Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:135

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
200.235.510_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2830
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Hof wijst af het verzoek van de moeder om de minderjarige onder toezicht te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 17 januari 2019

Zaaknummer : 200.235.510/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/244289 JE RK 17-2789

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.B.M. Rütten,

als vervolg op de beschikking van het hof van 5 juli 2018.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader), bijgestaan door mr. A.S. van Gans.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 5 juli 2018

Bij die beschikking heeft het hof de beslissing op het verzoek van de moeder aangehouden in afwachting van de resultaten van - onder meer - het beschermingsonderzoek van de raad en de raad verzocht om een advies uit te brengen en te rapporteren over de noodzaak van een maatregel van kinderbescherming.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De raad heeft op 17 oktober 2018 een gecombineerde rapportage uitgebracht. Op grond van de bevindingen van het onderzoek concludeert de raad dat er nu geen sprake is van een zodanige ernstige bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] dat een ondertoezichtstelling nodig is. Hoewel de zorgen over [de minderjarige] groot zijn, is de raad van mening dat de ouders op dit moment voldoende bereid en in staat zijn onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging voor [de minderjarige] weg te nemen en hulpverlening te accepteren, omdat zij de zorgen over [de minderjarige] onbewust met elkaar delen en de noodzakelijke hulpverlening voor hem is opgestart. De raad besluit dan ook het onderzoek naar de opvoedingssituatie van [de minderjarige] af te sluiten onder verwijzing van de ouders naar de gemeente Heerlen, zodat zij erop toezien dat voor [de minderjarige] en ouders de juiste hulpverlening wordt opgestart dan wel wordt opgevolgd.
Voorts adviseert de raad (op verzoek van) de rechtbank - samengevat - om te bepalen dat de contacten tussen [de minderjarige] en de moeder voorlopig, tot daarover nader wordt beslist, zullen plaatsvinden via de begeleide omgangsregeling (BOR), onder professionele begeleiding van Xonar/aXnaga (niveau twee).

6.2.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 2 november 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 23 november 2018;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 23 november 2018.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Het hof acht zich voldoende voorgelicht om zonder nadere mondelinge behandeling te kunnen beslissen. Op grond van de stukken, waaronder het raadsrapport, overweegt het hof verder als volgt.

7.1.1.

Er zijn nog veel zorgen over de situatie rondom [de minderjarige] . Enerzijds, omdat de hulpverlening en het onderzoek bij Care4Kidz moeizaam van de grond komt en anderzijds, omdat er nog steeds geen contactherstel heeft plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en zijn moeder.

De moeder wordt op dit moment overvraagd in de relatie met haar huidige partner en hun twee kinderen, waardoor het intakegesprek bij Care4Kidz nog niet kon plaatsvinden en zij (tijdelijk) geen actieve rol kan vervullen in het leven van [de minderjarige] .

7.1.2.

Alhoewel het hof deze zorgen onderschrijft, is de situatie rondom [de minderjarige] op dit moment voldoende rustig en stabiel.

De vader heeft met school goede afspraken gemaakt. In de thuissituatie is het eveneens rustiger. [de minderjarige] wordt niet meer zo snel boos. Hij heeft zowel op school als in de buurt verschillende vriendjes.

Verder is gebleken dat de vader in de thuissituatie persoonlijke begeleiding heeft om de stabiliteit, die er zijn leven is ontstaan, vast te houden. Er zijn geen zorgen over het functioneren van de vader en hij is in zijn pedagogische vaardigheden en in zijn zelfredzaamheid gegroeid.

7.1.3.

Bovendien komt uit het raadsrapport naar voren dat beide ouders de zorgen over [de minderjarige] delen. In het belang van [de minderjarige] zijn zij bereid om hun samenwerkingsrelatie te verbeteren en hun verdere medewerking te verlenen aan de hulpverlening die in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.

De raad heeft in dit kader geadviseerd om een aantal trajecten in te zetten.

Op de eerste plaats acht de raad het noodzakelijk dat er een Begeleide Omgangsregeling niveau II (BOR II) zal worden ingezet om het contact tussen de moeder en [de minderjarige] te herstellen. De procedure tot omgang (en gezag) is aanhangig bij de rechtbank, die in dit kader verder zal beslissen.

Voor de ouders gezamenlijk dient er een passende vorm van ouderschapsreorganisatie te worden ingezet die is afgestemd op de persoonlijke situatie van de ouders, omdat de verwachting bestaat dat de moeder via een regulier traject wordt overvraagd.

Op dit moment is er nog veel wantrouwen tussen de ouders en alhoewel de onderlinge communicatie aanvankelijk was verbeterd, zijn de ouders op dit moment niet goed in staat om met elkaar te overleggen.

Voor de moeder is het ten slotte van belang dat zij een persoonlijk, individueel traject gaat volgen en psychologische ondersteuning gaat accepteren, teneinde haar eigen belaste verleden te verwerken.

7.1.4.

In het kader van voornoemde trajecten is het noodzakelijk dat er door een onafhankelijke derde partij regie wordt gevoerd en dat de individuele hulpverleners (via deze regievoerder) de hulpverlening op elkaar afstemmen.

Het ligt voor de hand dat de gemeente Heerlen, op grond van haar wettelijke taak, deze regiefunctie op zich neemt en deze taak thans voortvarend oppakt. Van een noodzaak om de regie binnen een gedwongen kader te laten plaatsvinden is, gezien de bereidheid van de ouders, nu niet gebleken. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de ouders hun reeds toegezegde medewerking aan de noodzakelijk hulpverlening aan [de minderjarige] en aan henzelf zullen verlenen.

Mocht de hulpverlening uiteindelijk alsnog stagneren of mochten de omstandigheden anderszins wijzigen, dan kan de meest gerede partij een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling bij de rechtbank indienen.

7.2.

Dit alles maakt dat het hof met de raad van oordeel is, dat er nu geen sprake is van een zodanige ernstige bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] dat een ondertoezichtstelling nodig is, omdat de ouders op dit moment voldoende in staat en bereid zijn om met inzet van vrijwillige hulpverlening, te weten de gemeente Heerlen, die bedreiging weg te nemen.

Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
18 januari 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, H. van Winkel en H.J. Witkamp en is op 17 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier.