en zeejachten), en… Beide bedrijven heeft hij… moeten verkopen.”

In verband met het vorenstaande verzoek ik u om mij (…) alle informatie te verstrekken over uw inkomsten en vermogensbestanddelen over de jaren 2001 tot en met 2014, welke in het buitenland zijn opgekomen en/of gehouden en welke u buiten het zicht van de Nederlandse Belastingdienst heeft gehouden. Ook verzoek ik u om mij (…) alle informatie te verstrekken over uw zwarte inkomsten en spaartegoeden in Nederland over de jaren 2009 tot en met 2014. Ik verzoek u om in elk geval de jaarstukken van uw Turkse ondernemingen te overleggen, de stukken en bescheiden met betrekking tot de verkoop van uw Turkse ondernemingen, een volledige overzicht van uw aantoonbare zwarte inkomsten in binnen- en buitenland en een volledig overzicht van uw substantiële spaartegoeden in binnen- en buitenland.

Tevens wil ik (..) van u de definitieve rapportage van arbeidskundige [J] ontvangen, waarover in genoemde ordner wordt gesproken.”

2.20.

Met dagtekening 28 november 2014 heeft de Inspecteur tot behoud van rechten een navorderingsaanslag IB/PVV aan belanghebbende opgelegd over het jaar 2001. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt bij brief van 11 december 2014.

2.21.

Bij brief van 11 december 2014 heeft belanghebbende geweigerd informatie te verstrekken met als motivering dat de ordner wederrechtelijk en onrechtmatig in beslag is genomen, de woning op 8 juli 2014 onrechtmatig en wederrechtelijk is binnengetreden en doorzocht en de inhoud van de ordner valt onder het verschoningsrecht en de geheimhoudingsplicht van [het advocatenkantoor] .

2.22.

Met dagtekening 22 december 2014 is de tweede informatiebeschikking gegeven. Hierin zijn de vragen herhaald die de Inspecteur in de brief van 13 november 2014 heeft gesteld, en is geconstateerd dat deze vragen niet zijn beantwoord en dat niet aan de informatieverplichtingen is voldaan.

2.23.

Belanghebbende heeft bij brief van 6 januari 2015 bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. In de uitspraak op bezwaar is de informatiebeschikking gehandhaafd.

2.24.

In een brief van 17 maart 2015 van [M] , advocaat bij [het advocatenkantoor] , gericht aan belanghebbende, is het volgende vermeld:

“Onlangs werden wij weer benaderd door de Belastingdienst die ons verzocht om stukken uit het dossier van de zaak tegen Boeing/Turkish Airlines te verstrekken. Wij hebben dit geweigerd omdat dit valt onder ons beroepsgeheim. Ik stel voor dat je je fiscale advocaat hiervan op de hoogte brengt. Zoals gezegd hebben wij nu geen enkel document aan de Belastingdienst toegestuurd. Wat ons betreft is de zaak hiermee afgedaan.”

2.25.

In de brief van de Inspecteur van 22 september 2016 is het volgende vermeld:

“Door de Financial Intelligence Unit (hierna: FIU) is vastgesteld dat belanghebbende op 12 juli 2012 een door hem aangeschaft motorvoertuig (BMW 730 Ld sedan) deels contant heeft afgerekend. Het betreft een bedrag van € 49.840 in contanten. Het proces-verbaal van de FIU is niet bijgesloten daar dit document géén betrekking heeft op de onderhavige fiscale zaak, omdat het stuk niet aan de inspecteur ter beschikking is

gesteld.

Omdat de belanghebbende antecenten heeft, komt deze FIU-melding terecht bij een FIOD-medewerker (de heer [H] ). [H] wil onderzoeken of belanghebbende de contante betaling heeft geput uit onbekend vermogen of inkomen en er als zodanig sprake zou kunnen zijn van een redelijk vermoeden van witwassen.

[H] vraagt ten behoeve van zijn onderzoek op basis van artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: Uitv.reg. AWR) informatie op bij de belastingdienst in de persoon van de heer [E] . Het gaat om de door belanghebbende bij de belastingdienst gedane aangiften omzetbelasting 2010 tot en met 2012 en inkomstenbelasting 2011 en 2012.

Nadat [H] aan de inspecteur heeft uitgelegd wat het doel is van de opgevraagde informatie, komt de inspecteur, los van het gegeven dat de belanghebbende reeds eerder aan inspecteur [N] had meegedeeld een schadevergoeding te hebben ontvangen, in de persoon van [E] te weten dat

belanghebbende in 2012 een BMW deels contant heeft afgerekend.

Op 20 december 2013 stuurt [E] daarom een vragenbrief naar belanghebbende waarin hij onder andere vraagt naar de manier van financieren van de in 2012 gekochte BMW. Ik verwijs naar punt 2 van de brief van 20 december 2013, die als algemene bijlage 3 bij mijn verweerschriften is gevoegd.

Per brief gedateerd 21-12-2014 (bedoeld is: 21 januari 2014) die op 27 januari 2014 door de inspecteur wordt ontvangen, bericht [de accountant] de inspecteur namens belanghebbende dat deze een grote schadevergoeding heeft ontvangen vanwege de vliegramp met een vliegtuig van Turkish Airlines in 2009. Ik verwijs nog eens naar algemene bijlage 4 bij eerder genoemd verweerschrift.

Deze door de inspecteur [E] verkregen informatie is, wederom op basis van art. 43c Uitv.reg.AWR onverwijld gedeeld met [H] . Na verificatie van deze mededeling van [de accountant] wordt, mede in combinatie met de bevindingen tijdens het strafrechtelijke onderzoek, op 30 januari 2014 dan ook besloten

het strafrechtelijk onderzoek te sluiten. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is wel gebleken dat de belanghebbende de door hem ontvangen schadevergoeding buiten het zicht van de Nederlandse belastingdienst rechtstreeks vanuit de Verenigde Staten heeft over laten maken naar zijn Turkse bankrekening. Na het sluiten van het strafrechtelijk onderzoek loopt er, voortvloeiend uit de op 20 december 2013 gestelde vragen, dus nog een administratief fiscaal onderzoek naar aard en omvang van de schadevergoeding alsmede de vraag in hoeverre sprake is van een fiscaal belaste component, uw rechtbank thans genoegzaam bekend.

Van het wisselen van gegevens op basis van artikel 43c van de Uitv reg AWR zijn géén vastleggingen. Tijdens regelmatige overleggen tussen de inspecteur ( [E] in dit geval) en de FIOD-medewerker (ook wel ‘keukentafelgesprekken” genoemd) worden dossiers mondeling besproken. Hiervan zijn, op mededeling van collega [E] , geen notulen en als zodanig zijn er terzake geen nadere gegevens aan uw Rechtbank te

overleggen.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de informatiebeschikkingen van 24 november 2014 en 22 december 2014 heeft gegeven.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Nu de Inspecteur gevolg heeft gegeven aan de onder 1.9 vermelde uitspraak van de Geheimhoudingskamer is niet meer in geschil dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht heeft overgelegd. In zoverre is het incidentele hoger beroep gegrond.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof ter onderbouwing van zijn standpunt de onder 1.13 vermelde e-mail van 23 april 2014 overgelegd. Belanghebbende heeft tegen het tot de gedingstukken rekenen van deze e-mail bezwaar gemaakt, omdat dit stuk in een te laat stadium van de procedure, die bovendien al geruime tijd aanhangig is, is ingebracht. Het Hof stelt voorop dat bij een afweging van het belang van de Inspecteur bij het bij de behandeling van het hoger beroep betrekken van de inhoud van voormelde e-mail tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure, het bij de behandeling van het hoger beroep betrekken van deze e-mail in dit geval niet in overeenstemming is met een goede procesorde. De Inspecteur heeft ter zitting namelijk geen feiten en omstandigheden aangevoerd met betrekking tot de late indiening van dit stuk, maar heeft erkend dat hij dit stuk eerder had kunnen en ook moeten inbrengen. Gelet hierop, zal het Hof de e-mail van 23 april 2014 als zijnde tardief ingediend niet tot de stukken van het geding rekenen.

Ten aanzien van het geschil

Informatiebeschikking van 22 december 2014

4.2.

Vaststaat dat de advocaat van belanghebbende in zijn functie van advocaat een schadeclaim heeft ingediend bij Boeing in verband met het ongeval bij Schiphol. Het Hof stelt voorop dat advocaten behoren tot de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hen in die hoedanigheid wordt toevertrouwd.

4.3.

Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 1 maart 1985, nr. 6667, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, moet de grondslag van het verschoningsrecht zoals neergelegd in artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) worden gezocht in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij vertrouwenspersonen zoals advocaten het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrij en zonder vrees voor openbaarmaking van wat wordt besproken om bijstand en advies tot zijn advocaat moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht strekt zich daarbij alleen uit tot datgene waarvan de wetenschap de advocaat van belanghebbende als zodanig, dat wil zeggen als advocaat, is toevertrouwd. Alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is medegedeeld, heeft ook als hem toevertrouwd te gelden.

4.4.

Het is in beginsel aan de advocaat om te bepalen of de informatie die aan hem is toevertrouwd onder het verschoningsrecht valt (zie onder meer Hoge Raad 25 september 1992 14.652, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690 en HR 4 juni 2013, 12/02012B, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004). De advocaat heeft in de onder 2.24 vermelde brief van 17 maart 2015 aan belanghebbende meegedeeld dat hij het verzoek van de Belastingdienst om stukken uit het dossier van de zaak tegen Boeing/Turkish Airlines te verstrekken, heeft geweigerd omdat dit valt onder het beroepsgeheim. Nu tussen partijen niet in geschil is dat alle in de ordner opgenomen stukken betrekking hebben op de procedure tegen Boeing/Turkish Airlines, heeft de advocaat ten aanzien van al deze stukken een beroep op zijn verschoningsrecht gedaan. Overigens geldt ook dat een belastingplichtige mag weigeren te voldoen aan de verplichtingen die art. 47 AWR hem oplegt met een beroep op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met de door hem benaderde geheimhouder. Het is immers van groot belang dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk een vertrouwenspersoon te raadplegen, zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan die vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd. Dit belang zou onaanvaardbaar worden geschaad indien een ieder die een geheimhouder wil raadplegen niet vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking kopieën zou kunnen bewaren van hetgeen hij aan de geheimhouder heeft toevertrouwd en hetgeen de geheimhouder hem heeft meegedeeld (vgl. HR 19 november 1985, LJN AC9105, NJ 1986/533). Derhalve moet worden aangenomen dat ook de belastingplichtige in zoverre mag weigeren aan de verplichtingen van artikel 47 AWR te voldoen met een beroep op de vertrouwelijkheid van zijn contacten met een geheimhouder (HR 27 april 2012, nr. 10/04774, BNB 2012/231).

4.5.

De Inspecteur stelt dat de advocaat geen beroep op het verschoningsrecht toekomt voor de correspondentie die hij voert met zijn cliënt in het geval deze zijn gebruikt als onderbouwing van het settlement demand en aan derden is verstrekt en is gebruikt in een civiele procedure. Voorts stelt hij dat het verschoningsrecht niet zou gelden voor stukken van de advocaat die relevant zijn voor de belastingheffing. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.6.1.

De Hoge Raad heeft in het voormelde arrest van 1 maart 1985 (zie 4.3) beslist dat bij de vraag of informatie aan de advocaat als zodanig is toevertrouwd heeft te gelden dat geen algemeen onderscheid mag worden gemaakt tussen vertrouwelijke en minder vertrouwelijke gegevens, omdat het verschoningsrecht ten doel heeft cliënten en andere belanghebbenden de zekerheid te geven dat zij vrijelijk met de advocaat kunnen communiceren. De stelling dat alle correspondentie en de aan derden in verband met een te voeren procedure verstrekte informatie als minder of niet vertrouwelijk buiten het verschoningsrecht zou moeten vallen, moet gelet hierop worden verworpen.

4.6.2.

In het geval tot de stukken die aan de advocaat als zodanig zijn vertrouwd in geen geval zouden kunnen worden gerekend de correspondentie en de stukken die van (enig) belang (kunnen) zijn voor de belastingheffing, is naar het oordeel van het Hof niet langer gewaarborgd dat een ieder zich vrij en zonder vrees voor openbaarmaking van wat wordt besproken en/of wordt geschreven om bijstand en advies tot zijn advocaat moet kunnen wenden. Voor het antwoord op de vraag of het verschoningsrecht overlegging van stukken en/of correspondentie verhindert is daarom niet van belang of deze informatie voor de belastingheffing van belang zou (kunnen) zijn. Enkel van belang is of deze stukken aan de advocaat als zodanig zijn toevertrouwd. Nu de advocaat zich voor alle stukken in de ordner op het verschoningsrecht heeft beroepen en overigens gesteld noch gebleken is dat zich in de ordner stukken bevinden die niet aan hem in de hoedanigheid van advocaat zijn toevertrouwd, danwel dat deze stukken op enige wijze zijn geopenbaard, strekt het verschoningsrecht zich uit tot alle stukken in de ordner.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat de informatie die in de ordner is opgenomen met schending van het verschoningsrecht is verkregen en daarom niet mag worden gebruikt voor de belastingheffing (HR 12 maart 1997, nr. 30.478, BNB 1997/146). Het Hof stelt vast dat elke vraag uit de brief van 13 november 2014, kenmerk “ [kenmerk] -inkomsten/vermogen buitenland”, uitsluitend berust op informatie die is opgenomen in de ordner en gelet op de onrechtmatige verkrijging van de ordner door de Inspecteur niet had mogen worden gesteld. Van schending van de in artikel 47 van de AWR opgenomen verplichting is gelet op het voorgaande geen sprake. De informatiebeschikking van 22 december 2014 is ten onrechte gegeven en moet worden vernietigd. Aan de stellingen van belanghebbende die zien op de onrechtmatige “doorzoeking” van de woning wordt derhalve niet meer toegekomen.

Informatiebeschikking van 24 november 2014

4.8.

Artikel 47 van de AWR geeft de Inspecteur een ruime bevoegdheid om inlichtingen te vragen. Het artikel bepaalt dat ieder gehouden is aan de Inspecteur desgevraagd de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Daarbij is niet van belang of de gegevens en inlichtingen waarom wordt verzocht daadwerkelijk van belang zijn, maar of zij van belang kúnnen zijn voor die belastingheffing. Daarbij heeft te gelden dat de Inspecteur in redelijkheid een vermoeden moet hebben dat, in het geval van belanghebbende, inkomsten buiten de belastingheffing zijn gehouden.

4.9.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 47 van de AWR volgt dat de vragen die de Inspecteur stelt op grond van artikel 47 van de AWR individuele vragen dienen te zijn die om een individueel antwoord vragen (MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 287, nr. 3, p. 21).

Het Hof overweegt dienaangaande, onder verwijzing naar de in de informatiebeschikking van 24 november 2014 genoemde vragen in de brieven van 1 oktober 2014 en 13 november 2014, als volgt.

4.10.1.

De onder 2.13.1 vermelde vragen (de brief van 1 oktober 2014) zijn zodanig individueel en specifiek verwoord dat het voor belanghebbende duidelijk moet zijn geweest welke informatie en stukken de Inspecteur van hem wenste te ontvangen. In de vraag: “Mocht u (…) over meerdere vastleggingen of informatie beschikken over de zowel van Turkish Airlines als van Boeing ontvangen schadevergoedingen dan alleen de Settlement Demand, dan zou ik deze informatie graag van u ter inzage ontvangen” wordt specifiek gevraagd naar de schadevergoeding waarvan de Inspecteur op de hoogte is geraakt. Van een fishing expedition is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

Ook de onder 2.13.2. vermelde vragen (de brief van 1 oktober 2014) naar het inkomen dat belanghebbende, gezien de inhoud van het settlement demand, in Turkije zou kunnen hebben genoten, zijn eveneens voldoende concreet verwoord.

4.10.2.

De drie onder 2.13.3 vermelde vragen in de brief van 1 oktober 2014 geven naar het oordeel van het Hof onvoldoende concreet weer welke informatie en stukken de Inspecteur van belanghebbende wenst te verkrijgen. Nu de informatiebeschikking betrekking heeft op alle vragen gesteld in de brief van 1 oktober 2014 en dus ook op voornoemde vragen, moet de informatiebeschikking, voor zover deze ziet op het niet beantwoorden van voormelde vragen, worden vernietigd.

4.11.

In de informatiebeschikking dient de Inspecteur te vermelden dat een bepaalde verplichting niet is nagekomen. In de wetsgeschiedenis van artikel 52a van de AWR is op dit punt het volgende vermeld:

“In de beschikking dient te worden opgenomen dat een bepaalde verplichting niet is nagekomen en dat artikel 25, derde lid, van de A WR daaraan bepaalde rechtsgevolgen verbindt. De beschikking dient niet slechts als aanknopingspunt voor een rechtsingang, maar ook om een moment van heroverweging te bieden aan zowel de informatieplichtige als aan de inspecteur en om in voorkomende gevallen de gelegenheid te geven om standpunten te verduidelijken. In dit licht ligt het voor de hand dat de inspecteur nauwkeurig omschrijft wat hij verwacht van de informatieplichtige en goed motiveert waarom hij meent dat het gevraagde relevant kan zijn voor de belastingheffing van deze betrokkene. (Kamerstukken 112008/09, 30 645, nr. 14, p.10 - 11).”

4.12.

De Inspecteur heeft in de informatiebeschikking van 24 november 2014 vermeld dat de in de brieven van 1 oktober 2014 en 13 november 2014 gestelde vragen niet binnen de gestelde termijn zijn beantwoord en de gevraagde stukken niet zijn verstrekt. De Inspecteur heeft daarbij benadrukt dat de beantwoording van de vragen en het overleggen van de stukken en bescheiden volledig en controleerbaar moet plaatsvinden. Nu de Inspecteur, zoals onder 4.10 overwogen, in de door hem gestelde vragen voldoende nauwkeurig heeft omschreven wat hij verwacht van belanghebbende en belanghebbende een deel van de vragen niet of niet volledig heeft beantwoord, wist belanghebbende dat de informatiebeschikking betrekking had op de vragen die hij niet had beantwoord en de stukken die hij niet of slechts gedeeltelijk had overgelegd. De enkele omstandigheid dat de Inspecteur heeft nagelaten te benoemen dat een deel van de stukken wel was overgelegd, leidt op zichzelf beschouwd niet tot vernietiging van de informatiebeschikking.

4.13.

In de onder 2.15 vermelde brief van 13 november 2014, kenmerk [kenmerk] , heeft de Inspecteur aanvullende vragen gesteld onder verwijzing naar de brief van [het advocatenkantoor] van 17 januari 2011. De Inspecteur heeft deze brief overgelegd aan de Rechtbank onder de omschrijving “Afschrift van de door de inspecteur gemaakte kopieën uit de op 8 juli 2014 meegenomen map” en ter zitting van de Rechtbank bevestigd dat deze vragen volgen uit de ordner die zijn meegenomen bij het huisbezoek. Het Hof acht niet aannemelijk dat deze informatie, zoals de Inspecteur stelt, ook gevraagd zou zijn indien geen acht zou zijn geslagen op de informatie die in de ordner is opgenomen. De Inspecteur heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij ook op andere wijze op de hoogte was van het bestaan van deze informatie. Nu de ordner, zoals onder 4.7 overwogen, onrechtmatig is verkregen en daarom niet gebruikt had mogen worden voor het stellen van vragen die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing, is de informatiebeschikking in zoverre ten onrechte aan belanghebbende gegeven. In zoverre moet de informatiebeschikking worden vernietigd.

4.14.

Het Hof verwerpt de grief van belanghebbende dat ook het settlement demand onrechtmatig is verkregen. Tot de stukken behoort een brief van 19 april 2014 aan de heer [de accountant] , de toenmalige boekhouder van belanghebbende, waarin [M] , de toenmalige advocaat van belanghebbende, meedeelt dat informatie is opgevraagd in de Verenigde Staten, dat deze zal worden doorgeleid naar belanghebbende en dat belanghebbende en de heer [de accountant] vervolgens kunnen bespreken welke informatie gedeeld kan worden met de Belastingdienst. De betreffende informatie, waaronder het settlement demand, is bij brief van 14 april 2014 door [M] aan belanghebbende toegezonden. Gezien de inhoud van de brief van 19 april 2014 beroept [M] zich naar het oordeel van het Hof voor wat betreft de inhoud van de brief van 14 april 2014 en de daarbij toegezonden stukken niet op het verschoningsrecht. De Inspecteur was derhalve bevoegd om vragen te stellen naar aanleiding van de inhoud van de brief van 14 april 2014 en het daarbij gevoegde settlement demand en belanghebbende was gehouden die te beantwoorden.

4.15.1

Gelet het voorgaande heeft belanghebbende ten onrechte nagelaten de volgende vragen te beantwoorden:

Brief van 1 oktober 2014 (2.13.2):

  1. Volgens de Settlement Demand heeft de heer [belanghebbende] activiteiten verricht en bezittingen in Turkije (yacht charger (bedoeld zal zijn:charter) operation and real estate investrnent). Dit blijkt niet uit de door of namens de heer [belanghebbende] in Nederland ingediende aangiften inkomstenbelasting, terwijl hij hier toch voor zijn gehele wereldinkomen belast is. Graag ontvang ik daarom van u een volledig overzicht over de periode 1 januari 2009 tot en met heden van de Turkse activiteiten en bezittingen van de heer [belanghebbende] , alsmede van de resultaten welke hij hiermee heeft behaald.

  2. Tevens zou ik graag van u willen vernemen of, en zo ja in hoeverre, de heer [belanghebbende] in Turkije belastingen heeft betaald over zijn inkomsten en vermogen, over de periode 1 januari 2009 tot en met heden.

  3. In de Settlement Demand wordt gesproken over € 100.000 netto inkomsten, die de heer [belanghebbende] jaarlijks ter beschikking zou hebben om zijn gezin te onderhouden. Graag ontvang ik van u een zo volledig en compleet mogelijke onderbouwing van deze netto inkomsten over de periode 1 januari 2009 tot en met heden.

Brief van 13 november 2014 (2.15):

d. In het Settlement Demant van 12 april 2012 wordt gesproken over “ [belanghebbende] ’ financial records show that his average earnings, or funds available for support of his family, exceeded € 100.000 annually. Ik verzoek om inzage in genoemde “financial records”.

4.15.2.

Voor zover de informatiebeschikking van 24 november 2014 ziet op het niet beantwoorden van deze vragen, is deze terecht afgegeven.

4.16.

De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur hem ten onrechte niet gewezen heeft op het zwijgrecht alvorens hem vragen te stellen, moet worden verworpen. Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144, levert de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting en het vaststellen van een informatiebeschikking ter zake daarvan geen schending op van artikel 6 EVRM, is het niet nodig dat de Inspecteur bij zijn informatiebeschikking een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden en dienen de gevolgen voor het gebruik van wilsafhankelijk materiaal beoordeeld te worden door de rechter die over de beboeting beslist. Naar het oordeel van het Hof heeft dat laatste eveneens te gelden voor het niet verlenen van de cautie voorafgaand aan het vragen naar wilsafhankelijk materiaal. Voor de rechtmatigheid van de informatiebeschikking heeft het niet verlenen van de cautie gelet op het voorgaande geen gevolgen.

4.17.

De stelling dat bij belanghebbende mogelijk verwarring kon zijn ontstaan doordat voor beide informatiebeschikkingen een brief met dagtekening 13 november 2014 is verzonden, wordt verworpen. Gelet op de namen van de ondertekenaars van die brieven en die van de informatiebeschikkingen kan van verwarring naar het oordeel van het Hof geen sprake zijn geweest.

4.18.

Belanghebbende stelt dat de uitwisseling van informatie tussen het Openbaar Ministerie en de Inspecteur ( [E] ), de zogenoemde keukentafelgesprekken, zonder enige vastlegging daarvan in strijd is met artikel 67 van de AWR in verbinding met artikel 43c, lid 1, onderdeel l, van de Uitvoeringsregeling AWR 1994. Het Hof hecht geloof aan de in onderdeel 2.25 vermelde weergave van deze keukentafelgesprekken. Aangezien uit deze weergave volgt dat de gegevens zijn uitgewisseld op grond van artikel 43c, lid 1, onder l, sub 3, van de Uitvoeringsregeling AWR 1994, doet zich in dit geval een uitzondering voor op de geheimhoudingsbepaling van artikel 67 van de AWR. Naar het oordeel van het Hof doet het ontbreken van een schriftelijke vastlegging van deze gesprekken in dit geval hier niet aan af.

4.19.

Het ligt op de weg van belanghebbende om zijn stelling dat bij hem in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt, aannemelijk te maken. De enkele stelling dat mevrouw [N] , inspecteur/controlerend ambtenaar, tijdens een boekenonderzoek in 2013 heeft toegezegd dat de ontvangen schadevergoeding niet verantwoord behoefde te worden in de aangifte, althans niet als inkomsten, is daartoe onvoldoende. Nu een nadere onderbouwing van de juistheid van die stelling ontbreekt, faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds hierom.

4.20.

Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

4.21.

De slotsom is dat het incidentele hoger beroep gegrond is en dat ook het hoger beroep gegrond is, doch uitsluitend voor wat betreft de informatiebeschikking van 24 november 2014.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.22.

Belanghebbende verzoekt om de Inspecteur te veroordelen in de geleden schade, maar hij onderbouwt niet welke schade hij geleden heeft en ook niet tot welk bedrag hij schade geleden heeft. Het verzoek om een schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.23.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.24.

Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep gedeeltelijk ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.25.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.024.

4.26.

Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft gesteld geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de door belanghebbende gemaakte kosten tot hun werkelijke bedrag vergoed zouden kunnen worden.

4.27.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep gegrond,

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond, voor zover deze betrekking heeft op de informatiebeschikking van 24 november 2014,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor zover deze ziet op de informatiebeschikking van 24 november 2014,

  • -

    vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de informatiebeschikking van 24 november 2014,

  • -

    stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen vier weken nadat deze uitspraak is gedaan de gevraagde informatie zoals vermeld onder 4.15.1 aan de Inspecteur te verstrekken, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.024.

Aldus gedaan op 25 april 2019 door A.J. Kromhout, voorzitter, M. Harthoorn en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.