Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:140

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
200.248.778_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:5541
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om beslissing tenuitvoerlegging machtiging uithuisplaatsing afgewezen. Hof is hiertoe niet bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 17 januari 2019

Zaaknummer : 200.248.778/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/349203 / JE RK 18-1620

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. van Tessel,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.C.M. Smeulders-Martens.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 september 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 30 oktober 2018, heeft de vader - naar het hof begrijpt - verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair het verzoek van de GI tot afgifte van een machtiging uithuisplaatsing in een netwerk pleeggezin af te wijzen en te bepalen dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij vader zal zijn, dan wel subsidiair [de minderjarige] in een neutraal pleeggezin of een instelling te plaatsen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties van 7 december 2018, ingekomen ter griffie van het hof op 10 december 2018, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel, althans de verzoeken van de vader af te wijzen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties van 11 december 2018, ingekomen ter griffie van het hof op 13 december 2018, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de vader af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. M. van Tessel;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de moeder, bijgestaan door mr. D.C.M. Smeulders-Martens;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader zijn de ouders van:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

3.2.

Het hoofdverblijf van [de minderjarige] is bij de moeder. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] .

3.3.

[de minderjarige] staat sinds 28 mei 2018 (voorlopig) onder toezicht van de GI. [de minderjarige] heeft ook eerder, namelijk van 12 oktober 2012 tot 12 januari 2015, onder toezicht gestaan.

3.4.

Bij beschikking van 10 september 2018 is aan de GI een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing verleend met ingang van 10 september 2018 in een voorziening pleegzorg voor de duur van twee weken.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 21 september 2018 heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [de minderjarige] met ingang van

23 september 2018 tot uiterlijk 28 februari 2019 uit huis te plaatsen in een voorziening pleegzorg. [de minderjarige] verblijft nu in hetzelfde netwerkpleeggezin, waar hij eerder ook verbleven heeft.

3.6.

De vader kan zich met de onder 3.5 genoemde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De vader voert het volgende aan. Hij wil dat [de minderjarige] bij hem geplaatst wordt. De vader kan er alsnog mee instemmen dat onderzocht wordt wat hiertoe de mogelijkheden zijn. De vader is geschikt als opvoeder voor [de minderjarige] . Ook zijn er geen contra-indicaties voor onbelast contact. De vader en het netwerk van vader kunnen [de minderjarige] helpen met zijn problematiek. De moeder daarentegen kan de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op dit moment niet aan. De moeder is gediagnosticeerd met PTSS en borderline, zodat zij niet voor [de minderjarige] kan zorgen. Het netwerkpleeggezin waar [de minderjarige] nu verblijft is eveneens ongeschikt. [de minderjarige] heeft in dat gezin een traumatische situatie meegemaakt vanwege de euthanasie van de zoon in dat gezin. De vader heeft er geen vertrouwen in dat dit gezin goed voor [de minderjarige] kan zorgen. Mocht [de minderjarige] niet bij de vader kunnen komen wonen dan zou [de minderjarige] in een neutraal pleeggezin of instelling geplaatst moeten worden, ook als dat betekent dat de vader [de minderjarige] niet of minder vaak zou kunnen zien.

3.8.

De GI voert het volgende aan. Het is de afgelopen periode niet mogelijk geweest zicht te krijgen op de thuissituatie van de vader omdat hij hier niet aan mee heeft willen werken, ondanks herhaalde pogingen van de GI daartoe. Indien de vader bereid is alsnog zijn medewerking te verlenen, dan kan de thuissituatie bij de vader onderzocht worden.

De GI heeft geen reden om aan te nemen dat het netwerkpleeggezin niet geschikt is. Het pleeggezin kan [de minderjarige] voldoende veiligheid en stabiliteit bieden. [de minderjarige] heeft bovendien een goede band met dit pleeggezin en hij heeft daarnaast zelf aangegeven dat hij zich prettig voelt in het pleeggezin. [de minderjarige] heeft graag contact met zijn moeder in de weekenden. [de minderjarige] wil ook graag weer in contact met zijn vader komen en het is voor hem onduidelijk waarom de vader dat niet met hem wil.

3.9.

De moeder voert het volgende aan. De vader is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep aangezien hij geen duidelijke grieven formuleert en omdat het verzoek te onduidelijk is. Bovendien vindt de moeder dat de vader zijn verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan doen. De moeder vindt evenwel dat er geen strijd is met de goede procesorde omdat zij in de gelegenheid is geweest schriftelijk verweer te voeren.

Uithuisplaatsing bij de vader is niet mogelijk, nu beide ouders het gezag hebben over [de minderjarige] . Een voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] zou theoretisch gezien wel kunnen, maar dit ligt al voor bij de rechtbank. Deze zaak is in afwachting van het verdere onderzoek van de raad en de GI.

De moeder kan zich ook niet vinden in de wens van de vader [de minderjarige] bij hem te laten wonen. Immers, de vader heeft iedere vorm van medewerking met Dana Eos geweigerd en de omgang met [de minderjarige] eenzijdig stopgezet omdat het te belastend was voor zijn huidige gezin en er is bovendien geen zicht op de opvoedvaardigheden van de vader. Gebleken is dat het pleeggezin belangrijke hechtingsfiguren zijn voor [de minderjarige] , zodat hij daar op dit moment goed op zijn plaats zit. [de minderjarige] heeft geen trauma opgelopen. [de minderjarige] doet het goed op school en zit beter in zijn vel. Hij ziet de moeder met regelmaat. Het zou niet goed zijn om hem nu weer over te plaatsen. [de minderjarige] heeft behoefte aan rust, duidelijkheid en stabiliteit en krijgt dat in het huidige pleeggezin.

3.10.

De raad voert ter zitting het volgende aan. [de minderjarige] is belast opgegroeid en het is van groot belang dat voor hem een veilige plek wordt gezocht om te kunnen opgroeien. De ouders zijn het er niet over eens waar dat moet zijn. Duidelijk is dat de moeder [de minderjarige] op dit moment niet het nodige kan bieden. Ten tijde van het raadsonderzoek was dat bij de vader evenmin het geval. Op dit moment heeft [de minderjarige] daarom een plek nodig om aan zijn ontwikkeling toe te kunnen komen en dat is niet bij zijn ouders. De raad begrijpt niet waarom het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader is stopgezet. De raad acht het van belang dat de energie die nu in de onderlinge strijd tussen partijen, en daarnaast door de vader in het voeren van procedures wordt gestopt, omgezet gaat worden in het zoeken naar mogelijkheden. Het staat de vader vrij hier hulpverlening voor te zoeken en overige initiatieven hiertoe te ondernemen.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de GI, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.11.2.

De moeder heeft aangevoerd dat onduidelijk is waar het beroep van de vader zich tegen richt. Het hof is van oordeel dat uit het appelschrift voldoende duidelijk blijkt dat de vader het niet eens is met de wijze waarop de machtiging uithuisplaatsingplaatsing ten uitvoer is gelegd, namelijk door plaatsing van [de minderjarige] in het huidige netwerkpleeggezin. De vader verzoekt om plaatsing van [de minderjarige] bij hem of, als dat niet kan, in een neutraal gezin of in een instelling. Dat het verzoek van de vader ook voor de moeder duidelijk was blijkt uit het door haar gevoerde verweer en het verhandelde ter zitting. De vader heeft bovendien zijn verzoek reeds in eerste aanleg gedaan. Gelet op het voorgaande, is er geen strijd met de goede procesorde en is de vader ontvankelijk in zijn verzoek.

Het hof constateert dat de beslissing tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing voor [de minderjarige] als zodanig niet ter discussie staat. Ook de vader is derhalve van mening dat het in het belang van [de minderjarige] is. Het geschil spitst zich aldus toe op de plaats van tenuitvoerlegging van de machtiging uithuisplaatsing. De vader wenst immers dat [de minderjarige] bij hem geplaatst wordt.

Het hof heeft echter niet de bevoegdheid te bepalen waar de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer moet worden gelegd. De keuze voor de plaatsing van [de minderjarige] is voorbehouden aan de instantie waaraan de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, in dit geval de GI. Het is de GI die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een ondertoezichtstelling en/of machtiging uithuisplaatsing. Het verzoek van de vader om [de minderjarige] bij hem, dan wel bij een neutraal pleeggezin of een instelling te plaatsen zal dan ook om die reden worden afgewezen.

Voorts merkt het hof op dat een onderzoek naar de mogelijkheden van een eventuele plaatsing van [de minderjarige] bij de vader kennelijk nog steeds niet van de grond is gekomen. In de bestreden beschikking is enerzijds aangegeven dat hiertoe het gesprek met de vader aangegaan moet worden. Anderzijds is daarbij aangegeven dat het op de weg van de vader ligt om zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek naar de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de vader zodat er een deskundig advies kan worden gegeven over een eventuele plaatsing van [de minderjarige] bij de vader. Het hof onderschrijft dit en acht het nog steeds van belang en noodzakelijk dat de situatie bij de vader thuis onderzocht wordt. Het is niet voldoende dat de vader er zelf van overtuigd is dat [de minderjarige] het beste bij hem geplaatst kan worden. In het belang van [de minderjarige] dient zorgvuldig onderzocht te worden welke plek voor hem het meest geschikt is. De GI is bereid het onderzoek te doen als de vader daaraan meewerkt. Het hof gaat er van uit dat de vader het belang van [de minderjarige] voorop stelt en aan het onderzoek zijn volledige medewerking zal geven.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 september 2018;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en

H. van Winkel en is op 17 januari 2019 door mr. H van Winkel uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.