Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:126

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
200.223.477_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:6607
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1622
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop tweedehands personenauto (Reanult Megane) van 11 jaar oud die ruim 350.000 kilometer heeft gereden, voor koopprijs van € 1.700,--. Kort na de koop en levering van de auto ontstaat een defect aan de auto. In beginsel levert dit geen tekortkoming van de verkoper op. Het wettelijke vermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW is in dit geval niet van toepassing. Koopster wordt toegelaten tot levering van bewijs van haar stelling dat aan haar mondeling een garantie van drie maanden is verleend. Na getuigenverhoren oordeelt het hof dat het bewijs geleverd is. Volgt onder meer veroordeling tot terugbetaling koopsom. Vervolg op arrest hof ’s-Hertogenbosch 17 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1622.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.223.477/01

arrest van 15 januari 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.N. van Geenen te Venlo,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

niet verschenen in hoger beroep, verstek verleend,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 april 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 5863596 \ CV EXPL 17-2999 gewezen vonnis van 12 juli 2017, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 30 augustus 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 17 april 2018;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 juni 2018.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Door een administratieve fout is het dossier na het getuigenverhoor niet direct aan de behandelende kamer voorgelegd. Dit heeft tot gevolg dat pas nu arrest wordt gewezen.

6 De verdere beoordeling

De verdere beoordeling van grief IV

6.1.1. Bij het tussenarrest van 17 april 2018 heeft het hof [appellante] in verband met de door haar aangevoerde grief IV toegelaten te bewijzen dat [geïntimeerde] haar op zaterdag 5 november 2016 bij de aankoop van de auto drie maanden garantie heeft verleend op onder meer de motor van de auto.

6.1.2. Ter levering van dit bewijs heeft [appellante] twee getuigen laten horen, te weten zichzelf en [getuige] .

6.2.1. [appellante] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“Toen de man die ons op het kantoor hielp, de verkoopfactuur had uitgedraaid en aan mij had voorgelegd, ging ik die doornemen en ik zag daarop staan: geen garantie. Ik heb toen gezegd dat ik wel garantie wilde hebben op de auto. De man zei toen dat het mogelijk was om een garantiepakket op de factuur te zetten maar dat dit, als ik het me nog goed herinner, € 500,- zou kosten en dat dit eigenlijk veel geld was voor zo’n goedkope auto en dat de auto dit niet waard was. Omdat ik eigenlijk toch garantie wilde, heeft de man mij nadrukkelijk mondeling beloofd dat ik drie maanden garantie zou krijgen op de motor en de versnellingsbak. Vervolgens heb ik de verkoopfactuur voor akkoord ondertekend. Daar stond weliswaar op: geen garantie, maar de reden daarvan was dat het wel vermelden van een garantiepakket een forse meerprijs zou opleveren. De man heeft mij uitdrukkelijk toegezegd dat ik, ondanks de tekst op de factuur, toch drie maanden garantie zou hebben op de motor en de versnellingsbak.”

Het hof concludeert dat [appellante] heeft verklaard dat de verkoper van de auto haar bij de aankoop van de auto drie maanden garantie heeft verleend op de motor en de versnellingsbak van de auto.

6.2.2. [appellante] is partijgetuige. Art. 164 lid 1 Rv laat de partijgetuigen-verklaring als bewijsmiddel toe. Die verklaring heeft in beginsel, zoals andere getuigenverklaringen, vrije bewijskracht zodat de rechter overeenkomstig art. 152 lid 2 Rv in beginsel vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933).

6.2.3. Naar het oordeel van het hof is er in dit geval aanvullende bewijs voorhanden dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat het aanvullende bewijs de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maakt. Dat voldoende sterke en essentiële punten betreffende aanvullende bewijs ligt besloten in de verklaring die [getuige] als getuige heeft afgelegd. [getuige] heeft onder meer het volgende verklaard:

“Op het kantoortje werden papieren in orde gemaakt, waaronder het vrijwaringsbewijs. Ook is toen gesproken over een garantie. [appellante] wilde graag garantie. De man zei dat het beter was om die garantie niet op de bon te zetten, omdat dit zo’n oude en goedkope auto was. Het was volgens de man goedkoper als de garantie alleen mondeling werd afgesproken. De man zei dat de garantie alleen op de factuur kon komen als de auto meer dan € 5.000,- zou kosten. U laat aan mij nu de verkoopfactuur zien. Ik heb die inderdaad al eerder gezien. De man die ons op het kantoortje hielp, heeft die verkoopfactuur op de computer gemaakt en uitgeprint. Er staat op: geen garantie. Toch heeft de man duidelijk aan [appellante] beloofd dat zij drie maanden garantie zou krijgen op de motor en versnellingsbak. Ik heb hem dat duidelijk tegen [appellante] horen zeggen.”

Het hof concludeert dat ook [getuige] heeft verklaard dat de verkoper van de auto aan [appellante] drie maanden garantie heeft gegeven op de motor en versnellingsbak.

6.2.4. Beide getuigen hebben ten tijde van het getuigenverhoor een nette en betrouwbare indruk gemaakt op de raadsheer-commissaris. Het hof heeft geen aanleiding om de verklaringen van de getuigen ongeloofwaardig te achten. Van de zijde van [geïntimeerde] is bovendien geen tegenbewijs bijgebracht. Het hof concludeert daarom dat [appellante] in de bewijslevering is geslaagd. Voor zover de persoon die de garantie verleende niet [geïntimeerde] zelf maar een van zijn medewerkers is geweest, is [geïntimeerde] daarvoor aansprakelijk omdat hij de medewerker dan voor zich heeft laten optreden.

6.2.5. Omdat is komen vast te staan dat [geïntimeerde] drie maanden garantie heeft verleend op de motor en de versnellingsbak van de auto en de auto al op de dag van de aankoop door een onder de garantie vallend gebrek is stilgevallen, terwijl [geïntimeerde] heeft geweigerd het gebrek te herstellen, is tevens vast komen te staan dat [geïntimeerde] tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst. Het hof verwijst op dit punt naar hetgeen is overwogen in rov. 3.6.2 van het tussenarrest.

6.2.6. Het hof concludeert dat grief IV doel heeft getroffen.

Met betrekking tot grief V

6.3.1. Grief V is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] haar onderzoeksplicht heeft verzaakt en dat zij zich om die reden niet kan beroepen op artikel 7:17 BW.

6.3.2. Ook deze grief slaagt. Aangezien is komen vast te staan dat [geïntimeerde] aan [appellante] drie maanden garantie heeft gegeven op de motor van de auto en de auto vervolgens al op de dag van de aankoop is stilgevallen, staat vast dat de auto niet voldeed aan hetgeen [appellante] op grond van de overeenkomst mocht verwachten, althans dat [geïntimeerde] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten door het gebrek aan de auto niet onder de verleende garantie te herstellen. Er is geen reden waarom [appellante] zich daar niet op zou mogen beroepen.

Verdere beoordeling van de vordering

6.4.1. De grieven III, IV en V zijn terecht voorgedragen. Dit brengt mee dat de motivering op grond waarvan de kantonrechter de vorderingen van [appellante] heeft afgewezen, niet in stand kan blijven. Het hof dient daarom nader te oordelen over die vorderingen en daarbij ook de verweren van [geïntimeerde] te betrekken die de kantonrechter heeft verworpen of onbehandeld heeft gelaten.

6.4.2. [appellante] vordert:

1. ontbinding van de koopovereenkomst voor zover nog nodig,

en veroordeling van [geïntimeerde] :

2. tot terugbetaling van de koopsom van € 1.700,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 december 2016;

  • -

    3. tot betaling van € 100,-- aan stallingskosten over de periode tot en met februari 2017, te vermeerderen met € 25,-- voor iedere volgende maand dat de auto noodgedwongen is gestald;

  • -

    4. tot betaling van € 255,-- ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 december 2016;

  • -

    5. om de Renault Megane binnen 14 dagen na betekening van het vonnis terug te nemen met afgifte van een vrijwaringsbewijs aan [appellante] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

Het hof zal deze vorderingen in het onderstaande bespreken.

6.4.3. Vordering 1 is voorwaardelijk ingesteld, namelijk “voor zover nog nodig”. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. De advocaat van [appellante] heeft immers bij brief aan [geïntimeerde] van 10 februari 2017 op de voet van artikel 6:267 lid 1 BW de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst ingeroepen. Die ontbinding heeft rechtsgeldig plaatsgevonden, nu vaststaat dat [geïntimeerde] in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten en [geïntimeerde] bovendien in verzuim is geraakt door na ingebrekestelling het gebrek aan de auto niet te herstellen. Het hof verwerpt het verweer van [geïntimeerde] dat de tekortkoming van zodanig geringe betekenis is dat ontbinding van de koopovereenkomst niet gerechtvaardigd is.

Indien een auto niet aan de praat te krijgen is, kan een auto immers niet beantwoorden aan zijn doel: dienen als vervoermiddel. De overeenkomst is dus al rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden, zodat vordering 1 niet toewijsbaar is.

6.4.4. De ontbinding van de koopovereenkomst brengt mee dat de op basis van de overeenkomst ontvangen prestaties op de voet van artikel 6:271 BW ongedaan moeten worden gemaakt. Vordering 2 tot terugbetaling van de koopsom is daarom toewijsbaar. Het hof zal de wettelijke rente over de terug te betalen koopsom toewijzen vanaf 10 februari 2017, zijnde de datum waarop [appellante] de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst heeft ingeroepen. Voor een eerdere ingangsdatum heeft [appellante] geen grondslag gesteld.

6.4.5. [geïntimeerde] heeft vordering 3 gemotiveerd betwist in de conclusie van dupliek sub 34, waarna [appellante] die vordering niet nader heeft onderbouwd. Het hof zal deze vordering daarom als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

6.4.6. Vordering 4 is toewijsbaar. Uit de bij de inleidende dagvaarding overgelegde producties blijkt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 255,-- (15% van de hoofdsom van € 1.700,--) komt overeen met het bedrag dat volgt uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

6.4.7. Tegen vordering 5 heeft [geïntimeerde] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het hof zal [geïntimeerde] daarom zoals gevorderd veroordelen om de Renault Megane binnen 14 dagen na betekening van het vonnis terug te nemen – waaronder te verstaan is: op de door [appellante] aan te geven locatie op te halen – met afgifte van een vrijwaringsbewijs aan [appellante] . Het hof zal aan deze veroordeling op de hierna te melden wijze een dwangsom verbinden.

6.5.1. Het voorgaande voert tot de conclusie dat de vordering van [appellante] in belangrijke mate moet worden toegewezen. Dat brengt mee dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter moet worden veroordeeld. Het bestreden vonnis moet dus geheel worden vernietigd en het hof zal op de hierna te melden wijze opnieuw rechtdoen.

6.5.2. Bij de begroting van de proceskosten van het geding in eerste aanleg zal het hof de kosten van de inleidende dagvaarding op nihil stellen, omdat op de door [appellante] overgelegde exemplaren van die dagvaarding geen kosten van de dagvaarding zijn vermeld en [appellante] het hof dus niet in staat heeft gesteld die kosten te begroten.

6.5.3. Het hof zal [geïntimeerde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. De kosten van het herstelexploot zal het hof voor rekening van [appellante] zelf laten.

6.5.4. Het voorgaande voert tot de hierna te vermelden uitspraak.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 5863596 \ CV EXPL 17-2999 tussen partijen gewezen vonnis van 12 juli 2017, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 30 augustus 2017;

opnieuw rechtdoende:

  • -

    a. veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] € 1.700,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 februari 2017;

  • -

    b. veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] € 255,-- te betalen;

  • -

    c. veroordeelt [geïntimeerde] om, binnen 14 dagen nadat dit arrest aan [geïntimeerde] is betekend en tevens aan [geïntimeerde] is meegedeeld op welke locatie hij de Renault Megane moet ophalen, de Renault Megane aldaar op te halen en terug te nemen met afgifte van een vrijwaringsbewijs aan [appellante] ;

  • -

    d. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van € 50,-- voor iedere dag dat hij niet binnen de onder c genoemde termijn voldoet aan de onder c genoemde veroordeling, en bepaalt dat boven een totaalbedrag van € 4.500,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd;

  • -

    e. veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] op € 78,-- aan griffierecht en € 150,-- aan salaris gemachtigde;

  • -

    f. wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] tot op heden op € 99,21 aan dagvaardingskosten, € 313,-- aan griffierecht en € 1.508,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 januari 2019.

griffier rolraadsheer