Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1298

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
20-001479-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:4161, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001479-17

Uitspraak : 22 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 april 2017 in de strafzaak met parketnummer
03-866245-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat de verdachte van het onder primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken;

  • -

    zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van het hof;

  • -

    een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 5 april 2016 in de gemeente Maastricht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (rijdend werktuig van het merk Magni met daaraan gekoppeld een aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de Limburglaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, welke gedraging(en) zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, met genoemd motorrijtuig,

komende vanuit de richting van de Avenue Ceramique en gaande over het verkeersplein dat de kruising vormt tussen de Limburglaan, de Reinier Nafzgerstraat en Avenue Ceramique,

met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid,

in strijd met een voor hem, verdachte, geldend geel licht uitstralend driekleurig verkeerslicht en een voor hem bestemde stopstreep op het wegdek het voornoemde verkeersplein (richting 8) is opgereden en/of

(vervolgens) in strijd met een voor hem, verdachte, geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht en een voor hem bestemde stopstreep op het wegdek, gaande in de richting van de Hoge Weerd (richting 68),

de kruising met een fiets-/bromfietspad in de richting van de Reinier Nafzgerstraat is opgereden zulks op het moment dat een over dat fiets-/bromfietspad rijdende voor hem, verdachte, van rechts komende bestuurster van een motorrijtuig (snorfiets), zijnde [slachtoffer] , voornoemde kruising tot op korte afstand was genaderd, althans die kruising opreed, althans zich op die kruising bevond, waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer] , althans de door [slachtoffer] bestuurde snorfiets;

subsidiair
hij op of omstreeks 5 april 2016, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (rijdend werktuig van het merk Magni met daaraan gekoppeld een aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, de Limburglaan, komende vanuit de richting van de Avenue Ceramique en gaande over het verkeersplein dat de kruising vormt tussen de Limburglaan, de Reinier Nafzgerstraat en Avenue Ceramique, zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig

en/althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid,

in strijd met een voor hem, verdachte, geldend geel licht uitstralend driekleurig verkeerslicht en een voor hem bestemde stopstreep op het wegdek het voornoemde verkeersplein (richting 8) is opgereden en/of

(vervolgens) in strijd met een voor hem, verdachte, geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht en een voor hem bestemde stopstreep op het wegdek, gaande in de richting van de Hoge Weerd (richting 68),

de kruising met een fiets-/bromfietspad in de richting van de Reinier Nafzgerstraat is opgereden zulks op het moment dat een over dat fiets-/bromfietspad rijdende voor hem, verdachte, van rechts komende bestuurster van een motorrijtuig (snorfiets) voornoemde kruising tot op korte afstand was genaderd, althans die kruising opreed, althans zich op die kruising bevond,

waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en die bestuurster van die snorfiets, althans die snorfiets, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 5 april 2016 in de gemeente Maastricht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (rijdend werktuig van het merk Magni met daaraan gekoppeld een aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de Limburglaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] werd gedood, welke gedraging aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, met genoemd motorrijtuig,

komende vanuit de richting van de Avenue Ceramique en gaande over het verkeersplein dat de kruising vormt tussen de Limburglaan, de Reinier Nafzgerstraat en Avenue Ceramique,

in strijd met een voor hem, verdachte, geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht en een voor hem bestemde stopstreep op het wegdek, gaande in de richting van de Hoge Weerd (richting 68),

de kruising met een fiets-/bromfietspad in de richting van de Reinier Nafzgerstraat is opgereden zulks op het moment dat een over dat fiets-/bromfietspad rijdende voor hem, verdachte, van rechts komende bestuurster van een motorrijtuig (snorfiets), zijnde [slachtoffer] , die kruising opreed, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 had aan het verkeersongeval. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte ter plaatse te hard zou hebben gereden en dat hij bij het oprijden van de rotonde door geel licht is gereden, dan wel dat sprake is van een rechtens relevant causaal verband tussen het ongeval en deze gedragingen.

Slechts kan worden vastgesteld dat verdachte door rood is gereden, doch dat deze enkele verkeersovertreding onvoldoende is om vast te stellen dat verdachte zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Daarbij komt dat, nu verdachte in de veronderstelling was dat het verkeerslicht groen licht uitstraalde, hij geen keus heeft gemaakt om door rood te rijden of het risico heeft genomen om door rood te rijden, waardoor voor hem geen extra zorgplicht bestaat om extra goed op te letten dat er door zijn handelswijze niemand gevaar loopt. Ook het gegeven dat verdachte destijds een voertuig bestuurde waarvan hij wist dat dit forse zichtbeperkingen had, maakt dit niet anders, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet zich blijkens de inzet van het hoger beroep voor de vraag gesteld of de verdachte in de onderhavige zaak zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, te weten zich zodanig in het verkeer gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof het volgende voorop.

Op grond van bestendige rechtspraak heeft het begrip ‘schuld’ in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 de betekenis van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid, ook wel omschreven als ‘aanmerkelijke schuld’. Eveneens kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat voor de beoordeling of de schuld van verdachte aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, de afweging gebaseerd dient te zijn op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat heeft tot gevolg dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, omdat, zoals gesteld, daarvoor ook andere factoren van belang zijn zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Echter, duidelijk is dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822; HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2208; HR 04 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3105 en HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:110).

Op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het navolgende vast.

De feitelijke situatie van het ongeval

Verdachte reed op 5 april 2016, omstreeks 8.35 uur ’s ochtends, over de Avenue Ceramique te Maastricht in de richting van de Limburglaan, gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Maastricht. Verdachte was met een vierwielig, zelfrijdend werktuig van het merk Magni, met daarachter gekoppeld een aanhangwagen, op weg naar het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Dit zelfrijdend werktuig – een soort kraanwagen van ruim achttien duizend kilo – was 7,62 meter lang en 2,5 meter breed en was voorzien van een telescopische hefarm, die zich ongeveer 3 meter voor de as van de voorwielen bevond. Het zicht van de bestuurder in dit zelfrijdend werktuig is beperkt ten gevolge van de constructie van het voertuig, namelijk door de voertuigdelen van de bestuurderscabine en de daarop gemonteerde spiegels en de rechts van het voertuig gemonteerde telescopische hefarm.

Op het moment dat de verdachte met het voertuig met aanhangwagen over de Avenue Ceramique te Maastricht in de richting van de Limburglaan (richting 8; het hof begrijpt: signaalgroep 8) rijdt, activeert hij met zijn voertuig detectielus 0801 op het moment dat het verkeerslicht ongeveer 2,2 seconde geel licht uitstraalde en deactiveerde hij detectielus 0801 op het moment dat het verkeerslicht in de richting van de Limburglaan ongeveer 1,3 seconde rood licht uitstraalde.

De bestuurster van de snorfiets, [slachtoffer] reed op dat moment over het tot de Limburglaan behorende fiets/bromfietspad, komende uit de richting van de Hoge Weerd en rijdende in de richting van de Avenue Ceramique. Terwijl de verdachte in de Magni in de richting van de Limburglaan (in de richting van de Hoge Weerd), naderde, sloeg zij bij de fiets/bromfiets oversteekplaats in de richting van de Reinier Nafzgerstraat rechtsaf en bracht haar voertuig voor het voor haar geldende rode verkeerslicht tot stilstand. De verdachte in de Magni wordt, rijdend op het verkeerplein zonder verkeer voor hem, op dat moment links naast zijn voertuig gepasseerd door een witte gesloten bestelauto, welke (deels) het zicht van de verdachte op de verkeerslichten in zijn richting en de bestuurster van de snorfiets belemmert. De witte bestelauto blijft het verkeersplein volgen in de richting van de Reinier Nafzgerstraat en draait van de Magni weg en waardoor het zicht voor de verdachte weer vrij is. Het verkeerlicht in de rijrichting van de verdachte op de Limburglaan (in de richting van de Hoge Weerd) straalt op dat moment geel licht uit.

Als de verdachte vanaf het verkeersplein de Limburglaan op rijdt in de richting van de Hoge Weerd, activeert hij daarbij detectielus 6803, aangebracht op een afstand van ongeveer 16 meter voor de stopstreep voor de verkeerslichten (in de richting 68; het hof begrijpt: signaalgroep 68, zijnde de Limburglaan richting de Hoge Weerd), op het moment dat het verkeerslicht voor richting 68 reeds gedurende ongeveer 2 seconde rood licht uitstraalde. De verdachte bevond zich op het moment dat voornoemd verkeerslicht rood licht begon uit te stralen tussen de 30 meter en 33,3 meter vóór de stopstreep. Verdachte reed hierbij ongeveer tussen de 27 km/u en de 30 km/u.

De bestuurster van de snorfiets reed bij haar geldend groen licht weg in de richting van de Reinier Nafzgerstraat en kruiste hierbij de rijbaan van de Limburglaan.

Op het moment dat het verkeerslicht voor richting 68 reeds gedurende ongeveer 3,8 seconde rood licht uitstraalde, activeerde de verdachte in de Magni detectielus 6801, aangebracht op een afstand van ongeveer 2 meter voor de stopstreep voor richting 68. Vervolgens botste de Magni met de voorzijde van de telescopische hefarm tegen de linkerzijde van de snorfiets en de bestuurster van de snorfiets, waardoor zij op het wegdek viel. Ten gevolge van deze botsing is de bestuurster van de snorfiets komen te overlijden.

Uit het proces-verbaal van VerkeersOngevalAnalyse blijkt voorts dat de weg van het ongeval verhard was middels asfalt beton en dat het wegdek als gevolg van de weersomstandigheden nat was. Een deel van de op de camerabeelden zichtbare passerende voertuigen had ruitenwissers, al dan niet in de intervalstand, in werking. Het was bewolkt weer en er viel (mot)regen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep en bij de politie verklaard dat hij minstens eenmaal per maand op het verkeersplein dat de kruising vormt tussen de Limburglaan, Renier Nafzgerstraat en de Avenue Ceramique kwam. Hij heeft voorts verklaard dat hij in de veronderstelling was dat het verkeerslicht dat direct na het verkeersplein, op de Limburglaan ter hoogte van de fiets/bromfiets oversteekplaats was geplaatst, op het moment dat hij deze passeerde groen licht uitstraalde. Hij heeft de bestuurster van de snorfiets niet gezien.

Bij de politie heeft hij verklaard dat hij geen voertuigen voor zich had rijden en dat de weg voor hem vrij was. Verdachte verklaarde voorts dat de boom van de machine naar rechts een grote dode hoek veroorzaakt, waardoor hij aan de rechterzijde nagenoeg geen zicht had. Om die reden was hij geconcentreerd aan het rijden en was zijn aandacht bij het rijden meer in de directe omgeving van het door hem bestuurde zelfrijdende werktuig, dan 100 meter verder in de richting van de Limburglaan. Tot slot heeft hij verklaard dat reeds 24 jaar in dienst is bij [werkgever] en dat hij per jaar ongeveer 1600 draaiuren maakt op een Magni.

Beoordeling verkeersgedrag verdachte

Een verkeersplein binnen de bebouwde kom, waarbij de stroom van het verkeer middels verkeersregelinstallaties is geregeld, zoals het verkeersplein dat de kruising vormt tussen de Limburglaan, Renier Nafzgerstraat en de Avenue Ceramique gelegen in Maastricht, is een verkeerssituatie waarvan algemeen bekend is dat deze uit verkeerstechnisch oogpunt gevaarlijk is. Dergelijke verkeerspleinen vergen daarom in de regel bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van de weggebruikers. Zulks geldt in nog sterkere mate indien sprake is van fiets/bromfietsoversteekplaatsen en gedurende de ochtendspits, waarbij een piek valt te zien in de verkeersdrukte.

Verdachte, ter plaatse bekend, is echter met een omvangrijk en zwaar, zelfrijdend voertuig met aanhangwagen allereerst een verkeerslicht, geplaatst aan de Avenue Ceramique aan het begin van het verkeersplein, gepasseerd terwijl het verkeerslicht reeds gedurende 2,2 seconde geel licht uitstraalde. Blijkens artikel 68, eerste lid onder b, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 betekent bij een driekleurig verkeerslicht een geel licht in beginsel “stop”, maar voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is betekent dit licht doorgaan. Hoewel gelet daarop niet kan worden vastgesteld dat verdachte een verkeersovertreding heeft begaan, behoorde hij zich op dat moment wel bewust te zijn van verkeersdeelnemers die overeenkomstig het voor hen aansluitend geldende groene licht mogelijk de rijbaan zouden kunnen gaan oversteken of betreden en de mogelijkheid dat vervolgstoplichten op rood zouden kunnen staan. Van verdachte kon als gevolg van het geel licht uitstralende verkeerslicht worden verwacht dat hij extra oplettend en voorzichtig zou handelen.

Verdachte is vervolgens de Limburglaan opgereden en is daarbij in strijd met een voor hem geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht en een voor hem bestemde stopstreep doorgereden, daarmee artikel 68, eerste lid onder c, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 overtredend, waarna hij met zijn voertuig in botsing is gekomen met [slachtoffer] , die als gevolg van deze botsing later in het ziekenhuis is overleden.

Verdachte had, rijdend in een qua constructie omvangrijk en zwaar, zelfrijdend werktuig met de reeds genoemde zichtbeperkingen, gezien de omstandigheden voorafgaande aan en ten tijde van het ongeluk, het tijdstip, de weersomstandigheden en de ter plekke geldende verkeerssituatie, als bestuurder van het voertuig zeer oplettend moeten zijn. Dit geldt te meer gezien de omstandigheid dat verdachte zich bevond in een verkeerssituatie waarbij sprake is van fiets/bromfietsoversteekplaatsen en gedurende de ochtendspits, waarbij een piek valt te zien in de verkeersdrukte. Verdachte had gezien de omstandigheden moeten reageren door tijdig de snelheid van de door hem bestuurde Magni aan te passen, zodat hij in staat was om dat voertuig tot stilstand te brengen voor de stopstreep van het verkeerslicht. Verdachte heeft echter na een geel licht uitstralend verkeerlicht te hebben gepasseerd, het daarop volgend verkeerslicht, dat blijkens het verrichte onderzoek geruime tijd rood licht uitstraalde, geheel genegeerd, waarna als gevolg van een botsing met zijn voertuig [slachtoffer] is komen te overlijden.

Dat daarbij slechts sprake was van momentane onoplettendheid is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Het hof betrekt bij dat oordeel in het bijzonder dat het verkeerslicht op de Limburglaan reeds gedurende 3,8 seconde rood licht uitstraalde toen verdachte met het voertuig de detectielus activeerde die was aangebracht op een afstand van ongeveer 2 meter voor de stopstreep van de fiets/bromfietsoversteekplaats en dat het voertuig van de verdachte zich tussen de 30 meter en 33,3 meter van de stopstreep bevond op het moment dat het verkeerslicht op de Limburglaan rood licht begon uit te stralen. Verdachte had gezien de omstandigheden, de verkeersituatie ter plaatse overziende en met de juiste mate van oplettendheid, het rood uitstralende verkeerslicht eerder moeten zien, waardoor het noodlottige ongeval had kunnen worden voorkomen.

Het hof legt met het oog op het voorgaande in het bijzonder de nadruk op de omstandigheid dat de verdachte reed in een, qua constructie omvangrijk en zwaar voertuig, waarvan het zicht met name naar de rechterzijde werd beperkt door de aangebrachte telescopische hefarm. Verdachte, die reeds 24 jaar dergelijke voertuigen bestuurt en jaarlijks ongeveer 1600 draaiuren op de Magni maakt, was zich blijkens zijn verklaring ook van deze zichtsbeperkingen bewust. Naar het oordeel van het hof brengt de omstandigheid dat door de inrichting van het bestuurde, omvangrijke en zware voertuig, medeweggebruikers en driekleurige verkeerslichten voor de bestuurder onzichtbaar kunnen blijven, ook indien de spiegels en dergelijke juist zijn afgesteld, mee dat de bestuurder met dat beperkte zicht rekening moet houden en extra oplettend en voorzichtig moet handelen en zijn verkeersgedrag aan deze omstandigheid dient aan te passen.

Op grond van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval zoals hiervoor beschreven en de feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan dit volgens het hof de gevolgtrekking dragen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Dat daarbij enkel sprake is van één, voorafgaande verkeerovertreding, zijnde een roodlichtnegatie door verdachte, doet daar niet aan af.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] is overleden. Dit oordeel geldt te meer nu verdachte geen verdere omstandigheden heeft aan kunnen voeren die hem disculperen, noch is daarvan op andere wijze gebleken.

De verweren van de raadsman worden mitsdien verworpen.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft verzocht om verdachte niet onvoorwaardelijk de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen, doch eventueel te volstaan met een dergelijke maatregel in voorwaardelijke vorm. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging tot gevolg zal hebben dat verdachte zijn werkzaamheden niet meer zal kunnen uitoefenen en dat het gelet op de omvang van het bedrijf waar verdachte werkzaam is, maar de vraag is of het bedrijf in staat zal zijn het dienstverband met verdachte voort te zetten. Daarnaast heeft de raadsman onder verwijzing naar het tijdsverloop en het feit dat verdachte sinds 5 april 2016 reeds weer vele kilometers in de Magni heeft gereden, ter discussie gesteld welk redelijk strafdoel met een dergelijke maatregel is gediend.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komend in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is als bestuurder van een zelfrijdend werktuig in strijd met een voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht doorgereden op de Limburglaan te Maastricht en is vervolgens in botsing gekomen met de toen 22-jarige [slachtoffer] die op dat moment rijdend op een scooter de oversteekplaats in de richting van de Renier Nafzgerstraat overstak. [slachtoffer] is uiteindelijk aan haar verwondingen overleden. Deze gebeurtenis heeft onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden, die het verlies van een dierbare moeten dragen. Zij worden, zoals blijkt uit de op schrift gestelde slachtofferverklaring, elke dag geconfronteerd met het gemis, haar liefde voor hen, haar stem, haar lach en haar gekke dingetjes. Alhoewel de gevolgen van het ongeval voor de verdachte zich niet laten vergelijken met het leed van de nabestaanden, houdt het hof er ook rekening mee dat de verdachte zeer is aangeslagen door het ongeval en dat hij door het leven moet met de wetenschap dat door zijn toedoen een jonge vrouw om het leven is gekomen.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts ten voordele van verdachte meegewogen dat hij, blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2019 niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het de persoon van verdachte betreffende Reclasseringsadvies d.d. 7 maart 2017, waaruit naast de emotionele gevolgen voor verdachte volgt dat hij met zijn gezin woont in de ouderlijke woning van zijn echtgenote, aan welk pand een ‘aanleunwoning’ voor zijn schoonouders is gebouwd. Verdachte is sinds ruim 25 jaar in dienst bij [werkgever] en heeft na het ongeval alweer de nodige kilometers gemaakt op het zelfrijdend werktuig van het merk Magni.

Alles afwegende, acht het hof de oplegging van een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden. Daarnaast acht het hof mede ter bescherming van de verkeersveiligheid de oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar noodzakelijk. Met de advocaat-generaal en de raadsman, is het hof van oordeel dat deze maatregel voorwaardelijk dient te worden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren. Bij zijn beslissing heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte voor het behoud van zijn werk afhankelijk is van het bezit van het rijbewijs en dat inmiddels sedert het ongeval plaatsvond, ongeveer drie jaren zijn verstreken waarin verdachte reeds weer een Magni heeft bestuurd.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Stralen, griffier,

en op 22 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J. Nederlof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.