Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1524

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
200.250.874_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht WWZ. Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
XpertHR.nl 2019-20002212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 25 april 2019

Zaaknummer : 200.250.874/01

Zaaknummer eerste aanleg : 7071289 \ EJ VERZ: 18-417

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven,

tegen

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. J.J.C. Tielemans te Eindhoven.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 11 september 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 6 december 2018;

  • -

    het verweerschrift met producties, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 augustus 2018, ingekomen ter griffie op 28 januari 2019;

  • -

    een brief van [appellant] houdende een akte inbrengen producties tevens houdende bewijsaanbod, ingekomen ter griffie op 1 maart 2019;

  • -

    een brief van [verweerster] met productie, ingekomen ter griffie op 6 maart 2019;

- de op 13 maart 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. M.H.A.J. Slaats;

- namens [verweerster] , de heren [medewerker 1] en [medewerker 2] bijgestaan door mr. M.I.W. van Oortmerssen;

- de op 13 maart 2019 door mr. Slaats voorgedragen en overgelegde pleitnota.

2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3. De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1982, is op 1 september 2006 in dienst getreden bij [de vennootschap 2] . Dit bedrijf is per 1 april 2007 door [verweerster] overgenomen waarmee [appellant] in dienst is gekomen bij [verweerster] in de functie van Logistiek Medewerker Parts 3. De anciënniteit van [appellant] is bij deze overgang behouden gebleven. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 2.375,15 bruto per maand. De CAO Metalelektro is van toepassing op de arbeidsovereenkomst.

3.1.2.

[verweerster] hield periodiek functioneringsgesprekken met [appellant] . Het totaaloordeel in de beoordelingsformulieren over de periode 2007 tot en met 2014 luidde als volgt:

- 2007: meer dan goed;

- 2008: voldoende;

- 2010: voldoende;

- 2011: voldoende;

- 2012: voldoende;

- 2014: voldoende; de score is als volgt verdeeld:

veiligheid: goed,

vakkennis, kwaliteit afgeleverde werk,

zelfstandigheid, klantgericht werken: voldoende

hoeveelheid werk, resultaat verbeteren,

initiatief, verantwoordelijkheid, inzet,

veranderingsbereidheid, samenwerken,

mondelinge en schriftelijke communicatie: onvoldoende.

3.1.3.

Bij brief van 20 november 2014 heeft [verweerster] het volgende geschreven aan [appellant] :

“Op donderdag 20 november 2014 heeft er een gesprek plaatsgevonden (…) Het gesprek had betrekking op uw functioneren binnen [afdeling] . De onderwerpen die zijn besproken waren:

1. Het rechtzetten van dozen op pallets langs de vloerlijnen;

Het rechtzetten van pallets met dozen word consequent niet goed gedaan. U bent hier diverse keren op aangesproken echter u negeert de opdrachten van de Teamleaders. Het rechtzetten van de pallets heeft alles te maken met een kwaliteitsbesef wat er bij u consequent ontbreekt. U bent hier diverse keren door de Teamleaders op aan gesproken maar u volgt het niet op.

2. De output tijdens de werkzaamheden;

De output laat sterk te wensen over. Op een dagproductie gemeten haalt u een output van ± 50% wat uiteraard veel te laag is.

3. Het telefoon gebruik op de werkvloer;

U gebruikt consequent uw privé telefoon hetgeen niet is toegestaan. U mag de telefoon alleen gebruiken voor het beluisteren van muziek op een oortje.(…)”

3.1.4.

[verweerster] heeft [appellant] bij brief van 13 januari 2015 het volgende medegedeeld:

“Op maandag 12 januari en dinsdag 13 januari 2015 hebben er gesprekken plaatsgevonden. (…) De gesprekken hadden betrekking op uw functioneren binnen [afdeling] . De onderwerpen die zijn besproken waren:

1. Het rechtzetten van dozen op pallets langs de vloerlijnen;

Het rechtzetten van pallets met dozen word nog steeds consequent niet goed gedaan. U bent hier diverse keren op aangesproken echter u negeert de opdrachten van de Teamleaders. Wij verwachten van u dat u dit goed gaat uitvoeren. Indien u blijft weigeren dit goed uit te voeren zullen verdergaande maatregelen worden genomen.

2. De output tijdens de werkzaamheden;

Ook de output is niet verder verbeterd. Wat we uitvoerig besproken hebben is uw gedrag ten aanzien van deze output. U beïnvloed uw collega medewerker op een negatieve manier door hem de opdracht te geven als hij klaar is met de werkzaamheden geen andere werkzaamheden meer te doen. Dit kan onder geen enkele voorwaarde worden geaccepteerd. Als u klaar bent met de werkzaamheden dan zullen er gewoon deksels gemaakt moeten worden. Als u vindt dat dit anders moet dan bespreekt u dit met uw teamleader. (…)

3. Het telefoon gebruik op de werkvloer;

U gebruikt uw privé telefoon tijdens de werkzaamheden niet meer. Dat is een positief resultaat. (…)

Wij hebben aangegeven dat als u graag in ploegendiensten wilt gaan werken u moet gaan solliciteren bij de fabrieken zoals bijvoorbeeld [fabriek] . Wij kunnen hier eventueel bij helpen. (…) Wij hebben met u afgesproken dat wij de komende maanden u verder gaan volgen op uw output en de kwaliteit van werken.”

3.1.5.

Van medio december 2015 tot begin februari 2016 is [appellant] op vakantie geweest in Sierra Leone. [verweerster] heeft daarbij het standpunt ingenomen dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken van vertrek en terugkomst en heeft hem daarop op staande voet ontslagen. Dit ontslag is door de kantonrechter vernietigd bij uitspraak van 27 juni 2016 en deze uitspraak heeft gezag van gewijsde.

3.1.6.

Na de vernietiging van het ontslag op staande voet hebben partijen in onderling overleg afgesproken dat [appellant] zou worden gedetacheerd bij de [fabriek] ( [fabriek] ). Van 11 juli 2016 tot 14 oktober 2016 is [appellant] daar gedetacheerd geweest. Daar bleek onder meer dat [appellant] onvoldoende de Nederlandse taal beheerste om goed te kunnen functioneren binnen het team en dat het lezen en verwerken van opdrachten erg traag verliep.

3.1.7.

Hierna kwamen partijen overeen dat [appellant] zou worden gedetacheerd bij SW-bedrijf [SW-bedrijf] . Deze detachering liep van 17 oktober 2016 tot 1 september 2017. Op 7 november 2016 heeft er een evaluatiegesprek plaatsgevonden waarin de teamleider de volgende opmerkingen heeft gemaakt: “De inzet van [appellant] is meer dan goed te noemen. [appellant] spreekt slecht Nederlands. Hij is bijna niet verstaanbaar. Dit is lastig in het team.” Tijdens een tweede evaluatiegesprek op 9 december 2016 is de opmerking herhaald dat de inzet meer dan goed te noemen is. Daarnaast is gezegd dat [appellant] twee keer te laat is gekomen.

3.1.8.

Op 1 september 2017 vond een functioneringsgesprek plaats. In het verslag, dat is ondertekend door [appellant] , staat onder meer het volgende:

“(…)1. Team

Wat gaat goed? Je doet je ding binnen het team, echter ben je niet productiever dan je [SW-bedrijf] -collega’s. (…)

2. Uitvoering hoofdtaken

Wat gaat goed? De taken die je bij [SW-bedrijf] krijgt opgedragen, voer je uit, echter is dit niet het complete takenpakket, niveau en tempo wat je zou moeten kunnen.

Wat heeft extra aandacht nodig? Je bent erg passief en toont geen initiatief om een stap harder te lopen. Zeker gezien het feit dat jij een “reguliere medewerker” bent binnen het [SW-bedrijf] - proces mogen wij dit van je verwachten.(…) Ook

moet er een grote verbetering gemaakt worden om

“goed en verstaanbaar” Nederlands te spreken.

3. Voortgang gestelde doelen

Wat gaat goed? Je hebt vorig jaar geen beoordelingsgesprek gehad (door je detachering bij [fabriek] en [SW-bedrijf] ). Om deze reden stemmen wij alsnog doelstellingen met je af in dit functioneringsgesprek.

Wat heeft extra aandacht nodig? We zijn op dit moment niet tevreden over je niveau, tempo, productiviteit. Om je de kans te geven om te laten zien dat je dit wel kunnen, willen wij je binnen het [naam] terug laten komen op de [locatie] , Ontvangstafdeling.

Daarbij maken we de volgende afspraken:

- We verwachten dat je 3 posten beheerst (eind 2017) zoals je functieomschrijving (Parts Logistiek Medewerker B) aangeeft.

- We willen je verder trainen op Ontvangst retouren en Ontvangst leveranciersgoederen. Hier verwachten we dat je eind 2017 een solide prestatie neer zet.

- Dozen maken beheers je al, welliswaar niet op het gewenst tempo, dus dient verbeterd te worden. Hier kun je aan gaan werken als je de andere 2 posten op gewenst niveau, tempo en productiviteit beheerst. Uiteraard dient deze post wel eind 2017 op het gewenst niveau te zijn.

- Daarnaast verwachten wij dat je eind 2017 je Nederlands op niveau A1 beheerst. (…)”

Ruimte voor extra opmerkingen [appellant] , laat het je nieuwe teamleider, supervisor, of

mij vooral weten als je extra begeleiding nodig hebt

om je functioneren te verbeteren. Geef ook aan als

er je extra training nodig hebt (naast de training die

je nu krijgt) om je Nederlandse taal te verbeteren!

3.1.9.

Vervolgens is [appellant] aan de slag gegaan op zijn oude afdeling. Zijn functioneren is vanaf september 2017 diverse malen geëvalueerd en op schrift gesteld, namelijk op 8, 14 en 29 september 2017, 17 oktober 2017, 2 en 13 november 2017 en 1 december 2017. Uit het gespreksverslag van 29 september 2017 (week 39) blijkt: “(…) Het uitpakken op de retouren post 18 gaat moeizaam bij [appellant] . Het kost heel veel tijd om [appellant] constant te monitoren. Daarnaast gaat het ook zo langzaam dat er ook geen productie gemaakt wordt met alle gevolgen van dien. Ter vergelijking, een medewerker met dezelfde functie als [appellant] leert zo’n eenvoudig proces binnen enkele dagen. (…) Kort samen gevat is dit de 2e taak binnen de [locatie] die boven zijn kunnen gaat, terwijl het taken zijn die binnen zijn opgestelde functie in enkele dagen te leren zouden moeten zijn. De spreektaal, maar ook het begrijpend lezen van cijfers en letters blijven ver achter op niveau.(…)”
Op 2 november 2017 wordt genoteerd: “(…) Ten opzichte van week 41 is er nog weinig verbetering in het controleren van de artikelen waar [appellant] moeite mee heeft en het tempo in aantal lijnen halen. Er blijven nog veel aandachtspunten. (…)”

3.1.10.

Op 7 december 2017 is weer een functioneringsgesprek gevoerd met [appellant] . In het verslag staat onder meer: “(…) Je maakt veel meer fouten dan acceptabel (50% is fout, norm is 2 fouten per 10.000 lijnen)(…) Het aantal lijnen dat je verwerkt ligt ook aanzienlijk lager (40 lijnen per dag) dan wat voor een solide prestatie (120 lijnen per dag) noodzakelijk is. Je resultaten zijn niet verbeterd in de 12 weken die je nu aan de twee nieuwe posten (ontvangst retouren en ontvangst leveranciersgoederen) werkt. Je begrijpt de standaard werk instructies niet en hebt iedere dag opnieuw dezelfde uitleg nodig. (…) We hebben inmiddels een aantal keer met je gesproken over je inzetbaarheids voortgang en resultaten. Het inleren op de afgesproken posten heeft niet tot resultaat geleid, en in de nederlandse taal zien we nog geen verbetering. Je functioneert ver onder de maat. We hebben onze twijfels of je het gewenste niveau van je functie gaat bereiken. Binnen [verweerster] zijn ook geen functies op een lager niveau dan jij nu uitvoert. We willen na je vakantie met je in gesprek gaan of we een performance plan gaan opstarten of een andere mogelijkheid moeten aanbieden.(…)”

3.1.11.

Op 6 februari 2018 heeft [verweerster] een “performance verbeterplan” opgesteld voor [appellant] . Hierin staan over vier punten afspraken opgenomen:

1. ontvangst retouren solide prestatie is 11,5 lijnen per uur en maximaal 1 fout per maand

2. ontvangst

Leveranciersgoederen solide prestatie is 15 lijnen per uur en maximaal 1 fout per maand

3. dozen maken op

gewenst tempo solide prestatie is 20 boxes per uur; dit komt pas aan de orde als item 1 en 2 op solide niveau zijn. Dit om te voorkomen dat we teveel tegelijk oppakken

4. Nederlands niveau A1 alle geplande lessen volgen en zo veel thuis oefenen als nodig om het niveau te halen.

3.1.12.

In de periode van februari tot begin juli 2018 hebben evaluaties plaatsgevonden op 22 februari, 16 en 30 maart, 4 en 18 mei, 1 en 15 juni 2018. De eindevaluatie was op 4 juli 2018. Over de vier afgesproken punten staat in de eindevaluatie onder meer het volgende:

1. ontvangst retouren (…) Het verschil tussen zijn huidige en gewenste prestatie is dusdanig dat een solide prestatie voor [appellant] niet haalbaar is.

2. ontvangst

leveranciersgoederen [appellant] werkt volledig zelfstandig (…), maar heeft nog wel veel hulp nodig van zijn collega’s en 100% controle is noodzakelijk. In de periode 15-6 t/m 29 Juni behaald hij gemiddeld 63 lijnen per dag, per uur is dit 8.75 lijnen (Target 15). Het aantal fouten (…) is (…) 11,3 fout per dag. Het verschil tussen zijn houdige en gewenste prestatie is dusdanig groot dat een solide prestatie voor [appellant] niet haalbaar is.

3. dozen maken (…) niet kunnen opstarten, omdat [appellant] de posten ontvangst goederen en ontvangst retouren niet op “solide prestatie” heeft kunnen krijgen

4. Nederlands niveau A1 (…) niveau is niet bereikt (…)

Als conclusie staat opgenomen dat “ [appellant] geen solide prestatie heeft kunnen behalen op alle onderdelen van dit plan. Hiermee is het verbeterplan niet succesvol afgesloten en is gezien de ontwikkelingen die [appellant] de afgelopen maanden heeft laten zien, niet reëel te achten dat hij een solide prestatie zal bereiken. [verweerster] zal om deze reden dan ook de voorbereidingen gaan treffen om de arbeidsovereenkomst van [appellant] te laten ontbinden, aangezien er geen toekomstmogelijkheden meer zijn voor [appellant] in de [verweerster] -organisatie.”

3.2.1.

In eerste aanleg verzocht [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [appellant] zo spoedig mogelijk te ontbinden op grond van het disfunctioneren van [appellant] , met toekenning van de transitievergoeding.

3.2.2.

Aan dit verzoek heeft [verweerster] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [verweerster] heeft aangevoerd dat het functioneren van [appellant] eind 2014 al tot aanmerkingen heeft geleid, onder meer dat de output te laag is en kwaliteitsbesef bij hem ontbreekt. In 2016 is hij twee keer elders gedetacheerd geweest, maar dat heeft niet tot succesvolle plaatsing elders geleid. Vanaf 1 september 2017 wordt [appellant] begeleid in zijn functie van Parts Logistiek Medewerker B. Eind 2017 wordt zijn functioneren als “niet-acceptabel” beoordeeld, zowel kwantitatief als kwalitatief. Vanaf februari 2018 is een verbetertraject gestart met een negatief resultaat in juli 2018; [appellant] is niet in staat om één van de gestelde doelen te halen. [verweerster] stelt aan haar herplaatsingsverplichting te hebben voldaan. Met de detachering naar [fabriek] is bezien of [appellant] op een andere afdeling in een andere functie wel functioneert. Deze detachering is niet geslaagd. De functie van Parts Logistiek Medewerker B is een van de minst complexe functies binnen [verweerster] . De daarbij behorende werkzaamheden zijn volledig gestandaardiseerd en de medewerker moet deze standaardprocedure volgen. In het kader van haar (externe) herplaatsingsverplichting heeft [verweerster] onderzocht of er mogelijkheden waren binnen [SW-bedrijf] . [appellant] valt echter buiten de doelgroep van dit SW-bedrijf.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In de eindbeschikking van 11 september 2018 heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] voldoende gelegenheid is geboden zijn functioneren te verbeteren, maar dat de gewenste verbetering is uitgebleven. [verweerster] heeft verder voldoende aangetoond dat er voor [appellant] geen herplaatsingsmogelijkheden zijn binnen haar organisatie en dat ook de externe plaatsing bij [SW-bedrijf] niet is gelukt. Voor zover is bepleit om hem weer het dozen vouwen te laten doen wat hij voorheen jaren gedaan heeft, moet worden onderkend dat hij daarin in 2015 al niet voldeed, terwijl hij dat toen jarenlang had gedaan. De kantonrechter ziet geen reden aan [appellant] een billijke vergoeding toe te kennen. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 november 2018, heeft [verweerster] veroordeeld tot het betalen van de transitievergoeding conform artikel 7:673 BW en heeft bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd primair te verstaan dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen en [verweerster] te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom, en subsidiair een billijke vergoeding toe te kennen van € 11.000,-- bruto en de beschikking primair en subsidiair te vernietigen voor zover de proceskosten zijn gecompenseerd onder veroordeling van [verweerster] in de proceskosten van beide instanties.

3.5.1.

De bespreking van de grieven valt uiteen in de onderwerpen: disfunctioneren (grieven 1 tot en met 4), herplaatsingsverplichting (grieven 1 en 5), billijke vergoeding (grief 6) en proceskosten (grief 7).

disfunctioneren

3.5.2.

[appellant] stelt samengevat het volgende. Zijn functie/bedongen functie omvat feitelijk het vouwen van dozen en dat deed [appellant] gedurende ongeveer negen jaar tot eind 2015 naar tevredenheid. Het verrichten van de originele bedongen functie is nog steeds mogelijk. [appellant] verzoekt daarom herstel van de arbeidsovereenkomst, primair in de oude functie.

[verweerster] heeft [appellant] vanwege een arbeidsconflict gedurende twee jaar niet meer toegelaten in zijn oude functie. Terwijl [appellant] elders was geplaatst heeft [verweerster] de functie gewijzigd en verzwaard. De functiewijziging dateert niet uit 2015, die is vanaf 2017 voor [appellant] geldend. [appellant] is bijna op het veronderstelde niveau van functioneren als de mondelinge behandeling in eerste aanleg plaats vindt. [appellant] heeft de langzaam stijgende lijn niet kunnen voltooien, maar herstel van de arbeidsovereenkomst in de nieuw gecreëerde functie is op redelijke termijn mogelijk. Daarnaast is de functie van reachtruckchauffeur op middellange termijn haalbaar.

3.5.3.

Het standpunt van [verweerster] zal het hof waar nodig in het navolgende betrekken.

3.5.4.

Het hof overweegt dat tussen partijen vast staat dat de oorspronkelijke functie van [appellant] was: Logistiek Medewerker Parts 3 met loonschaal 3. [appellant] heeft gesteld dat dit feitelijk neerkwam op het vouwen van dozen. [verweerster] heeft gesteld dat ook de oude functie meer dan het vouwen van dozen inhield. Het hof zal niet in deze discussie treden en gaat in het navolgende uit van de stelling van [appellant] dat de oude functie slechts het vouwen van dozen inhield.

3.5.5.

Verder staat vast dat [verweerster] in haar organisatie wijzigingen heeft aangebracht. De functie van Logistiek Medewerker Parts 3 (met loonschaal 3) wordt sinds deze wijziging niet langer uitgeoefend door medewerkers in vaste dienst van [verweerster] , maar door uitzendkrachten en ander ingeleend personeel. [verweerster] heeft onbetwist gesteld dat de functie van de overige werknemers die werkzaam waren in de functie Logistiek Medewerker Parts 3, sinds 1 januari 2016 is omgezet naar de functie Parts Logistiek Medewerker B met loonschaal 4. Verder heeft [verweerster] onbetwist gesteld dat de functie Parts Logistiek Medewerker B één van de minst complexe functies is binnen [verweerster] . De daarbij behorende werkzaamheden zijn volledig gestandaardiseerd en de medewerker moet deze standaardprocedure volgen. [verweerster] heeft gesteld dat de promotie van medewerkers in de functie Logistiek Medewerker Parts 3 naar de hogere functie Parts Logistiek Medewerker B met alle werknemers die dat aanging is overeengekomen aan het eind van 2015 tijdens de beoordelingsgesprekken. Zo ook met [appellant] , maar dat zij daar geen onderliggende stukken van heeft kunnen terugvinden. [appellant] heeft betwist dat hij daarmee in 2015 heeft ingestemd en gesteld dat hij pas met de functieverandering te maken kreeg in september 2017 toen hij in deze functie aan de slag ging. Het hof overweegt dat het er voor de voorliggende vragen niet toe doet of [appellant] in 2015 heeft ingestemd met de functiewijziging. In september 2017 heeft [appellant] dat in elk geval wel gedaan door in deze functie aan de slag te gaan en daarover afspraken te maken. In het verslag van het functioneringsgesprek van 1 september 2017 (rov. 3.1.8.), staat immers onder meer:

“Daarbij maken wij de volgende afspraken:

- We verwachten dat je 3 posten beheerst (eind 2017) zoals je functieomschrijving (Parts Logistiek Medewerker B) aangeeft.” [appellant] heeft zijn handtekening onder dit verslag gezet.

En verder is anders naar het oordeel van het hof ook niet te begrijpen waarom hij heeft ingestemd met het inwerken op de twee posten zoals is vastgelegd in voornoemd functioneringsgesprek, waarbij hij gedurende drie maanden is ondersteund en is gemonitord met periodieke evaluaties, die ook op schrift zijn gesteld, en waarom hij vanaf februari 2018 heeft meegewerkt aan het verbeterplan. Tot slot heeft [appellant] ook het hogere salaris ontvangen en behouden dat behoort bij de functie Logistiek Medewerker B. [appellant] heeft op de zitting in hoger beroep weliswaar gesteld dat hij meende een hoger salaris te ontvangen omdat hij in ploegendienst werkte, maar dat geldt voor de periode waarin hij was gedetacheerd en niet voor de periode vanaf 1 september 2017. Dat [appellant] mogelijk later spijt heeft gekregen van zijn instemming, nadat hem was gebleken dat hij de nieuwe posten niet in voldoende mate onder de knie kreeg, maakt dit niet anders. Het hof overweegt dat dit betekent dat ten tijde van het verzoekschrift in eerste aanleg de bedongen functie van [appellant] was: Parts Logistiek Medewerker B.

3.5.6.

Het hof overweegt dat [appellant] vanaf 1 september 2017 is ingewerkt in zijn functie van Parts Logistiek Medewerker B en dat hij daar veel begeleiding bij heeft gehad. Verder zijn er tot begin december 2017 zeven evaluaties geweest waarbij de voortgang en de doelen met [appellant] zijn besproken. Tijdens het functioneringsgesprek op 7 december 2017 (rov. 3.1.11.) is geconcludeerd: “Je functioneert ver onder de maat. We hebben onze twijfels of je het gewenste niveau van je functie gaat bereiken. Binnen [verweerster] zijn ook geen functies op een lager niveau dan jij nu uitvoert. We willen na je vakantie met je in gesprek gaan of we een performance plan gaan opstarten of een andere mogelijkheid gaan aanbieden.(…)”. Vanaf februari 2018 is een verbetertraject gaan lopen waarbij vier doelen zijn geformuleerd (rov. 3.1.12.). Dit betreft de onderdelen: 1. ontvangst retouren, 2. ontvangst leveranciersgoederen, 3. dozen maken en 4. Nederlands op niveau A1 (zie ook rov. 3.1.13.). Ook in dit verbetertraject zijn er vele evaluaties geweest. In juli 2018 is de eindconclusie: “ [appellant] heeft geen solide prestatie kunnen behalen op alle onderdelen van dit plan.”

Het hof stelt vast dat het [appellant] in een periode van ongeveer tien maanden na 1 september 2017 niet is gelukt voldoende te presteren voor de functie van Parts Logistiek Medewerker B. Zowel op kwantiteit (het aantal lijnen per uur) als op kwaliteit (het toegestaan aantal fouten) voldeed [appellant] niet voor de onderdelen ontvangst retouren en ontvangst leveranciersgoederen. Verder bleef het taalniveau onder de maat. Als er al sprake is geweest van een stijgende lijn – hetgeen door [verweerster] wordt betwist – dan betekent dit naar het oordeel van het hof niet dat het [verweerster] niet vrij stond ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken wegens disfunctioneren. Het was [appellant] duidelijk wanneer hij had moeten voldoen aan de eisen die in het verbeterplan waren vastgelegd en waarmee hij heeft ingestemd, er is hem voldoende begeleiding geboden en ook tussentijds is hem verteld hoe de zaken er voor stonden. [appellant] heeft ook niet gesteld dat de doelen binnen de overeengekomen termijn niet haalbaar zouden zijn, alleen dat hij ze wat later zou kunnen gaan behalen. Het hof stelt vast dat de doelen niet tijdig zijn behaald en dat dit geen gevolg is van onvoldoende zorg van [verweerster] voor de scholing van [appellant] of voor zijn arbeidsomstandigheden. Zo is [appellant] tijdens de inwerkperiode en het verbetertraject constant begeleid en gecontroleerd (rov. 3.1.9. 3.1.13.) en heeft [verweerster] taallessen voor [appellant] geregeld.
Daarmee staat vast dat [appellant] niet voldeed in zijn functie en dat sprake is van de zogeheten ‘d-grond’ uit artikel 7:669 lid 3 BW. Doelen op middellange termijn zoals het worden van reachtruckchauffeur behoeven dan ook geen verdere bespreking.

Herplaatsingsverplichting

3.5.7

Het hof overweegt dat [appellant] niet heeft betwist dat het functiehuis van [verweerster] geen lagere functies of minder complexe functies kent dan de functie Parts Logistiek Medewerker B. Hij heeft evenwel aangevoerd dat [verweerster] hem zou kunnen herplaatsen in een functie waarin hij alleen dozen zou hoeven vouwen, nu uitzendkrachten en/of ander ingeleend personeel dat soort werkzaamheden verricht(en) binnen [verweerster] . Hij heeft gesteld dat hij dat deel van de werkzaamheden van de functie Parts Logistiek Medewerker B voldoende beheerst. Nog los van de vraag of van [verweerster] verwacht mag worden dat zij buiten haar functiehuis hiervoor een speciale functie voor [appellant] moet creëren, overweegt het hof dat [appellant] - gezien de gemotiveerde betwisting door [verweerster] - onvoldoende heeft gesteld dat deel van de werkzaamheden voldoende te beheersen. De op 1 september 2017 gemaakte afspraak voor het onderdeel dozen vouwen betrof 20 dozen per uur (rov. 3.1.11.). Uit de stukken blijkt niet dat [appellant] eind 2015 op dat punt voldoende functioneerde. Uit de totaalbeoordeling van zijn functioneringsgesprek in 2014 is dat niet af te leiden, zeker niet als daarbij de daarna volgende gesprekken uit begin 2015 worden betrokken waaruit blijkt dat de kwaliteit en de kwantiteit onvoldoende zijn (rov. 3.1.4.). Ook later is niet gebleken dat hij op dat punt wel voldeed. Juist het omgekeerde blijkt uit het functioneringsgesprek van 1 september 2017. Daar staat dat de post dozen vouwen niet op niveau is en het tempo te laag ligt (rov. 3.1.8.). Nu vast staat dat [appellant] nadien niet meer heeft gewerkt op de op de post dozen vouwen, kan hij dat nadien ook niet meer hebben verbeterd. Daarmee is niet vast komen te staan dat [appellant] ten tijde van het verzoek tot ontbinding voldeed aan de eisen die horen bij de post dozen vouwen. Nu onvoldoende is gesteld, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

3.5.8.

Het hof overweegt dat uit het voorgaande voortvloeit dat de grieven 1 tot en met 5 falen.

Billijke vergoeding

3.5.9.

Grief 6 ziet op het niet toekennen van een billijke vergoeding door de kantonrechter. [appellant] onderbouwt zijn grief door te stellen dat hij vanaf 2006 zijn functie van feitelijk dozenvouwer naar behoren heeft uitgevoerd en dat de kantonrechter alleen kennis heeft genomen van het beoordelingsformulier over 2014 waar [appellant] (opeens) op veel onderdelen een onvoldoende krijgt. De kantonrechter overweegt in rov. 5.6 dat het eindoordeel ‘voldoende’ bezwaarlijk realistisch genoemd kan worden, maar dat is het tegen de achtergrond van (alle) eerdere beoordelingen volgens [appellant] wel. [appellant] stelt dat tegen die achtergrond de verzochte vergoeding wel billijk is, omdat [verweerster] nalatig is en verwijtbaar heeft gehandeld door [appellant] niet meer toe te laten tot zijn oorspronkelijke werkzaam-heden/functie nadat [verweerster] [appellant] eerder ten onrechte ontslag op staande voet had verleend.

3.5.10.

Het hof overweegt dat uit de voorgaande overwegingen blijkt dat [appellant] met de functie van Parts Logistiek Medewerker B heeft ingestemd en [verweerster] daarmee niet gehouden was [appellant] toe te laten tot zijn oorspronkelijke functie als dozenvouwer. Voor zover [appellant] betoogt dat hij na zijn ontslag op staande voet toegelaten wilde en had moeten worden tot zijn oude functie, komt dat niet overeen met het gegeven dat partijen in onderling overleg hebben afgesproken dat [appellant] werd gedetacheerd bij [fabriek] (zie rov. 3.1.6.). Derhalve komt niet vast te staan dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat ook grief 6 faalt.

Bewijsaanbod

3.5.11.

Het bewijsaanbod van [appellant] is onvoldoende specifiek dan wel niet ter zake dienend. Niet ter zake dienend is het bewijsaanbod dat hij in 2015 in de functie van dozenvouwer actief is geweest, evenals als het bewijsaanbod dat de functie Parts Logistiek Medewerker B in 2017 op hem van toepassing is verklaard, nu vast staat dat hij niet eerder dan per 1 september 2017 die functie is gaan vervullen en die functie in zo verre ook toen pas op hem van toepassing is geweest. Aan bewijslevering ten aanzien van het nog steeds bestaan van de functie/post dozenvouwer komt het hof niet toe (zie rov. 3.5.7.).

Proceskosten

3.5.12.

Nu de vorige grieven falen, blijft [appellant] de in het ongelijk gestelde partij. Er is dan ook geen reden [verweerster] te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en/of hoger beroep. Ook de laatste grief faalt daarom.

3.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof zal daarbij uitgaan van 2 punten (verweerschrift en mondelinge behandeling) en tarief II aangezien de ontbinding, herplaatsing en ernstige verwijtbaarheid centraal staan.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [verweerster] op € 726,-- aan griffierecht en op € 2.148,-- aan salaris advocaat

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.K.N. Vos, A.L. Bervoets en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2019.