Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1209

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
18/00220 en 18/00239
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2376, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:460
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag toeristenbelasting 2015 en voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016. Het Hof beoordeelt op basis van de normale bewijslastverdeling of belanghebbende belastingplichtig is. Naar het oordeel van het Hof is daar sprake van aangezien de betrokkenheid van belanghebbende bij de verhuur van het onderhavige pand voldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat zij gelegenheid heeft geboden tot verblijf in dat pand. Het Hof past met betrekking tot de aanslag toeristenbelasting 2015 omkering en verzwaring van de bewijslast toe wegens het niet doen van de vereiste aangifte. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat deze aanslag tot een te hoog bedrag aan haar is opgelegd. Aangezien deze aanslag voorts op een redelijke schatting is gebaseerd, blijft deze in stand. Met betrekking tot de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 kan de bewijslast niet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte, aangezien belanghebbende voorafgaande aan het opleggen van deze voorlopige aanslag niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Deze belastingaanslag blijft in stand aangezien deze geheel in lijn is met de Verordening toeristenbelasting Halderberge 2015 en Verordening toeristenbelasting Halderberge 2016. Het door belanghebbende ingesteld hoger beroep is ongegrond en het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-06-2019
FutD 2019-1573
V-N Vandaag 2019/1341
NTFR 2019/1817 met annotatie van mr. E.G. Borghols, Van den Bosch & partners
Belastingblad 2019/313 met annotatie van M.Y. Telgt
Viditax (FutD), 20-03-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 18/00220 en 18/00239

Uitspraak op het hoger beroep (met het kenmerk 18/00220) van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het hoger beroep (met het kenmerk 18/00239) van

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 maart 2018, nummers BRE 17/3143 en 17/3144, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te noemen belastingaanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag toeristenbelasting met dagtekening 30 juni 2016 opgelegd naar een bedrag van € 6.237 (hierna: de aanslag toeristenbelasting 2015).

1.2.

Voor het jaar 2016 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag toeristenbelasting met dagtekening 30 juni 2016 opgelegd naar een bedrag van € 5.661 (hierna: de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016).

1.3.

Na tegen de aanslag toeristenbelasting 2015 en de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 gemaakt bezwaar, heeft de Heffingsambtenaar deze aanslagen gehandhaafd bij uitspraken op bezwaar.

1.4.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraken. De griffier van de Rechtbank heeft zowel wat betreft het beroep met het nummer BRE 17/3143 als het beroep met het nummer BRE 17/3144 van belanghebbende een griffierecht geheven ter hoogte van € 333.

1.5.

De Rechtbank het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar wat betreft de aanslag toeristenbelasting 2015 (beroep met het nummer BRE 17/3143) ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar wat betreft de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 (beroep met het nummer BRE 17/3144) gegrond verklaard, laatstgenoemde uitspraak op bezwaar en de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 vernietigd, de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het bezwaar en het geding bij de Rechtbank ter hoogte van € 1.251 en de Heffingsambtenaar gelast aan belanghebbende het door haar wat betreft het beroep met het nummer BRE 17/3144 betaalde griffierecht te vergoeden.

1.6.

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank met betrekking tot de aanslag toeristenbelasting 2015. Aan dit hoger beroepen is het kenmerk 18/00220 toegekend. Wat betreft dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 508. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De Heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank met betrekking tot de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016. Aan dit hoger beroep is het kenmerk 18/00239 toegekend. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Heffingsambtenaar vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgehad op 21 februari 2019 te ’s-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende haar gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de Heffingsambtenaar, [ambtenaar] .

1.10.

De Heffingsambtenaar heeft op deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de vijf bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.11.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

De Rechtbank heeft, voor zover in de onderhavige procedures relevant, de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

“2.1. Belanghebbende exploiteert een champignonkwekerij. De oogstwerkzaamheden worden uitgevoerd door arbeidsmigranten. De arbeidsmigranten zijn in dienst van [uitzendbureau] , een Bulgaars uitzendbureau.

2.2.

Op het bedrijfsterrein heeft belanghebbende geen mogelijkheid tot overnachten. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om het pand, gelegen aan de [adres 1] in [plaats 1] , te huren van [A] . Vervolgens heeft belanghebbende dit pand (onder)verhuurd aan [uitzendbureau] . Via [uitzendbureau] kunnen de arbeidsmigranten tegen vergoeding woonruimte krijgen in het pand.

2.3.

In de huurovereenkomst tussen belanghebbende en [uitzendbureau] zijn de volgende bepalingen - voor zover van belang - opgenomen:

“Artikel 1.2 Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als woonruimte.

Artikel 3.1 De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt € 55 zegge: vijfenvijftig euro per persoon per week.

Artikel 4 Als door of vanwege verhuurder te verzorgen bijkomende leveringen en diensten komen partijen overeen:

- dat alle leveringen en diensten zijn op rekening van de verhuurder.

Artikel 5.1 Totdat verhuurder anders meedeelt, treedt als beheerder op [belanghebbende] B.V. of een door [belanghebbende] B.V. aangewezen partij. (…)”.

2.4.

In november 2015 is bij een controle geconstateerd dat arbeidsmigranten in het pand [adres 1] in [plaats 1] worden gehuisvest. (…) Belanghebbende heeft geen aangifte toeristenbelasting gedaan. De heffingsambtenaar heeft de aanslag toeristenbelasting 2015 en de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 ambtshalve geschat en met dagtekening 30 juli 2016 aan belanghebbende opgelegd.

2.5.

Belanghebbende heeft tegen deze (voorlopige) aanslagen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft de heffingsambtenaar in zijn uitspraken op bezwaar van 31 maart 2017 ongegrond verklaard.”.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof, op grond van de stukken van het geding en het onderzoek op de zitting, de volgende feiten en omstandigheden vast (waarbij het Hof de nummering van de Rechtbank vervolgt):

2.6.

[bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) is de bestuurder van belanghebbende.

2.7.

In de huurovereenkomst, zoals bedoeld in onderdeel 2.3, wordt belanghebbende aangeduid als “verhuurder” en [uitzendbureau] , gevestigd te [plaats 2] (Bulgarije), als “huurder”. In deze huurovereenkomst is voorts de navolgende bepaling opgenomen:

“5.2. Tenzij schriftelijk anders overeengekomen, dient huurder zich voor wat betreft de inhoud en alle verdere aangelegenheden betreffende deze huurovereenkomst met de beheerder te verstaan.”.

2.8.

De Heffingsambtenaar is er bij het vaststellen van de aanslag toeristenbelasting 2015 vanuit gegaan dat niet als ingezetene geregistreerde werknemers, tewerkgesteld bij belanghebbende, gedurende 5.670 nachten (21 slaapplaatsen x 9 maanden x 30 dagen per maand) verblijf hebben gehouden op het adres [adres 1] te [plaats 1] (hierna ook wel: het pand). Het toegepaste tarief per overnachting bedraagt € 1,10.

2.9.

De voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 is gebaseerd op 90% van het over het jaar 2015 in de heffing betrokken aantal overnachtingen. Het toegepaste tarief bedraagt € 1,11 per overnachting.

2.10.

In het kader van naleving van de Algemene Plaatselijke Verordening hebben op 4 augustus 2014 en 6 augustus 2014 controles plaatsgevonden op de locatie [adres 1] .

2.10.1.

In het door [toezichthouder 1] (toezichthouder) opgestelde rapport van de controle op 4 augustus 2014 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“(…) Ik (…) hoorde collega [B] aan dhr. [bestuurder] het advies geven om geen spullen op de overloop te zetten omdat dat uitnodigt tot meer spullen weg zetten, en dit kan leiden tot gevaarlijke situaties op het moment dat er iets gebeurd.

Ik (…) hoorde dhr. [bestuurder] hierop reageren, dat hij niet veel in de woning komt, maar hier rekening mee zal proberen te houden, en het aan zal geven aan de bewoners.

(...)

Ik (…) zag (…) boven de voordeur een nooduitgang verlichting branden.

Ik (…) hoorde dhr. [bestuurder] vertellen dat hij dit had aan laten leggen door [C] mij bekend als elektrisch bedrijf gevestigd in de [adres 2] te [plaats 1] .

Ik (…) hoorde dhr. [bestuurder] vertellen dat hij de noodverlichting eigenlijk zelf had willen aansluiten, hij had advies gehad van [C] , dat deze direct op het net moest worden aangesloten, en niet met een aparte schakelaar. Daarom is er speciaal een bedrijf geweest voor de (…) noodverlichting.

(…)

Ik (…) hoorde dat collega [B] (…) dhr. [bestuurder] adviseerde om de vloer die voor de badkamer lag na te kijken, omdat deze vochtig is had je kans dat deze aan het rotten is.

Ik (…) hoorde dhr. [bestuurder] reageren, dat ga ik opnemen met de eigenaar.

(…)

Ik (…) hoorde dat [B] aan dhr. [bestuurder] het dringende advies gaf om de C.V./Boiler na te laten kijken. De kap die ontbreekt is gevaarlijk voor koolmonoxide vergiftiging en het is al enige tijd geleden dat deze zijn nagekeken.

Ik (…) hoorde dhr. [bestuurder] reageren, dat hij gelijk iemand ervoor ging laten komen, en zelf ging kijken om de kap terug te monteren.

Ik (…) hoorde dhr. [bestuurder] vragen of het een idee is om bij deze ruimte op het plafon een speciale melder te hangen voor koolmonoxide.

Ik (…) hoorde collega [B] reageren dat het een heel goed idee is, alleen moeten deze melders wel tegen de muur aan hangen.

(…)

Ik (…) hoorde dat dhr. [bestuurder] vroeg of er boven de deur vanuit de gezamenlijke ruimte naar buiten ook een noodverlichting moet hangen.

Ik (…) hoorde dat collega [B] adviseerde om de deur die vanuit de gezamenlijke ruimte naar buiten ook aan te passen dat men te allen tijde naar buiten toe kan in geval van nood. (…)”.

2.10.2.

In het door [toezichthouder 2] (toezichthouder) opgestelde rapport van de controle op 6 augustus 2014 is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) Ik (…) hoorde meneer [B] tegen meneer [bestuurder] zeggen dat de brandblusser niet op de grond mocht staan en dus opgehangen moest worden.

Ik (…) hoorde meneer [bestuurder] zeggen dat hij dit al van plan was.

Ik (…) hoorde meneer [B] zeggen dat de rookmelder niet de juiste is.

Ik (…) hoorde meneer [bestuurder] zeggen dat hij alle informatie zal doorgeven aan de bewoners.

(…)

Ik (…) hoorde meneer [B] vertellen dat er in de keuken een brandblusser moet komen te hangen.

Ik (…) hoorde meneer [bestuurder] zeggen dat hij al wel een blusdeken had opgehangen.

(…)

Ik (…) hoorde meneer [B] zeggen dat er hier [toevoeging Hof; in de keuken] ook een rookmelder moet komen.

Ik (…) hoorde meneer [bestuurder] zeggen dat hij deze expres niet heeft opgehangen omdat hij dacht dat deze af zou gaan bij het koken.

Ik (…) hoorde meneer [B] zeggen dat hier speciale rookmelders voor zijn.

Ik (…) hoorde meneer [bestuurder] zeggen dat hij er een aan gaat schaffen.

(…)

Ik (…) hoorde meneer [B] zeggen dat er (…) noodverlichting boven de deur moet hangen, de deur niet mag klemmen en de deur niet op slot mag kunnen.

Ik (…) hoorde meneer [bestuurder] zeggen dat hij hier voor ging zorgen. (…)”.

2.11.

De Heffingsambtenaar heeft afschriften overgelegd van e-mailberichten gericht aan een medewerker van [D] B.V., passages van de als bijlage bij deze e-mailberichten gevoegde Excel-bestanden waarop de naam en het adres van belanghebbende staan vermeld, orderinstructies van [D] B.V. en orderformulieren van Post NL.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag toeristenbelasting 2015 en de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Partijen hebben hun standpunten ter zitting nader toegelicht.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze uitspraak ziet op de aanslag toeristenbelasting 2015, gegrondverklaring van het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar wat betreft die aanslag en vernietiging van voornoemde uitspraak op bezwaar en aanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze uitspraak ziet op de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 en ongegrondverklaring van het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar wat betreft deze voorlopige aanslag.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende – na hiertoe op correcte wijze uitgenodigd en aangemaand te zijn – verzuimd heeft om ter zake van het jaar 2015 aangifte toeristenbelasting te doen. Vanwege het niet doen van de vereiste aangifte heeft de Rechtbank de bewijslast – ook wat betreft de vraag of belanghebbende belastingplichtig is voor de toeristenbelasting – omgekeerd en verzwaard. Voor het jaar 2016 ziet de Rechtbank geen aanleiding om de bewijslast om te keren en te verzwaren, aangezien belanghebbende voorafgaande aan het opleggen van de voorlopige aanslag niet uitgenodigd was tot het doen van aangifte.

4.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank ten onrechte overwogen dat de omkering en verzwaring van de bewijslast ook ziet op de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de toeristenbelasting. Ook bij toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast dient de Heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof immers eerst aannemelijk te maken dat een belanghebbende belastingplichtig is voor de toeristenbelasting.

4.3.

In artikel 224, lid 1, van de Gemeentewet is opgenomen dat toeristenbelasting kan worden geheven ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. Lid 2 van voornoemd artikel biedt, impliciet, de ruimte om deze belasting te heffen van degene die gelegenheid biedt tot verblijf, aangezien in dat lid is opgenomen dat indien ervoor gekozen is om de belasting te heffen van degene die gelegenheid biedt tot verblijf, laatstgenoemde bevoegd is de belasting te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

4.4.

Zowel de Verordening toeristenbelasting Halderberge 2015 als de Verordening toeristenbelasting Halderberge 2016 (hierna: de verordeningen) is in lijn met voornoemde bepaling uit de Gemeentewet. In artikel 1 van de verordeningen is immers opgenomen dat het belastbare feit voor de toeristenbelasting wordt gevormd door het, tegen vergoeding, houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente. Met betrekking tot dit belastbare feit wordt in artikel 2 van de verordeningen als belastingplichtige aangewezen degene die gelegenheid biedt tot verblijf in voornoemde zin.

4.5.

In de onderhavige procedure is niet in geschil dat op de [adres 1] , tegen betaling, gelegenheid is geboden tot verblijf door personen die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. Niet in geschil is dan ook dat zich een belastbaar feit heeft voorgedaan. Uitsluitend is in geschil of belanghebbende degene is die gelegenheid heeft geboden tot verblijf en dus terecht als belastingplichtige is aangemerkt.

4.6.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende voor beide jaren terecht aangemerkt als belastingplichtige voor de toeristenbelasting, aangezien haar betrokkenheid bij de verhuur van [adres 1] voldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat zij gelegenheid heeft geboden tot verblijf in dit pand.

4.7.

Het Hof is tot dit oordeel gekomen op basis van de rapporten als bedoeld onder 2.10.1 en 2.10.2, de – onbestreden – stelling van de Heffingsambtenaar dat de eigenaar van het pand telefonisch heeft verklaard dat belanghebbende het pand beheert en de omstandigheid dat bij belanghebbende werkzame arbeidsmigranten – gedurende de periode dat zij werkzaamheden voor belanghebbende verrichten – gehuisvest zijn in het pand. Voornoemde feiten en omstandigheden duiden erop dat de betrokkenheid van belanghebbende bij de verhuur van het pand niet beperkt is tot het op papier fungeren als tussenpersoon. Belanghebbende, in de persoon van [bestuurder] , heeft een actieve rol gespeeld bij het onderhouden van het pand en heeft diverse maatregelen genomen om de (brand)veiligheid van dit pand zeker te stellen. De feitelijke gang van zaken is dan ook in lijn met het bepaalde in artikel 4 van de tussen belanghebbende en [uitzendbureau] gesloten huurovereenkomst, waarin is opgenomen dat alle bijkomende leveringen en diensten voor rekening van belanghebbende komen. De betrokkenheid van belanghebbende bij de verhuur van het pand is, naar het oordeel van het Hof, voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat belanghebbende in de onderhavige jaren gelegenheid tot verblijf heeft geboden in de zin van de onderhavige verordeningen.

4.8.

Aan voornoemd oordeel doet niet af dat de door belanghebbende in het kader van de verhuur verrichte werkzaamheden onvergelijkbaar zijn met de bijkomende leveringen en diensten die pensions en hotels plegen te verrichten. Naar het oordeel van het Hof kan immers ook zonder dat dergelijke werkzaamheden worden verricht, sprake zijn van het gelegenheid bieden tot overnachten tegen vergoeding in voornoemde zin.

4.9.

Het Hof zal hierna ingaan op de vraag of de onderhavige belastingaanslagen tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd.

Aanslag toeristenbelasting 2015

4.10.

Het Hof stelt voorop dat in gevallen waarin een belastingplichtige geen aangifte heeft gedaan de bewijslast uitsluitend omgekeerd en verzwaard kan worden wegens het niet doen van de vereiste aangifte indien een belastingplichtige op de juiste wijze is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van voornoemde aangifte.

4.11.

De Heffingsambtenaar heeft, naar het oordeel van het Hof, door overlegging van de stukken zoals omschreven onder 2.11 aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot het jaar 2015 zowel een uitnodiging als aanmaning tot het doen van aangifte toeristenbelasting naar het adres van belanghebbende is verzonden. Dat rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van voornoemde stukken. Belanghebbende heeft niets aangevoerd dat tot ontzenuwing van dit bewijsvermoeden zou kunnen leiden. Aangezien belanghebbende wat betreft het jaar 2015 geen aangifte toeristenbelasting heeft gedaan, dient de bewijslast omgekeerd en verzwaard te worden wegens het niet doen van de vereiste aangifte.

4.12.

Belanghebbende dient derhalve aan te tonen dat de aanslag toeristenbelasting 2015 tot een te hoog bedrag aan haar is opgelegd. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende dit bewijs niet geleverd heeft. De blote stelling dat de Heffingsambtenaar ten onrechte is uitgegaan van 21 slaapplaatsen die gedurende negen maanden bezet zijn, is hiertoe onvoldoende.

4.13.

Het vorenstaande neemt niet weg dat de aanslag moet zijn gebaseerd op een redelijke schatting. Daarvan is, naar het oordeel van het Hof, in dit geval sprake. Het Hof slaat hierbij, onder meer, acht op de aard van het door belanghebbende gevoerde bedrijf en de grootte en indeling van het pand.

4.14.

Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de Rechtbank het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar wat betreft de aanslag toeristenbelasting 2015 terecht ongegrond heeft verklaard. Het Hof verklaart het door belanghebbende ingestelde hoger beroep dat zich richt tegen deze beslissing van de Rechtbank ongegrond.

Voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016

4.15.

Met betrekking tot het jaar 2016 overweegt het Hof dat de Rechtbank terecht heeft overwogen dat er geen ruimte is voor toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte, aangezien belanghebbende voorafgaande aan het opleggen van de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte.

4.16.

Artikel 9 van de Verordening toeristenbelasting Halderberge 2015 en Verordening toeristenbelasting Halderberge 2016 luidt als volgt:

Artikel 9 Voorlopige aanslag

Na aanvang van het belastingjaar kan aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld.”.

Zoals onder 2.9 vermeld is de voorlopige aanslag gebaseerd op 90 % van het over het jaar 2015 in de heffing betrokken aantal overnachtingen tegen het tarief van € 1,11 per overnachting. De voorlopige aanslag is geheel in overeenstemming met artikel 9 van de verordeningen vastgesteld. Zoals onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende terecht als belastingplichtige aangemerkt.

4.17.

Gelet op de overwegingen die hiervoor vermeld staan, slaagt het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep dat zich richt tegen de vernietiging van de voorlopige aanslag toeristenbelasting 2016 door de Rechtbank.

Slotsom

4.18.

De slotsom is dat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep (met het kenmerk 18/00220) ongegrond en het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep (met het kenmerk 18/00239) gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal de tegen de uitspraken van de Heffingsambtenaar ingestelde beroepen ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het griffierecht

4.19.

Gelet op de omstandigheid dat slechts het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen redenen aanwezig om te gelasten dat de Heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening dient te nemen. Daarnaast is, gelet op voornoemde omstandigheid, geen plaats voor het heffen van griffierecht van de Heffingsambtenaar voor het door hem ingestelde hoger beroep.

Ten aanzien van de proceskosten

4.20.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het door belanghebbende ingestelde hoger beroep met het kenmerk 18/00220 ongegrond;

  • -

    verklaart het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep met het kenmerk 18/00239 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en

  • -

    verklaart de tegen de uitspraken van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus gedaan op 29 maart 2019 door M. Harthoorn, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.