Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1155

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
200.245.611_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioenrecht; procesrecht; hoger beroep van Rb Limburg 23 mei 2018, PJ 2018/153 met noot Degelink; appellant is niet ontvankelijk; doorbraakjurisprudentie; doorbrekingsgronden; artikel 71 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.245.611/01

arrest van 26 maart 2019

in de zaak van

AZL N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als AZL,

advocaat: mr. M.C.G. Nijssen te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F.A.A.C. Traa te Utrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 juni 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in incident van 23 mei 2018, waarvan bij rolbeslissing van 29 augustus 2018 verlof is verleend voor tussentijds hoger beroep, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen AZL als gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, en [geïntimeerde] als eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6600749 CV EXPL 18-461)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 19 juni 2018;

  • -

    het exploot van anticipatie van 3 september 2018;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of de kantonrechter of de rechtbank bevoegd is om een oordeel te geven over de vordering van [geïntimeerde] .

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (kort samengevat) gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat AZL jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat AZL verplicht is de schade die hij dientengevolge heeft geleden te vergoeden. Verder heeft [geïntimeerde] veroordeling gevorderd van AZL tot betaling van nader genoemde bedragen (van minimaal € 100.000,-) als schadevergoeding. Daartoe heeft [geïntimeerde] gesteld dat AZL in haar hoedanigheid van administrateur van de Stichting Pensioenfonds Acordis en van de Stichting Diolen Pensioenfonds de pensioenaanspraken van [geïntimeerde] bij die fondsen heeft geadministreerd en dat AZL in dat kader haar zorg- en informatieplicht jegens [geïntimeerde] heeft geschonden.

3.3.

AZL heeft gevorderd dat de kamer voor kantonzaken zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank. Daartoe heeft AZL aangevoerd dat de gevorderde schadevergoeding van ruim € 100.000,- geen aardvordering of andersoortige vordering betreft op grond waarvan de kamer voor kantonzaken bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

3.4.

[geïntimeerde] heeft daar tegen ingebracht dat zijn vordering is terug te voeren op het onderwerp ‘pensioen’ en dat de kantonrechter om die reden op grond van artikel 216 Pensioenwet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

3.5.

De kantonrechter heeft zich, onder verwijzing naar hetgeen in de memorie van toelichting op artikel 216 Pensioenwet is opgenomen, bevoegd geacht van het geschil kennis te nemen. Daarbij heeft hij overwogen dat van doorslaggevende betekenis is de uitleg van de zinsnede ‘vorderingen uit hoofde van’ in artikel 216 Pensioenwet en dat deze zinsnede ruimer moet worden uitgelegd dan dat de vordering voortvloeit uit een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement, en dat ook een vordering op grond van onrechtmatige daad onder de reikwijdte van artikel 216 Pensioenwet kan vallen indien de grondslag van de vordering een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement is.

3.6.

Op verzoek van AZL heeft de kantonrechter bij rolbeslissing van 29 augustus 2018 verlof verleend voor tussentijds hoger beroep van het vonnis van 23 mei 2018.

3.7.

AZL is tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis in het incident zal vernietigen en zal bepalen dat de kamer voor kantonzaken niet bevoegd is van de vordering van [geïntimeerde] kennis te nemen, met verwijzing van de zaak naar de rechtbank, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident en het hoger beroep.

3.8.

Op grond van artikel 71 lid 5 Rv staat tegen het achterwege laten van verwijzing geen voorziening open. Dat wordt niet anders door de rolbeslissing van de kantonrechter van 29 augustus 2018 (het bepaalde in artikel 337 lid 2 Rv ziet op een appelverbod van tussenvonnissen, niet op een appelverbod als bedoeld in artikel 71 lid 5 Rv).

3.9.

Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan echter volgens vaste rechtspraak worden doorbroken op een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden, te weten indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (zie onder meer HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943).

3.10.

AZL heeft in haar inleiding op de grief met een beroep op voornoemde zogenaamde doorbrekingsleer en onder aanvoering van de stelling dat de kantonrechter artikel 216 Pensioenwet ten onrechte heeft toegepast, aangevoerd dat zij ondanks dit rechtsmiddelenverbod toch ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep. Volgens AZL komt die leer erop neer dat tóch hoger beroep kan worden ingesteld, indien een rechter een wetsartikel verkeerd heeft toegepast. In haar toelichting op de grief heeft AZL gesteld dat de kantonrechter ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 216 Pensioenwet. Haar gehele toelichting komt er echter op neer dat de kantonrechter aan artikel 216 Pensioenwet een onjuiste uitleg heeft gegeven en dus verkeerd heeft toegepast.

3.11.

Volgens vaste jurisprudentie is een verkeerde toepassing van de wet geen grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod (vgl. HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC1076, HR 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC3037, HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9036). Reeds om die reden faalt het hoger beroep.

3.12.

Voor zover AZL heeft bedoeld te stellen dat de kantonrechter artikel 71 lid 1 Rv had moeten toepassen (dus moeten verwijzen), maar dat ten onrechte niet heeft gedaan, geldt het volgende. Het hof is van oordeel dat de strekking van het rechtsmiddelenverbod van artikel 71 lid 5 Rv meebrengt, dat dit verbod niet kan worden doorbroken op grond van de stelling dat de kantonrechter artikel 71 lid 1 Rv in dit geval ten onrechte niet heeft toegepast. Het gaat immers slechts om een vlot verloop van de procesgang. De meerwaarde van een debat in twee instanties over de vraag of de kantonrechter de zaak moet behandelen of een kamer voor andere zaken dan kantonzaken binnen dezelfde rechtbank, weegt niet op tegen het belang van een voortvarend verloop van de procedure. Het hof verwijst in dit verband naar de parlementaire geschiedenis waarin het volgende is opgenomen:

“De strekking van de nieuwe regeling is om in zaken bij de rechtbank verwijzingsperikelen, die zich thans met zekere regelmaat voordoen bij de toepassing van de artikelen 156–157b Rv en die door de daarmee gemoeide vertraging en kosten zowel voor partijen als voor de rechtspleging als zodanig zeer bezwaarlijk zijn, zoveel mogelijk te beperken en daarmee de doelmatigheid van de procesvoering te bevorderen.”

en

“Door uit te gaan van de stellingen van eiser en niet van het oordeel van de rechter over de werkelijke rechtsverhouding, streeft de huidige regeling doelmatigheid na: langdurige geschillen over de aard van de rechtsverhouding in het kader van de bevoegdheidsvraag worden voorkomen. Keerzijde van dit stelsel is echter dat de rechter die (uitsluitend) op

grond van de stellingen van eiser bevoegd is over een vordering te oordelen, daarmee moet oordelen over een rechtsverhouding die «materieel» buiten zijn werkterrein ligt. Daarbij is onzeker of de rechter in het geval dat de werkelijke rechtsverhouding buiten zijn werkterrein ligt, bij de beoordeling ten gronde de vordering moet afwijzen (zoals door Heemskerk verdedigd in zijn noot onder het hiervoor genoemde arrest van 7 maart 1980, doch in het midden gelaten in HR 15 mei 1998, NJ 1998, 625). Naar komend recht verdient een andere benadering de voorkeur, althans voor zover het erom gaat of een zaak bij de rechtbank behandeld moet worden door de kantonrechter dan wel door een kamer van een andere sector. Voor deze benadering, vastgelegd in het derde lid, is mede inspiratie geput uit de door Van Maanen in NJB 2000, blz. 805–806 ontwikkelde gedachten, welke door de Adviescommissie burgerlijk procesrecht worden onderschreven. Ingevolge deze bepaling zal de rechter de vraag of verwijzing nodig is niet (slechts) beantwoorden aan de hand van de

stellingen van eiser, maar – voor zover het onderwerp van het geschil van belang is voor de verwijzingsvraag – aan de hand van een eigen voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil. Enerzijds wordt zo voorkomen dat de eiser door de formulering van zijn dagvaarding beslissende invloed heeft op de vraag welke rechter zijn zaak moet beoordelen, anderzijds wordt door uit te gaan van een voorlopig oordeel van de rechter voorkomen dat over de voorvraag van verwijzing te lang moet worden geprocedeerd (daaraan draagt ook de uitsluiting van rechtsmiddelen in het vijfde lid bij). Opmerking verdient daarbij dat de rechter naar wie de zaak wordt verwezen aan die verwijzing is gebonden (vijfde lid, tweede

zin). Voorts zal deze rechter de vordering ook niet mogen afwijzen op de grond dat de zaak naar zijn oordeel «materieel» niet behoort tot zijn werkterrein. Daarmee zou immers afbreuk worden gedaan aan de doelmatigheid van de verwijzingsregeling. Door uit te gaan van een voorlopig oordeel van de rechter wordt verder tot uitdrukking gebracht dat de rechter bij de beoordeling ten gronde van de zaak niet gebonden is aan het voorlopig oordeel in het kader van de vraag of verwijzing nodig is.”

en

“De beslissing tot verwijzing levert een tussenvonnis of tussenbeschikking op, evenals de beslissing tot het achterwege laten van verwijzing, gegeven op een verzoek of vordering tot verwijzing, gedaan of ingesteld door één der partijen. Ter vermijding van vertraging van de

procedure staat tegen de verwijzing, of het achterwege laten daarvan, geen voorziening open (eerste zin). Het is van belang dat procedures zo min mogelijk belast worden met discussies over welke rechter een zaak dient te behandelen. In die zin ook Van Maanen, Wetsontwerp 26 855 en bevoegdheidsperikelen, NJB 2000, blz. 805–806. Een vergelijkbare bepaling

is opgenomen in artikel 1.2.5, eerste lid, tweede zin. De kamer van de andere sector waarnaar een zaak wordt verwezen, is aan de verwijzing gebonden (tweede zin). Zeker nu binnen de rechtbank de kantonrechter geen lagere rechter is in verhouding tot de rechters van andere sectoren, is er voldoende reden om de verwijzing bindend te doen zijn. Vertraging van de procedure door verdere geschillen daarover wordt zo voorkomen.”

(TK 2000–2001, 27 824, nr. 3, p. 33-36).

3.13.

Het hof zal AZL daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep en haar veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Volgens [geïntimeerde] dient het hof AZL ook te veroordelen in de kosten van het incident in eerste aanleg. De kantonrechter heeft de beslissing over de kosten van het incident aangehouden. Het hof ziet daarom geen aanleiding om daar in dit hoger beroep op te beslissen.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart AZL niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

veroordeelt AZL in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 318,- aan griffierecht en op € 1.074,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, H.K.N. Vos en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 maart 2019.

griffier rolraadsheer