Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1221

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
200.202.375_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:2679
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:90
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1048
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfout van makelaar bij taxatie van onroerende zaak ten behoeve van aanvraag hypothecaire geldlening. Bank heeft op basis van deze taxatie een hypothecaire geldlening verstrekt. Taxateur/makelaar heeft door uitbrengen onjuiste taxatie onrechtmatig gehandeld tegenover bank en is aansprakelijk voor de schade. Bank heeft eigen schuld zodat 25% van de schade voor haar eigen rekening blijft. Voor de bepaling van de hoogte van de schade is deskundigenbericht nodig. Beroep op artikel 6:89 BW verworpen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.202.375/01

arrest van 2 april 2019

in de zaak van

[makelaardij] Makelaardij O.Z. B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder: [appellante] ,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

Bank of Scotland PLC,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Schotland, Verenigd Koninkrijk,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

verder: Bank of Scotland,

advocaat: mr. J.A. Trimbach te De Meern,

als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 13 december 2016 en 15 januari 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaak-/rolnummer C/01/300623/HAZA 15-766 tussen partijen gewezen vonnis van 25 mei 2016.

8 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 15 januari 2019;

- de akte van [appellante] van 12 februari 2019;

- de akte van Bank of Scotland van 12 februari 2019.

Partijen hebben arrest gevraagd.

9 De verdere beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

9.1

Bij tussenarrest van 15 januari 2019 heeft het hof overwogen voornemens te zijn een deskundige te benoemen ter beantwoording van de vraag welke verkoopopbrengst in april 2013 door Bank of Scotland gerealiseerd had kunnen worden, en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de deskundigheid en de persoon van de te benoemen deskundige en over de aan de deskundige voor te leggen vraagstelling.

9.2

In haar akte merkt Bank of Scotland vooraf op dat het onderpand niet door haar maar door [verkoper] is verkocht en dat zij heeft ingestemd met de door hem gerealiseerde verkoopprijs, zodat het niet de vraag is of Bank of Scotland in 2013 een hogere verkoop opbrengst had kunnen realiseren, maar of zij redelijkerwijze had kunnen instemmen met de door [verkoper] gerealiseerde vraagprijs door haar instemming te baseren op de taxatierapporten van [taxateur 1] en [taxateur 2] . Het hof stelt vast dat in het tussenarrest van 15 januari 2019 in rechtsoverweging 6.2 onder g is vermeld dat de onroerende zaak door [verkoper] is verkocht en dat dit ook in rechtsoverweging 6.13 het uitgangspunt is voor de vaststelling van de schade. Waar het om gaat is of de verkoopopbrengst die in 2013 (door [verkoper] , met instemming van Bank of Scotland) is gerealiseerd in overeenstemming is met de marktwaarde van de onroerende zaak. De betekenis van de rapporten van genoemde taxateurs zal daarbij aan de orde komen.

9.3

Wat het aantal deskundigen betreft gaat Bank of Scotland expliciet en [appellante] impliciet uit van één deskundige. Met betrekking tot de deskundigheid van de te benoemen deskundige zijn partijen het erover eens dat deze goed bekend moet zijn met de plaatselijke situatie. [appellante] voegt daar aan toe dat het een beëdigd registertaxateur zal moeten zijn.

9.4

Wat de persoon van de te benoemen deskundige betreft hebben partijen geen eensluidend voorstel gedaan. Bank of Scotland laat het aan het hof over, [appellante] doet twee voorstellen. Het hof heeft de heer J.A.A.M. van Erp bereid gevonden als deskundige op te treden.

9.5

Het hof zal de door beide partijen voorgestelde vragen, samenvattend, in de vraagstelling opnemen, met uitzondering van de vraag van [appellante] of de deskundige kennis heeft genomen van het procesdossier, aangezien ervan uitgegaan dient te worden dat dit het geval is. De volgende vragen zullen aan de deskundige worden voorgelegd:

  1. Bent u goed bekend met de plaatselijke situatie en de markt voor onroerend goed. Wat is uw werkterrein?

  2. Welke taxatie zou volgens u in april 2013 gegeven moeten worden van de marktwaarde en executiewaarde van het object aan de [adres] te [plaats] , vrij van bewoning en mede gelet op de vooruitzichten ter plaatse?

  3. Welke bandbreedte heeft volgens u te gelden voor een dergelijke taxatie?

  4. Op grond waarvan komt u tot deze bevindingen?

  5. Hoe beoordeelt u de taxatierapporten van [taxateur 1] , [taxateur 2] en [taxateur 3] die in de procedure zijn overgelegd?

  6. Wat acht u verder nog van belang om op te merken?

9.6

Zoals in het tussenarrest van 15 januari 2019 aangekondigd (r.o. 6.13), zal het hof de kosten van de deskundige voorshands ten laste van Bank of Scotland als eisende partij brengen.

9.7

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

10 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

10.1

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 9.5 van dit arrest geformuleerde vragen;

10.2

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

de heer J.A.A.M. van Erp,

[vastgoed taxaties & advies] Vastgoed Taxatie & Advies,

[adres] ,

[postcode] [plaats]

[telefoonnummer] ,

[e-mailadres] ;

10.3

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

10.4

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

10.5

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 2.178,-- inclusief btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat Bank of Scotland genoemd voorschot zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

10.6

benoemt mr. M.G.W.M. Stienissen tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

10.7

verwijst de zaak naar de rol van 16 juli 2019 in afwachting van het deskundigenbericht;

Verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellante] ;

10.8

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 april 2019.

griffier rolraadsheer