Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1189

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
200.198.325_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:392
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4890
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5912
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf en zorgregeling: hof neemt vooral op grond van belang van minderjarigen de bestaande situatie tot uitgangspunt. Vanuit dit evenwicht dienen ouders aan normalisatie van hun betrekkingen te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 28 maart 2019

Zaaknummer: 200.198.325/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/303572 FA RK 15-5424

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren,

tegen

[verweerder] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens.

betreffende de minderjarigen:

[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna ook te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Midden- en West-Brabant, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

13 De beschikkingen d.d. 16 november 2017 en 23 november 2017

Bij beschikking van 16 november 2017 heeft het hof, voor zover thans van belang:

- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering voor de duur van een jaar, dus tot 18 november 2018, met inachtneming van het overwogene onder 7.9.3., tweede alinea, van die beschikking (het hof verzoekt de GI hierin - kort gezegd - gebruik te maken van de ‘schotten-methode’ en aan dit gezin een ervaren gezinsvoogd toe te wijzen);

- bepaald dat:

- tot de aanvang van de werkzaamheden van de gezinsvoogd, een voorlopige contactregeling geldt die inhoudt dat [minderjarige 1] bij de moeder verblijft en geen contact heeft met de vader en dat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] bij de vader verblijven en dat tussen deze kinderen en de moeder een contactregeling geldt zoals is bepaald in de bestreden beschikking;

- vanaf de aanvang van de werkzaamheden van de gezinsvoogd, op geleide van de gezinsvoogd, invulling wordt gegeven aan de contacten tussen de ouders en de kinderen, waaronder het contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] . De ouders hebben zich hierbij te voegen naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd.

- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de raad verzocht om het hof te informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de (tot dan toe behaalde) resultaten van de systeemtherapie;

- iedere verdere beslissing op de voorliggende verzoeken in hoger beroep met betrekking tot het hoofdverblijf en de contactregeling aangehouden.

Daarnaast is iedere verdere beslissing omtrent het salaris en de onkosten van de deskundige alsmede de proceskostenveroordeling aangehouden. Bij beschikking van 23 november 2017 is hierop beslist.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. zittingsplaats Middelburg, van 13 november 2018 is de ondertoezichtstelling van de [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 16 november 2019.

14 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

14.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-de moeder, bijgestaan door mr. Hendrikx-Heeren;

- de vader, bijgestaan door mr. C.F.A. Cadot, waarnemend voor mr. Mattheussens;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

-de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

14.2.

Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wederom in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt. [minderjarige 1] is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

[minderjarige 2] heeft het hof een brief gestuurd, die ter griffie is ingekomen op 9 januari 2019. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

14.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V-formulier van de advocaat van de vrouw van 24 mei 2018, met bijlage;

- de brief van de GI van 14 juni 2018, met bijlage;

- de brief van de advocaat van de vader d.d. 18 juni 2018;

- het brief-rapport van de raad van 31 oktober 2018;

- de brief van de advocaat van de vader van 16 januari 2019, met bijlagen;

- de brief van drs. A. Soetendaal van 25 januari 2019;

- de brief van de advocaat van de vader van 29 januari 2019;

- het V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 31 januari 2019;

- het V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 7 februari 2019, met bijlage;

- de brieven van de advocaat van de vader van 14 februari 2019, met bijlagen.

15 De verdere beoordeling

15.1.

Aan de orde is nog het verzoek van de moeder om de bestreden beschikking van 8 juli 2016 te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog te bepalen dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijf bij de moeder zullen hebben en een zorg- en contactregeling met de vader zullen hebben van vrijdagavond tot zondagavond, dan wel een co-ouderschapsregeling tussen de ouder en de kinderen te bepalen (‘week op/week af’-regeling) met een wisselmoment op de maandag na school.

15.2.

De moeder heeft het hof op 24 mei 2018, onder verwijzing naar een beschikking van de rechtbank van 24 mei 2018, bericht dat de behandelend rechter zich ernstig zorgen maakt over de ontstane situatie en stelt dat het er alle schijn van heeft dat de doelen die het hof samen met partijen heeft gesteld niet gehaald zijn en ook niet binnen afzienbare tijd zullen worden gehaald, dat de systeemtherapie is niet van de grond gekomen, dat er geen onbelast contact plaatsvindt tussen de vader en de moeder en de kinderen, dat het loyaliteitsconflict alleen maar groter lijkt geworden en dat de relatie tussen de vader en de moeder verre van verbeterd is. De moeder meent dat de situatie sinds de bemoeienis van de GI is verslechterd.

15.3.

Op 15 juni 2018 heeft de GI het hof, kort gezegd, bericht dat de kinderen zich reeds jaren in een loyaliteitsconflict bevinden door aanhoudende strijd tussen de ouders. Ondanks pogingen tot hulpverlening is het de ouders niet gelukt om dit patroon van relationele spanningen te doorbreken. De inzet van de schottenmethode heeft slechts geleid tot een verschuiving van de problematiek. De GI is voornemens om MST-CAN als laatste middel in te zetten en de omgang in het belang van de kinderen niet opnieuw op te starten, hoewel de systeembehandeling aanleiding kan geven om herstart van de omgang te overwegen. Wanneer MST niet van de grond komt zou een uithuisplaatsing van de kinderen aangewezen kunnen zijn.

15.4.

Op 18 juni 2018 heeft de man laten weten dat hij het door de moeder geschetste beeld van de GI niet herkent. De GI heeft een aantal beslissingen genomen om knelpunten op te lossen en is nu bezig aan te geven wat er moet gebeuren om de situatie van de kinderen structureel te verbeteren.

15.5.

Op 2 november 2018 heeft de raad het hof geïnformeerd over het verloop van de ondertoezichtstelling en het niet doorgaan van systeemtherapie.

15.6.

Bij brief van 16 januari heeft de vader het hof bericht dat hij geen contact heeft met [minderjarige 1] en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen contact hebben met de moeder. De gezinsvoogden zijn op verzoek van de zaak gehaald en de GI heeft om een uithuisplaatsing van de kinderen gevraagd, welk verzoek bij beschikking van de rechtbank van 13 november 2018 is afgewezen. In november 2018 is er een nieuwe gezinsvoogd aangesteld met nauwelijks ervaring. Sinds december zijn partijen met de GI bezig om contactherstel tussen de vader en de moeder en de kinderen te bewerkstelligen, vooralsnog zonder resultaat. De doelstellingen zijn niet behaald en het opvolgen van het advies van deskundige Drs. A. Soetendaal is nog urgenter geworden. De vader wil een beslissing over het hoofdverblijf en een -begeleide- contactregeling na de zitting.

15.7.

De moeder heeft in haar brief van 7 februari 2019, kort gezegd, het volgende naar voren gebracht. De begeleiding van de GI heeft, onder andere door gebrek aan voldoende gekwalificeerde mensen voor een complexe casus als de onderhavige, te wensen overgelaten. Er is geen uitvoering gegeven aan de doelstellingen van het hof. Inmiddels lijkt er, naar aanleiding van de beschikking van 13 november 2018 inzake afwijzing uithuisplaatsing en verlenging van de ondertoezichtstelling, een draai te zijn gemaakt door de GI voor wat betreft het herstel van de omgang. Echter, dat dit contact begeleid zou moeten zijn is de mening van de vader. Die houdt onbelast contact tussen de moeder en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tegen. De moeder wil graag toewerken naar een co-ouderschapregeling met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] dient via mevrouw [naam] plaats te vinden. Volgens de moeder is parallel ouderschap nodig om de situatie te doorbreken. Ook daarbij zou mevrouw [naam] kunnen helpen.

15.8.

In de brief van 14 februari 2018 benadrukt de vader, onder verwijzing naar het verloop tot dan toe, nogmaals dat het advies van de deskundige om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen dient te worden gevolgd.

De kinderen mogen niet worden belast met het contact. Contact tussen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en de moeder dient begeleid plaats te vinden en moet in het geval van [minderjarige 3] beperkt worden tot een dag per maand. De instantie die de begeleide omgang gaat vormgeven dient eerst in contact te treden met [instelling 2] en de adviezen van [instelling 2] op te volgen. Ook [minderjarige 1] dient begeleid te worden door [instelling 2] en niet door mevrouw [naam] , omdat die niet deskundig en niet onafhankelijk is.

15.9.

Ter zitting is besproken dat de hulpverlening van de GI, deels door een gebrek aan mensen bij de GI en deels vanwege de zeer complexe problematiek binnen het gezin, niet voldoende van de grond is gekomen. Het is niet gelukt om een begin te maken met het herstel van de relatie tussen partijen op ouderniveau, de beoogde inzet van de schotten-methode heeft niet geleid tot het gewenste resultaat en contactherstel tussen de ouders en de kinderen is er vooralsnog niet. De aanmelding voor systeemtherapie is geweigerd door de [instelling 1] .

Sinds enkele maanden is er een nieuwe gezinsvoogd die wil inzetten op contactherstel tussen de ouders en de kinderen bij [instelling 3] . Het gezin is hier inmiddels voor aangemeld. Beide ouders ondersteunen die aanmelding in beginsel, maar de vader maakt zich zorgen over de belasting van [minderjarige 2] . Verder is [instelling 2] ook bereid gevonden om te ondersteunen. De GI vindt mevrouw [naam] hiervoor niet onafhankelijk genoeg.

15.10.

Verder is ter zitting de vraag aan bod gekomen wat de huidige situatie betekent voor de voorliggende verzoeken in hoger beroep.

De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat nog niet op de verzoeken kan worden beslist, nu de GI opnieuw hulp gaat inzetten om tot contactherstel te komen en gelet op de verstoorde machtsbalans tussen de ouders. De moeder wil dat de zaak wordt aangehouden.

De vader handhaaft zijn verzoek om een beslissing op de verzoeken, zodat er duidelijkheid ontstaat en er vanuit dat uitgangspunt met de hulpverlening kan worden gewerkt aan contactherstel. De vader verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het rapport van de deskundige en de feitelijke situatie op dit moment.

Ook de GI heeft zich op het standpunt gesteld dat er eerst duidelijkheid moet komen door middel van beslissingen en dat er daarna pas stappen kunnen worden gemaakt. Het is de taak van de GI om de ouders daarin te begeleiden.

De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat de opnieuw ingezette hulpverlening door de GI moet worden afgewacht, voordat er beslissingen kunnen worden genomen.

15.11.

Het hof komt tot het volgende oordeel. De relatie tussen de ouders is, ondanks pogingen tot hulpverlening, nog steeds ernstig verstoord. Ouders zitten vast in een pathologisch patroon van vingerwijzen naar elkaar en elkaar diskwalificeren. De kinderen worden hierdoor ernstig beschadigd en het inzicht van partijen hierin is onvoldoende. De door het hof beoogde inzet van de schottenaanpak is door omstandigheden niet echt goed van de grond gekomen.

15.11.1.

De feitelijke situatie is inmiddels al jaren zo dat [minderjarige 1] bij de moeder woont en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader wonen. Die situatie zal het hof, anders dan geadviseerd door de deskundige, bekrachtigen. Uit het gesprek met [minderjarige 1] is gebleken dat het goed met haar gaat. Het gaat goed op school, zij heeft leuke vriendinnen, ze haalt veel plezier uit het paardrijden en ze heeft het naar haar zin bij de moeder. Niet is gebleken dat het bepalen van haar hoofdverblijf bij de moeder in strijd is met haar belangen, terwijl een wisseling van haar verblijf terug naar vader onder de gegeven omstandigheden voor [minderjarige 1] een terugslag zal opleveren in een zekere mate van evenwicht in haar leven.

Bij beschikking van 15 juni 2015 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van alle drie de kinderen bij de vader bepaald. Bij de bestreden beschikking van 8 juli 2016 heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder te bepalen afgewezen. Het hof zal genoemde beschikking in zoverre vernietigen en het verzoek van de moeder in hoger beroep alsnog toewijzen.

15.11.2.

De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader dient te worden gehandhaafd. Dit wordt ondersteund door het deskundigenonderzoek en de vader kan hen de nodige structuur bieden. Bovendien geldt voor alle drie de kinderen dat de onzekerheid die er nu is niet langer in hun belang is. Ook speelt een rol dat door het handhaven van de huidige situatie een bepaald machtsevenwicht tussen de ouders in stand wordt gehouden. Als dat wordt doorbroken wordt de positie van tenminste één ouder op het spel gezet in die zin dat er een gerede kans ontstaat dat die ouder volledig vervreemd zal raken van alle kinderen, hetgeen het hof niet in het belang van de kinderen en niet in het belang van de ouders acht. De GI heeft ter zitting duidelijk gemaakt dat zij wil werken aan contactherstel tussen kind(eren) en ouders, en dat duidelijkheid over het hoofdverblijf daarvoor noodzakelijk is. In die visie past niet dat het hof het hoofdverblijf van alle kinderen bij één van deze ouders zou bepalen.

15.11.3.

[minderjarige 1] heeft aangegeven [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heel graag weer te willen zien. Voor de vader is bij haar echter nauwelijks plaats en haar beeld daarover is uitgesproken en zorgwekkend. Dit geldt ook voor de andere kinderen, maar dan ten aanzien van de moeder. De ouders hebben de kinderen in deze positie gebracht en het hof gaat ervan uit dat zij er samen met de GI alles aan zullen gaan doen om de kinderen uit deze situatie te halen. Het advies van de raad om de beslissingen aan te houden zal worden gepasseerd gelet op het voorgaande. De contactregeling moet nog op gang komen. Het hof zal bepalen dat de regie hiervan tijdens de ondertoezichtstelling volledig bij de GI zal liggen. De ouders dienen zich daarbij te realiseren dat, wanneer zij zich aan die regie niet conformeren, dat ingrijpende gevolgen zal kunnen hebben voor hun ouderschap. Ook wat betreft de zorgregeling zal de bestreden beschikking worden vernietigd.

Het hof ziet geen aanleiding een kostenveroordeling uit te spreken.

12 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2016 voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] is afgewezen en tevens voor zover daarbij een beslissing is gegeven omtrent de verdeling van zorg- en opvoedingstaken;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 15 juni 2015, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder;

bepaalt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat, zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling van de kinderen, de omvang en frequentie van contacten tussen de kinderen en hun niet verzorgende ouder door de GI wordt bepaald en dat de GI de volledige regie daarover heeft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, L.Th.L.G. Pellis en H. van Winkel en is in het openbaar door mr. H. van Winkel uitgesproken op 28 maart 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.