Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1445

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2019
Datum publicatie
20-06-2019
Zaaknummer
18/00161
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1020, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

MRB. Belanghebbende heeft in strijd met schorsingsvoorwaarden gehandeld door met de auto gebruik te maken van de weg. De parkeerhaven waar de auto in was geparkeerd is aan te merken als weg in de zin van art. 5 Wet MRB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-06-2019
FutD 2019-1677
V-N Vandaag 2019/1509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00161

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 februari 2018, nummer BRE 17/540, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 25 november 2016 is aan belanghebbende de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) over de periode 10 september 2015 tot en met 9 september 2016 opgelegd ten bedrage van € 524 (hierna: de naheffingsaanslag). Voorts is bij beschikking een boete opgelegd van € 524. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 52.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dat beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 februari 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.5. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is sinds 27 januari 2004 ingeschreven in het kentekenregister als houder van het motorvoertuig met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De geldigheid van het kentekenbewijs was in de in de naheffingsaanslag begrepen periode geschorst in de zin van Hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

2.2. De Inspecteur heeft op 28 juni 2016 geconstateerd dat de auto stond geparkeerd in een zogenoemde parkeerhaven aan de [adres] te [woonplaats] . Naar aanleiding van deze constatering heeft de Inspecteur aan belanghebbende op 25 november 2016 een vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking gestuurd. Met dagtekening

29 december 2016 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking opgelegd.

2.3. Bij uitspraken op bezwaar van 13 januari 2017 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot op € 52.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.


4. Gronden

4.1.

Vast staat dat belanghebbende als houder van de auto belastingplichtig is voor de MRB in de zin van artikel 6 en 7 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB). Voorts staat vast dat het kentekenbewijs van de auto in de periode waarop de naheffingsaanslag ziet, was geschorst in de zin van Hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994. Gedurende de periode waarin het kentekenbewijs is geschorst is het belanghebbende dan niet toegestaan gebruik te maken van de weg zonder te handelen in strijd met de schorsingsvoorwaarden. Bij gebruik van de weg met de auto kan de MRB alsdan worden nageheven ingevolge artikel 35 van de Wet MRB.

4.2.

In dat verband betoogt belanghebbende dat zijn auto niet op de weg heeft gestaan. Dat betoog kan het Hof niet volgen. Op grond van artikel 5 van de Wet MRB wordt onder weg verstaan:

“elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten”.

De parkeerhaven in de straat waarin belanghebbende woont is, gelet op bovenstaande definitie, aan te merken als weg in de zin van artikel 5 van de Wet MRB. De zich tot de gedingstukken bevindende foto wijst ook niet in een andere richting. Aangezien belanghebbende aldus niet heeft voldaan aan de schorsingsvoorwaarden heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag op grond van artikel 35 van de Wet MRB terecht en overigens ook naar het juiste bedrag opgelegd. Immers, gelet op artikel 35, tweede lid, van de Wet MRB wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd. De in 2.2 vermelde constatering lag in het tijdvak dat eindigde op 9 september 2016. De Inspecteur heeft daarom terecht nageheven over de periode 10 september 2015 tot en met 9 september 2016. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.3.

De Inspecteur heeft belanghebbende tegelijk met het opleggen van de naheffingsaanslag op grond van artikel 37 van de Wet MRB in verbinding met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een verzuimboete opgelegd en deze met toepassing van paragraaf 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld op € 524. In de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking heeft de Inspecteur de boete wegens de financiële omstandigheden van belanghebbende gematigd tot € 52.

4.4.

Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Belanghebbende heeft tijdens de schorsing van het kenteken met de auto gebruik gemaakt van de weg. Dit rechtvaardigt in beginsel een boete van 100%. Niet van belang is de wijze waarop of de omstandigheden waaronder van de weg is gebruik gemaakt. Alleen bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld (avas) kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete. Dat belanghebbende zich niet heeft gerealiseerd dat de parkeerhaven tot de weg gerekend diende te worden levert echter geen avas op. Belanghebbende had zich beter op de hoogte moeten stellen van de schorsingsvoorwaarden.

4.5.

Voor een verdere matiging van de boete in verband met de financiële omstandigheden dan waarmee de Inspecteur al rekening heeft gehouden ziet het Hof geen aanleiding. Een boete van € 52 is in dit geval passend en geboden.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te gelasten aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 12 april 2019 door T.A. de Hek, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en L.B.M. Klein Tank, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.