Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:131

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
200.236.627_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie.

Alimentatiegerechtigde volgt WSNP-traject. Aan haar wordt enige draagkracht toegekend, nu zij kindgebonden budget ontvangt en mag behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 17 januari 2019

Zaaknummer: 200.236.627/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/235391 / FA RK 17-1799

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.P.F. Rober,

tegen

Mozaïek Bewindvoeringen BV,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[de vrouw], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vrouw),

verweerster,

advocaat: mr. J.F.E. Kikken.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 6 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 28 maart 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking.

2.2

De bewindvoerder heeft op 16 mei 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de man van 16 mei 2018 met bijlagen, ingekomen op 17 mei 2018;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de bewindvoerder van 14 november 2018 met bijlagen, ingekomen op 15 november 2018.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 29 november 2018 plaatsgevonden.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de bewindvoerder is de heer [vertegenwoordiger namens de bewindvoerder] verschenen.

3. De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad. De relatie is eind 2015 geëindigd.

3.3

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] ).

3.4

[de minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 december 2017 bepaald op € 418,- per maand.

4.2

De grieven van de man zien op de draagkracht van de man, op de draagkracht van de vrouw en op het oordeel van de rechtbank dat de bewindvoerder (namens de vrouw) ontvankelijk is in haar verzoek.

De man stelt dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden nu de vrouw haar inleidend verzoek tot kinderalimentatie direct na de ondertekening van het ouderschapsplan heeft ingediend (grief 1).

Voor zover de vrouw wel ontvankelijk is in haar verzoek, verzoekt de man in hoger beroep de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 december 2017 vast te stellen op een bedrag van € 140,- per maand. De man heeft immers verblijfsoverstijgende kosten van
€ 150,-, die in mindering moeten worden gebracht op zijn draagkracht. De man verzoekt om die reden de zorgkorting te bepalen op 50%.

Daarnaast dient er rekening mee te worden gehouden dat de vrouw draagkracht heeft, nu zij over inkomen kan beschikken, waaronder het kindgebonden budget en zij ook verdiencapaciteit heeft (grief 2).

4.3

Het verweer van de bewindvoerder komt - kort gezegd - op het volgende neer.

Weliswaar hadden de ouders afspraken gemaakt over de verdeling van bepaalde kosten voor het kind, maar dit staat niet in de weg aan het vaststellen van een onderhoudsbijdrage door de rechter, nu de afspraken niet in overeenstemming waren met de wettelijke maatstaven.

De man heeft niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat zijn draagkracht slechts € 140,- per maand bedraagt. De man heeft evenmin aangetoond dat hij verblijfsoverstijgende kosten ad
€ 150,- per maand betaalt.

De te ontvangen kinderalimentatie leidt er niet toe dat de vrouw meer geld ter beschikking krijgt binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (hierna: WSNP). Wel is het zo dat er van de andere inkomsten van de vrouw een groter deel voor haar schuldeisers kan worden gereserveerd.

Het inkomen van de man is recent gewijzigd, zodat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de inkomensgegevens zoals de man die in eerste aanleg heeft overgelegd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw is op grond van artikel 1:404 van het Burgerlijke Wetboek (BW) juncto 1:406 BW gerechtigd om een verzoek in te dienen tot vaststellen van de kinderalimentatie, nu de ouders in het ouderschapsplan geen algehele regeling hebben opgenomen inzake de kinderalimentatie en zij het kennelijk oneens zijn over een in overeenstemming met de wettelijke maatstaven vast te stellen bijdrage.

Ingevolge artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Daarvan kan sprake zijn als er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen.

Het voorgaande maakt dat de eerste grief van de man niet kan slagen. De vrouw c.q. haar bewindvoerder, is ontvankelijk in haar verzoek.

5.2

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum is niet in geschil zodat het hof deze datum - 1 december 2017 - als uitgangspunt neemt.

Behoefte kind

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] € 769,- bedraagt.

Draagkracht man

5.4

Bij het bepalen van het eigen aandeel van de man in de kosten van het kind dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.

5.5

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

5.6

Ter zitting zijn partijen met elkaar overeengekomen dat het hof kan uitgaan van de eerder door de man ingediende inkomensgegevens van de man, nu de man voldoende gemotiveerd heeft aangevoerd dat zijn inkomen niet ingrijpend is gewijzigd sinds hij van baan is veranderd en de vrouw haar eerdere bezwaren heeft laten varen.

5.7

De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van het netto besteedbare inkomen (NBI). Hiervoor geldt de algemeen in de praktijk bekende en gehanteerde formule:
70% [NBI - (0,3 NBI + variabel jaarlijks vastgesteld bedrag)].

Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met het jaarlijks vastgestelde bedrag aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.8

Het hof zal zoveel mogelijk uitgaan van de gegevens die partijen zelf hebben aangedragen en zal bij het vaststellen van het NBI en de draagkracht van partijen rekenen met de formules en tarieven die in 2018 van kracht zijn. Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens.

Het bruto jaarinkomen van de man bedroeg volgens zijn aangifte inkomstenbelasting 2017
€ 60.242.-. Ervan uitgaande dat het inkomen van de man ongewijzigd is gebleven, brengt dit een NBI in 2018 van € 3.263,- per maand met zich mee.

5.9

De man heeft verzocht rekening te houden met een betalingsverplichting uit hoofde van schulden, nu die verplichting ziet op een niet vermijdbare, niet verwijtbare schuldenlast, waarvan het bestaan niet ter discussie staat.

Nu zowel de man als de vrouw geen grieven hebben aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank, waarbij er rekening is gehouden met de betalingsverplichting van de man van
€ 392,- per maand, zal het hof het hof het draagkrachtloos inkomen van de man met een bedrag van € 392,- verhogen.

Volgens de formule bedraagt de draagkracht van de man op grond van voornoemde gegevens:

70% x [3.263 - (0,3 x 3.263 + 920+392)] = € 680,-.

Voor zover de man heeft aangevoerd dat er sprake is van verblijfsoverstijgende kosten van
€ 150,- per maand, welke kosten volgens hem zouden drukken op zijn draagkracht, heeft de vrouw dit gemotiveerd weersproken en aangevoerd dat de man niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat hij maandelijks noodzakelijke kosten maakt van € 150,- per maand. Bovendien is het niet noodzakelijk dat de man kosten voor kleding en schoenen maakt, nu de vrouw hierin voor [de minderjarige] voorziet.

Het hof volgt de vrouw in haar verweer en zal het verzoek van de man om zijn draagkracht te verminderen afwijzen.

Draagkracht vrouw

5.10

De vrouw is op 29 augustus 2017 toegelaten tot de WSNP. Haar vrij te laten bedrag (VTLB) fluctueert en bedraagt gemiddeld circa € 1.600,-, inclusief een bedrag van € 50,- aan vakantiegeld.

Het hof stelt verder vast dat de vrouw kindgebonden budget ontvangt. Het kindgebonden budget bedroeg in 2018 € 306,75 per maand.

De vrouw heeft gemotiveerd aangevoerd dat, indien er vanuit wordt gegaan dat zij over draagkracht beschikt, er rekening dient te worden gehouden met de kosten van bewindvoering ad € 144,03 per maand. Daarnaast maakt de vrouw reiskosten in verband met haar woon-werkverkeer ad € 186,- per maand.

Deze twee noodzakelijke kostenposten dient de vrouw uit haar VTLB te voldoen.

5.11

De man heeft de bewindkosten van de vrouw ter zitting in hoger beroep ter discussie gesteld, nu deze kosten volgens hem niet noodzakelijk zijn. De vrouw is inmiddels toegelaten tot de WSNP, zodat er geen noodzaak meer is voor het beschermingsbewind.

De man heeft weliswaar ook nog aangevoerd dat de vrouw (meer) verdiencapaciteit heeft, maar hij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Verder stelt de man dat de vrouw een reële draagkracht heeft van € 200,-.

5.12

Het hof oordeelt als volgt.

Wanneer een alimentatieplichtige tot de WSNP is toegelaten wordt er in beginsel vanuit gegaan dat er geen sprake is van draagkracht en wordt de alimentatie in beginsel op nihil gesteld.

In het geval waarin de alimentatiegerechtigde tot de WSNP is toegelaten kan er onder omstandigheden sprake zijn van draagkracht, bijvoorbeeld indien de saniet het kindgebonden budget mag behouden.

Nu de vrouw enerzijds de kosten van bewindvoering en van woon-werkverkeer dient te voldoen en zij anderzijds kan beschikken over een het kindgebonden budget, zal het hof het NBI van de vrouw, zoals ter zitting ook aan partijen is voorgelegd, vaststellen op € 1.600,-.

Dit brengt met zich mee dat op grond van de formule aan de vrouw een draagkracht zal worden toegekend van € 140,-. De man heeft de noodzaak van de kosten van bewindvoering betwist, doch vast staat dat deze kosten feitelijk verschuldigd zijn, zodat het hof er rekening mee houdt.

Draagkrachtvergelijking

5.13

De draagkracht van de onderhoudsplichtigen vergeleken, dient:

de man 680/820 x € 769,- = € 638,- en dient

de vrouw 140/820 x € 769,- = € 131,-

aan te wenden voor een bijdrage in het eigen aandeel van de kosten van [de minderjarige] .

Zorgkorting

5.14

De kosten van de omgang worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de omgang.

Nu sprake is van een omgangsregeling van gemiddeld twee à drie dagen per week, zal het hof net als de rechtbank een percentage van 35% in aanmerking nemen. Hetgeen de man heeft aangevoerd ten aanzien van zijn vermeende verblijfsoverstijgende kosten kan, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet tot een andere beslissing leiden.

Dit brengt met zich mee dat de zorgkorting 35% van de behoefte ad € 769,-, derhalve
€ 269,- bedraagt.

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de ouders samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien.

Conclusie

5.15

Het voorgaande brengt met zich mee dat de man vanaf 1 december 2017 in staat wordt geacht tot het betalen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 369,- per maand.

Terugbetaling

5.16

Voor zover de man vanaf 1 december 2017 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 5.15 vermelde bijdrage, kan van de vrouw, gelet op het feit dat zij tot de WSNP is toegelaten en zij moet rondkomen van een beperkt inkomen en het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij eventueel teveel ontvangen alimentatie aan de man terugbetaalt.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof heeft een berekening van het NBI van de man en de draagkracht van partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 6 februari 2018, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 december 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats]
€ 369,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 1 december 2017 tot heden meer heeft betaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, L.Th.L.G. Pellis en H.M.A.W. Erven, bijgestaan door mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen als griffier, en is op 17 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.