Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1441

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2019
Datum publicatie
20-06-2019
Zaaknummer
18/00035
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8426, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De broer van belanghebbende heeft een PGB toegekend gekregen. Belanghebbende heeft als zorgverlener een bedrag van € 4.700 ontvangen uit het PGB van haar broer. Het bedrag dient te worden aangemerkt als een bron van inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-06-2019
FutD 2019-1660
V-N Vandaag 2019/1459
V-N 2019/36.30.4
NTFR 2019/1712
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00035

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 december 2017, nummer BRE 16/3866 en BRE 16/4035 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslagen en de beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.321. Gelijktijdig is belanghebbende bij beschikking € 119 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking). Tevens is aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 4.586.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de aanslag IB/PVV 2013 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.167 en de aanslag Zvw dienovereenkomstig verminderd. Gelijktijdig is de beschikking belastingrente verminderd tot een te betalen bedrag van € 64. De Inspecteur heeft aan belanghebbende daarnaast een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 244.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft met dagtekening 16 april 2018 een aanvullende reactie ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 februari 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor] te [kantoorplaats] , als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [C] , de vader van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Het Hof heeft aan het eind van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft in 2013 haar broer [A] (hierna: [A] ) begeleid bij de dagbesteding. [A] lijdt aan autisme en hij heeft een verstandelijke beperking. Aangezien voor hem geen passende woonvorm gevonden kon worden, is besloten de zorg binnen de vertrouwde omgeving van het gezin bij zijn ouders in huis te regelen.

2.2.

Ten behoeve van [A] is een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) aangevraagd en toegekend. Volgens het indicatiebesluit van 19 augustus 2013 is de soort zorg waarvoor het PGB is toegekend het zorgzwaartepakket VG06 gedurende 7 etmalen per week. Het zorgpakket omvat verblijf, begeleiding inclusief dagbesteding, persoonlijke verzorging en behandeling. In 2013 heeft [A] een PGB ontvangen van € 48.314,94.

2.3.

Belanghebbende heeft als zorgverlener een bedrag van € 4.700 uit het PGB van [A] ontvangen. De zorgverlening bestaat uit begeleiding in het kader van de dagbesteding. Blijkens het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst heeft belanghebbende in de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 een bedrag ontvangen van € 3.700 en in de periode 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 een bedrag van
€ 1.000.

2.4.

In de aangifte IB/PVV 2013 heeft belanghebbende de inkomsten ontvangen uit het PGB van [A] niet aangegeven. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling het netto resultaat uit overige werkzaamheden vastgesteld op € 4.586, te weten € 4.700 als inkomsten uit PGB minus € 114 aan aftrekbare kosten.

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur een deel van de door belanghebbende geclaimde kostenaftrek geaccepteerd. Het netto resultaat uit overige werkzaamheden is vastgesteld op € 2.432 (€ 4.700 minus € 2.268). Het bedrag van € 2.268 is gespecificeerd als volgt:

reeds in aftrek toegestane reiskosten € 114

reiskosten naar manege [de manege] € 620,16

reiskosten ophalen [A] voor verblijf thuis € 25,08

reiskosten i.v.m. begeleiding in Griekenland € 943,54

reiskosten 3 x naar de kust € 262,20

reiskosten [B] e.o. € 228

telefoonkosten € 75

totaal € 2.267,98.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen.

I. Heeft de Inspecteur het door belanghebbende in 2013 ontvangen PGB bedrag ad € 4.700 voor het verlenen van zorg aan [A] terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend?

II. En zo ja, heeft de Inspecteur de kosten tot een juist bedrag in aanmerking genomen?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.735. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Het PGB is uitsluitend bestemd om zorg ‘in te kopen’. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 juni 2017, nr. 42044, ECLI:NL:HR:2007:AY3626 als volgt geoordeeld: “het door een verzekerde ‘inkopen’ van zorg door gecontracteerde hulpverleners die wordt gefinancierd vanuit een aan die verzekerde toegekend persoonsgebonden budget, geschiedt derhalve in het economische verkeer; dat geldt ongeacht of de gecontracteerde hulpverlener al dan niet tevens in familie- of gezinsverband staat tot de verzekerde. Een en ander brengt mee dat ook de werkzaamheden die door de aldus gecontracteerde hulpverlener worden verricht, steeds worden verricht in het economische verkeer”.

4.2.

In de onderhavige zaak staat vast dat het door belanghebbende ontvangen PGB bedrag is aangewend om zorg te verlenen aan [A] en dat belanghebbende ook voor die werkzaamheden betaald is vanuit dat budget.

4.3.

Belanghebbende heeft de zorg niet in dienstbetrekking of in de hoedanigheid van ondernemer verricht. Het Hof is van oordeel dat de inkomsten uit het PGB bij belanghebbende belastbaar zijn als resultaat uit overige werkzaamheden (artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001). [A] heeft door tussenkomst van een zorgkantoor een zorgovereenkomst met zijn zus, belanghebbende, gesloten. Daardoor is belanghebbende verplicht tot het leveren van zorg en werd zij als gecontracteerde hulpverlener gefinancierd door een aan [A] toegekend PGB. Uit het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad in 4.1 blijkt dat deze werkzaamheden steeds worden verricht in het economische verkeer ongeacht een familie-of gezinsverband tussen verzekerde en de gecontracteerde hulpverlener. Het Hof is van oordeel dat het voordeel was te verwachten en ook door belanghebbende is beoogd door te kiezen het PGB grotendeels binnen het familieverband te verdelen. Belanghebbende heeft haar arbeid zelfstandig rendabel gemaakt en na aftrek van de fiscaal toelaatbare kosten kon zij ook redelijkerwijs voordeel verwachten. De eerste in geschil zijnde vraag moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag II

4.4.

Belanghebbende claimt naast de door de Inspecteur reeds geaccepteerde kosten nog de volgende uitgaven:

verblijfskosten € 1440

verblijfskosten 14 dagen (norm LH) € 86,80

maaltijden tijdens verblijf (norm LH) € 98

onkosten Griekenland 50% privé € 350

kosten dagtrip € 225

kosten uitjes € 500

totale kosten € 2699,80.

4.5.

De kosten kunnen slechts voor aftrek in aanmerking komen indien deze in een voldoende zakelijk verband staan tot de inkomsten die belanghebbende voor haar zorgverlening aan [A] heeft genoten. De bewijslast voor aftrek van dergelijke kosten en voor de hoogte daarvan, rust op belanghebbende.

4.6.

Belanghebbende beroept zich voor de aftrekbaarheid van de door haar opgevoerde kosten op de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 25 juli 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6313, overweging 4.6. Daarin staat vermeld dat, “tot die kosten behoren mede uitgaven voor logeerweekenden en vakanties om belanghebbende te ontlasten.” Het Hof is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in deze zaak niet vergelijkbaar zijn met die in de zojuist genoemde uitspraak.

Volgens het indicatiebesluit in die zaak was kortdurend verblijf elders noodzakelijk in verband met een dreigende overbelasting van de grootouders van het zorgbehoevend kind. In het indicatiebesluit van 19 augustus 2013 van [A] staat niet vermeld dat er een budget wordt toegekend aan [A] om belanghebbende te ontlasten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze door haar opgevoerde kosten in een voldoende zakelijk verband staan tot haar inkomsten in het kader van de zorgverlening aan [A] , zodat deze kosten niet voor aftrek in aanmerking kunnen worden genomen.

4.7.

Belanghebbende stelt ten slotte recht te hebben op een hogere kilometeraftrek van € 0,43 zoals blijkt uit het overzicht van de ANWB (bijlage bij het beroepschrift). Het Hof heeft reeds in 4.3 overwogen dat de inkomsten uit het PGB belastbaar zijn als resultaat uit overige werkzaamheden. Het Hof is daarom van oordeel dat op grond van artikel 3.95 in samenhang met artikel 3.17, lid 1, aanhef en onderdeel b, Wet Inkomstenbelasting 2001 de aftrek beperkt is tot € 0,19 per kilometer. Voor een hogere aftrek is derhalve geen ruimte.

4.8.

De tweede in geschil zijnde vraag moet bevestigend worden beantwoord.

Aanslag Zvw en belastingrentebeschikking

4.9.

Het hoger beroep wordt tevens geacht te zijn gericht tegen de aanslag Zvw en de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft hiertegen geen concrete grieven ingebracht en het Hof is ook niet gebleken dat die aanslag en de beschikking onjuist zijn vastgesteld.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 12 april 2019 door M. Harthoorn, voorzitter, A.J. Kromhout, P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.