Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1181

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
200.247.673_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4317, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing. Nog onvoldoende zicht op thuissituatie. Nog geen duidelijkheid over toekomst-perspectief kind (bij moeder of pleegouders).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie en jeugdrecht

Uitspraak : 28 maart 2019

Zaaknummer : 200.247.673/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/344454 / JE RK 18-771

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.T.A.G. Keller,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[pleegmoeder] en [pleegvader],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader,

tezamen te noemen: de pleegouders.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 9 oktober 2018 met producties, ingekomen ter griffie op

10 oktober 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI voor wat betreft de machtiging uithuisplaatsing af te wijzen, althans te beperken in duur voor slechts 2 maanden althans een duur als het hof in goede justitie juist acht teneinde een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder te realiseren, een en ander kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief van de raad van 10 december 2018, ingekomen bij het hof op 11 december 2018, waarin aangegeven wordt dat de raad op 18 december 2018 niet ter zitting zal verschijnen.

2.4.

De mondelinge behandeling op 18 december 2018 is in verband met ziekte van de moeder ter zitting aangehouden.

2.4.1.

De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.T.A.G. Keller;

- de GI, bijgestaan door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de pleegouders.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] geboren:

[minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

3.2.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.3.

[minderjarige] staat sinds 20 januari 2015 onafgebroken onder toezicht van de GI.

3.4.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 16 juli 2015 uit huis geplaatst, aanvankelijk in een crisispleeggezin en later in het pleeggezin van de pleegouders waar zij nu nog verblijft.

3.5.

[minderjarige] heeft een halfzus, genaamd [halfzus] . Het gezag van de moeder over [halfzus] is beëindigd. [halfzus] woont in een pleeggezin.

3.6.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 20 juli 2019.

3.7.

De moeder kan zich met deze beslissing, voor zover het de uithuisplaatsing betreft, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De moeder voert het volgende aan. De moeder wil dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen. De oorzaak van de uithuisplaatsing in 2015 is gelegen in het feit dat de moeder geen woonruimte meer had ten gevolge van de relatiebreuk met de vader. [minderjarige] ontwikkelde zich destijds echter goed en er waren geen zorgen over haar, hetgeen bevestigd wordt door het raadsonderzoek dat destijds is uitgevoerd. De moeder verwacht dat de problematiek van [minderjarige] – voor zover hier al sprake van is – het gevolg is van de door [minderjarige] als ongetwijfeld traumatisch ervaren uithuisplaatsing. De moeder betreurt het ten zeerste dat er vervolgens uitsluitend is toegewerkt naar een blijvende uithuisplaatsing en dat er geen passende hulpverlening is aangeboden gericht, welke gericht is op een hereniging van [minderjarige] met de moeder. De moeder betwist in dit verband dat zij onvoldoende sensitief en responsief is richting [minderjarige] . Het bevreemdt de moeder ook dat de raad aanvankelijk een beroep deed op het belaste verleden van de moeder, maar zich thans baseert op het intelligentieniveau van de moeder om de uithuisplaatsing te rechtvaardigen.

Gelet op het voorgaande moet de uithuisplaatsing beëindigd worden. Dit geldt des te meer, omdat het rapport van [instelling 1] niet onderbouwt dat het toekomstperspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder zou liggen. Van belang hierbij is dat dit ook door het hof bij beschikking van 9 augustus 2018 is overwogen.

Voorts heeft de moeder de afgelopen periode positieve ontwikkelingen doorgemaakt, hetgeen door de raad en [instelling 2] wordt bevestigd. Het belaste verleden zit de moeder niet meer in de weg. Daarnaast heeft de moeder geleerd zich open te stellen voor de hulpverlening en is zij verhuisd naar een woning in een rustige buurt. Ook beschikt de moeder over ruim voldoende opvoedvaardigheden om bij [minderjarige] aan te sluiten. De moeder laat hiermee zien dat zij de rust, stabiliteit en structuur kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. Het contact met [minderjarige] is tenslotte recent uitgebreid en [minderjarige] komt bij de moeder thuis.

Mocht de uithuisplaatsing worden verlengd dan verzoekt de moeder deze te beperken voor de duur van twee maanden vanaf de datum van de uitspraak van het hof, teneinde een traject gericht op de terugplaatsing mogelijk te maken.

3.9.

De GI voert het volgende aan. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij opgroeit in het pleeggezin waar zij nu verblijft, met daarbij een actieve rol voor de moeder. Het is daarvoor noodzakelijk dat de samenwerking tussen de moeder en de GI sterk gemaakt wordt en dat de moeder accepteert dat [minderjarige] in het pleeggezin zal opgroeien. [minderjarige] krijgt daar de stabiliteit en structuur aangeboden die zij nodig heeft. De opvoedvaardigheden van de moeder zijn onvoldoende voor het goed genoeg ouderschap dat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] is inmiddels aangemeld voor speltherapie om te onderzoeken of bepaald gedrag dat zij vertoont kindeigen is of aan de uithuisplaatsing gerelateerd is. Voor het inzetten van speltherapie is het nodig dat er rust is. Om rust te creëren is het noodzakelijk dat er een definitieve beslissing komt over het toekomstperspectief van [minderjarige] .

3.10.

De pleegouders voeren het volgende aan. [minderjarige] woont inmiddels bijna drie jaar in het pleeggezin en het gaat heel goed met haar. Zij heeft een goede band met de drie andere kinderen in het pleeggezin. [minderjarige] stelt vragen over wie zij is en waar zij bij hoort. [minderjarige] vindt het moeilijk alleen te spelen of eigen keuzes te maken en kopieert het gedrag van één van haar pleegbroertjes.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.11.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.11.3.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] terecht en op goede gronden heeft verleend. Immers, er waren op dat moment nog aanzienlijke zorgen over [minderjarige] en over de mogelijkheden van de moeder om tegemoet te komen aan wat [minderjarige] nodig heeft van een opvoeder.

De situatie bij de moeder is ook op dit moment nog kwetsbaar en onvoldoende inzichtelijk. Van belang hierbij is dat de moeder zelf een belast verleden heeft en dat zij ter zitting desgevraagd heeft aangegeven hiervoor geen hulpverlening te hebben ontvangen. Thuis krijgt zij hulp vanuit [instelling 2] . Daarnaast is het hof gebleken dat de moeder op dit moment opnieuw samenwoont en bewindvoering heeft. De huidige - in oktober 2018 aangetreden - GI heeft - gelet op de korte samenwerking met de moeder - op dit moment nog onvoldoende zicht op de thuissituatie bij de moeder. Hoewel er sinds kort omgang is tussen de moeder en [minderjarige] bij de moeder thuis, heeft de moeder sinds de uithuisplaatsing nog niet alleen voor [minderjarige] gezorgd. Het is voor het hof daarom op dit moment onduidelijk of de moeder de volledige zorg voor [minderjarige] zelf aan zou kunnen. Zorgelijk daarbij is dat de GI aangeeft dat de moeder een groot en breed wantrouwen heeft richting de hulpverlening, terwijl het op dit moment juist noodzakelijk is dat de moeder goed samenwerkt met de hulpverlening en daar ook van profiteert.

Na het eerder door het hof besproken [instelling 1] onderzoeksrapport is er inmiddels een rapport van de raad van 6 september 2018 (door de moeder bij haar beroepschrift overgelegd), dat evenals [instelling 1] concludeert dat het perspectief van [minderjarige] in het huidige pleeggezin en niet bij de moeder ligt, maar dat anderzijds geen aanleiding wordt gezien voor beëindiging van het gezag van de moeder. Wat daar echter van zij, het hof wil op dit moment geen uitspraak doen over het perspectief van [minderjarige] . Een dergelijke uitspraak zal zonder meer onrust brengen, terwijl het in het belang van de voorgenomen speltherapie voor [minderjarige] op dit moment juist nodig is dat de situatie tot rust komt en stabiliseert. Daarbij hoort ook dat de moeder haar huidige rol accepteert en dat zij zich bovendien inzet om optimaal te profiteren van beschikbare hulpverlening. Dit geeft haar ook gelegenheid om verdere groei door te maken en te laten zien dat zij [minderjarige] hoe dan ook ondersteunt. Vervolgens zullen ook de conclusies uit de speltherapie hopelijk meer zicht geven op de vraag waar uiteindelijk het perspectief van [minderjarige] ligt. Momenteel is de noodzaak tot verlenging van de uithuisplaatsing dus in elk geval gelegen in het veilig opzetten en afronden van de speltherapie voor [minderjarige] .

3.12.

Het voorgaande leidt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juli 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens en

P. Vlaardingerbroek en is op 28 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.