Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1158

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
20-001187-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van brandstichting; levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten. Molotovcocktail naar binnen gegooid bij avondwinkel. Gewijzigde proceshouding. Hof legt lagere straf op dan rechtbank. Vordering benadeelde partij. Toekenning van smartengeld aan bewoner van de woning gelegen boven de avondwinkel, nu sprake is van een ernstige inbreuk op fundamentele rechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001187-18

Uitspraak : 26 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer

02-820954-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

thans verblijvende in P.I. Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsconstructie en met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de opgelegde straf. In de plaats daarvan is geëist dat aan de verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd voor de duur van 50 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd omtrent de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, maar uitsluitend een straftoemetingsverweer gevoerd.

Daarnaast is verweer gevoerd op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en bepleit dat bij een hoofdelijke veroordeling tot betaling aan een benadeelde partij een verdeling van 70% voor medeverdachte [medeverdachte] en 30% voor verdachte zal worden gehanteerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve wat betreft de opgelegde straf, de bijbehorende strafmotivering, de door de rechtbank aangehaalde wetsartikelen en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de ter zake deze vorderingen opgelegde schadevergoedingsmaatregel en met aanpassing van gronden. Het hof stelt het onderstaande in de plaats van die onderdelen van het beroepen vonnis.

Gelet op de bekennende verklaringen die de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in hoger beroep op 27 en 28 september 2018 bij de politie hebben afgelegd, ziet het hof aanleiding de bewijsconstructie van de rechtbank aan te passen. Omwille van de leesbaarheid wordt de beoordeling van het bewijs door de rechtbank vervangen door de hierna bedoelde bewijsmiddelen en bewijsmotivering.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Op te leggen sanctie

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aandacht gevraagd voor de meer beperkte rol van de verdachte ten tijde van het feit. Voorts is in het kader van de straftoemeting gewezen op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 5 maart 2019, waarin is te lezen dat het recidiverisico laag is, de verdachte geen deel uitmaakt van een negatief netwerk, geen sprake is van een gebrek aan zelfinzicht en verdachte schaamte en spijt ervaart. De verdediging heeft het hof verzocht te komen tot de oplegging van een lagere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal gevorderd, te weten een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het gaat in deze strafzaak om het medeplegen van brandstichting, een bijzonder destructief en gevaarzettend feit, gepleegd in het centrum van Tilburg gedurende de tijd die bestemd is voor de nachtrust. Niet alleen is brand ontstaan in de avondwinkel waarbij medeverdachte [medeverdachte] een brandende molotovcocktail naar binnen heeft gegooid, maar ook in de boven die winkel gelegen woning. De bewoners van die woning lagen te slapen. Doordat een van hen, het slachtoffer [benadeelde 3] , wakker werd door het alarm dat afging, heeft zij de brand en rookontwikkeling net op tijd kunnen ontdekken. Zij en haar partner [benadeelde 1] hebben de woning in allerijl, amper gekleed moeten verlaten, waardoor de brand geen fatale gevolgen voor hen heeft gehad. Wel is de door hen bewoonde woning door de gevolgen van de brand onbewoonbaar geworden en waren zij een tijd lang dakloos. Evenals de rechtbank, rekent het hof het de verdachte en zijn medeverdachte zwaar aan dat zij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot hun absurd te noemen daad zijn gekomen.

Feiten als het bewezen verklaarde roepen gevoelens van angst en onveiligheid op bij de bewoners van het betreffende pand en de omwonenden. Brandstichting heeft voorts maatschappelijke onrust tot gevolg.

Daarnaast brengt een brandstichting als de onderhavige aanzienlijke schade met zich en heeft deze veel overlast, verdriet en ergernis voor de slachtoffers tot gevolg. De brand heeft niet alleen aan de slachtoffers [benadeelde 3] en [benadeelde 1] aanzienlijke schade berokkend, maar ook aan de exploitant van de avondwinkel, het slachtoffer [benadeelde 4] , en de eigenaar van het pand, het slachtoffer [benadeelde 2] .

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof bij zijn oordeel de inhoud betrokken van het verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 februari 2019, volgens welk uittreksel de verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. Ook heeft het hof gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies van het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering Nederland d.d. 5 maart 2019, waaruit blijkt dat het risico op recidive als laag wordt ingeschat en dat hij inmiddels is aangemeld bij Perspectief Herstelbemiddeling. Voorts blijkt uit het reclasseringsadvies dat er geen gebrek (meer) is aan zelfinzicht en dat de verdachte schaamte en spijt toont. Verdachte wordt bovendien omringd door een steunend netwerk. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte spijt betuigd, hetgeen op het hof oprecht overkomt.

Tot slot heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, waaronder zijn nog jonge leeftijd ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde.

Het hof ziet zich in deze zaak geconfronteerd met enerzijds een zeer ernstig feit dat vergaande gevolgen heeft voor meerdere slachtoffers en anderzijds met een jonge verdachte die uiteindelijk verantwoordelijkheid voor zijn daad heeft genomen, zich schaamt en spijt betuigt. De verdachte was niet eerder bekend bij politie en/of justitie. Hij heeft onder invloed van alcohol en groepsdruk in een nacht een vreselijke fout begaan, een fout waarmee hij de rest van zijn leven geconfronteerd zal blijven.

De strafrechter beoogt met het opleggen van een straf en/of maatregel verschillende doelen na te streven, zoals normbevestiging richting de samenleving, het recht op vergelding voor het slachtoffer voor het leed dat is aangedaan en anderzijds het voorkomen van herhaling van strafbare feiten, waarmee de veiligheid van de samenleving wordt gediend.

In deze zaak komt het uiteindelijk vooral neer op de afweging tussen enerzijds het recht op vergelding voor de slachtoffers, waarvoor het hof bepaald niet blind is, en anderzijds het voorkomen van herhaling, waarmee de veiligheid van de samenleving wordt gediend.

Tegen deze achtergrond en in het bijzonder gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte, het feit dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn daad, het ondersteunend netwerk dat hem omringt en de lage kans op recidive zal het hof een lagere straf opleggen dan gevorderd door de advocaat-generaal.

Tot slot overweegt het hof dat, hoewel het verdachte aanmerkt als een medepleger, zijn aandeel in het bewezen verklaarde kleiner dan de rol die medeverdachte [medeverdachte] heeft gespeeld. [medeverdachte] is degene die de molotovcocktail heeft gemaakt, die de steen en vervolgens de molotovcocktail door de ruit van de avondwinkel heeft gegooid. Het hof zal aan medeverdachte [medeverdachte] een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 27 maanden. Met het oog op de kleinere rol van de verdachte acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voor de oplegging van een hogere gevangenisstraf, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, acht het hof geen termen aanwezig.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 4.976,08, bestaande uit € 976,08 aan materiële schade en € 4.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zijn vordering in hoger beroep onverkort gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Op basis van de stukken in het dossier stelt het hof vast dat de materiële schade

€ 976,08 bedraagt.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt. De vordering is niet met medische stukken is onderbouwd, zodat niet blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van geestelijk letsel. Echter, naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door zijn handelen en dat van de mededader een dusdanige ernstige inbreuk gemaakt op fundamentele rechten van de benadeelde dat dit in zichzelf reeds als een aantasting van de persoon dient te worden beschouwd. De verdachte en zijn mededader hebben de gezondheid en de veiligheid van het slachtoffer ernstig in gevaar gebracht. Het slachtoffer heeft aangegeven dat hij door hun toedoen moest vluchten voor zijn leven, dat hij tijdens het voorval heeft gevreesd voor zijn leven en voor het leven van zijn vriendin, dat hij dakloos is geraakt en dat het voorval veel impact op hem heeft gehad.

Gelet op aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, acht het hof een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 2.500,-- billijk.

Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding is het hof onvoldoende in staat een afgewogen beslissing te geven over de gestelde schade die door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte zou zijn veroorzaakt. Het inwinnen van de benodigde informatie op dat punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en dat gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte dient aan de benadeelde partij [benadeelde 1] een bedrag te voldoen ter hoogte van € 3.476,08, bestaande uit € 976,08 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, waarbij de verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag en nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum tot aan de dag der voldoening. Het hof overweegt dat indien en voor zover medeverdachte [medeverdachte] aan de betalingsverplichting heeft voldaan, verdachte daarvan in zoverre zal zijn bevrijd. Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de medeverdachte reeds een bedrag van € 1.000,-- aan de benadeelde [benadeelde 1] heeft voldaan. Met die betaling zal het hof rekening houden in het kader van de op te leggen schadevergoedingsmaatregel.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte een beperktere rol heeft gehad en verzocht dat bij een hoofdelijke veroordeling tot betaling aan een benadeelde partij een verdeling van bijvoorbeeld 70% voor medeverdachte [medeverdachte] en 30% voor verdachte zal worden gehanteerd. Daarmee miskent de raadsman evenwel het bepaalde van artikel 6:102, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek en artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het slachtoffer kan in het geval van medeschuld iedere dader aanspreken voor het gehele bedrag. Een dader kan zich daartegen niet verweren met de stelling dat hij niet in dezelfde mate als zijn mededader aan het strafbare feit heeft bijgedragen. Degene die door een benadeelde partij wordt aangesproken tot betaling van het gehele bedrag kan wel regres nemen op de andere dader, voor het gedeelte dat zijn draagplicht te boven gaat, maar het slachtoffer staat daar verder buiten.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ( [benadeelde 1] )

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3.476,08, bestaande uit € 976,08 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De verdachte is daarvoor samen met de mededader jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag minus de reeds door medeverdachte [medeverdachte] betaalde € 1.000,--, aangezien de benadeelde partij de door hem gevorderde schadevergoeding in zoverre reeds heeft ontvangen.

Het hof zal daarom de maatregel tot schadevergoeding opleggen ter hoogte van € 2.476,08, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van materiële schade ter hoogte van € 57.872,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zijn vordering in hoger beroep onverkort gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 51.811,47 afdoende met stukken onderbouwd. Verdachte is - samen met de mededader - tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum tot aan de dag der voldoening. Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De posten nieuwe energie- en nutsvoorzieningen van € 4.560,-- en vergoeding [naam] Expertise van € 1.500,-- behoeven een nadere onderbouwing. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij dat gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte nog bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal worden gematigd nu er sprake is van medeschuld, omdat de benadeelde partij onderverzekerd was. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de schade die het gevolg is van onderverzekering niet voor rekening van de verdachte kan worden gebracht. Dat de benadeelde zich op de pleegdatum niet voldoende had verzekerd laat de aansprakelijkheid van de verdachte en zijn mededader evenwel onverlet. Ook indien de benadeelde zich afdoende verzekerd had, zouden de kosten uiteindelijk voor rekening van de verdachte komen, nu de verzekeraar bij uitkering aan de benadeelde in diens rechten treedt en de kosten kan verhalen op de verdachte en zijn mededader. Het hof acht om die reden geen termen aanwezig om het aan de benadeelde toe te kennen bedrag te matigen op grond van medeschuld.

Schadevergoedingsmaatregel ( [benadeelde 2] )

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 51.811,47 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten.

De verdachte is daarvoor samen met de mededader jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van materiële schade ter hoogte van € 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft haar vordering in hoger beroep onverkort gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.000,-- aan materiële schade. Verdachte is - samen met de mededader - tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum tot aan de dag der voldoening. Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ( [benadeelde 3] )

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn mededader rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 3] is toegebracht tot een bedrag van € 5.000,00 aan materiële schade. De verdachte is daarvoor samen met de mededader jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van materiële schade ter hoogte van € 63.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.996,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2017 en de proceskosten. Voor het overige heeft de rechtbank overwogen dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard en slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering is om die reden in hoger beroep nog aan de order tot een bedrag van € 3.996,20, alsmede de wettelijke rente en proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.996,20 aan materiële schade. Verdachte is - samen met de mededader - tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2017 tot aan de dag der voldoening. Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ( [benadeelde 4] )

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer

[benadeelde 4] is toegebracht tot een bedrag van € 3.996,20 aan materiële schade. De verdachte is daarvoor samen met de mededader jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.476,08 (drieduizend vierhonderdzesenzeventig euro en acht cent) bestaande uit € 976,08 (negenhonderdzesenzeventig euro en acht cent) aan materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.476,08 (tweeduizend vierhonderdzesenzeventig euro en acht cent) bestaande uit € 976,08 (negenhonderdzesenzeventig euro en acht cent) aan materiële schade en € 1.500,00 ([duizend] vijfhonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 juli 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 51.811,47 (eenenvijftigduizend achthonderdelf euro en zevenenveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 51.811,47 (eenenvijftigduizend achthonderdelf euro en zevenenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 291 (tweehonderdeenennegentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 juli 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 juli 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.996,20 (drieduizend negenhonderdzesennegentig euro en twintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.996,20 (drieduizend negenhonderdzesennegentig euro en twintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 oktober 2017.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Schiffers, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S. Riemens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 26 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.