Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1525

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
200.248.138_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:6932, Overig
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht WWZ. Is sprake van een dringende reden en is ontslag onverwijld gegeven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 25 april 2019

Zaaknummer : 200.248.138/01

Zaaknummer eerste aanleg : 6914510 \ AZ VERZ 18-79

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J. Bosman te Ede (Gld),

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. L.V. Claassens te Eindhoven.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2018;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 december 2018;

  • -

    een brief van [appellant] met productie H15, ingekomen ter griffie op 8 januari 2019;

  • -

    een V6-formulier van [verweerster] met productie 5, ingekomen ter griffie op 12 maart 2019;

- de op 21 maart 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Bosman;

- [HR-businesspartner] , HR-businesspartner, [side supervisor 1] en [side supervisor 2] , beide side supervisors, namens [verweerster] , bijgestaan door mr. Claassen;

- een brief van [appellant] met productie H16, zijnde een kopie van de aantekeningen van de griffier, gemaakt tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg;

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [verweerster] is een bedrijf gespecialiseerd in de inzameling, sortering, verwerking, verwijdering en recycling van afval.

  2. [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1979, is op 10 januari 2000 bij [verweerster] in dienst getreden. Hij vervulde laatstelijk de functie van chauffeur tegen een loon van € 2.584,93 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag, toeslagen en overige emolumenten.

  3. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Beroepsgoederenvervoer van toepassing.

  4. [appellant] was chauffeur/belader op een vrachtwagen van [verweerster] en haalde bedrijfsafval op. Dit deed hij in de regel samen met een vaste collega, [collega] .

  5. Op 12 maart 2018 zijn [appellant] en [collega] onder werktijd verzocht om naar het kantoor van [verweerster] te komen. Afzonderlijk zijn beiden vervolgens gehoord door [manager integriteit] (manager integriteit) in het bijzijn van mw. [HR-businesspartner] (HR Businesspartner). Na de gesprekken zijn beiden per direct geschorst.

  6. Voorafgaand aan het gesprek op 12 maart 2018 heeft zowel een vooronderzoek als een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden. In het kader van deze onderzoeken hebben er in de periode van 28 april 2017 tot en met 12 januari 2018 diverse observaties plaatsgevonden. Tijdens het gesprek op 12 maart 2018 is [appellant] geconfronteerd met de onderzoeksresultaten.

  7. [verweerster] heeft [appellant] bij brief van 20 maart 2018 “per direct, 21 maart 2018” op staande voet ontslagen. In die brief worden de volgende dringende redenen aan het ontslag ten grondslag gelegd:

“(…) U heeft met gebruikmaking van een [verweerster] voertuig extra afval geladen en de lediging(en) niet geregistreerd, zodat hiervan geen wetenschap was bij [verweerster] en hiervoor niet aan de klant gefactureerd kon worden. U heeft geld en/of goederen van een of meerdere klanten aangenomen, ogenschijnlijk als tegenprestatie voor geleverde diensten. Daarnaast heeft u ernstig in strijd gehandeld met veiligheidsvoorschriften.”

De drie genoemde gedragingen vormen zowel op zichzelf beschouwd als in onderling verband bezien, dringende redenen, zo staat in deze ontslagbrief.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] de kantonrechter primair verzocht om

 vernietiging van het hem op 20 maart 2018 gegeven ontslag op staande voet,

 toelating tot de werkzaamheden,

 doorbetaling van het salaris vanaf 1 maart 2018 en emolumenten met overige nevenvorderingen (wettelijke verhoging en wettelijke rente).

Bij wege van provisionele voorziening ex artikel 223 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) doorbetaling van loon en emolumenten.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] zijn primaire verzoek ingetrokken zodat de volgende, aanvankelijk subsidiair en meer subsidiair gedane, verzoeken resteerden, zijnde veroordeling van [verweerster] tot betaling van:

 de transitievergoeding ten bedrage van € 33.037,00 bruto,

 een billijke vergoeding ten bedrage van € 20.000,00 bruto,

 een vergoeding in verband met de onregelmatige opzegging ten bedrage van
€ 19.688,54 bruto.

Voorts verzocht hij [verweerster] te veroordelen tot

 het verstrekken van een specificatie van de eindafrekening, deze te betalen en

 tot betaling van de wettelijke rente en

 de kosten van de procedure.

3.2.2.

Aan dit verzoek heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het hem gegeven ontslag op staande voet niet voldoet aan de wettelijke vereisten die daaraan worden gesteld.

3.2.3.

[verweerster] heeft verweer gevoerd. [verweerster] heeft haar voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken.

3.2.3.

In de beschikking van 19 juli 2018 heeft de kantonrechter de verzoeken van [appellant] afgewezen, met uitzondering van het verzoek om [verweerster] te veroordelen tot het specificeren van een eindafrekening en om tot betaling daarvan over te gaan, voor zover deze betaling nog niet zou hebben plaatsgevonden. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep zeven beroepsgronden aangevoerd. Grieven I en II richten zich tegen de overweging van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Grief III richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er voldoende grond bestond voor het ontslag op staande voet. Grief IV richt zich tegen de afwijzing van de verzochte billijke vergoeding, grief V tegen de afwijzing van de verzochte gefixeerde vergoeding, grief VI tegen de afwijzing van de transitievergoeding en grief VII tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen beschikking en tot het alsnog toewijzen van de afgewezen verzoeken.

3.4.

Tegen de beslissing van de kantonrechter dat [verweerster] is veroordeeld tot betaling van een te specificeren eindafrekening is geen grief gericht. Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus - en zo heeft ook [verweerster] de omvang van het hoger beroep verstaan - dat [appellant] deze veroordeling niet bestrijdt.

3.5.

Het hof beoordeelt het geschil aan de hand van de wettelijke criteria weergegeven in de artikelen 7:677 en 7:678 BW. [verweerster] is bevoegd de arbeidsovereenkomst met [appellant] onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan [appellant] . Als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In concreto ligt om te beginnen de vraag voor of sprake is geweest van één of meerdere dringende redenen en of het ontslag onverwijld is gegeven.

3.6.

Het hof neemt bij de beantwoording van deze vragen in overweging dat de relevante feiten en omstandigheden moeten worden geplaatst in het navolgende kader.

[teamleider logistics] , Teamleider Logistics, ontving op enig moment signalen dat [appellant] en zijn directe collega [collega] , zich schuldig zouden maken aan “zwartladen” ten gunste van een klant, door partijen aangeduid als [klant] . Onder “zwartladen” wordt verstaan - zo staat het gedefinieerd op blad 2 van de feitenrapportage - het meenemen van extra afval zonder dit te registreren in ruil voor geld of goederen van de klant. [teamleider logistics] heeft op 28 april 2017 een vooronderzoek gedaan en geobserveerd dat [appellant] en [collega] bij [klant] extra afval inzamelden, dit niet registreerden en plastic tassen meenamen. Er ontstond daardoor het vermoeden dat de beide werknemers zich aan zwartladen schuldig maakten. [verweerster] heeft benadrukt dat het hier ging om een vermoeden gebaseerd op een enkele observering.

[verweerster] heeft op 24 mei 2017 haar Manager Integrity, [manager integriteit] , opdracht gegeven tot het verrichten van onderzoek hiernaar. Dit onderzoek richtte zich niet op hetgeen zich op 28 april 2017 heeft voorgedaan. [manager integriteit] besloot namelijk tot het observeren van de beide werknemers op de momenten dat zij opnieuw afval zouden laden bij [klant] , hetgeen in beginsel iedere vrijdag plaatsvindt. Bekeken zou worden of zich opnieuw onregelmatigheden zouden voordoen. In de samenvatting van het rapport heeft [manager integriteit] aangegeven dat het praktische gezien heel lastig bleek om op een goede manier het bedrijf te benaderen zonder verdenking op te wekken van daar aanwezige personen en vast te stellen of er inderdaad sprake was van zwartladen. Er zijn niettemin enkele observaties gedaan. Tijdens deze observaties is niet gezien dat [appellant] geld of goederen van [klant] in ontvangst heeft genomen. Uiteindelijk is gekozen om verantwoordingsgesprekken met de medewerkers te gaan voeren. [appellant] is tijdens dit gesprek voorgehouden dat hij is gezien bij [klant] met een plastic zak. Hij heeft daarop aangegeven dat in deze zak asperges zaten die hij van de klant had gehad.

3.7.

Het hof stelt vast dat de aangevoerde dringende reden, bestaande uit het aannemen van geld of goederen van één of meerdere klanten voor het laden van extra afval, enkel en alleen is gebaseerd op een gedraging die op 28 april 2017 heeft plaatsgevonden. Dat [appellant] geld of andere goederen (dan asperges) van klanten heeft meegenomen, is niet onderbouwd en niet komen vast te staan. Voorts is niet komen vast te staan dat de ontvangst van de asperges een tegenprestatie was voor het laden van extra afval zonder dat dit werd geregistreerd. Ook daarvoor heeft [verweerster] onvoldoende aangedragen.

[verweerster] stelt dat het aannemen van de asperges in strijd is met de bepalingen opgenomen in het huishoudelijk reglement. Daarin staat dat het verboden is geschenken te accepteren van klanten met uitzondering van vormen van verteer van geringe waarde welke ter plekke genuttigd kunnen worden. Hierbij valt te denken aan een kopje koffie, blikje fris, een ijsje of iets dergelijks. [appellant] heeft in het gesprek met [manager integriteit] aangegeven op de hoogte te zijn van deze regeling.

Het hof oordeelt dat het aannemen van de asperges op 28 april 2017 geen dringende reden vormt om op 20 maart 2018 tot een opzegging te kunnen overgaan. In de eerste plaats geldt dat [verweerster] er in april 2017 niet voor heeft gekozen om nader onderzoek naar deze specifieke gedraging te doen. Door vervolgens eerst op 28 maart 2018 op te zeggen mede op deze grond heeft [verweerster] in zoverre niet voldaan aan de eis om onverwijld tot opzegging over te gaan. In de tweede plaats is deze gedraging niet te kwalificeren als een gedraging die tot gevolg heeft dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het hof betrekt in dit oordeel dat [appellant] reeds 17 jaren in dienst was bij [verweerster] en gesteld noch gebleken is dat hij zich ooit eerder aan soortgelijk gedrag heeft schuldig gemaakt. Bovendien heeft [appellant] gewezen op de algemene gedragscode waarin een regeling voor het accepteren van geschenken is opgenomen. Als ongepaste voordelen worden “grote geschenken” genoemd en deze moeten binnen maatschappelijk aanvaardbare en wettelijke grenzen blijven. [verweerster] heeft onvoldoende onderbouwd dat een tasje asperges een ongepast voordeel in de zin van de algemene gedragscode vormt.

3.8.1.

Het hof komt vervolgens toe aan de beoordeling van de vraag of het enkele laden van afval ten behoeve van [klant] zonder registratie daarvan een dringende reden voor ontslag vormt. [verweerster] stelt ter onderbouwing het navolgende. Zij heeft met haar klant [klant] een afvalinzamelingsovereenkomst die bestaat uit een vast en een variabel gedeelte. Het vaste gedeelte heeft betrekking op een container met een inhoud van 2.500 liter, die één keer per week op vrijdagochtend wordt geledigd. Het variabele gedeelte van de overeenkomst heeft betrekking op 11 240 liter containers (kliko’s), die enkel in rekening worden gebracht indien en voor zover ze daadwerkelijk worden geledigd. Daarnaast heeft [verweerster] onweersproken gesteld dat de medewerkers bij aanvang van de dienst een routelijst ontvangen waarop per klant het aantal en het type containers staat vermeld dat onder contract staat bij de betreffende klant. De routelijst correspondeert met het registratiesysteem van de boordcomputer in de vrachtwagen. In de boordcomputer is het aantal containers dat bij een klant geleegd moet worden, voorgeprogrammeerd.

3.8.2.

[appellant] erkent dat hij de 240-liter containers niet altijd heeft geregistreerd. Hij geeft aan dat [klant] in zijn beleving werd gefactureerd op basis van het aantal geregistreerde kilo’s afval en niet op basis van het aantal geleegde containers. Zodra hij bij [klant] de grote container van 2.500 liter leegde, kreeg hij op de boordcomputer een scherm waarop het aantal kilo’s kon worden geregistreerd. Hij leegde deze grote container en kon dan de kleinere 240-liter containers legen terwijl de kilo’s van deze kleinere containers werden opgeteld bij het gewicht van de grote. Dit heeft [appellant] ook in het kader van het onderzoek aan [manager integriteit] medegedeeld en zijn collega [collega] heeft overeenkomstig verklaard.

3.8.3.

Bij memorie van antwoord benadrukt [verweerster] dat [appellant] in strijd met de instructies van de boordcomputer 11 240-liter containers niet apart heeft ingevoerd. Zij betwist echter onvoldoende dat [appellant] ervan uitging dat [klant] een klant was die een factuur kreeg op basis van het totaal aantal kilo’s afval dat werd opgehaald en dat dit aantal kilo’s steeds werd geregistreerd door hem.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verweerster] foto’s getoond van het scherm dat chauffeurs te zien krijgen van de boordcomputer. Getoond is met name het scherm waarop de regel van de minicontainer, de 5 240-liter containers, staat. Niet getoond is een afbeelding van het scherm waarop de regel van de grote container te zien is en waarop, naar de stelling van [appellant] , het aantal kilo’s, kan worden gezien.

Gegeven de onvoldoende betwisting door [verweerster] komt het hof niet toe aan bewijslevering.

3.8.4.

Het hof komt tot de conclusie dat [appellant] weliswaar in strijd met de regels de 240-liter containers niet apart heeft ingevoerd maar dat hij de inhoud ervan wel heeft geregistreerd, ervan uitgaande, gegeven het scherm van de boordcomputer bij de grote container, dat op basis van kilo’s werd afgerekend. Niet is komen vast te staan dat [appellant] bewust containers niet heeft geregistreerd om [verweerster] te benadelen of [klant] te bevoordelen, laat staan tegen beloning.

Dat [appellant] de 240-liter containers niet apart heeft ingevoerd acht het hof niet een zodanige gedraging als bedoeld in artikel 7:678 BW dat dit moet leiden tot een onmiddellijke beëindiging van het dienstverband, gegeven ook de lange duur ervan en het feit dat [appellant] nooit eerder hierop is aangesproken. Het hof betrekt hierbij ook dat [verweerster] onderzoek heeft laten uitvoeren naar “zwartladen”. Als voor [verweerster] het enkel niet registreren van het aantal geleegde kleine containers zonder het ontvangen van een tegenprestatie daarvoor, reden was om tot een ontslag op staande voet te komen dan had zij de onderzoeksopdracht daartoe kunnen beperken en leverden de observaties gedaan op 2 juni 2017 en 15 december 2017 voldoende bewijs daarvoor op.

Het hof is van oordeel dat de onderhavige gedraging geen dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert terwijl het gegeven ontslag ook niet onverwijld heeft plaatsgevonden.

3.9.

Bovenstaande oordelen leiden ertoe dat de grieven I tot en met III slagen. Het slagen hiervan brengt mee dat het hof het in eerste aanleg niet behandelde verweer dat in hoger beroep niet is prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen. In de ontslagbrief is nog een derde gedraging aan [appellant] medegedeeld die, zo heeft [verweerster] aangegeven, een zelfstandige dringende reden voor het ontslag op staande voet heeft gegeven. [appellant] wordt verweten ernstig in strijd met de veiligheidsvoorschriften te hebben gehandeld. [verweerster] verwijt [appellant] dat hij heeft toegestaan dat medewerkers van [klant] afval in het draaiende gedeelte van de kraakpers deponeerden. Dit is in strijd met de veiligheidsinstructies.

[appellant] heeft in het gesprek met [manager integriteit] aangegeven dat hij in de regel geen mensen toelaat bij de laadbak. Medewerkers van [klant] helpen vaker mee met het laden van afval. Deze medewerkers hebben het inzicht om dit veilig te doen, aldus [appellant] . Voorts heeft hij verklaard dat zij met behulp van een heftruck soms helpen om de zware container in de armen van de laadbak te krijgen. Op deze wijze handelen de collega’s van [appellant] ook en de veiligheid van de medewerkers wordt niet geschaad, aldus [appellant] .

[verweerster] stelt in een reactie daarop dat het niet aan [appellant] is om het veiligheidsrisico te beoordelen; hij moet de instructies volgen.

Het hof oordeelt dat onder de gegeven omstandigheden de onderhavige gedraging niet kan worden gekwalificeerd als een dringende reden. Het had op de weg van [verweerster] gelegen om [appellant] te waarschuwen dat ook in een situatie als de onderhavige, waarin medewerkers van een klant bedreven zijn in het verlenen van hulp, deze wijze in strijd is met de algemene veiligheidsinstructies.

3.10.

Geen van de drie aangevoerde gedragingen kwalificeert als een dringende reden voor een ontslag op staande voet, ook niet als zij in samenhang worden bezien. Grief V slaagt en het verzoek van [appellant] om [verweerster] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding dient te worden toegewezen. Grief IV slaagt evenzeer en het verzoek om toekenning van de transitievergoeding is eveneens toewijsbaar.

Bij de berekening van beide vergoedingen gaat [appellant] uit van een bruto maandsalaris ter hoogte van € 4.505,87. [appellant] heeft gesteld dat dit het salaris betreft, inclusief toeslagen, gemiddeld berekend over de duur van 12 maanden voorafgaande aan het einde van het dienstverband en inclusief de vakantiebijslag. [appellant] heeft, ter onderbouwing, kopieën overgelegd van zijn salarisstroken over de maanden januari 2017 tot en met februari 2018. Hij heeft evenwel niet aangegeven welke concrete bedragen aan overwerkvergoeding en toeslagen zijn meegenomen. [verweerster] betwist dat van dit maandbedrag moet worden uitgegaan en stelt dat bij de bepaling van de gefixeerde schadevergoeding moet worden uitgegaan van het bedongen maandsalaris zonder overwerkvergoedingen. Voorts heeft [verweerster] de transitievergoeding berekend op een bedrag van € 30.338,00 en een onderliggende berekening overgelegd. Het gemiddeld bruto maandbedrag komt, volgens haar, op een bedrag van € 4.137,00.

Krachtens artikel 7:672 lid 9 BW is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In deze zaak betreft het het loon over de periode tot 1 augustus 2017. Het hof verwerpt de stelling van [verweerster] dat onder het loon hier enkel het bruto maandloon moet worden begrepen. Tot het loon behoort niet alleen de vaste vakantiebijslag maar behoren ook de vaste componenten zoals de overwerkvergoedingen.

Het verweer van [appellant] dat [verweerster] bij haar berekening geen rekening heeft gehouden met de toeslagen, verwerpt het hof. Uit de door [verweerster] overgelegde berekening blijkt dat rekening is gehouden met zowel de overwerkvergoedingen als met de toeslagen. Het hof gaat uit van het door [verweerster] berekende maandbedrag, nu uit de berekening inzichtelijk blijkt hoe deze is samengesteld en welke bedragen aan overwerkvergoeding en toeslagen zijn meegenomen en [appellant] geen gericht verweer hiertegen heeft gevoerd.

Naar het oordeel van het hof bedraagt de gefixeerde schadevergoeding € 18.069,68, zijnde het gemiddelde maandloon ter hoogte van € 4.137,00 over de vier maanden april tot en met juli (€ 16.548,00) en het loon over 8 dagen, zijnde € 190,21 per dag (€ 1.521,68). De transitievergoeding, zoals berekend door [verweerster] , is toewijsbaar. De transitievergoeding bedraagt € 30.338,00.

Het hof ziet geen reden om tot matiging over te gaan. De over beide bedragen gevorderde wettelijke rente is door [verweerster] niet betwist en wordt toegewezen.

3.11.

Grief VI ziet op de gevorderde billijke vergoeding ter hoogte van € 20.000,--. De rechtsgrond voor toewijzing van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW is reeds gegeven met het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de hoogte van de billijke vergoeding vooral bepaald wordt door de mate van het ernstig verwijtbare handelen en nalaten van de werkgever. Naar het oordeel van het hof heeft [verweerster] jegens [appellant] ernstig verwijtbaar gehandeld door hem op 20 maart 2018 op staande voet te ontslaan en voorafgaande daaraan op 12 maart 2018 te schorsen. [appellant] was op dat moment 18 jaar in dienst en beëindiging van dit dienstverband op afzienbare termijn lag niet in de rede. De arbeidsovereenkomst had dan ook een aanzienlijke waarde. Voorts houdt het hof rekening met het feit dat [appellant] op 4 juni 2018 bij een derde in dienst is getreden voor bepaalde tijd en dit dienstverband inmiddels is verlengd tot september 2019, zij het dat het inkomen beduidend lager is dan [appellant] bij [verweerster] ontving. Dit laatste is door [verweerster] op zitting betwist en is door [appellant] niet nader onderbouwd. Het hof houdt voorts rekening met het feit dat [appellant] recht heeft op de transitievergoeding. Alle voormelde omstandigheden afwegend acht het hof een billijke vergoeding ter hoogte van € 15.000,-- toewijsbaar.

3.12.

[appellant] vordert de wettelijke rente over alle vergoedingen. Deze is toewijsbaar nu [verweerster] hiertegen geen gericht verweer heeft gevoerd.

3.13.

Gegeven voormeld oordeel slaagt grief VII. Het hof zal [verweerster] als zijnde de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in beide instanties veroordelen. [appellant] vordert in hoger beroep proceskosten in reconventie maar gesteld noch gebleken is dat deze kosten zijn gemaakt. Dit deel wijst het hof af.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van de transitievergoeding ter hoogte van

€ 30.338,00 bruto;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging ter hoogte van € 18.069,68 bruto;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van een billijke vergoeding ter hoogte van

€ 15.000,00 bruto;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [appellant] van de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 79,00 aan griffierecht en op € 400,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 318,00 aan griffierecht en op € 3.918,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.H. Schoenmakers, J.W. van Rijkom en M. Breur en is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2019.