Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1440

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
17/00238
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2021, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:697
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting ter zake van de jaren 2010 tot en met 2015 een informatiebeschikking gegeven, aangezien zij niet voldaan heeft aan het verzoek van de Inspecteur tot overlegging van de volledige administratie. Naar het oordeel van het Hof is het verzoek tot overlegging van de volledige administratie – ook indien het bepaalde in de Landsverordening toezicht trustwezen in ogenschouw wordt genomen – zowel niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel als met het verbod van détournement de pouvoir. Voorts faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel. Het Hof verklaart het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep gegrond. De informatiebeschikking blijft in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-05-2019
FutD 2019-1469
V-N Vandaag 2019/1317
NLF 2019/1506 met annotatie van Dick Barmentlo
V-N 2019/33.1.1
Viditax (FutD), 10-01-2020
Viditax (FutD), 17-04-2020
NTFR 2019/1477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00238

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 8 maart 2017, nummer BRE 16/2732, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

statutair gevestigd te Curaçao,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen informatiebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 15 december 2015 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) gegeven met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting (hierna: VPB) van belanghebbende ter zake van de jaren 2010 tot en met 2015 (hierna: de informatiebeschikking).

1.2.

De Inspecteur heeft de informatiebeschikking, na hiertegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking vernietigd en de Inspecteur gelast aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht te vergoeden.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 30 mei 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, [X] (hierna: [X] ), enig aandeelhouder en tevens bestuurder van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Het hoger beroep van de Inspecteur met betrekking tot belanghebbende is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de hoger beroepen van [X] met de kenmerken 17/00406 tot en met 17/00410. Belanghebbende en de Inspecteur hebben ter zitting toestemming verleend dat hetgeen tijdens de mondelinge behandeling met betrekking tot de hoger beroepen met de kenmerken 17/00406 tot en met 17/00410 is verklaard, voor zover relevant, gebruikt kan worden in de onderhavige procedure.

1.8.

Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

“2.1. Belanghebbende, opgericht volgens het recht van de Nederlandse Antillen en statutair gevestigd op Curaçao, treedt op als trustkantoor. Enig aandeelhouder en tevens één van de bestuurders van belanghebbende is [X] (hierna: [X] ).

2.2.

In februari 2015 heeft de inspecteur een aantal derdenonderzoeken naar belanghebbende ingesteld. Naar aanleiding van de bevindingen uit deze derdenonderzoeken heeft de inspecteur belanghebbende bij brief van 27 augustus 2015 verzocht haar volledige administratie over de jaren 2010 tot dan te overleggen wegens mogelijke belastingplicht in Nederland. In deze brief heeft de inspecteur, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt:

“Aangezien het voorgaande (…) in de richting wijst dat de vennootschap in Nederland op grond van artikel 4 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen als binnenlands belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting moet worden aangemerkt, hechten wij er belang aan de administratie van het lichaam over de jaren 2010 tot en met heden in te zien.

Voor het begrip administratie wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Wij willen u erop wijzen dat wij de volgende zaken in ieder geval als onderdelen van de over te leggen administraties beschouwen:

Ten aanzien van de uitleg omtrent het begrip administratie willen wij u graag verwijzen naar artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen, alsmede de parlementaire behandeling en de heersende leer in de literatuur en jurisprudentie bij dit begrip. Aanvullend willen wij u erop wijzen, dat hierbij in ieder geval onder het begrip administratie valt:

(…)

(…)

Graag wijzen wij u erop dat wij met bovenstaande opsomming niet de intentie hebben gehad om een uitputtende opsomming te geven welke informatie u ter inzage moet geven. Zoals u begrijpt, wordt met het begrip ‘administratie’ bedoeld hetgeen in de ruimste zin het woord hieronder kan worden opgevat.”

2.3.

Nu belanghebbende niet aan het informatieverzoek heeft voldaan, heeft de inspecteur met dagtekening 27 oktober 2015 een rappelbrief aan belanghebbende gestuurd. Belanghebbende heeft geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken. Na een herhaald verzoek om verstrekking van informatie heeft de inspecteur met dagtekening 15 december 2015 ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking genomen met betrekking tot op te leggen aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2010 tot en met 2015. In haar brief van 3 december 2015, door de inspecteur ontvangen op 15 december 2015, heeft belanghebbende gepersisteerd in haar weigering de gevraagde informatie te verstrekken.

2.4.

Bij zijn uitspraak op bezwaar van 4 april 2016 heeft de inspecteur de informatiebeschikking gehandhaafd. Hiertegen richt zich het beroep.”.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast, met dien verstande dat het Hof de nummering van de Rechtbank vervolgt:

2.5.

In de beschikking van 16 januari 1996 waarbij het bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao aan belanghebbende een vergunning heeft verleend om, onder andere, als trustkantoor op te treden, is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“(…) Voorwaarden:

(…)

3. dat uitsluitend ingezetenen, zijnde natuurlijke personen, aandeelhouders kunnen zijn;

4. dat de aandelen in handen moeten zijn en blijven van hetzij de oprichter, hetzij in de Nederlandse Antillen geboren Nederlanders, hetzij Nederlanders, die wegens een onafgebroken verblijf van langer dan tien jaar van rechtswege toelating in de Nederlandse Antillen hebben, hetzij vreemdelingen, die wegens een onafgebroken verblijf van meer dan vijftien jaar een nauwe band met de Nederlandse Antillen hebben; (…)”.

2.6.

[A] (hierna: [A] ) is – evenals [X] – bestuurder van belanghebbende. [A] woonde in de onderhavige jaren in Curaçao.

2.7.

Voor zover in hoger beroep relevant heeft de Inspecteur bij brief met dagtekening 29 juli 2013 de ING-bank – met verwijzing naar het bepaalde in artikel 53, lid 1, onderdeel a, juncto artikel 47 van de AWR – verzocht om overlegging van kopieën van rekeningafschriften van de bij belanghebbende in gebruik zijnde bankrekening met het nummer [bankrekeningnummer] met betrekking tot de periode vanaf 1 januari 2007.

2.8.

De ING-bank heeft voldaan aan dit verzoek en heeft aan de Inspecteur rekeningafschriften met betrekking tot de periode 3 januari 2007 tot en met 21 augustus 2013 verstrekt.

2.9.

Bij brief met dagtekening 17 september 2014 heeft de Inspecteur de ING-bank voorts verzocht om overlegging van kopieën van rekeningafschriften van voornoemde bankrekening met betrekking tot de periode 22 augustus 2013 tot en met heden.

2.10.

De ING-bank heeft – naar aanleiding van dit verzoek – bankafschriften met betrekking tot de periode 23 augustus 2013 tot en met 24 september 2014 aan de Inspecteur verstrekt.

2.11.

De bankafschriften met betrekking tot de periode 3 januari 2007 tot en met 24 september 2014 (zie onder 2.8 en 2.10) wijzen op betalingen aan belanghebbende door [B] B.V., [C] B.V., [D] B.V., [E] B.V., [F] B.V. en [G] N.V., [H] (hierna: [H] ), [J] (hierna: [J] ), [K] B.V. en [L] B.V. Voornoemde ondernemingen zijn in Nederland gevestigd. [H] en [J] zijn Nederlandse ingezetenen.

2.12.

In totaal hebben voornoemde B.V.’s, N.V.’s en natuurlijke personen in de periode 3 januari 2007 tot en met 24 september 2014 de volgende bedragen op de bankrekening van belanghebbende gestort:

Naam

Bedrag in totaal gestort

[B] B.V.

€ 2.600

[C] B.V.

€ 1.250

[D] B.V.

€ 2.675

[E] B.V.

€ 18.001,35

[F] B.V. en [G] N.V.

€ 13.280

[H]

€ 7.762,79

[J]

€ 15.012,50

[K] B.V.

€ 2.425

[L] B.V.

€ 3.250

2.13.

De Inspecteur is, naar aanleiding van de hierboven opgenomen transacties, derdenonderzoeken gestart bij voornoemde ondernemingen respectievelijk natuurlijke personen.

2.14.

Uit deze derdenonderzoeken volgt dat de betalingen die deze ondernemingen in de periode 3 januari 2007 tot en met 24 september 2014 aan belanghebbende gedaan hebben (zie onder 2.12) verband houden met door laatstgenoemde verleende beheersdiensten, bestuursdiensten, vertegenwoordigingsdiensten respectievelijk andersoortige (juridische) dienstverlening. In het kader van deze dienstverlening heeft belanghebbende enkele keren klanten in Nederland ontmoet.

2.15.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de jaren 1998 tot en met 2007 jaarlijks aangifte VPB gedaan naar een belastbaar bedrag van nihil. Voorts heeft belanghebbende in de als bijlagen bij de aangiften met betrekking tot de jaren 1999, 2000, 2004, 2005 en 2006 gevoegde brieven opgemerkt dat zij, haars inziens, niet belastingplichtig is in Nederland. Met betrekking tot de jaren 1998 tot en met 2004 zijn de aanslagen VPB overeenkomstig de aangiften opgelegd. Met betrekking tot de jaren 2005 tot en met 2007 zijn aan belanghebbende geen aanslagen VPB opgelegd.

2.16.

De Inspecteur heeft met betrekking tot de jaren 2008 tot en met 2011 geen aangiften VPB aan belanghebbende uitgereikt. Belanghebbende heeft ook niet verzocht om uitreiking van aangiftebiljetten.

2.17.

Voor zover in de onderhavige procedure relevant heeft op 26 februari 2003 een bespreking plaatsgevonden tussen belanghebbende en de Inspecteur in de persoon van [inspecteur 3] (hierna: [inspecteur 3] ). Van deze bespreking is een verslag opgesteld. In dit verslag is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“1. Intro

De bespreking heeft een tweeledig doel, te weten een mogelijkheid bieden aan de heer [X] om zijn visie naar voren te brengen en voorts een verkenning naar mogelijke oplossingen om de geschillen uit de weg te ruimen. (…)

(…)

6. Fiscale duiding.

(…)Vestigingsplaats van de vennootschappen in NL is voor de heer [X] onaanvaardbaar. (Ik denk dat dit fiscaal ook niet haalbaar is. De werkzaamheden kunnen inderdaad op Curacao worden verricht zeker door de daar aanwezige personen). Feit blijft wel dat de heer [X] hier ook werkzaamheden verricht , dus we zouden moeten denken over een vv/v.i. concept. (…)

(…)

Afgesproken dat beide partijen over het geheel zullen nadenken en dat wij een voorstel zullen doen per brief op het adres in Curacao.”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Rechtbank de informatiebeschikking terecht heeft vernietigd.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, ongegrondverklaring van het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4 Gronden

Voor belastingheffing relevante vragen

4.1.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de administratie van belanghebbende relevant kan zijn voor beantwoording van de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Volgens de Inspecteur valt het verzoek tot het overleggen van de administratie derhalve binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR.

4.2.

Belanghebbende betwist dat de door de Inspecteur opgevraagde informatie relevant kan zijn voor de belastingheffing te haren aanzien, aangezien zij geen belaste activiteiten in Nederland verricht, vestiging in Nederland wordt verhinderd door de in Curaçao geldende trustwetgeving en de Belastingregeling voor het Koninkrijk belastingheffing door Nederland in de weg staat.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat artikel 47 van de AWR in het jaar 2015 als volgt luidde:

1 Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.”.

4.4.

Een informatieverzoek valt derhalve uitsluitend binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR indien de door de Inspecteur gevraagde gegevens en bescheiden van belang kunnen zijn voor de belastingheffing, met dien verstande dat er een aanleiding dient te zijn om deze gegevens en bescheiden op te vragen (zie het arrest Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38.122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498, BNB 2003/268 en het arrest Hoge Raad 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603, BNB 2016/48).

4.5.

Toegepast op situaties – zoals de onderhavige – waarin de Inspecteur gegevens en bescheiden heeft opgevraagd om vast te stellen of een belanghebbende (buitenlands) belastingplichtig is, valt een dergelijk informatieverzoek uitsluitend binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR indien voorafgaande aan dit verzoek twijfel bestond over de vraag of de desbetreffende belanghebbende (buitenlands) belastingplichtig is en indien de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Uit het arrest Hoge Raad 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603, BNB 2016/48 volgt dat er reeds sprake kan zijn van twijfel over beantwoording van deze vraag, indien op grond van concrete aanwijzingen, niet uit te sluiten is dat de desbetreffende belanghebbende in Nederland een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger heeft.

4.6.

Naar het oordeel van het Hof is in het onderhavige geval, gelet op de bevindingen uit de derdenonderzoeken (zie onder 2.7 tot en met 2.14), niet uit te sluiten dat belanghebbende in Nederland kwalificeert als een (buitenlands) belastingplichtige. Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat uit deze derdenonderzoeken volgt dat belanghebbende in de periode 3 januari 2007 tot en met 24 september 2014 (beheers)diensten heeft verleend aan in Nederland gevestigde ondernemingen en dat [X] , in zijn functie van bestuurder van belanghebbende (zie onder 2.1), in het kader van deze dienstverlening enkele keren klanten in Nederland heeft ontmoet (zie onder 2.14).

4.7.

De Inspecteur kon zich voorts, naar het oordeel van het Hof, in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden – de volledige administratie van belanghebbende – van belang zou kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Het informatieverzoek valt derhalve, naar het oordeel van het Hof, binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR. Belanghebbende dient derhalve in beginsel, behoudens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie onder 4.9 tot en met 4.26), aan dit informatieverzoek te voldoen.

4.8.

Uit het arrest 14 april 2017, nr. 15/02197, ECLI:NL:HR:2017:673, BNB 2017/221 volgt dat het (mogelijk) pleitbare standpunt van belanghebbende dat zij niet in Nederland belastingplichtig is respectievelijk kan zijn haar niet ontslaat van de verplichting om te voldoen aan het op artikel 47, lid 1, van de AWR gestoelde verzoek om haar administratie aan de Inspecteur over te leggen. Naar het oordeel van het Hof heeft hetzelfde te gelden met betrekking tot belanghebbendes (mogelijk) pleitbare standpunt dat – indien vast zou komen te staan dat belanghebbende in de onderhavige jaren op grond van de nationale regelgeving als (buitenlands) belastingplichtige kwalificeert – het bepaalde in de Belastingregeling voor het Koninkrijk belastingheffing in de weg staat.

Strijd met de algemene beginselen

Evenredigheidsbeginsel en détournement de pouvoir

4.9.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het aan de informatiebeschikking ten grondslag liggende verzoek om de administratie over te leggen onevenredig is, hetgeen tot gevolg heeft dat de informatiebeschikking vernietigd dient te worden.

4.10.

De Inspecteur voert tegen dit oordeel van de Rechtbank aan dat belanghebbende geen inzage heeft verstrekt in de door haar in de onderhavige jaren verrichte bedrijfsactiviteiten en in de wijze waarop zij haar administratie heeft ingericht, waardoor het onmogelijk was om een concreter informatieverzoek te doen. Voorts merkt de Inspecteur op dat belanghebbende ook aan een minder vergaand informatieverzoek niet voldaan zou hebben, dat niet aannemelijk is dat buitenlandse wettelijke bepalingen het verstrekken van de administratie in de weg staan, dat de Rechtbank voorbij is gegaan aan het bepaalde in artikel 51 van de AWR en dat niet aannemelijk is dat belanghebbende financiële schade zou hebben geleden indien zij voldoen zou hebben aan het informatieverzoek.

4.11.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van het oordeel van de Rechtbank dat het informatieverzoek strijdig is met het evenredigheidsbeginsel.

4.12.

Het Hof stelt voorop dat de mogelijkheid tot het doen van een informatieverzoek respectievelijk het geven van een informatiebeschikking wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel.

4.13.

Naar het oordeel van het Hof is het onderhavige informatieverzoek – tot overlegging van de volledige administratie – echter niet in strijd met dit beginsel.

4.14.

Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat, alhoewel aan belanghebbende toegegeven kan worden dat het verzoek om overlegging van de volledige administratie ruim is, dit niet aan de Inspecteur tegengeworpen kan worden. Belanghebbende heeft, als hiertoe meest gerede partij, namelijk geen enkel inzicht verstrekt in de aard, inrichting en omvang van de door haar gevoerde administratie. Naar het oordeel van het Hof kan, gelet op deze omstandigheid, van de Inspecteur in redelijkheid niet verwacht worden dat hij zijn verzoek dan zou dienen in te perken.

4.15.

Voorts faalt belanghebbendes betoog dat het informatieverzoek strijdig is met het evenredigheidsbeginsel omdat zij op grond van de Landsverordening van de 23ste december 2003 regelende het toezicht op het trustwezen (hierna: Landsverordening toezicht trustwezen) strafrechtelijk vervolgd kan worden indien zij zou voldoen aan dit verzoek en voorts geconfronteerd zou worden met forse schadeclaims van cliënten.

4.16.

Het Hof stelt hierbij, met verwijzing naar het overwogene onder 4.5, voorop dat een informatieverzoek uitsluitend binnen de reikwijdte van artikel 47 van de AWR valt indien de door de Inspecteur gevraagde gegevens en bescheiden van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Delen van de administratie waarin uitsluitend vermeld staat wie de investeerders zijn in, respectievelijk “ultimate beneficial owners” zijn van, buiten Curaçao gevestigde klanten – welke delen van de administratie belanghebbende op grond van artikel 12, lid 1, juncto artikel 14, lid 1, van de Landsverordening toezicht trustwezen, op straffe van de sancties zoals opgenomen in artikel 25, leden 3 en 4, van deze verordening, geheim dient te houden – zijn niet aan te merken als voor de belastingheffing van belanghebbende relevante delen van de administratie. Het Hof gaat er, gelet op de verklaring van de Inspecteur ter zitting van het Hof en het ontbreken van aanwijzingen in de gedingstukken voor het tegendeel, vanuit dat het onderhavige informatieverzoek niet ziet op overlegging van dergelijke delen van de administratie. Voor zover belanghebbende in hoger beroep betoogt dat het onderhavige informatieverzoek strijdig is met het verbod van détournement de pouvoir faalt dit betoog derhalve.

4.17.

Belanghebbende heeft echter betoogd dat de informatie die zij op grond van de Landsverordening toezicht trustwezen geheim dient te houden zodanig verweven is met de overige (wel voor de belastingheffing te haren aanzien relevante) delen van de administratie dat het in strijd is met het evenredigheidsbeginsel om overlegging van enig deel van de administratie te eisen.

4.18.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de delen van de administratie welke zij op grond van de Landsverordening toezicht trustwezen geheim dient te houden zodanig verweven zijn met de overige delen van de administratie dat overlegging van laatstgenoemde delen van de administratie zouden leiden tot een reëel risico op strafvervolging op grond van het bepaalde in artikel 12, lid 1, juncto artikel 14, lid 1, juncto artikel 25, leden 3 en 4, van de Landsverordening toezicht trustwezen (zie het arrest Hoge Raad 4 juli 1989, nr. 25.846, ECLI:NL:HR:1989:ZC4078, BNB 1989/258 en de uitspraak Hof Amsterdam 17 juni 1987, nr. 107/86, ECLI:NL:GHAMS:1987:AW7642, BNB 1989/12).

4.19.

Het bepaalde in de Landsverordening toezicht trustwezen leidt derhalve niet tot de conclusie dat het verzoek tot overlegging van de voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang zijnde delen van de administratie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

4.20.

Voorts faalt belanghebbendes stelling dat dit verzoek onevenredig is in verband met de door haar te verwachten schadeclaims in het geval zij de door de Inspecteur gevraagde administratie zou verstrekken. Belanghebbende heeft, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat en in hoeverre zij in deze situatie te maken zou krijgen met schadeclaims.

Vertrouwensbeginsel

4.21.

Belanghebbende betoogt voorts dat het opleggen van de informatiebeschikking strijdig is met bij haar gewekt – in rechte te honoreren – vertrouwen. Belanghebbende voert ter onderbouwing van deze stelling primair aan dat zij in het verleden een afspraak met de Inspecteur gemaakt heeft inhoudende dat zij als buitenlands belastingplichtige wordt aangemerkt en dat jaarlijks nihil-aanslagen aan haar opgelegd zullen worden en dat deze afspraak ook voor de onderhavige jaren te gelden heeft.

Subsidiair wijst belanghebbende op de handelwijze van de Inspecteur met betrekking tot de belastingheffing te haren aanzien ter zake van de jaren 1998 tot en met 2011.

4.22.

De Inspecteur betwist dat er in rechte te honoreren vertrouwen bij belanghebbende is gewekt.

4.23.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende onvoldoende aangevoerd om het bestaan van een dergelijke afspraak tussen haar en de Inspecteur aannemelijk te maken.

4.24.

Ook de handelwijze van de Inspecteur ter zake van de jaren 1998 tot en met 2011 levert geen gerechtvaardigd vertrouwen op. Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een in rechte te beschermen vertrouwen meer vereist is dan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur gedurende een aantal jaren de door belanghebbende ingediende aangifte (op een bepaald punt) heeft gevolgd. Een gedurende meerdere jaren gevolgde gedragslijn van de Inspecteur kan uitsluitend een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel opleveren indien er sprake is van feiten en omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat deze gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling en dat deze bewuste standpuntbepaling ook voor navolgende jaren te gelden heeft (zie onder andere het arrest Hoge Raad 13 december 1989, nr. 25.077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, BNB 1990/119, en het arrest Hoge Raad 18 december 1991, nr. 27.914, ECLI:NL:HR:1991:ZC4859, BNB 1992/84).

4.25.

Alhoewel uit het verslag van het gesprek dat op 26 februari 2003 heeft plaatsgevonden, opgemaakt kan worden dat belanghebbende tijdens dit gesprek uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld dat zij, haars inziens, niet belastingplichtig is in Nederland (zie onder 2.16) kan dit, naar het oordeel van het Hof, met betrekking tot de onderhavige jaren niet tot een in rechte te beschermen beroep op het vertrouwensbeginsel leiden. Belanghebbende heeft, naar het oordeel van het Hof, namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de feiten en omstandigheden die relevant waren voor het vaststellen van haar belastingplicht in de onderhavige jaren gelijk waren aan de feiten en omstandigheden die op het moment waarop dit gesprek heeft plaatsgevonden te gelden hadden. Belanghebbende kan onder dergelijke omstandigheden geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan een in het verleden gevolgde gedragslijn (zie het arrest Hoge Raad 18 december 1991, nr. 27.914, ECLI:NL:HR:1991:ZC4859, BNB 1992/84). Voorts blijkt uit voormeld verslag dat de Inspecteur het wel voor mogelijk hield dat belanghebbende als een buitenlandse belastingplichtige zou zijn aan te merken. Ook hierom verhindert het vertrouwensbeginsel niet dat belanghebbende aan het informatieverzoek heeft te voldoen.

4.26.

Naar het oordeel van het Hof kan ook de omstandigheid dat belanghebbende in de als bijlagen bij de aangiften met betrekking tot de jaren 1999, 2000, 2004, 2005 en 2006 gevoegde brieven heeft opgemerkt dat zij, haars inziens, niet belastingplichtig is, niet aangemerkt worden als een omstandigheid die bij haar het in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen gewekt dat met betrekking tot de onderhavige jaren geen informatieverzoeken aan haar gegeven zouden worden. Belanghebbende heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat de feiten en omstandigheden die relevant zijn bij het vaststellen van de belastingplicht in de onderhavige jaren gelijk zijn aan die in de jaren 1999, 2000, 2004, 2005 en 2006.

Slotsom

4.27.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het griffierecht

4.28.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.29.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 12 april 2019 door A.J. Kromhout, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en A.M.F. Geerling, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.