Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1212

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
200.109.945_03
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:5228
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3082
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4328
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Whiplashzaak met twee ongevallen. Comparitie om o.a. benoeming neuropsycholoog (naam en vragen) te bespreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.109.945/03

arrest van 2 april 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.P.C. van den Bogaard te Eindhoven,

tegen

[schadeverzekeringen] Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 28 augustus 2012, 15 december 2015, 19 juli 2016, 10 oktober 2017 en 9 januari 2018 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 102243/HA ZA 03-2221 gewezen vonnissen van 15 december 2004, 21 september 2005, 16 maart 2011 en 28 maart 2012.

18 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 9 januari 2018;

  • -

    het deskundigenbericht van dr. E.M.H. van den Doel (hierna: Van den Doel), neuroloog, van 28 augustus 2018;

  • -

    de brief van drs. A.W.A. Elemans (hierna: Elemans), verzekeringsarts, aan het hof van 6 december 2018;

  • -

    de brief van het hof aan partijen van 17 december 2018;

  • -

    de aktes van partijen van 29 januari 2018.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

19 De verdere beoordeling

19.1.

Eerdere tussenarresten

Bij tussenarrest van 19 juli 2016 heeft het hof drie deskundigen benoemd, te weten

dr. P.L.I. Dellemijn (hierna: Dellemijn), neuroloog, Elemans en R. de Vree, arbeidsdeskundige.

Bij tussenarrest van 10 oktober 2017 heeft het hof het verzoek van [appellant] tot vervanging van de deskundige Dellemijn toegewezen.

Bij tussenarrest van 9 januari 2018 is Van den Doel benoemd als deskundige.

19.2.

Nadat het rapport van Van den Doel was ontvangen, heeft Elemans bij voornoemde brief van 6 december 2018 het hof bericht dat een verzekeringsdeskundig onderzoek naar de belastbaarheid van [appellant] pas aan de orde kan zijn als er een actueel neuropsychologisch expertiseonderzoek met de inzet van symptoomvaliditeitstesten (inclusief persoonlijkheidsonderzoek en copingstijlonderzoek) is verricht. Elemans acht een dergelijk onderzoek noodzakelijk omdat bij het neuropsychologisch onderzoek van [neurospycholoog] (prod. 5 inl. dgv.) bedoelde testen niet zijn afgenomen, dit nog afgezien van de beperkte geldigheidsduur van zo’n onderzoek.

Het hof heeft vervolgens aan partijen bericht dat het voornemens is om bij tussenarrest alsnog een neuropsycholoog te benoemen, waarbij dezelfde vraagstelling zal worden gehanteerd als die aan de neuroloog is voorgelegd (de zgn. IWMD-vraagstelling, zie

r.o. 10.4.2. van het tussenarrest van 19 juli 2016) en partijen de gelegenheid gegeven om zich bij akte over het een en ander uit te laten.

19.3.

[appellant] heeft in zijn akte de benoeming van neuropsycholoog mw. [door appellant voorgestelde neuroloog] voorgesteld. [appellant] heeft aangegeven daarnaast ook benoeming van een psychiater

( [door geintimeerde voorgestelde psychiater] ) te wensen om de uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek en het copingstijlonderzoek te kunnen duiden, maar ook om klachten die wijzen op een psychiatrische stoornis te kunnen vaststellen. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de IWMD-vraagstelling omdat deze volgens hem uitsluitend bedoeld is voor medisch specialisten en heeft andere vragen voorgesteld.

[geïntimeerde] heeft in haar akte bezwaar gemaakt tegen de benoeming van een neuropsycholoog omdat het hof de wenselijkheid van de inschakeling van een neuropsycholoog, een psychiater en/of een handchirurg aan de neuroloog heeft overgelaten, terwijl Van den Doel zich daarover niet heeft uitgelaten. Het zou daarom wenselijker zijn om de vraag of een neuropsychologisch onderzoek moet worden uitgevoerd aan Van den Doel voor te leggen en vervolgens ook de resultaten van een dergelijk onderzoek. Verder betwijfelt [geïntimeerde] het nut van een neuropsychologisch onderzoek gezien de huidige leeftijd van [appellant] (69 jaar).

19.4.

Het hof is van oordeel dat een neuropsychologisch onderzoek met de inzet van symptoomvaliditeitstesten (inclusief persoonlijkheidsonderzoek en copingstijlonderzoek) nodig is. Het later te bepalen voorschot op de kosten van de te benoemen neuropsycholoog komt ten laste van [geïntimeerde] . Aan de neuroloog Van den Doel zal na het gereedkomen van het neuropsychologisch onderzoek gevraagd worden zijn reactie te geven op dat onderzoek. Te zijner tijd zal een voorschot op de nadere kosten van Van den Doel ten laste van [geïntimeerde] worden bepaald.

19.4.1.

Het hof is het bij nader inzien met [appellant] eens dat de IWMD-vraagstelling hier minder op zijn plaats is. Het hof acht het van belang dat [geïntimeerde] zich (alsnog) uitlaat over de door [appellant] voorgestelde vragen en de door [appellant] voorgestelde deskundige ( [door appellant voorgestelde neuroloog] ).

Tevens acht het hof het van belang dat [geïntimeerde] zich uitlaat over de wens van [appellant] om een psychiater als deskundige te benoemen en over de door [appellant] voorgestelde deskundige ( [door geintimeerde voorgestelde psychiater] ). Het hof gaat er vooralsnog vanuit dat ingeval een psychiater zal worden benoemd, aan deze de IWMD-vraagstelling ter beantwoording zal worden voorgelegd. Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aan deze deskundige te stellen vragen.

19.5.

Gezien de leeftijd van deze zaak en de leeftijd van [appellant] is het van belang dat deze zaak geen verdere vertraging zal oplopen. Om die reden wil het hof ter bevordering van een efficiënte gang van zaken de antwoorden op de in r.o. 19.4.1. gestelde vragen met partijen bespreken ter gelegenheid van een comparitie van partijen. Ook het eventuele verdere procesverloop zal dan met partijen besproken worden.

Partijen wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de datum van de comparitie per brief de in r.o. 19.4.1. gestelde vragen te beantwoorden.

Het hof zal mogelijk enige weken voorafgaand aan de comparitie een agenda met meer onderwerpen/vragen aan partijen toesturen. Partijen kunnen, eveneens per brief, uiterlijk twee weken voor de datum van de comparitie agendapunten voor de comparitie van partijen aandragen.

19.6.

Ondanks het feit dat partijen in de loop der jaren meerdere pogingen hebben ondernomen tot het treffen van een minnelijke regeling wil het hof, gezien de ouderdom van deze zaak, de leeftijd van [appellant] en de te verwachten duur van de procedure bij voortzetting van de zaak, tijdens de comparitie van partijen nogmaals bespreken of en zo ja, hoe, een regeling in der minne bij de huidige stand van zaken een oplossing kan zijn. Partijen dienen zich hier terdege op voor te bereiden. Eventuele nadere informatie die daarvoor van belang kan zijn dienen partijen uiterlijk twee weken voorafgaand aan de datum van de comparitie aan het hof en aan elkaar te sturen.

20 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen – [appellant] in persoon en [geïntimeerde] deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor de mrs. Smeenk-van der Weijden, Vermeulen en Brandenburg, die daartoe zitting zullen houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder r.o. 19.5. vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 16 april 2019 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 20 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] bij zijn opgave op genoemde roldatum in 3-voud een fotokopie van het procesdossier zal overleggen, geordend en voorzien van uitstekende en genummerde tabbladen;

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt partijen het hof en elkaar per brief te informeren over de in r.o. 19.4.1. en 19.5. gestelde vragen uiterlijk twee weken voorafgaand aan de datum van de comparitie van partijen;

verzoekt partijen eventuele overige informatie uiterlijk twee weken voor de datum van de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan het hof;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, H.A.W. Vermeulen en

J. M. Brandenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 april 2019.

griffier rolraadsheer