Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1183

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
200.247.082_01 en 200.247.098_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht; echtscheiding; huurrecht; huwelijksvermogensrecht; afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/144 met annotatie van Reinhartz, B.E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.247.082/01 en 200.247.098/01

zaaknummer rechtbank : C/02/335398 FA RK 17-4993

beschikking van de meervoudige kamer van 28 maart 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.R. Klaver te Bergen op Zoom,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T. Ertekin te Den Haag, voorheen mr. P.P.M. Hendrix-Heeren te Breda.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 2 oktober 2018 in hoger beroep gekomen.

2.2.

De vrouw heeft op 29 oktober 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2019 plaatsgevonden. De man is verschenen, bijgestaan door mr. Klaver en tolk, mevrouw L Makaddam (nr. 3761). Ook is verschenen mr. S. Salhi, waarnemend voor mr. T. Ertekin. De vrouw is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

i. partijen zijn op 11 april 2016 gehuwd op huwelijkse voorwaarden;

ii. deze huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

1 BEGRIPSBEPALING

(…) —

b. Kosten van de huishouding

Onder de kosten van de huishouding worden in ieder gevat begrepen:

- de uitgaven voor voeding en kleding;

- de uitgaven voor ontwikkeling en ontspanning;

- de kosten van medische verzorging;

- de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen;

- de belastingen die drukken op inkomsten uit werk en woning en de belastingen die drukken op inkomen uit aanmerkelijk belang, met uitzondering van de belastingen over de winst en de voordelen als bedoeld in artikel 8 lid 5 van deze huwelijkse voorwaarden;

- de premies en kosten van verzekeringen die betrekking hebben op aan partijen tezamen toebehorende goederen; de kosten van gezamenlijke vakanties;

- de huurprijs van de gemeenschappelijk bewoonde woning;

- de rente en kosten van geldleningen die zijn aangegaan in verband met de aanschaf of het onderhoud van de gemeenschappelijk bewoonde woning;

- de kosten van aanschaf en de rente, kosten en aflossingen van geldleningen die zijn aangegaan in verband met de aanschaf of het onderhoud van andere goederen indien die door partijen tezamen zijn verkregen;

- de kosten van dagelijks onderhoud van de hiervoor bedoelde woning en goederen.

De pensioenpremies die ten laste komen van ieder van de echtgenoten, behoren tot de kosten van de huishouding, tenzij partijen onderling uitdrukkelijk anders overeenkomen.

Onder de kosten van de huishouding wordt niet begrepen hetgeen op grond van overlijdensrisicoverzekeringen verschuldigd is.

2. DRAAGPLICHT VAN DE KOSTEN VAN DE HUISHOUDING

1. De kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding moeten door beide echtgenoten worden betaald naar evenredigheid van hun inkomen. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de inkomsten uit vermogen, naar evenredigheid van die inkomsten. Voor zover ook die inkomsten ontoereikend zijn komen die kosten ten laste van de vermogens, naar evenredigheid van die vermogens.

Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Wanneer een van partijen meer heeft betaald dan waartoe deze volgens het in het vorige lid bepaalde verplicht was, ontstaat een recht om het te veel betaalde terug te vorderen. Dit vorderingsrecht vervalt één jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de verrekening betrekking heeft.

Schriftelijke schuldigerkenning aan de wederpartij wordt als verrekening aangemerkt.

3. GEEN HUWELIJKSGEMEENSCHAP

De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

4. FINALE VERREKENING BIJ EINDE HUWELIJK

1. Als het huwelijk eindigt door overlijden of door echtscheiding of in geval van scheiding van tafel en bed wordt verrekend alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan.

2. De verrekening heeft plaats naar de toestand per de dag van het eindigen van het huwelijk of naar de toestand van scheiding van tafel en bed.

De beschrijving van de vermogens zal plaatshebben binnen zes maanden na gemeld tijdstip.

3. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden. Aanspraken op al of niet ingegaan pensioen worden niet in deze verrekening betrokken.

De vaststelling van de beide vermogens en de bepaling van de waarde daarvan zullen plaatsvinden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen als door de aard van de goederen wordt vereist, dit ter beoordeling van de bevoegde kantonrechter.

Het onderling overleg wordt als gestaakt beschouwd als niet binnen twee maanden na dagtekening van een aangetekende brief waarbij door een partij aan de andere partij om mededeling van hun inzichten is verzocht, overeenstemming is bereikt over de waarde.

(…)”

iii. de vrouw heeft de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit en de man heeft alleen de Marokkaanse nationaliteit;

iv. de vrouw heeft op 13 september 2017 een verzoek tot echtscheiding ingediend.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

- tussen partijen de echtscheiding uitgesproken;

- bepaald dat de vrouw vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de (het hof begrijpt: huurder) zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] (hierna ook: de woning);

- het verzoek van de man tot vaststelling van de wijze van verdeling afgewezen en

- de proceskosten gecompenseerd.

4.2.

De grieven van de man zien op:

- de echtscheiding;

- het huurrecht van de woning;

- de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling.

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de daarbij uitgesproken echtscheiding en het aan de vrouw toegewezen huurrecht, en te bepalen dat het huurrecht aan hem wordt toegewezen en dat een wijze van verdeling wordt vastgesteld als geformuleerd in het beroepschrift. Ter zitting van het hof heeft de man zijn verzoek ter zake van de wijze van verdeling en de verrekening verminderd als hierna, in rov. 5.14., vermeld.

4.3.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

De echtscheiding (grief 1)

Bevoegdheid

5.1.

Nu ten tijde van de indiening van het (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe op grond van art. 3 lid 1 sub a, eerste liggende streepje, van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (“Brussel II-bis”).

Toepasselijk recht

5.2.

De rechtbank heeft op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684) ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

5.3.

De eerste grief van de man keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk is komen vast te staan. De man kan zich principieel niet verenigen met de echtscheiding. Volgens hem behoort een verzoening en herstel van de huwelijksband tot de mogelijkheden. Hij wil dat het huwelijk in stand blijft.

5.4.

De vrouw voert daartegen het volgende aan.

Het huwelijk van partijen is duurzaam ontwricht. Mogelijkheden tot een verzoening zijn er niet. Evenmin is er uitzicht op herstel van de echtelijke verhoudingen. Voortzetting van de samenleving is ondraaglijk. De man belemmert haar het leven voort te zetten. De gehele procedure levert haar veel stress op, hetgeen haar gezondheid niet ten goede komt. De man denkt uitsluitend aan zijn verblijfsrechten en hoopt deze alsnog te kunnen verkrijgen. De man is met valse intenties het huwelijk ingegaan. Hoewel hij voorafgaand aan het huwelijk op de hoogte was van haar beperkingen, heeft hij hier nimmer rekening mee gehouden. De man heeft op allerlei mogelijke manieren geprobeerd een verblijfsvergunning te krijgen. Zo drong hij aan op een kind. Haar gezondheid liet dit niet toe en zijn frustraties hierover reageerde hij op haar af.

5.5.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge art. 1:151 BW is voor een echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten vereist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Blijkens de wetsgeschiedenis is een huwelijk duurzaam ontwricht indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden of, anders gezegd, indien de samenleving krachteloos is gemaakt. Het element duurzaamheid moet aldus worden verstaan dat er geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins behoorlijke echtelijke verhoudingen. Indien een echtgenoot stelt, en daarbij volhardt, dat hij niet meer met zijn echtgenoot kan samenleven, zal dit door de rechter moeten worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting bestaat en vormt dit volgens de vaste rechtspraak vrijwel altijd een beslissende aanwijzing dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het gedurende langere tijd niet meer samenwonen vormt eveneens een ernstige aanwijzing voor duurzame ontwrichting.

5.6.

Nu de vrouw ook in appel volhardt in haar stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat een verzoening tussen partijen is uitgesloten, moet de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen als vaststaand worden aangenomen.

Hiermee is aan de grond voor echtscheiding voldaan. Grief 1 van de man slaagt niet.

Het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] (grief 2)

Bevoegdheid

5.7.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen, komt hem op grond van art. 4 lid 3 aanhef en sub a Rv (in verband met art. 827 lid 1 sub e Rv en art. 7:266 lid 5 BW) eveneens rechtsmacht toe ter zake van het huurrecht van de – in Nederland gelegen – echtelijke woning.

Toepasselijk recht

5.8.

De rechtbank heeft op het verzoek met betrekking tot het huurecht van de woning Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

5.9.

Ten betoge dat het huurrecht van de woning aan hem moet worden toegewezen, voert de man het volgende aan.

Het is hem niet gelukt zelf woonruimte te vinden. Hij verblijft nu soms bij vrienden, soms bij familie, in Nederland maar ook in België. Hij heeft werk als schoonmaker bij [bedrijf] .

Omdat het voor de vrouw wel mogelijk is om vervangende woonruimte te vinden, moet zijn belang om in de echtelijke woning te kunnen wonen zwaarder wegen dan het door de vrouw gestelde belang.

5.10.

De vrouw voert daartegen het volgende aan.

Omdat zij multiple sclerose heeft, heeft zij belang bij toewijzing van het huurrecht van de woning, waarin zij al sinds 2011 woont, aan haar. De woning is aangepast aan haar behoeften en beperkingen (zij maakt gebruik van een rolstoel en een rollator). Zo is de woning gelijkvloers, is de badkamer aangepast en heeft de woning elektrische deuren. Ook heeft zij een eigen parkeerplaats voor de deur.

De man heeft voldoende mogelijkheden om andere woonruimte te krijgen. Hij heeft vrienden en familie bij wie hij kan verblijven.

De man heeft geen verblijfsrechten in Nederland en kan daarom niet werken om de lasten van de woning te voldoen. Hij komt ook niet in aanmerking voor een uitkering.

5.11.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor aan wie van partijen het huurrecht van de woning dient te worden toegewezen. Daarbij dienen de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woning tegen elkaar te worden afgewogen. Het hof overweegt daarover als volgt.

Niet door de man is weersproken dat de woning (waarin de vrouw thans woont) volledig aan de behoeften en beperkingen van de vrouw is aangepast, zodat daarvan kan worden uitgegaan. De man heeft vrienden en familie, zowel in Nederland als in België, waar hij afwisselend kan verblijven. Op die manier beschikt de man dus over woonruimte. Voorts woont de vrouw al sedert 2011 in de woning. De man heeft verder onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij de huur niet kan betalen. Weliswaar stelt de man dat hij als schoonmaker voor [bedrijf] werkt, maar hij heeft deze stelling niet onderbouwd (daarnaar gevraagd ter zitting heeft de advocaat van de man ook bevestigd dat een onderbouwing ontbreekt) noch heeft hij enig inzicht gegeven in de omvang en duur van zijn dienstverband bij [bedrijf] . Ten slotte komt daar nog bij de verklaring van de man ter zitting dat hij geen toekomst heeft in Nederland en Nederland dient te verlaten. De tweede grief faalt eveneens.

De verdeling en de verrekening (grief 3)

Bevoegdheid

5.12.

Rechtsmacht in de echtscheidingszaak brengt rechtsmacht met betrekking tot de verzoeken ter zake van de verdeling, verrekening en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden mee (art. 4 lid 3 Rv). De Nederlandse rechter is derhalve bevoegd van deze verzoeken kennis te nemen.

Toepasselijk recht

5.13.

De rechtbank heeft op de verdeling en de verrekening Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684) ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

5.14.

De rechtbank heeft als volgt overwogen:

“Onduidelijk is gebleven hoe de door de man genoemde te vergoeden kosten vallen onder het finale verrekenbeding zoals onder artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden is opgenomen. Immers, bij een finaal verrekenbeding dient een overzicht verstrekt te worden van alle verschillende vermogensbestanddelen, waarbij (onderbouwd) is aangegeven welke waarde aan elk van die bestanddelen wordt toegekend en op grond waarvan die waarden verrekend moeten worden. Voor zover de man een onderbouwd beroep had willen doen op artikel 4, geldt dat dit overzicht in ieder geval niet is verstrekt, zodat de rechtbank niet in staat is gesteld een finaal verrekenvorderingsrecht vast te stellen. Nu de man desgevraagd tevens heeft nagelaten aan te geven op welke grondslag voornoemde bedragen dan door de vrouw vergoed zouden moeten worden, ligt het gehele verzoek van de man voor afwijzing gereed.

Het voorgaande daargelaten staat tussen partijen overigens vast dat zij buiten elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd zodat de privé-goederen van de man zijn privé-goederen blijven. De vrouw heeft ter zitting hierover nog opgemerkt dat de goederen van de man al enige tijd klaarstaan om door hem te worden opgehaald.”

5.15.

De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek ter zake verminderd in die zin dat hij thans verzoekt:

te bepalen dat de vrouw de volgende kosten aan hem dient te vergoeden:

  1. de drie maanden huur (van € 684,--) die hij heeft betaald nadat hij, in juni 2017, feitelijk de woning had verlaten;

  2. een vergoeding van € 1.000,-- als compensatie voor het verlies van zijn toekomst in Nederland;

en de verdeling als volgt vast te stellen:

de man wil graag retour ontvangen: het dekbed, de matras en kleding, althans een vervangende geldwaarde van € 2.000,--;

de man wenst terug te ontvangen de goederen die hem toebehoren: tafel, stoelen, laptop en printer en persoonlijke documenten, althans een vervangende vergoeding/geldwaarde van € 2.500,--. Ten aanzien van de laptop en printer stelt de man dat hij deze in augustus 2016 voor een totaalbedrag van ongeveer € 650,-- heeft aangeschaft.

5.16.

De man voert voorts het volgende aan.

Niet van hem verlangd kan worden het door de rechtbank bedoelde overzicht te overleggen, nu hij niet beschikt over de administratie. Alle gegevens liggen in de woning van de vrouw en hij heeft geen toegang daartoe. Hoewel de man dus geen overzicht kan geven van alle vermogensbestanddelen, kan wel beslist worden op de verzoeken van de man die bepaalde vermogensbestanddelen betreffen.

5.17.

Het hof stelt voorop dat, evenals de man, ook de vrouw ervan uitgaat dat geen afzonderlijk overzicht van de vermogensbestanddelen van partijen nodig is. Dat er nog andere vermogensbestanddelen zouden zijn dan die genoemd in de verzoeken van de man is ook niet gebleken.

i) drie maanden huur

5.18.

Over de drie maanden huur voeren partijen het volgende aan.

De man:

Nadat de man in juni 2017 uit de woning was getrokken en partijen uit elkaar waren, heeft hij nog drie maanden huur betaald. Die huurtermijnen wil hij graag terug.

De vrouw:

Gedurende de samenleving van partijen betaalde de man de huur en zij betaalde andere kosten. Nadat de man de woning heeft verlaten, heeft hij geen huur meer betaald.

5.19.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft niet duidelijk gemaakt wat de grondslag is voor zijn verzoek, dat betrekking heeft op de periode dat partijen nog gehuwd waren. Reeds daarom wordt zijn verzoek afgewezen. Voor zover de man een beroep heeft willen doen op de regeling van de kosten van de huishouding genoemd in art. 1 onder b van de huwelijkse voorwaarden, gaat het evenmin op. De man heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Betalingsbewijzen van de huur over de betreffende periode zijn niet overgelegd (althans niet is duidelijk gemaakt waar deze zich in het dossier zouden bevinden).

ii) compensatie

5.20.

Over de compensatie voeren partijen het volgende aan.

De man:

De man had een goed bestaan in Spanje. Toen hij naar Nederland kwam om met de vrouw te gaan samenwonen, had hij daar geheel andere verwachtingen van. Hij heeft er niet op gerekend dat hij na een zo kort huwelijk weer op straat zou komen te staan. Hij wil graag compensatie voor het verlies van zijn droom in Nederland. Een bedrag van € 1.000,-- zou een goede tegemoetkoming zijn voor de kosten die hij heeft moeten maken.

De vrouw:

Partijen hadden allebei bepaalde verwachtingen voor het huwelijk. Ook voor de vrouw is het niet geworden wat zij er van verwacht had. Het is niet aan de orde daar compensatie aan te verbinden. De grondslag voor de vordering ontbreekt.

5.21.

Het hof zal dit verzoek afwijzen, nu niet gesteld of gebleken is wat de grondslag is van het verzoek. Ook in zoverre faalt de grief.

iii en iv) persoonlijke spullen van de man

5.22.

Over de persoonlijke spullen van de man voeren partijen het volgende aan.

De man:

Deze spullen zijn door de man aangeschaft. Bij de rechtbank was er geen discussie over dat de laptop en de printer van de man zijn. De man wil de spullen wel ophalen, maar de vraag is in welke conditie deze nu zijn.

De vrouw:

Een groot deel van zijn kleding heeft de man al opgehaald. Bij het verlaten van de woning had hij ook al zijn administratie meegenomen. De overige (persoonlijke) eigendommen heeft de man nog niet opgehaald. Deze goederen, waaronder de tafel en stoelen, staan nog steeds voor hem klaar.

Anders dan de man stelt, zijn de laptop en printer niet door hem, maar door de vrouw aangeschaft. De woning was al ingericht toen de man bij haar introk.

Omdat de laptop en printer al lang geleden door haar zijn aangeschaft, is de waarde ervan nihil.

5.23.

Het hof overweegt als volgt.

Voor zover het verzoek het dekbed, de matras, kleding van de man en de tafel en stoelen betreft, is niet in geschil dat deze zaken van de man zijn, zodat het hof deze ook niet kan verdelen. Voor zover de man met zijn verzoek afgifte van deze zaken beoogt, heeft de man daarbij geen belang, omdat de vrouw heeft gesteld dat hij deze spullen kan komen ophalen.

De vrouw heeft weersproken dat zij de persoonlijke documenten van de man in haar bezit heeft. Nu het bezit van de documenten door de vrouw daardoor niet is komen vast te staan, kan het hof het verzoek tot afgifte daarvan aan de man niet toewijzen.

De discussie van partijen spitst zich dan nog toe op de laptop en printer. Beide partijen claimen daarvan eigenaar te zijn, geen van beiden kan dit bewijzen. Ingevolge art. 1:131 BW moeten de laptop en de printer dan ook geacht worden aan beide partijen, ieder voor de helft, toe te behoren.

Nu de vrouw de laptop en printer in gebruik heeft, zal het hof de laptop en printer aan de vrouw toedelen tegen vergoeding van de helft van de waarde ervan aan de man.

Over de waarde van de laptop en printer overweegt het hof als volgt.

Zoals ter zitting is besproken, is in art. 4 van de huwelijkse voorwaarden bepaald dat als het huwelijk eindigt door echtscheiding, verrekend wordt alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan. De verrekenplicht eindigt in dat geval op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Van deze regel kan bij op schrift gestelde overeenkomst worden afgeweken (art. 1:141 lid 2 BW jo. art. 1:142 leden 1 en 2 BW), doch geen van partijen heeft zich erop beroepen dat zij anders schriftelijk zijn overeengekomen.

Voor de waarde van de laptop en de printer zal het hof derhalve uitgaan van de datum van indiening van het verzoekschrift, 13 september 2017. De man heeft verklaard dat hij de laptop en printer in augustus 2016 voor een totaalbedrag van ongeveer € 650,-- heeft aangeschaft. Nu de vrouw dit onvoldoende gemotiveerd heeft betwist (bijvoorbeeld door te stellen wanneer zij de laptop en printer heeft aangeschaft en voor welk bedrag en zij geen gegevens over de laptop en printer die zij in bezit heeft, heeft verschaft, zoals merk en type, eventueel met foto’s die een waardebepaling toelaten), zal het hof ervan uitgaan dat de waarde in augustus 2016 van € 650,-- bedroeg, zoals de man stelt. Gelet hierop stelt het hof de waarde van de laptop en printer op 13 september 2017 in redelijkheid vast op € 500,--. De helft hiervan, een bedrag van € 250,--, dient de vrouw aan de man wegens overbedeling te vergoeden. In zoverre slaagt grief 3.

Bewijs

5.24.

Het door de man gedane bewijsaanbod is niet voldoende specifiek, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, vernietigen voor zover daarbij het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is afgewezen en beslissen als in het dictum bepaald.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de procedure de echtscheiding tussen partijen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 juli 2018, voor zover daarbij het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende:

deelt de laptop en de printer toe aan de vrouw tegen vergoeding door haar van een bedrag van € 250,-- aan de man;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.J.F. Manders, bijgestaan door mr. C.M.H.M. van Lent als griffier, en is op 28 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.