Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1518

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
200.222.596_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6866
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

melkveehouders vorderen van kaasmakerij nabetaling van toeslagen ter zake van geleverde melk. Het geschil betreft de inhoud en uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.222.596/01

arrest van 23 april 2019

in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [appellant 2],

wonend te [woonplaats] ,

3. [appellant 3] ,

wonend te [woonplaats] ,

4. [appellant 4] ,

wonend te [woonplaats] ,

5. [appellant 5] ,

wonend te [woonplaats] ,

6. [appellant 6],

wonend te [woonplaats] ,

7. [appellant 7] ,

wonend te [woonplaats] ,

8. [appellant 8] ,

wonend te [woonplaats] ,

9. [appellant 9] ,

wonend te [woonplaats] ,

10. [appellant 10] ,

wonend te [woonplaats] ,

11. [appellant 11] ,

wonend te [woonplaats] ,

12. [appellant 12] ,

wonend te [woonplaats] ,

13. [appellanten 13] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

14. [appellant 14] ,

wonend te [woonplaats] ,

15. [appellant 15] ,

wonend te [woonplaats] ,

16. [appellant 16] ,

wonend te [woonplaats] ,

17. [appellant 17] ,

wonend te [woonplaats] ,

18. [appellant 18] ,

wonend te [woonplaats] ,

19. [appellant 19] ,

wonend te [woonplaats] ,

20 [appellant 20] ,

wonend te [woonplaats] ,

21. [appellant 21] ,

wonend te [woonplaats] ,

22. [appellant 22] ,

wonend te [woonplaats] ,

23. [appellant 23] ,

wonend te [woonplaats] ,

24. [appellant 24] ,

wonend te [woonplaats] ,

25. [appellant 25] ,

wonend te [woonplaats] ,

26. [appellant 26] ,

wonend te [woonplaats] ,

27. [appellant 27] ,

wonend te [woonplaats] ,

28. [appellant 28] ,

wonend te [woonplaats] ,

29. [appellant 29] ,

wonend te [woonplaats] ,

30. [appellant 30] ,

wonend te [woonplaats] ,

31. [appellant 31] ,

wonend te [woonplaats] ,

32. [appellant 32] ,

wonend te [woonplaats] ,

33. [appellanten 33]

[appellanten 33] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk ook te noemen: [appellanten c.s.] ,

advocaat mr. G.D. te Biezebeek te Zwolle,

tegen

KAASMAKERIJ [de kaasmakerij] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.F. Ammerlaan te Dordrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 oktober 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellanten c.s.] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/315110 / HA ZA 16-313)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 3 augustus 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het herstelexploot van 30 maart 2017;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellanten c.s.] zijn melkveehouders. Zij hebben zich met anderen verenigd in de coöperatieve Melkleveranciersvereniging DeltaMilk B.A. (hierna: DeltaMilk). Doel van deze vereniging is het nastreven van een zo hoog mogelijke prijs voor de door de melkveehouders te leveren melk.

3.1.2.

[geïntimeerde] is een kaasmakerij die zachte witte kaas van het fetatype produceert. Met een volledig geautomatiseerde productielijn produceert ze dagelijks zo’n 40.000 kilo kaas van koe-, geiten- en schapenmelk. [enig bestuurder van de kaasmakerij] (hierna: [enig bestuurder van de kaasmakerij] ) is enig bestuurder van [geïntimeerde] .

3.1.3.

[adviseur van DeltaMilk] (hierna: [adviseur van DeltaMilk] ) heeft tot 1 september 2007 een onderneming gedreven, genaamd Fair Dairy B.V. In dat kader hield [adviseur van DeltaMilk] zich bezig met advisering van melkveehouders.

3.1.4.

[adviseur van DeltaMilk] heeft in opdracht van DeltaMilk advieswerkzaamheden verricht. Deze bestonden uit het vinden van een afnemer van melk en het bereiken van een zo hoog mogelijke prijs voor de melk. Per 1 september 2007 is [adviseur van DeltaMilk] in dienst van [geïntimeerde] getreden als commercieel directeur.

3.1.5.

[adviseur van DeltaMilk] heeft DeltaMilk in contact gebracht met [geïntimeerde] als mogelijke afnemer van melk. Op 4 augustus 2007 heeft een bespreking plaatsgehad. Daarbij waren [appellant 1] en [appellant 12]

(appellanten 1 en 12), [adviseur van DeltaMilk] en [enig bestuurder van de kaasmakerij] aanwezig. Tijdens die bijeenkomst zijn afspraken gemaakt over het aangaan van overeenkomsten met [appellanten c.s.] , onder voorbehoud van goedkeuring door de leden van DeltaMilk. Deze afspraken zijn schriftelijk vastgelegd in een stuk “Afspraken voor een melkleveringsovereenkomst tussen leden van Delta Milk en [geïntimeerde] .”(productie 2 memorie van grieven). Het stuk bevat onder meer de volgende artikelen:

“3. Prijs van de melk: CONO + € 0,025 af boerderij (…)

Prijs per kilogram melk.

4. Mogelijke nabetalingen die CONO aan haar leden doet, worden door [geïntimeerde] opgevolgd. (…)”

Bij artikel 3 zijn handgeschreven opmerkingen geplaatst: “uitbetaalde boerderijprijs van CONO + € 0,025” en “Voorwaarde: overleggen van officiële factuurinformatie van CONO”.

Deze opmerkingen zijn door [adviseur van DeltaMilk] opgeschreven en van een paraaf van [enig bestuurder van de kaasmakerij] voorzien. Het stuk bevat de handtekeningen van [appellant 1] , [appellant 12] en [enig bestuurder van de kaasmakerij] .

3.1.6.

Bij brief van 4 augustus 2007 heeft [appellant 1] namens het bestuur van DeltaMilk de leden uitgenodigd voor een bijeenkomst op 8 augustus 2007 met als agendapunt 5: “Bespreking voorstel hoe en tegen welke condities wij onze melk af willen zetten. Dhr [adviseur van DeltaMilk] van Fair Dairy zal ons daarbij ondersteunen.”

3.1.7.

In augustus 2007 is tussen 26 van de appellanten en [geïntimeerde] een individuele melkleveringsovereenkomst gesloten, voorzien van de handtekening van [enig bestuurder van de kaasmakerij] en de desbetreffende melkveehouder. De overeenkomsten bevatten onder meer de volgende bepalingen.

Kwaliteitsbepaling:

Melkleverancier heeft de “Praktijkregeling [geïntimeerde] ” ontvangen. Door ondertekening van deze overeenkomst verklaart melkleverancier kennis genomen te hebben van de inhoud van de praktijkregeling [geïntimeerde] . Specifiek geldt hiervoor de kwaliteitsstimuleringsstelsel boerderijmelk 2008. Dit stelsel kan jaarlijks worden aangepast.

(…)

Prijs:

Voor de uitbetaalde prijs van de melk hanteert [geïntimeerde] de melkprijs die CONO uitbetaald aan haar leden.

Op deze melkprijs wordt een toeslag betaald van € 2,50 per 100 kg.

Deze prijs is de prijs af boerderij. (…)

De inhoudingen worden conform de inhoudingen bij CONO leveranciers gevolgd.

Mogelijke nabetalingen die CONO aan haar leden doet, worden door [geïntimeerde] opgevolgd.

Uitbetalingen hiervan vinden plaats in dezelfde maand als CONO uitbetaald of uiterlijk in de eerst daaropvolgende maand.”

In de praktijkregeling staat onder meer het volgende:

BTW-regeling

Ten aanzien van de BTW regeling dient iedere veehouder jaarlijks de juiste status voor zijn bedrijf op te geven.

Dit geldt ook voor de wijzigingen in de BTW-regeling gedurende het lopende jaar.

Wijzigingen in de BTW regeling dienen schriftelijk te worden gemeld.”

3.1.8.

Op 24 september 2007 is door DeltaMilk een bijeenkomst georganiseerd met als doel meer melkveehouders te interesseren voor een overeenkomst met [geïntimeerde] vanwege de grote vraag naar melk bij [geïntimeerde] . Bij die bijeenkomst waren diverse leden van DeltaMilk aanwezig, alsmede andere geïnteresseerde melkveehouders en [adviseur van DeltaMilk] .

3.1.9.

In september 2007 is, voor en na de bijeenkomst van 24 september 2007, tussen 6 van de appelanten en [geïntimeerde] een individuele melkleveringsovereenkomst gesloten, voorzien van de handtekening van [enig bestuurder van de kaasmakerij] en de desbetreffende melkveehouder. In oktober 2007 is dat met nog een appellant het geval. De hierboven vermelde inhoud is ook in deze overeenkomsten opgenomen. Alle overeenkomsten zijn inmiddels geëindigd.

3.1.10.

[appellanten c.s.] hebben [geïntimeerde] op 24 december 2010 aangeschreven tot betaling van ledentoeslag, weidetoeslag en caring dairy-toeslag ter zake van de door hen aan [geïntimeerde] geleverde melk in de jaren 2008, 2009 en 2010. Aan die aanschrijving is door [geïntimeerde] niet voldaan.

3.2.

[appellanten c.s.] vorderden in eerste aanleg:

1. te verklaren voor recht dat:

a. [geïntimeerde] gehouden is om de tussen partijen bestaande definitie van het begrip melkprijs te hanteren zoals deze is afgesproken in de melkleveringsovereenkomst;

b. de melkprijs derhalve naast de basisprijs die CONO hanteert, ook omvat de door CONO aan haar leden betaalde premies en toeslagen, zoals de ledentoeslag, de weidetoeslag en de premie voor caring dairy.

2. [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

a. appellant sub 1 ( [appellant 1] ) een bedrag groot € 35.083,80 als hoofdsom;

appellant sub 2 ( [appellant 2] ) een bedrag groot € 32.170,39 als hoofdsom;

appellant sub 3 ( [appellant 3] ) een bedrag groot € 45.869,01 als hoofdsom;

appellant sub 4 ( [appellant 4] ) een bedrag groot € 28.046,70 als hoofdsom;

appellant sub 5 ( [appellant 5] ) een bedrag groot € 21.149,53 als hoofdsom;

appellant sub 6 ( [appellant 6] ) een bedrag groot € 8.056,48 als hoofdsom;

appellant sub 7 ( [appellant 7] ) een bedrag groot € 23.425,70 als hoofdsom;

appellant sub 8 ( [appellant 8] ) een bedrag groot € 47.240,65 als hoofdsom;

appellant sub 9 ( [appellant 9] ) een bedrag groot € 37.224,53 als hoofdsom;

appellant sub 10 ( [appellant 10] ) een bedrag groot € 25.039,13 als hoofdsom;

appellant sub 11 ( [appellant 11] ) een bedrag groot € 43.184,69 als hoofdsom;

appellant sub 12 ( [appellant 12] ) een bedrag groot € 32.397,56 als hoofdsom;

appellanten sub 13 ( [appellanten 13] ) een bedrag groot € 20.268,78 als hoofdsom;

appellant sub 14 ( [appellant 14] ) een bedrag groot € 32.297,16 als hoofdsom;

appellant sub 15 ( [appellant 15] ) een bedrag groot € 24.826,83 als hoofdsom;

appellant sub 16 ( [appellant 16] ) een bedrag groot € 19.754,35 als hoofdsom;

appellant sub 17 ( [appellant 17] ) een bedrag groot € 25.882,76 als hoofdsom;

appellant sub 18 ( [appellant 18] ) een bedrag groot € 48.384,10 als hoofdsom;

appellant sub 19 ( [appellant 19] ) een bedrag groot € 15.916,45 als hoofdsom;

appellant sub 20 ( [appellant 20] ) een bedrag groot € 15.763,05 als hoofdsom;

appellant sub 21 ( [appellant 21] ) een bedrag groot € 27.265,36 als hoofdsom;

appellant sub 22 ( [appellant 22] ) een bedrag groot € 18.578,03 als hoofdsom;

appellant sub 23 ( [appellant 23] ) een bedrag groot € 25.688,39 als hoofdsom;

appellant sub 24 ( [appellant 24] ) een bedrag groot € 47.749,69 als hoofdsom;

appellant sub 25 ( [appellant 25] ) een bedrag groot € 28.522,75 als hoofdsom;

appellant sub 26 ( [appellant 26] ) een bedrag groot € 17.460,41 als hoofdsom;

appellant sub 27 ( [appellant 27] ) een bedrag groot € 34.377,43 als hoofdsom;

appellant sub 28 ( [appellant 28] ) een bedrag groot € 38.856,49 als hoofdsom;

appellant sub 29 ( [appellant 29] ) een bedrag groot € 85.835,76 als hoofdsom;

appellant sub 30 ( [appellant 30] ) een bedrag groot € 26.559,38 als hoofdsom;

appellant sub 31 ( [appellant 31] ) een bedrag groot € 5.639,26 als hoofdsom;

appellant sub 32 ( [appellant 32] ) een bedrag groot € 21.063,44 als hoofdsom;

appellanten sub 33 ( [appellanten 33] ) een bedrag groot € 20.152,48 als hoofdsom,

b. met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag van de verschuldigdheid tot aan de dag van betaling;

3. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten, voor zover deze noodzakelijk zijn, met de wettelijke rente daarover vanaf de dagtekening van dit vonnis tot aan betaling.

Voor zover de bedragen onder 2a onjuist zijn weergegeven in het vonnis waarvan beroep heeft het hof deze in het bovenstaande gecorrigeerd.

3.3.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellanten c.s.]

De rechtbank heeft, bij vonnis waarvan beroep, de vorderingen van [appellanten c.s.] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.

3.5.

[appellanten c.s.] kunnen zich niet met de beslissing van de rechtbank verenigen en zij zijn in hoger beroep gekomen. Zij hebben 5 grieven tegen het eindvonnis van de rechtbank aangevoerd. Zij hebben tevens hun vorderingen in hoger beroep gewijzigd. Deze wijzigingen houden in:

- de onder 3.2. sub 1 weergegeven vordering tot verklaring voor recht is door [appellanten c.s.]

ingetrokken;

- aan de geldvorderingen, hiervoor genoemd onder 3.2 sub 2a, hebben zij in hoger beroep

toegevoegd: althans de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van enige andere bedragen

door het hof in goede justitie vast te stellen;

- bij wijze van eisvermeerdering hebben zij gevorderd de onder 3.2 sub 2a genoemde

bedragen te vermeerderen met de verschuldigde btw ad 5,374% alsmede met de wettelijke

handelsrente vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van betaling.

Zij vorderen in hoger beroep tevens de veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, met inbegrip van de nakosten, alsmede de veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de proceskosten die [appellanten c.s.] naar aanleiding van het vonnis waarvan beroep hebben voldaan.

3.6.

Tegen de eisvermeerdering zijn door [geïntimeerde] geen bezwaren aangevoerd. De eiswijzigingen zijn toelaatbaar. Het hof zal in hoger beroep recht doen op basis van de gewijzigde eis.

3.7.

[geïntimeerde] heeft de grieven van [appellanten c.s.] bestreden en heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten van het hoger beroep.

3.8.

Het geschil tussen partijen komt erop neer dat [appellanten c.s.] zich op het standpunt stellen dat zij van [geïntimeerde] te weinig betaald hebben gekregen voor de melkleveranties in de jaren 2008, 2009 en 2010, doordat [geïntimeerde] geen rekening heeft gehouden met de ledentoeslag ad € 0,25 per 100 kg melk, de weidetoeslag ad € 0,50 per 100 kg melk en de caring dairy-toeslag ad € 0,50 per 100 kg melk. Volgens [appellanten c.s.] hadden zij recht op die toeslagen ingevolge de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomsten.

[geïntimeerde] stelt zich daarentegen op het standpunt dat [appellanten c.s.] géén recht hebben op de drie genoemde toeslagen omdat die toeslagen niet zijn begrepen in de prijs die met [appellanten c.s.] is overeengekomen.

3.9.

Het hof neemt bij de beoordeling van dit geschil tussen partijen tot uitgangspunt dat de stelplicht en de bewijslast ter zake bij [appellanten c.s.] ligt, dit op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv.

3.10.

De prijsafspraken tussen partijen zijn vastgelegd in de schriftelijke raamovereenkomst (productie 2 bij memorie van grieven) die “namens de leden van DeltaMilk” is ondertekend door [appellant 1] en [appellant 12] , dit onder de voorwaarde “dat de leden van DeltaMilk het goedkeuren”. De prijsafspraken zijn vervolgens vastgelegd in de overeenkomsten die de individuele appellanten met [geïntimeerde] hebben gesloten (als productie 3 bij memorie van grieven is de individuele overeenkomst van [appellant 1] overgelegd; de overige met [appellanten c.s.] gesloten individuele overeenkomsten zijn gelijkluidend).

In de schriftelijke raamovereenkomst is met betrekking tot de prijs vermeld:

“3. Prijs van de melk: CONO + € 0,025 af boerderij (…)

Prijs per kilogram melk.

4. Mogelijke nabetalingen die CONO aan haar leden doet, worden door [geïntimeerde] opgevolgd. (…)”

Bij artikel 3 is de handgeschreven opmerking geplaatst: “uitbetaalde boerderijprijs van CONO + € 0,025”

Kennelijk is aan de voorwaarde voldaan dat de afspraken over de prijs goedgekeurd moeten worden door de leden van DeltaMilk, want deze prijsafspraken zijn overgenomen in de individuele contracten, met dien verstande dat de afspraken enigszins uitgebreider als volgt zijn geformuleerd:

Prijs:

Voor de uitbetaalde prijs van de melk hanteert [geïntimeerde] de melkprijs die CONO uitbetaald aan haar leden.

Op deze melkprijs wordt een toeslag betaald van € 2,50 per 100 kg.

Deze prijs is de prijs af boerderij.

(…)

De inhoudingen worden conform de inhoudingen bij CONO leveranciers gevolgd.

Mogelijke nabetalingen die CONO aan haar leden doet, worden door [geïntimeerde] opgevolgd.

3.11.

Partijen verschillen van mening over de uitleg van de voormelde prijsafspraken. De grieven 1 en 2 van [appellanten c.s.] hebben hierop betrekking.

Het hof begrijpt uit de toelichting op de grieven 1 en 2 dat de door [appellanten c.s.] voorgestane uitleg van de prijsafspraken volgens hen in ieder geval zou moeten leiden tot toewijzing van de gevorderde ledentoeslag ad € 0,25 per 100 kg melk.

3.12.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt het hof voorop, zoals ook de rechtbank heeft gedaan, dat de uitleg van een contractsbepaling dient te geschieden aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf, die inhoudt dat de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat de redelijkheid en de billijkheid hierbij een rol spelen. De taalkundige betekenis van bewoordingen van het omstreden beding zal vaak van groot belang zijn, maar dat wil niet zeggen dat deze doorslaggevend is. De overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere betekenis aan de bepaling moet worden gehecht. Beslissend blijft de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en hetgeen zij wat dat betreft redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101).

3.13.

Wat betreft de onderhavige zaak kan er naar het oordeel van het hof niet aan voorbij worden gegaan dat in de individuele overeenkomsten die met [appellanten c.s.] zijn gesloten, expliciet is vermeld dat [geïntimeerde] zich heeft verbonden om aan [appellanten c.s.] de melkprijs te betalen die CONO aan haar leden betaalt, plus een toeslag van € 2,50 per 100 kg. melk. Deze expliciete verwijzing naar de ledenprijs van CONO is in het bijzonder van belang, omdat CONO zowel van leden als van niet-leden melk afneemt, zoals onbetwist door [appellanten c.s.] is gesteld. De ledentoeslag wordt door CONO alleen aan haar leden uitbetaald.

Ook in de beknopte prijsaanduiding in de raamovereenkomst wordt (onder punt 4) verwezen naar de betalingen die CONO aan haar leden doet.

Naar het oordeel van het hof mochten [appellanten c.s.] er, gelet op de expliciete vermelding in de met hen gesloten overeenkomsten, gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij, net als de leden van CONO, recht hadden op een melkprijs inclusief de ledentoeslag.

Weliswaar wordt de te ontvangen prijs, in het systeem van prijsberekening van CONO, per individuele melkleverancier bepaald, zoals is uiteengezet onder 3.6 van het vonnis waarvan beroep, maar de ledentoeslag ad € 0.25 per 100 kg melk is – anders dan de in het navolgende nog te bespreken toeslagen in verband met Weidegang en Caring Diary – een vast onderdeel van de aan alle leden van CONO uit te betalen melkprijs.

3.14.

Het voorgaande zou anders kunnen zijn, indien juist is zoals [geïntimeerde] stelt (maar [appellanten c.s.] betwisten) dat aan de zijde van [geïntimeerde] vóór of bij gelegenheid van het sluiten van de overeenkomsten is meegedeeld dat [appellanten c.s.] géén recht kunnen doen gelden op de ledentoeslag.

Op 4 augustus 2007 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarbij namens DeltaMilk aanwezig waren: [appellant 1] en [appellant 12] alsmede [adviseur van DeltaMilk] als adviseur van DeltaMilk; van de zijde van [geïntimeerde] was [enig bestuurder van de kaasmakerij] aanwezig. Niet gesteld of gebleken is dat bij die gelegenheid namens [geïntimeerde] is meegedeeld dat [appellanten c.s.] géén recht kunnen doen gelden op de ledentoeslag.

Op 8 augustus 2007 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden van leden van DeltaMilk (en andere geïnteresseerde melkveehouders), tijdens welke bijeenkomst de met [geïntimeerde] gesloten raamovereenkomst is besproken. Van de zijde van [geïntimeerde] was bij die gelegenheid geen vertegenwoordiger aanwezig. [appellanten c.s.] hebben weliswaar gesteld dat [adviseur van DeltaMilk] tijdens de bijeenkomst op 8 augustus 2007 namens [geïntimeerde] heeft gesproken, maar dit standpunt (dat door [geïntimeerde] is betwist) kan niet worden aanvaard. Immers: tussen partijen staat vast dat [adviseur van DeltaMilk] tot 1 september 2007 adviseur was van DeltaMilk en nog niet bij [geïntimeerde] in dienst was getreden. Bovendien staat vast dat in de uitnodiging van 4 augustus 2007 die [appellant 1] namens het bestuur van DeltaMilk voor de bijeenkomst op 8 augustus 2007 aan de leden heeft gezonden als agendapunt 5 is vermeld: “Bespreking voorstel hoe en tegen welke condities wij onze melk af willen zetten. Dhr [adviseur van DeltaMilk] van Fair Dairy zal ons daarbij ondersteunen.”

Het voorgaande neemt niet weg dat [adviseur van DeltaMilk] of (een) andere aanwezige(n) bij de bijeenkomst van 8 augustus 2007 mogelijkerwijs als “boodschapper” heeft respectievelijk hebben gefungeerd voor [geïntimeerde] en dat de boodschap inhield dat [appellanten c.s.] géén recht kunnen doen gelden op de ledentoeslag. In dat geval mochten [appellanten c.s.] er niet zonder meer op vertrouwen dat de ledentoeslag onderdeel zou uitmaken van de door [geïntimeerde] te betalen melkprijs.

In het voorafgaande aan de procedure in eerste aanleg gehouden voorlopig getuigenverhoor zijn meerdere getuigen gehoord die aanwezig zijn geweest bij de bijeenkomst van 8 augustus 2007, waaronder [adviseur van DeltaMilk] . [adviseur van DeltaMilk] heeft als getuige verklaard: “Bij de eerste bijeenkomst van DeltaMilk neem ik aan dat ik iets gezegd zou hebben, maar ik weet niet meer precies wat. In het algemeen is besproken wat [geïntimeerde] voor de melkveehouders kon doen. (…) De prestatieprijs van Cono werd niet aangeboden aan de melkveehouders. Onder de prestatieprijs vallen ook de toeslagen caring dairy, weidepremies en de ledentoeslagen. (…)

Naar het oordeel van het hof kan aan deze verklaring onvoldoende bewijs worden ontleend dat aan [appellanten c.s.] is meegedeeld dat zij géén recht kunnen doen gelden op de ledentoeslag. Daarvoor is de verklaring van [adviseur van DeltaMilk] te vaag. Bovendien is de verklaring in zoverre onjuist dat uit productie 4 bij memorie van grieven blijkt dat de ledentoeslag tot de contante melkprijs van CONO hoort en – anders dat de premies voor weidegang en caring dairy – niet tot de prestatieprijs.

De verklaringen van de overige gehoorde getuigen bieden geen enkele aanwijzing voor de veronderstelling dat op 8 augustus 2007 aan [appellanten c.s.] zou zijn medegedeeld dat zij géén recht kunnen doen gelden op de ledentoeslag.

3.15.

Naar het oordeel van het hof moet op grond van het voorgaande - in ieder geval ten aanzien van de appellanten die de overeenkomst met [geïntimeerde] hebben gesloten vóór 24 september 2007, zijnde de datum van de tweede bijeenkomst van leden van DeltaMilk, waarbij [adviseur van DeltaMilk] aanwezig was, deze keer als vertegenwoordiger van [geïntimeerde] – als vaststaand worden aangenomen dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de ledentoeslag tot de door [geïntimeerde] te betalen melkprijs hoorde. In het licht van het aanwezige bewijsmateriaal moet de betwisting van de zijde van [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd worden geacht, zodat voor toelating tot het leveren van (tegen)bewijs geen plaats is (HR 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003: AK4841).

3.16.

Zoals in het voorgaande is vermeld, geldt voor enkele appellanten dat zij ná 24 september 2007 met [geïntimeerde] hebben gecontracteerd. Dat tijdens de bijeenkomst op 24 september 2007 door [adviseur van DeltaMilk] (namens [geïntimeerde] ) zou zijn meegedeeld dat [appellanten c.s.] géén recht kunnen doen gelden op het ledentoeslag, valt niet uit de getuigenverklaring van [adviseur van DeltaMilk] , afgelegd bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor, af te leiden. Hetgeen hiervoor onder 3.15 is overwogen is van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat ook ten aanzien van deze appellanten als vaststaand moet worden aangenomen dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de ledentoeslag tot de door [geïntimeerde] te betalen melkprijs hoorde.

3.17.

De conclusie is dat de vordering van [appellanten c.s.] , voor zover deze betrekking heeft op de ledentoeslag, toewijsbaar is. In zoverre zijn de grieven 1 en 2 van [appellanten c.s.] gegrond en kan het vonnis waarvan beroep niet in stand blijven.

3.18.

Naar het oordeel van het hof moet anders geoordeeld worden ten aanzien van de door [appellanten c.s.] gevorderde prestatietoeslagen voor weidegang en caring dairy.

Zoals overwogen berusten stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag of [appellanten c.s.] recht hebben op de prestatietoeslagen bij [appellanten c.s.]

De inhoud van de raamovereenkomst en van de individuele overeenkomsten biedt geen aanknopingspunt voor de stelling van [appellanten c.s.] op dit punt. Immers: de prestatietoeslagen worden niet toegekend aan leden van CONO maar aan alle melkleveranciers – zowel leden als niet-leden – die voldoen aan de voorwaarden om voor de prestatietoeslagen in aanmerking te komen en met wie daartoe afzonderlijke overeenkomsten zijn gesloten. Om in aanmerking te komen voor weidetoeslag moeten melkveehouders zich onder meer verbinden om alle melkgevende koeien in een kalenderjaar gedurende minimaal honderd dagen minimaal vijf uren per dag te weiden in de open lucht. Om in aanmerking te komen voor de caring dairy-toeslag moet de melkveehouder voldoen aan een pakket van eisen betrekking hebbend op duurzaam ondernemen en zorg voor koeien.

Voor de prestatietoeslag caring dairy geldt bovendien dat deze door CONO pas sinds 2008 wordt toegekend; deze toeslag bestond derhalve nog niet ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met [appellanten c.s.]

Het hof acht verder van belang dat uit vergelijking van de “praktijkregelingen” van CONO en [geïntimeerde] (respectievelijk productie 4b bij conclusie van antwoord en productie 3 bij memorie van grieven) valt af te leiden dat voor de praktijkregeling van [geïntimeerde] de praktijkregeling van CONO goeddeels is overgenomen maar dat de prestatietoeslagen zijn geschrapt. De praktijkregeling van [geïntimeerde] maakt deel uit van de individuele overeenkomsten die met [appellanten c.s.] zijn gesloten.

Het hof acht verder nog van belang dat uit niets blijkt dat [appellanten c.s.] eerder dan december 2010, dus ruim 3 jaar na het sluiten van de overeenkomsten met [geïntimeerde] , kenbaar hebben gemaakt aan [geïntimeerde] dat zij menen aanspraak te kunnen maken op de hier bedoelde prestatietoeslagen.

3.19.

Omtrent de vraag of al dan niet aanspraak gemaakt kan worden om de genoemde prestatietoeslagen, zijn getuigen gehoord bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor voorafgaande aan de procedure in eerste aanleg.

Voor zover appellanten als getuigen zijn gehoord geldt – in hun eigen zaak – de beperking van artikel 164 Rv, hetgeen betekent dat hun verklaring geen bewijs ten voordele kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

Mede gelet hierop geldt naar het oordeel van het hof voor alle appellanten dat aan de getuigenverklaringen ontoereikend bewijs kan worden ontleend dat [appellanten c.s.] recht kunnen doen gelden op de hier bedoelde prestatietoeslagen. Uit de verklaringen van de getuigen die op verzoek van [appellanten c.s.] zijn gehoord en uit de verklaring van [adviseur van DeltaMilk] (afgelegd in contra-enquête) kan weliswaar afgeleid worden dat tijdens de bijeenkomst van 8 augustus 2007 en/of van 24 september 2007 is gesproken over prestatietoeslagen maar de verklaringen zijn te vaag om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde] zich heeft verbonden om de prestatietoeslagen aan [appellanten c.s.] uit te betalen. Bovendien heeft [adviseur van DeltaMilk] dit als getuige tegengesproken.

3.20.

Dat de doelstelling van DeltaMilk is om voor haar leden een zo hoog mogelijke prijs voor de melk te bedingen en dat het tot de taak van [adviseur van DeltaMilk] als adviseur van DeltaMilk hoorde om dat doel te bereiken, zoals [appellanten c.s.] stellen, is op zichzelf juist, maar draagt naar het oordeel van het hof onvoldoende bij aan het bewijs van de stelling van [appellanten c.s.] dat zij recht hebben op de prestatietoeslagen zoals CONO die hanteert.

3.21.

[appellanten c.s.] hebben in hun memorie van grieven bewijs aangeboden door middel van het doen horen van de reeds in het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen.

Hieromtrent geldt ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer: HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49) dat van een partij die in hoger beroep bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mag worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen. Indien getuigen reeds zijn gehoord, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

In het licht van deze jurisprudentie acht het hof het bewijsaanbod van [appellanten c.s.] te vaag zodat het wordt gepasseerd.

Voor bewijslevering door het benoemen van een deskundige zoals [appellanten c.s.] voorstellen, bestaat naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding zodat het hof ook hieraan voorbij gaat.

3.22.

Het voorgaande betekent dat de grieven 3 en 4 van [appellanten c.s.] in zoverre falen.

De vijfde grief van [appellanten c.s.] is een zogenaamde veeggrief en behoeft, na het voorgaande, geen bespreking meer.

3.23.

[appellanten c.s.] hebben voor ieder van hen € 1,25 per 100 kg geleverde melk gevorderd (memorie van grieven, 11, 52). De berekeningen die zij van hun vorderingen op basis van dit uitgangspunt hebben gemaakt, zijn op zichzelf niet door [geïntimeerde] bestreden. Van de gevorderde € 1,25 per 100 kg melk is

€ 0,25, dus 1/5e deel, toewijsbaar. Het hof zal aldus beslissen.

3.24.

[appellanten c.s.] vorderen in hoger beroep dat de aan hen toe te wijzen bedragen worden vermeerderd met 5,374% btw. Die vordering is niet toewijsbaar omdat [appellanten c.s.] in het licht van hetgeen in de op de overeenkomst toepasselijke praktijkregeling is vermeld over de toepasselijke btw-regeling, onvoldoende hebben onderbouwd dat hun vordering moet worden vermeerderd met btw, en [geïntimeerde] dat gemotiveerd heeft betwist.

3.25.

Over de toe te wijzen bedragen is [geïntimeerde] wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd. Niet in geschil is dat [appellanten c.s.] pas bij brief van 24 december 2010 voor het eerst aanspraak op ledentoeslag hebben gemaakt, te betalen binnen 14 dagen na de datum van de brief (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Om die reden is de wettelijke handelsrente toewijsbaar vanaf 8 januari 2011.

De gewijzigde vordering in hoger beroep is in zoverre toewijsbaar.

3.26.

De omstandigheid dat de vorderingen van [appellanten c.s.] slechts voor 1/5e deel toewijsbaar zijn, geeft het hof aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen. Dit geldt zowel voor de kosten van de eerste aanleg als voor de kosten van het hoger beroep.

[geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen door [appellanten c.s.] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep, is betaald.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

appellant sub 1 ( [appellant 1] ) een bedrag groot € 7.016,76 als hoofdsom;

appellant sub 2 ( [appellant 2] ) een bedrag groot € 6.434,08 als hoofdsom;

appellant sub 3 ( [appellant 3] ) een bedrag groot € 9.173,80 als hoofdsom;

appellant sub 4 ( [appellant 4] ) een bedrag groot € 5.609,34 als hoofdsom;

appellant sub 5 ( [appellant 5] ) een bedrag groot € 4.229,90 als hoofdsom;

appellant sub 6 ( [appellant 6] ) een bedrag groot € 1.611,30 als hoofdsom;

appellant sub 7 ( [appellant 7] ) een bedrag groot € 4.685,14 als hoofdsom;

appellant sub 8 ( [appellant 8] ) een bedrag groot € 9.448,13 als hoofdsom;

appellant sub 9 ( [appellant 9] ) een bedrag groot € 7.444,90 als hoofdsom;

appellant sub 10 ( [appellant 10] ) een bedrag groot € 5.007,83 als hoofdsom;

appellant sub 11 ( [appellant 11] ) een bedrag groot € 8.636,94 als hoofdsom;

appellant sub 12 ( [appellant 12] ) een bedrag groot € 6.479,51 als hoofdsom;

appellanten sub 13 ( [appellanten 13] ) een bedrag groot € 4.053,76 als hoofdsom;

appellant sub 14 ( [appellant 14] ) een bedrag groot € 6.459,43 als hoofdsom;

appellant sub 15 ( [appellant 15] ) een bedrag groot € 4.965,37 als hoofdsom;

appellant sub 16 ( [appellant 16] ) een bedrag groot € 3.950,87 als hoofdsom;

appellant sub 17 ( [appellant 17] ) een bedrag groot € 5.176,55 als hoofdsom;

appellant sub 18 ( [appellant 18] ) een bedrag groot € 9.676,82 als hoofdsom;

appellant sub 19 ( [appellant 19] ) een bedrag groot € 3.183,29 als hoofdsom;

appellant sub 20 ( [appellant 20] ) een bedrag groot € 3.152,61 als hoofdsom;

appellant sub 21 ( [appellant 21] ) een bedrag groot € 5.453,07 als hoofdsom;

appellant sub 22 ( [appellant 22] ) een bedrag groot € 3.715,60 als hoofdsom;

appellant sub 23 ( [appellant 23] ) een bedrag groot € 5.137,68 als hoofdsom;

appellant sub 24 ( [appellant 12] ) een bedrag groot € 9.549,94 als hoofdsom;

appellant sub 25 ( [appellant 25] ) een bedrag groot € 5.704,55 als hoofdsom;

appellant sub 26 ( [appellant 26] ) een bedrag groot € 3.492,08 als hoofdsom;

appellant sub 27 ( [appellant 27] ) een bedrag groot € 6.875,49 als hoofdsom;

appellant sub 28 ( [appellant 28] ) een bedrag groot € 7.771,30 als hoofdsom;

appellant sub 29 ( [appellant 29] ) een bedrag groot € 17.167,15 als hoofdsom;

appellant sub 30 ( [appellant 30] ) een bedrag groot € 5.311,88 als hoofdsom;

appellant sub 31 ( [appellant 31] ) een bedrag groot € 1.127,85 als hoofdsom;

appellant sub 32 ( [appellant 32] ) een bedrag groot € 4.212,69 als hoofdsom;

appellanten sub 33 ( [appellanten 33] ) een bedrag groot € 4.030,50 als hoofdsom;

bepaalt dat voormelde bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, ingaande 8 januari 2011 tot de dag van betaling;

compenseert de proceskosten, zowel die van de eerste aanleg als van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten c.s.] te voldoen hetgeen [appellanten c.s.] naar aanleiding van het vonnis waarvan beroep aan [geïntimeerde] hebben betaald;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 april 2019.

griffier rolraadsheer