Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
200.216.585_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schending zorgplicht financieel adviseur

schadebegroting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.216.585/01

arrest van 2 april 2019

in de zaak van

1 [de vennootschap] , voorheen handelend onder de naam [het adviesburo] Adviesburo B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

tegen

1 Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geintimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geintimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als gezamenlijk [geintimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. A.C. van Schaick te Tilburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 augustus 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/28414/HA ZA 14-483 gewezen vonnis van 5 oktober 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 28 augustus 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van pleidooi van 24 januari 2019;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brieven van 8 resp. 9 januari 2019 door beide partijen toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding hebben gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [adviseur] werkte als adviseur ten behoeve van [het adviesburo] Adviesburo B.V. (hierna: het Adviesburo). Het Adviesburo exploiteerde tot 1 oktober 2013 een onderneming die zich bezig hield met het bemiddelen bij het afsluiten van verzekeringen en het verstrekken van financieel en beleggingsadvies.

(ii) [directeur beheersmaatschappij] (hierna: de heer [directeur beheersmaatschappij] ) heeft vanaf 2005 tot 2013 werkzaamheden verricht voor Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] B.V. en diens werkmaatschappijen. [administratrice] (hierna: mevrouw [administratrice] ) heeft als administratrice in dezelfde periode voor dezelfde rechtspersonen werkzaamheden verricht.

(iii) Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] heeft ten behoeve van een pensioenvoorziening van [directeur beheersmaatschappij] , via bemiddeling van het Adviesburo, bij Nationale Nederlanden een verzekering gesloten. De slotuitkering ter hoogte van € 478.416,99 heeft Nationale Nederlanden in juni 2011 aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] betaald.

(iv) [adviseur] heeft in het voorjaar van 2011 met de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] een aantal gesprekken gevoerd over de aanwending van de uitgekeerde gelden, waarna partijen in mei 2011 gezamenlijk het formulier klantprofiel hebben ingevuld. Het profiel betrof de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] (niet Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] ). Een afzonderlijk defensief risicoprofiel werd opgesteld, zo staat tussen partijen in hoger beroep vast.

( v) Gelet op dat klant- en risicoprofiel staat tussen partijen vast dat de te beleggen gelden in beginsel voor 25% dienden te worden belegd in aandelen en voor 75% in obligaties. De belegde gelden dienden ter aanvulling op het pensioen van de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] en moesten daarvoor na een periode van drie tot vijf jaren na 1 juli 2011 (deels) kunnen worden aangewend.

(vi) Het Adviesburo heeft [geintimeerden c.s.] geadviseerd om het in de pensioenverzekering opgebouwde kapitaal te investeren in een levensverzekeringspolis bij Irish Life International Ltd.

(vii) Op 11 juli 2011 heeft Irish Life International Ltd de levensverzekeringspolis aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] toegezonden. Polishouder is Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] en het premiebedrag, dat 100% belegd is, bedroeg € 478.416,99. Het bedrag, dat dus afkomstig was van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] , is belegd in het fonds met de naam Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] BV Portfolio Fund, dat bestaat uit activa uit diverse fondsen. De overlijdensuitkering is 100% van de afkoopwaarde en verzekerd is het leven van de heer [directeur beheersmaatschappij] met als begunstigde genoemd Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] .

(viii) Vervolgens heeft Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] , op advies van [appellanten c.s.] van 21 september 2011, een deel van de belegde activa in andere fondsen belegd dan eerst was voorzien.

(ix) Op het overzicht van 2 april 2012 van SEB, de rechtsopvolger van Irish Life International Ltd, bedroeg de netto waarde van de portfoliopolis op 2 april 2012 een bedrag van € 480.750,51. Het overzicht per 18 april 2012 sluit op een waarde van € 478.741,87.

( x) Verschillende fondsen, waarin is belegd, bleken teleurstellend te presteren, zo berichtten [appellanten c.s.] in de zomer van 2012 aan [geintimeerden c.s.] en tevens schreven zij dat de AFM had bericht dat deze instantie met een aantal van de fondsen en met Irish Life (SEB) problemen had.

(xi) Op 25 juni 2012 heeft Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] aan [appellanten c.s.] opdracht gegeven om 50 % van de portefeuille te verkopen. Op 8 november 2012 is een bedrag van € 133.000,- aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] overgemaakt in verband met de gegeven verkoopopdracht.

(xii) Het [fonds 7] Fund bleek sinds november 2011 “op slot te zitten” (dat wil zeggen, in ieder geval tijdelijk niet tot uitkering over te zullen gaan) zo vernam [adviseur] op 13 juli 2012.

(xiii) Op 9 november 2012 bedroeg de waarde van de polis € 346.159,05 (na de reeds gedane uitkering van € 133.000,-).

(xiv) Een aan SEB door [adviseur] verzochte liquidatieuitkering van het [fonds 6] Defined Return Fund (hierna: [fonds 1] ) ter hoogte van € 62.476,00, is niet gevolgd, omdat, zo bleek naderhand, dit fonds eveneens op slot zat. Desgevraagd berichtte [adviseur] op 5 april 2013 aan [geintimeerden c.s.] dat “ze [ [fonds 6] , hof] aan SEB hebben gezegd dat er vanaf 16 November [2012, hof] tijdelijk[e] geen opnames mogelijk waren omdat ze te weinig nieuw geld binnen kregen. (..)” (prod. 14 inl. dagv.)

(xv) Bij brief van 30 december 2013 schreef SEB aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] dat de waardering voor het actief in het [fonds 1] met ingang van 31 december 2013 op nul werd gezet, zulks conform het activawaarderingsbeleid. Reden daarvoor was dat geen geactualiseerde prijs of een indicatie van het fonds was ontvangen.

(xvi) Bij brief van 28 maart 2014 hebben [geintimeerden c.s.] [appellanten c.s.] aansprakelijk gesteld en aangegeven dat [appellanten c.s.] jegens hen toerekenbaar tekort waren geschoten en dat [geintimeerden c.s.] als gevolg daarvan schade hebben geleden.

(xvii) In de loop van 2016 hebben [geintimeerden c.s.] hun positie bij SEB zoveel mogelijk geliquideerd, in verband waarmee aan hen is uitgekeerd € 221.508,57.

(xviii) Op 9 augustus 2016 heeft SEB aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] bericht dat het [fonds 7] fonds voorlopig geen uitkeringen zal doen. Op het poliswaarderingsoverzicht van SEB van 17 november 2016 staat het fonds vermeld onder “hangende transacties”, met een transactiewaarde van € 0,00, maar anderzijds wordt de waarde van hetzelfde fonds op hetzelfde overzicht gewaardeerd op € 198,16 (prod. 2 [geintimeerden c.s.] bij pleidooi)

(xix) Blijkens een poliswaarderingoverzicht van SEB van 20 december 2018, behoren de participaties in het [fonds 1] nog tot de portefeuille van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] . De waarde van deze participaties staat (gelijk op het overzicht van 17 november 2016) vermeld als € 0,00. De participaties in [fonds 5] behoren eveneens tot de portefeuille. Als waarde is vermeld $ 51.897,33 (€ 44.182,27). Sinds 31 juli 2013 is er ten aanzien van deze participaties sprake van een (niet uitgevoerde) “hangende transactie”. Het [fonds 7] Fund komt op dit overzicht niet meer voor.

Tenslotte blijkt uit het overzicht dat aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] maandelijks € 77,05 in rekening wordt gebracht en dat het totale debetsaldo € 2.547,93 bedraagt (prod. 1 [geintimeerden c.s.] bij pleidooi).

6.2.1.

[geintimeerden c.s.] hebben [appellanten c.s.] in rechte betrokken en samengevat gevorderd de hoofdelijke veroordeling van [appellanten c.s.] tot betaling van € 62.476,00, vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vergoeding van de kosten ter hoogte van € 2.473,54, vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, en betaling van de proceskosten, alles vermeerderd met rente en nakosten.

6.2.2.

[appellanten c.s.] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

6.2.3.

Bij tussenvonnis van 14 oktober 2015 heeft de rechtbank aan de deskundige Prof. dr. J. Koelewijn gevraagd of het advies, zoals gegeven in mei 2011 en aangevuld in september 2011, paste binnen een defensief risicoprofiel en de geformuleerde uitgangspunten (hierboven genoemd in rov 6.1. onder v, hof), gemeten naar de professionele standaard van zijn vakgebied zoals die luidde in mei 2011.

6.2.4.

De deskundige heeft aan de rechtbank bericht dat voor zover belegd was in niet-obligatiefondsen, deze (met één uitzondering), kwalificeerden als zeer risicovol, waardoor de geadviseerde portefeuille niet in lijn was met de geformuleerde uitgangspunten. De deskundige voegde daar onder meer toe dat het om zeer ongebruikelijke beleggingen ging en hij moeite had moeten doen om informatie over de fondsen te achterhalen.

6.2.5.

De rechtbank heeft bij het thans beroepen eindvonnis van 5 oktober 2016 geoordeeld dat het door [appellanten c.s.] gegeven beleggingsadvies niet paste in een defensief beleggingsprofiel. [appellanten c.s.] hebben [geintimeerden c.s.] niet gewaarschuwd dat hun beleggingsbeslissingen niet pasten bij hun doelstellingen zoals opgenomen in genoemd profiel. Hieruit volgt dat het Adviesburo bij de uitvoering van de gegeven opdracht niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen. Zij is aldus tekort geschoten in haar zorgplicht. De tekortkoming kan haar worden toegerekend op grond van artikel 6:76 BW. Dat maakt dat het Adviesburo gehouden is de daardoor door [geintimeerden c.s.] geleden schade te vergoeden.

Vast staat dat op [adviseur] een zorgvuldigheidsverplichting rustte en dat hij diende te handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur. Eveneens staat vast dat hij deze zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, hetgeen een onrechtmatige daad oplevert. [adviseur] is uit hoofde van onrechtmatig handelen aldus voor dezelfde schade aansprakelijk, aldus de rechtbank.

6.2.6.

[appellanten c.s.] zijn hoofdelijk veroordeeld om aan [geintimeerden c.s.] de schade te vergoeden die zij door de onrechtmatige daad althans wanprestatie van [appellanten c.s.] hebben geleden en nog zullen lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast zijn [appellanten c.s.] veroordeeld tot betaling de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ad € 2.044,25, de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.399,67, de proceskosten en de nakosten alles met de wettelijke rente als bepaald in het dictum. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

6.3.1.

[appellanten c.s.] zijn met zes grieven in principaal hoger beroep gekomen tegen het eindvonnis. Deze grieven zijn niet gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten c.s.] aansprakelijk zijn jegens [geintimeerden c.s.] uit toerekenbare tekortkoming c.q. onrechtmatige daad, maar zien slechts op de toegewezen vordering van [geintimeerden c.s.] tot verwijzing naar de schadestaatprocedure, de wijze van schadebegroting, de wettelijke rente en de toegewezen nevenvorderingen van [geintimeerden c.s.]

Kort gezegd wensen [appellanten c.s.] dat de hoofdvordering van [geintimeerden c.s.] thans door het hof zal worden begroot, en wel zodanig dat alle vorderingen afgewezen worden.

6.3.2.

In het petitum van de memorie van grieven vorderen [appellanten c.s.] (samengevat) om het eindvonnis van 5 oktober 2016 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering zoals deze in eerste instantie door [geintimeerden c.s.] is ingesteld aan hen te ontzeggen met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de proceskosten. Het hof legt de processtukken van [appellanten c.s.] aldus uit, dat zij hiermee ook grieven tegen de toewijzing van de proceskosten aan [geintimeerden c.s.] , zodat die veroordeling in dit hoger beroep weer ter beoordeling voorligt.

6.4.1.

[geintimeerden c.s.] hebben op hun beurt voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 17 juni 2015 - waarop de rechtbank in haar eindvonnis niet is teruggekomen - dat niet is komen vast te staan dat [appellanten c.s.] [geintimeerden c.s.] niet hebben gewezen op de (specifieke) risico’s die behoren bij de geadviseerde beleggingen.

6.4.2.

[geintimeerden c.s.] maken expliciet geen bezwaar tegen de vordering van [appellanten c.s.] om niet naar de schadestaat te verwijzen en zij wijzigen hun eis aldus, dat zij thans niet meer betaling van € 62.476,00 en daarnaast die verwijzing, maar een concreet door het hof toe te wijzen bedrag vorderen.

6.4.3.

In het petitum van de memorie van antwoord in principaal hoger beroep/memorie van grieven in incidenteel hoger beroep vorderen [geintimeerden c.s.] (samengevat ) dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen - met uitzondering van rov 3.20 van het tussenvonnis van 17 juni 2015, waarbij de rechtbank heeft gepersisteerd, en de vonnissen in zoverre zal vernietigen - en [appellanten c.s.] zal veroordelen om aan [geintimeerden c.s.] te betalen € 282.979,32 althans

€ 181.541,33, althans een door het hof te bepalen bedrag, en € 925,00 aan kosten, de nakosten en de proceskosten in hoger beroep alles te vermeerderen met wettelijke rente als in het petitum vermeld.

6.5.1.

In de toelichting op de grieven 1 en 2 stellen [appellanten c.s.] dat de schade van [geintimeerden c.s.] in deze procedure begroot moet worden. [geintimeerden c.s.] hebben zich expliciet akkoord verklaard met het thans begroten van hun schade (3 en 11 mva). Als gezegd hebben [geintimeerden c.s.] hun eis aan deze koerswijziging aangepast. Nu het uitgangspunt van de wetgever is dat de rechter zoveel mogelijk de schade zelf zal begroten, zal het hof dit in dit geval doen, nu de aansprakelijkheid van [appellanten c.s.] reeds vaststaat en beide partijen een begroting willen. Dat wil zeggen, het hof zal bezien of thans reeds voldoende hiervoor is gesteld, of dat het hof nog nadere informatie nodig heeft. Zoals uit hetgeen hierna in rov. 6.8.5 blijkt, is dat laatste het geval.

De grieven slagen in ieder geval voor wat betreft de kwestie van het direct begroten van de schade.

6.5.2.

[appellanten c.s.] wensen een schadebegroting op de wijze als in de paragrafen 3 en 4 van de memorie van grieven weergegeven. De gestelde begrotingswijze van [appellanten c.s.] saldeert op een ondergrens van een (door hen aangeduid als) “netto”-schade van € 35.152,87 (3.47 mvg) te betalen aan de heer en/of mevrouw Steur. Uit deze stelling volgt dat de vordering in hoger beroep zoals die door [appellanten c.s.] in hun petitum is geformuleerd – volledig afwijzen van iedere schadevergoedingsvordering – ook in hun eigen ogen niet zal kunnen worden toegewezen, en de grieven op dit punt (in ieder geval deels) zullen falen.

6.6.1.

De tweede kwestie die in de grieven 1 en 2 wordt aangesneden, betreft de gerechtigden tot c.q. de ontvanger(s) van de door [appellanten c.s.] te betalen schadevergoeding. In de toelichting op deze grieven stellen [appellanten c.s.] dat er een verschil moet worden gemaakt in de vermogenspositie van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] en die van de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] (6.3. mvg) om dan, in nr. 6.6. te stellen dat als al moet worden aangenomen dat [appellanten c.s.] hoofdelijk zouden moeten worden veroordeeld om bruto aan Steur (c.s.) te betalen, dat vergezeld moet gaan van de voorwaarde dat deze veroordeling moet komen te vervallen indien de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] privé schadeloos worden gesteld. Hiermee wordt gegriefd tegen de ongeclausuleerde hoofdelijke veroordeling door de rechtbank van [appellanten c.s.] jegens [geintimeerden c.s.] De rechtbank maakt immers geen onderscheid tussen de verschillende (toen) gedaagden/ (thans) appellanten.

[appellanten c.s.] stellen in wezen dat de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] degenen zijn die schade lijden, en dat dus aan hen zal moeten worden betaald en niet aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] . Van belang daarbij is dat aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] volgens [appellanten c.s.] veel minder hoeft te worden betaald dan aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] : “Over pensioenuitkeringen is Inkomstenbelasting verschuldigd, terwijl een eventueel aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] toe te kennen schadevergoeding onbelast zal zijn” aldus [appellanten c.s.] die daar aan toevoegen dat ter zake die verschuldigde inkomstenbelasting een aftrek van 40,4% gehanteerd moet worden op het verloren gegane bruto kapitaal (3.7 en 3.8 mvg).

6.6.2.

Deze fiscale wetenswaardigheden zijn door [geintimeerden c.s.] betwist. In de memorie van antwoord stellen [geintimeerden c.s.] dat als slechts aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] zou worden betaald, Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] onder meer niet meer aan haar fiscale verplichtingen zou kunnen voldoen, en bij pleidooi zei hun advocaat: “Ik ben slecht in cijfers, maar ik deed navraag over of dit fiscaal op te lossen is en de conclusie is dat dit niet gaat. [beheersmaatschappij] B.V. moet er niet uitgestreept worden” (of woorden van gelijke strekking).

Het hof passeert de stelling dat bij uitkering van een schadevergoeding alleen aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] , een aftrek van 40,4% op het uit te keren bedrag op zijn plaats is, omdat deze stelling door [appellanten c.s.] op geen enkele wijze met feiten en omstandigheden is onderbouwd. Nu [appellanten c.s.] juist begroting van de schade in deze procedure vorderen was een nadere uitleg van de verschillende gehanteerde fiscale tarieven voor zover betrekking hebbend op de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] , als op Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] op zijn plaats geweest.

6.6.3.

Bezwaar is gemaakt door [appellanten c.s.] toen namens [geintimeerden c.s.] op een vraag van het hof werd geantwoord dat de vordering niet door de drie eisers (thans geïntimeerden) tezamen werd ingesteld, maar dat de vordering primair door Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] werd ingesteld. [appellanten c.s.] gaven bij hun bezwaar aan dat zij juist hadden begrepen dat de vordering subsidiair door Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] werd ingesteld.

Het hof oordeelt dat de vordering in eerste aanleg is ingesteld door Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] én de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] . Gedrieën zijn zij in het vonnis (en in dit arrest) aangeduid als “ [geintimeerden c.s.] ” Toegewezen is een veroordeling van [appellanten c.s.] om “aan [geintimeerden c.s.] de schade te vergoeden die zij door de onrechtmatige daad althans wanprestatie van [appellanten c.s.] hebben geleden en nog zullen lijden”. In die zin is de stelling dat thans primair namens (alleen) Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] wordt gevorderd méér dan slechts een nadere nuancering van een eerder ingenomen standpunt maar inderdaad een – te late – eiswijziging. Die het hof dan ook terzijde zal laten.

6.7.1.

De grondslag van de ingestelde en toegewezen vordering is schending van de zorgplicht als opdrachtnemer jegens de opdrachtgevers (24 inl. dagv.). Vast staat tussen partijen dat er een adviesovereenkomst is gesloten tussen [geintimeerden c.s.] (dat wil zeggen, Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] én de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] ) en het Adviesburo (vgl. rov 3.4. van het vonnis van 17 juni 2015, waar niet tegen is gegriefd) en dat in dat kader de zorgplicht is geschonden en er verkeerd is geadviseerd. In hoger beroep staat verder vast dat het Adviesburo jegens [geintimeerden c.s.] aansprakelijk is op grond van de niet-correcte nakoming van de gesloten overeenkomst, en dat [adviseur] (privé) voor dezelfde schade aansprakelijk is jegens [geintimeerden c.s.] uit onrechtmatige daad. [adviseur] en het Adviesburo zijn hoofdelijk veroordeeld aan [geintimeerden c.s.] schadevergoeding te betalen.

6.7.2.

De overeenkomst van opdracht tussen enerzijds [geintimeerden c.s.] en anderzijds het Adviesburo zag op het beleggen van gelden van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] ten behoeve van de door deze vennootschap aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] uit te keren pensioenen. Als gevolg van de verkeerde advisering door het Adviesburo is het belegde vermogen, dat toebehoorde aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] , verminderd. De schade van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] is gelegen in de vermindering van de waarde van haar aandelen, terwijl de schade van de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] is dat hun pensioenuitkeringen uit de vennootschap lager zijn dan ze hadden moeten zijn. De schadevergoeding ten gunste van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] bestaat, in beginsel, uit het verschil tussen de feitelijke financiële toestand van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] (in welke maatschappij immers de te beleggen gelden waren ondergebracht) en de financiële situatie waarin Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] zich (waarschijnlijk) zou hebben bevonden als genoemd verkeerd advies niet had plaatsgevonden.

6.7.3.

De grieven slagen dus in zoverre dat er inderdaad onderscheid moet worden gemaakt tussen de schade van de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] en Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] en er mitsdien geen sprake is van hoofdelijkheid omdat geen sprake is van “dezelfde schade” in de zin van art. 6:102 BW, maar niet dat dat tot de conclusie leidt dat de vordering op Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] komt te vervallen als de vordering aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] wordt voldaan, maar, andersom, dat de vordering jegens de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] komt te vervallen als die van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] wordt voldaan. Immers, zodra de schade aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] is vergoed, is van die waardevermindering geen sprake meer en zijn er voor de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] privé geen nadelige gevolgen meer van de tekortkoming c.q. de onrechtmatige daad. Als daarentegen aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] (in privé) wordt betaald lijden zij weliswaar geen schade meer, maar de schade van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] (doordat haar vermogen ondeugdelijk was belegd) zou dan onvergoed blijven.

6.7.4.

De slotsom is dat de door [appellanten c.s.] schadevergoeding verschuldigd is aan [beheersmaatschappij] Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] en aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] , met dien verstande dat als de schade van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] is vergoed, de vorderingen van de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] komen te vervallen.

6.8.1.

De schadevergoeding waarop [geintimeerden c.s.] jegens [appellanten c.s.] aanspraak kunnen maken vanwege de door de rechtbank geconstateerde (en in hoger beroep niet bestreden) tekortkomingen c.q. onrechtmatige daad van het Adviesburo resp. [adviseur] dient [geintimeerden c.s.] zoveel mogelijk te brengen in de toestand, waarin zij zouden hebben verkeerd als (kort gezegd) het verkeerde advies niet had plaatsgevonden.

Zowel [appellanten c.s.] als [geintimeerden c.s.] hebben hun visie op de berekening van de schadevergoeding gegeven. Ervan uitgaande dat het hier zal gaan om een (in fiscale zin:) brutobedrag komen [appellanten c.s.] tot een door [geintimeerden c.s.] geleden schade van € 58.981,33 (3.45 mvg) en netto op een aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] te betalen bedrag van € 35.152,87 (3.47 mvg). [geintimeerden c.s.] berekenen aan de hand van een rapport van Buro [buro] dat hun schade primair bedraagt € 282.979,32 + € 925,00 en subsidiair € 181.541,33 + € 925,00 (25 mva).

Als gezegd, dient de schadevergoeding betaald te worden aan [geintimeerden c.s.] , hetgeen impliceert dat geen ruimte is voor een onderscheid tussen een netto- en een bruto-vergoeding, zoals [appellanten c.s.] bepleiten. De schadevergoeding bestaat als overwogen, in beginsel, uit het verschil tussen de feitelijke financiële toestand van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] en de financiële situatie waarin Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] zich (waarschijnlijk) zou hebben bevonden als genoemd verkeerd advies niet had plaatsgevonden.

6.8.2.

In verband met die hypothetische situatie is allereerst van belang het verweer van [appellanten c.s.] dat, nu hun fout erin bestaat dat beleggingen zijn geadviseerd die niet passen bij het risicoprofiel van de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] , bij de schadebegroting ervan uit zou moeten worden gegaan dat zij de bij Nationale Nederlanden bestaande polis met maximaal vijf jaar zouden hebben aangehouden (vgl. onder meer 3.12. onder 2 mvg en de alternatieve schadeberekening in de pleitnota 4.54 ev). Voor zover [appellanten c.s.] daarmee bedoelen dat de schade moet worden begroot alsof er geen advisering door het Adviesburo zou zijn geweest, komt dat het hof niet juist voor. [geintimeerden c.s.] hebben met het Adviesburo nu juist een overeenkomst gesloten op grond waarvan het Adviesburo aan [geintimeerden c.s.] advies diende te geven omtrent het beleggen van gelden die zich in het vermogen van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] bevonden.

6.8.3.

Uitgangspunt blijft dat [geintimeerden c.s.] het pensioen in eigen beheer hebben genomen, waarbij zij beleggingen zouden zijn aangegaan die pasten binnen het gekozen defensieve risicoprofiel, op grond van een advies dat de toets der kritiek zou kunnen doorstaan, rekening houdend met het opgestelde klantprofiel (defensief) waarbij 25% zou worden belegd in aandelen en 75% in obligaties en de te beleggen gelden (deels) dienden ter aanvulling van het pensioen van de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] in een periode van drie tot vijf jaar na juli 2011. Er kan naar het oordeel van het hof vanuit worden gegaan dat [geintimeerden c.s.] dan de – wel goede – adviezen van [appellanten c.s.] zouden hebben opgevolgd. Zelf stellen zij dat zij een ander advies ook zouden hebben opgevolgd, omdat zij sinds [adviseur] hun adviseur werd, gewoon waren zijn adviezen op te volgen (36 inl. dagv., en de verklaring van de heer [directeur beheersmaatschappij] ter comparitie bij de rechtbank). Door [appellanten c.s.] is deze stelling niet gemotiveerd weersproken.

6.8.4.

De vraag tot welk bedrag de inleg van [geintimeerden c.s.] van € 478.416,99 zou zijn aangegroeid wanneer zij zouden hebben belegd conform een advies van [adviseur] dat aan de hiervoor genoemde criteria voldoet, wordt door partijen verschillend beantwoord. [geintimeerden c.s.] gaan uit van een eindkapitaal na vijf jaar van € 643.044,99, waarbij zij zich baseren op een tweede rapportage van Buro [buro] (prod. 5 mva). [geintimeerden c.s.] hebben ter bestrijding van deze rapportage door Beconomics een rapport laten opstellen, dat resulteert in genuanceerdere voorspellingen. Voor de situatie dat overwegend in Europa was belegd voorspelt Beconomics een gemiddeld eindkapitaal van € 560.000,00 en bij die waarin wereldwijd was belegd € 538.000,00. Deze rapportage is door [geintimeerden c.s.] weersproken, waarbij zij er onder meer op hebben gewezen dat Beconomics zakelijke relaties met [appellanten c.s.] heeft.

6.8.5.

Het hof is van oordeel dat aan de hand van een zgn. modelportefeuille moet worden bepaald wat in de hypothetische situatie het behaalde rendement op de beleggingen van [geintimeerden c.s.] zou zijn geweest. Vertrekpunt is dan, conform hetgeen hiervoor werd overwogen, dat het Adviesburo € 478.416,99 zou hebben belegd, in de periode van 1 juli 2011 tot en met 1 juli 2016 en volgens een defensief profiel, waarbij 25% in aandelen en 75% in obligaties zou zijn belegd. Onbekend is hoe het Adviesburo in 2011 een dergelijke portefeuille zou hebben samengesteld. Partijen hebben in verband met de samenstelling van een hypothetische portefeuille geen aanknopingspunten geboden, terwijl dat in ieder geval wel op de weg van het Adviesburo had gelegen, gelet op haar deskundigheid.
Het hof wenst door een nog te benoemen deskundige voorgelicht te worden tot welk bedrag de inleg realiter zou kunnen zijn aangegroeid bij beleggingen die voldoen aan de genoemde criteria, waarbij de deskundige verder vrij is in het samenstellen van die hypothetische portefeuille (gelijk de destijds voor [geintimeerden c.s.] samengestelde portefeuille) met een wereldwijde blootstelling.

6.8.6.

Voor de vergelijking van de actuele financiële positie van Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] en de hypothetische situatie is verder de vraag van belang of aan de fondsen die niet (meer) uitkeren nog een waarde moet worden toegekend. Vast staat dat de participaties van [geintimeerden c.s.] in [fonds 5] , [fonds 6] en [fonds 7] in ieder geval sinds 31 juli 2013 resp. 16 november 2012 resp. november 2011 tot op heden niet meer te gelde te maken zijn. Door SEB werd op het meest recente overzicht van december 2018 aan de participatie in het [fonds 5] fonds nog een waarde van € 44.182,27 toegekend, [fonds 6] was op dat overzicht gewaardeerd op € 0.00 en [fonds 7] kwam op het overzicht niet meer voor.

Anders dan [appellanten c.s.] is het hof van oordeel dat gezien de doelstelling van [geintimeerden c.s.] bij het aangaan van de beleggingen in 2011 (een pensioenaanvulling in de komende drie tot vijf jaar), waarvoor de participaties in het [fonds 5] fonds niet hebben kunnen dienen en er geen enkel zicht is op een datum waarop dit fonds wel daarvoor zal kunnen dienen, de participaties in het [fonds 5] fonds op nihil gewaardeerd moeten worden voor wat betreft de berekening van de schade van [geintimeerden c.s.]

Bij de schadeberekening is tevens relevant dat door SEB (nog steeds) maandelijks beheerskosten worden berekend.

6.8.7.

Op 8 november 2012 is aan Beheersmaatschappij [beheersmaatschappij] € 133.000,00 betaald. “In de loop van 2016” - meer specifieker zijn [geintimeerden c.s.] hierover niet - is aan [geintimeerden c.s.] door SEB uitgekeerd € 221.508,57. [geintimeerden c.s.] berekenen hun schade in hoofdsom per 1 juli 2016 omdat deze datum vijf jaar na 1 juli 2011 ligt en de beleggingen van [geintimeerden c.s.] bedoeld waren voor pensioenaanvulling drie tot vijf jaar na 1 juli 2011. [appellanten c.s.] berekenen de schade per 1 juni 2016, zonder nader aan te geven waarom zij afwijken van de vijfjaarstermijn. Het hof zal daarom, bij gebreke aan een duidelijke betwisting van de steeds door [geintimeerden c.s.] aangehouden einddatum, uitgaan van de door [geintimeerden c.s.] genoemde schadedatum van 1 juli 2016.

6.8.8.

Het eerder uitgekeerde bedrag van € 133.000,00 heeft voor [geintimeerden c.s.] een zeker rendement opgeleverd. Partijen zijn het er echter niet over eens of dit de gebruikelijke rente van 2,5% moet zijn, zoals [geintimeerden c.s.] stellen, of de gemiddelde spaarrente voor een deposito van vijf jaar die medio 2012 ongeveer 2,8% was, zoals [appellanten c.s.] stellen.

Nu het hier gaat om een bedrag dat in november 2012 is uitgekeerd en dat oorspronkelijk tot doel had zodanig belegd te worden dat het binnen drie tot vijf jaar na zomer 2011 tot uitkering zou komen, is het rentepercentage van een vijfjaarsdepositio (ingaand in november 2012) zonder nadere toelichting niet passend. Het hof zal daarom uitgaan van het percentage van 2,5% dat [geintimeerden c.s.] opvoeren, waartegen [appellanten c.s.] verder geen ander argument hebben aangevoerd.

Als rendement over het bedrag van € 133.000,00 zal dus worden aangehouden 2,5% vanaf 8 november 2012 tot 1 juli 2016, de datum waartegen de totale schade zal worden berekend.

6.9.1.

[appellanten c.s.] hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een beroep gedaan op de eigen schuld van [geintimeerden c.s.] Volgens [appellanten c.s.] dient op grond van die eigen schuld de ontstane schade voor - naar het hof begrijpt - het deel boven € 35.152,87 (het netto-schadebedrag dat [appellanten c.s.] erkennen schuldig te zijn) voor rekening van [geintimeerden c.s.] te blijven. De stelplicht en bewijslast hiervan rusten op [appellanten c.s.]

voeren daartoe aan dat de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] ervaren beleggers zijn, die zich bewust waren van de aan beleggen verbonden risico’s en bereid waren deze te aanvaarden. Daarnaast zijn de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] gewaarschuwd. Het verlies is geleden doordat de risico’s zich gerealiseerd hebben. [geintimeerden c.s.] ontkennen dat zij ervaren beleggers zijn, en betwisten eveneens dat zij voor deze risico’s waren gewaarschuwd.

6.9.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen schuld van [geintimeerden c.s.] in de zin van artikel 6:101 BW voorop dat een adviseur als het Adviesburo bij een adviesrelatie als de onderhavige in de precontractuele fase allereerst onderzoek moet doen naar de financiële mogelijkheden, de deskundigheid en de doelstellingen van zijn cliënt. In dat kader dient de adviseur ook na te gaan over welke beleggingservaring de cliënt beschikt en welke beleggingsrisico’s de cliënt kan en wil dragen. Op basis van de verkregen informatie dient de adviseur de cliënt vervolgens deugdelijk te informeren en eventueel ook te waarschuwen, opdat de cliënt in staat is op verantwoorde wijze de vereiste beslissingen te nemen. Of en zo ja, hoe de adviseur de cliënt dient te waarschuwen is afhankelijk van de door de adviseur verkregen informatie inzake mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van de cliënt. Onder omstandigheden kan dit betekenen dat de adviseur niet kan volstaan met het verstrekken van schriftelijke informatie zoals folders waarin in algemene zin wordt gewaarschuwd voor de aan beleggen verbonden risico’s, maar dat hij meer indringend dient te waarschuwen voor de specifieke risico’s van de door de adviseur in dit specifieke geval geadviseerde wijze van beleggen. Ten aanzien van adviesrelaties als de onderhavige geldt dat, aangezien de zorgplicht van de adviseur naar zijn aard de cliënt moet beschermen tegen diens eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht, de hieruit aan de zijde van de cliënt voortvloeiende fouten in beginsel minder zwaar wegen dan de fouten aan de zijde van adviseur. De waarschuwingsplicht van de adviseur strekt mede ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. De cliënt mag er in beginsel ook vanuit gaan dat zijn adviseur zijn zorgplicht jegens hem naleeft en hij hoeft minder snel bedacht te zijn op niet vermelde risico’s. Een cliënt moet in beginsel kunnen vertrouwen op de hem gegeven adviezen en hij hoeft daar in beginsel geen (gezonde) twijfels bij te hebben, omdat de cliënt nu juist de adviseur heeft ingeschakeld om hem te adviseren. In een dergelijke relatie zal dus niet snel sprake zijn van eigen schuld van de cliënt.

6.9.3.

Ten bewijze van hun stelling dat [geintimeerden c.s.] ervaren beleggers waren, verwijzen [appellanten c.s.] vooral naar hun klantprofiel (prod. G4). Het ingevulde klantprofiel-formulier vermeldt onder meer dat de cliënt ervaring heeft opgedaan met “Beleggingsfondsen”, maar niet met “Zelf beleggen” en dat hij zijn financiële kennis en ervaring als “voldoende” inschat. Vast staat dat [adviseur] een deel van dat formulier zelf reeds had ingevuld voordat hij het aan de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] toonde en met hen besprak, maar dat de heer [directeur beheersmaatschappij] het formulier, met de door [adviseur] ingevulde stukken, vervolgens voor akkoord heeft ondertekend. Datgene wat op het klantprofiel-formulier staat vermeld, staat – behoudens tegenbewijs – tussen partijen vast. Anders dan de rechtbank evenwel, is het hof van oordeel dat iemand die zichzelf als in het bezit van “voldoende” financiële kennis inschat, en die aangeeft slechts ervaring te hebben met beleggingsfondsen (waarbij een ander de beleggingsbeslissingen neemt), maar niet zelf heeft belegd, niet kan worden gekwalificeerd als een ervaren belegger. Daar komt bij dat [adviseur] zelf in de ongedateerde notitie die hij aan en over [geintimeerden c.s.] heeft geschreven voorafgaand aan de uitvoering van zijn beleggingsadviezen schrijft over de optie om het door Nationale Nederlanden uit te keren kapitaal in eigen beheer te nemen: “U kunt de beleggingen zelf doen, onderbrengen bij een bank of vermogensbeheerder of door ons kantoor laten begeleiden. (..) Zelf doen was voor u geen optie [onderstr. Hof].(..)” (prod. 2 inl. dagv.). Tenslotte schreef Buro [buro] (in Bijlage A van het eerste rapport) dat de heer [directeur beheersmaatschappij] , zo bleek uit een gesprek dat met hem was gevoerd, onder meer een deel van de vragen over het risicoprofiel niet had begrepen. [appellanten c.s.] hebben in wezen geen andere argumenten aangedragen voor hun stelling dat de heer [directeur beheersmaatschappij] een ervaren belegger was, zo hebben zij bijvoorbeeld niet gewezen op door de heer [directeur beheersmaatschappij] zelf – zonder tussenkomst van adviseurs of beleggingsfondsen – aangegane participaties. Omtrent de ervaringen van mevrouw [administratrice] is niets gesteld of gebleken, zodat er in haar geval evenmin geoordeeld kan worden dat zij een ervaren belegger was.

Daarmee is de stelling dat de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] zich op grond van hun beleggingservaring bewust waren c.q. hadden moeten zijn van de risico’s verbonden aan de door [adviseur] geadviseerde beleggingen – voor zover al relevant -, voldoende weerlegd.

6.9.4.

[appellanten c.s.] hebben verder aangevoerd dat zij de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] voldoende hebben geïnformeerd en hen hebben gewaarschuwd voor de specifieke aan de geadviseerde beleggingen verbonden risico’s, en dat de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] die risico’s hebben aanvaard. Het hof verwerpt dit betoog.

In de ongedateerde adviesnotitie van [adviseur] van voorjaar 2011 wordt zeer kort informatie gegeven over acht beleggingsfondsen. Van een aantal fondsen vermeldt [adviseur] het verwachte rendement, maar slechts van drie “obligatie”-fondsen en één van de andere fondsen wordt iets gezegd over het verwachte risico (in de vorm van een risico-classificatie). Uit de door [appellanten c.s.] overgelegde stukken blijkt dat zij, naast de eerder genoemde ongedateerde notitie, over vier fondsen ( [fonds 1] , [fonds 2] , [fonds 3] en [fonds 4] ) algemene folders aan [geintimeerden c.s.] hebben overhandigd (prods G6-G9). Het “ [fonds 4] ”fonds is vervolgens op de overzichten van de SEB niet terug te vinden. Zoals uit de feitenvaststelling in het vonnis van 17 juni 2015 blijkt, zijn uiteindelijk twee van de eerder voorgestelde fondsen niet aangekocht, maar in plaats daarvan drie “obligatie”fondsen, waaromtrent in de eerdere notitie van [adviseur] een korte beschrijving was opgenomen. Later is het [fonds 5] -fonds aangekocht. Gesteld noch gebleken is dat over de deze beleggingsproducten zelfs maar algemene informatie (bijvoorbeeld in de vorm van folders) is verstrekt aan [geintimeerden c.s.] Nergens blijkt ook uit of en zo ja wanneer en op welke wijze [adviseur] de informatie over de daadwerkelijk aangegane beleggingen mondeling aan [geintimeerden c.s.] heeft toegelicht, zodat hij de bij de heer en mevrouw [geintimeerde 2 en 3] als niet-ervaren beleggers opkomende vragen had kunnen beantwoorden, zodat zij een verantwoorde beslissing zouden hebben kunnen nemen. De slotsom is dan ook dat [appellanten c.s.] onvoldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat het Adviesburo aan haar in rov 6.9.2. omschreven informatieverplichting jegens [geintimeerden c.s.] heeft voldaan.

6.9.5.

Gesteld noch gebleken is naar het oordeel van het hof dat het Adviesburo [geintimeerden c.s.] afdoende en op voor hen begrijpelijke wijze heeft gewaarschuwd voor de specifieke risico’s die verbonden zaten aan de beleggingen die oorspronkelijk waren geadviseerd en die welke uiteindelijk zijn aangegaan, mede beschouwd in het licht van de doelstellingen waarmee werd belegd. De notitie van [adviseur] waarschuwt bijvoorbeeld voor het doorgaan met verzekeren bij Nationale Nederlanden (“U loopt dus enkel het risico dat Nationale Nederlanden failliet gaat. Dit risico is niet denkbeeldig (..))”. Over de geadviseerde beleggingen in het [fonds 1] schrijft Adviesburo [het adviesburo] bijvoorbeeld: “Het fonds beleg[t] in Amerikaanse levensverzekeringen. De systematiek is u uitgelegd. Deze markt heeft veel ‘cowboys’ aangetrokken. [fonds 6] en [fonds 7] komen op ons over als betrouwbaar, voor zover wij kunnen beoordelen. Het fonds valt niet onder toezicht van de AFM. Indien het fonds in liquiditeitsproblemen komt (..) kan het fonds zijn uitbetalingen opschorten. Zie de aanvullende informatie.”. Vergelijkbare teksten zijn te lezen bij [fonds 5] en [fonds 7] .

De notitie vervolgt dan: “Het is moeilijk om een rendementsverwachting te formuleren. Na aftrek van de kosten moet er een rendement van 4% gehaald kunnen worden.” De aanbevolen fondsen worden vervolgens in een risicoklasse, schaal 1-7, geclassificeerd, waarbij slechts een (niet-obligatie-) fonds van een classificering zijn voorzien.

Gegeven de in rov 6.9.2. vermelde maatstaf, zijn dit soort teksten voor (niet ervaren) beleggers als [geintimeerden c.s.] niet als een serieuze en door hen te begrijpen waarschuwing te beschouwen voor de échte risico’s die zij met de fondsen liepen. Een meer indringende waarschuwing was op zijn plaats geweest. Van andere – duidelijke - waarschuwingen voorafgaand aan het storten van het geld voor de beleggingen door [geintimeerden c.s.] bij SEB is ook niet gebleken.

6.9.6.

Op grond van het bovenstaande gaat het verweer van [appellanten c.s.] niet op dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [geintimeerden c.s.] , omdat zij in afwijking van het defensieve risicoprofiel dat het Adviesburo voor hen had opgesteld belegd hebben in de risicovol gebleken fondsen (die het Adviesburo hen had aangeraden). Onvoldoende is door [appellanten c.s.] gesteld om hen tot enige bewijslevering op dit punt toe te laten.

Dit betekent dat de te berekenen schade volledig voor rekening van [appellanten c.s.] zal komen.

6.10.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep hebben [geintimeerden c.s.] gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vaststaat dat zij niet voldoende zijn gewaarschuwd. Zo aan de behandeling van die grief zou worden toegekomen, volgt uit het hierboven overwogene dat het hof van oordeel zal zijn dat die grief zal slagen.

6.11.1.

Het hof geeft partijen in overweging om op basis van het voorgaande te streven naar een regeling in der minne. Mocht dat niet lukken, dan is het hof voornemens om een deskundige te benoemen ter vaststelling van de omvang van de schade(vergoeding) en meer in het bijzonder van het rendement op de modelportefeuille conform het overwogene in

rov 6.8.5.

6.11.2.

Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor uitlating aan de zijde van beide partijen gelijktijdig over de voortgang van de procedure. Het hof zal daarbij een ruimere termijn dan gebruikelijk hanteren, teneinde partijen in staat te stellen om onderling te overleggen over de mogelijkheid van een regeling.

In afwachting van de resultaten van deze rolverwijzing zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van 28 mei 2019 voor uitlating aan de zijde van beide partijen gelijktijdig over de voortgang van de procedure;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, H.K.N. Vos en T. Dorhout Mees en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 april 2019.

griffier rolraadsheer