Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1150

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
200.252.332_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:6124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding door bewindvoerder van man tegen bewindvoerder van vrouw tot ontruiming van de door de man en de vrouw tezamen gehuurde woning. Wisseling van bewindvoerder van de vrouw tussen het uitbrengen van de dagvaarding in hoger beroep met grieven en de memorie van antwoord. Schorsing en hervatting van het geding als bedoeld in de artikelen 225 en 227 Rv, vervat in de memorie van antwoord (vergelijk HR 27 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3193). Niet ontvankelijkheid van de man omdat hij in rechte op de voet van artikel 1:441 BW door zijn bewindvoerder moet worden (en wordt) vertegenwoordigd. Betreft hoger beroep van ECLI:NL:RBOBR:2018:6124.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 225
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 227
Burgerlijk Wetboek Boek 1 441
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.252.332/01

arrest van 26 maart 2019

in de zaak van

1 Stichting BalanZ Bewindvoering en Budgetbeheer.

in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [appellant 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als Balanz q.q. en [appellant 2] ,

advocaat: mr. K. Steenbergen-van Straten te Heesch,

tegen

aanvankelijk: [bewindvoerders] Bewindvoerders [vestigingsnaam] B.V.,

thans: [advies] Advies B.V.,

in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als respectievelijk [bewindvoerders] q.q., [advies] q.q., en [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.W. van der Heijden te [plaats 1] ,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 december 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 10 december 2018, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen Balanz q.q. en [appellant 2] als eisers in conventie, Balanz q.q. tevens als verweerder in reconventie en [bewindvoerders] q.q. als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/339629 / KG ZA 18-623)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met vijf grieven, acht producties en een wijziging van eis in conventie;

  • -

    de conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord met vier producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    Over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [geïntimeerde] is bewind ingesteld. Bij beschikking van 11 juli 2014 is [bewindvoerders] q.q. tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

  • -

    Bij beschikking van 29 januari 2015 is bewind ingesteld over alle goederen die [appellant 2] toebehoren of zullen toebehoren. Bij beschikking van 23 december 2015 is Balanz q.q. tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

  • -

    [appellant 2] en [geïntimeerde] hebben vanaf augustus 2015 een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de door [geïntimeerde] gehuurde woning te [plaats 1] . [appellant 2] verbleef tot de aanvang van die samenwoning, sinds de breuk met zijn ex-vrouw, op een camping.

  • -

    [appellant 2] heeft twee minderjarige dochters uit een vorig huwelijk (geboren op [geboortedatum] 2001 en [geboortedatum] 2003). Tussen [appellant 2] en zijn dochters geldt een omgangsregeling, die moeizaam verloopt.

  • -

    Op 29 augustus 2016 is aan [appellant 2] door de urgentiecommissie urgentie toegekend voor een woonruimte van Brabant Wonen.

  • -

    Op basis van die urgentie heeft Stichting BrabantWonen met ingang van 7 november 2016 aan [appellant 2] en [geïntimeerde] de woning aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning) verhuurd.

  • -

    De relatie tussen [appellant 2] en [geïntimeerde] is inmiddels geëindigd.

  • -

    Bij brief van 19 september 2018 heeft de advocaat van [appellant 2] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Als gevolg van een urgentieverklaring, die cliënt heeft ontvangen, heeft hij de huurwoning op bovenvermeld adres toegewezen gekregen. Thans is jullie relatie geëindigd, maar wonen jullie beiden nog op voormeld adres.

Cliënt wenst graag in de woning te blijven wonen, nu hij ook deze woning met behulp van urgentie heeft gekregen maar vooral omdat hij dan een plek heeft waar hij zijn kinderen kan ontvangen. Graag verneem ik binnen één week na heden of u bereid bent om de woning te verlaten.

Indien ik niet van u verneem dan wel indien u niet bereid bent om de woning te verlaten, zal ik namens cliënt een procedure aanhangig maken.’

  • -

    [geïntimeerde] heeft geweigerd om de woning te verlaten.

  • -

    Bij beschikking van 6 december 2018 is [bewindvoerders] q.q. met ingang van 1 januari 2019 ontslagen als bewindvoerder van [geïntimeerde] , onder gelijktijdige benoeming van [advies] q.q. als zodanig.

3.2.1.

Balanz q.q. en [appellant 2] vorderden in het geding in eerste aanleg in conventie, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, veroordeling van [geïntimeerde] om de woning binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis te verlaten en deze, alsmede de zich daarin bevindende inboedel, ter vrije beschikking van [appellant 2] te stellen en de woning zonder toestemming van [appellant 2] niet meer te betreden, kosten rechtens.

3.2.2.

Aan deze vordering hebben Balanz q.q. en [appellant 2] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellant 2] en [geïntimeerde] wonen in de woning op basis van een aan [appellant 2] toegekende urgentieverklaring. Omdat de relatie tussen hen is verbroken en voortzetting van de samenwoning leidt tot ruzies en een mogelijke escalatie van problemen, moet een van partijen de woning verlaten. Bij afweging van de belangen van [appellant 2] tegen de belangen van [geïntimeerde] moeten de belangen van [geïntimeerde] wijken en moet het huurrecht van de woning aan [appellant 2] toekomen.

3.2.3.

[bewindvoerders] q.q. heeft in het geding bij de voorzieningenrechter namens [geïntimeerde] gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Voortbouwend op dat verweer vorderde [bewindvoerders] q.q. in het geding bij de voorzieningenrechter in reconventie, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, voor zover in hoger beroep nog van belang:

  • -

    1. te bepalen dat [geïntimeerde] vanaf de vierde dag na betekening van het vonnis aan Balanz q.q. gerechtigd is tot het voortgezet en exclusief gebruik van de woning;

  • -

    2. Balanz q.q. te veroordelen om de woning binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis gedeeltelijk, voor zover het [appellant 2] betreft, met al het zijne en de zijnen te ontruimen en te verlaten onder afgifte van de sleutels aan [bewindvoerders] q.q.;

met veroordeling van Balanz q.q. in de proceskosten.

3.2.4.

[bewindvoerders] q.q. heeft aan deze vordering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Bij afweging van de belangen van [geïntimeerde] tegen de belangen van [appellant 2] moeten de belangen van [appellant 2] wijken en moet het huurrecht van de woning aan [geïntimeerde] toekomen.

3.2.5.

In het bestreden vonnis van 10 december 2018 heeft de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    De situatie in de woning is onhoudbaar en aan die situatie moet op korte termijn een eind komen (rov. 5.2).

  • -

    De belangen van [geïntimeerde] wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van [appellant 2] . Daarbij is van belang dat partijen aanvankelijk hebben samengewoond in de door [geïntimeerde] gehuurde woning en dat [geïntimeerde] de huur van die woning heeft opgezegd vanwege omstandigheden gelegen in de privésfeer van [appellant 2] (rov. 5.5).

  • -

    Aan het argument van [appellant 2] dat hij over de woning moet beschikken om zijn kinderen te kunnen ontvangen in het kader van de omgangsregeling komt geen doorslaggevende betekenis toe (rov. 5.6).

Op grond van deze oordelen heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Balanz q.q. en [appellant 2] in conventie afgewezen. In reconventie heeft de voorzieningenrechter:

  • -

    bepaald dat [geïntimeerde] vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis gerechtigd is tot het voortgezet en exclusief gebruik van de woning aan de [adres] te [plaats 2] ;

  • -

    Balanz q.q. veroordeeld om de woning met aanhorigheden, voor zover het [appellant 2] betreft, met al het zijnde en de zijnen te ontruimen en te verlaten onder afgifte van de sleutels aan de bewindvoerder, binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis.

De voorzieningenrechter heeft het vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten in conventie en in reconventie tussen de partijen gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.1.

Balanz q.q. en [appellant 2] hebben in de dagvaarding in hoger beroep hun eis in conventie gewijzigd. Zij vorderen nu, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv:

  • -

    te bepalen dat [appellant 2] vanaf de vierde dag na betekening van het te wijzen arrest gerechtigd is tot het voortgezet en exclusief gebruik van de woning;

  • -

    veroordeling van [bewindvoerders] q.q. om de woning binnen drie dagen na betekening van het te wijzen arrest te verlaten en deze, alsmede de zich daarin bevindende inboedel, ter vrije beschikking van [appellant 2] te stellen en de woning zonder toestemming van [appellant 2] niet meer te betreden, kosten rechtens.

[advies] q.q. heeft in de memorie van antwoord betoogd dat de eiswijziging niet toelaatbaar is. Het hof verwerpt dat bezwaar tegen de eiswijziging. De eiswijziging heeft tijdig plaatsgevonden en de grondslag van de gewijzigde eis blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep. Daar komt bij dat de gewijzigde eis in de kern niet afwijkt van hetgeen Balanz q.q. en [appellant 2] in eerste aanleg hebben gevorderd. Het hof zal dus recht doen op de gewijzigde eis. Na behandeling van de grieven zal blijken in hoeverre de gewijzigde eis in conventie toewijsbaar is.

3.3.2.

Balanz q.q. en [appellant 2] hebben vijf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. Balanz q.q. en [appellant 2] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het, opnieuw rechtdoende, alsnog toewijzen van hun gewijzigde vorderingen in conventie. Naar het hof begrijpt hebben Balanz q.q. en [appellant 2] tevens bedoeld te concluderen tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [bewindvoerders] q.q. in reconventie.

Met betrekking tot de positie van [advies] q.q.

3.4.1.

De dagvaarding in hoger beroep is op 21 december 2018 uitgebracht aan [bewindvoerders] q.q. In de memorie van antwoord van 5 februari 2019 heeft [advies] q.q. onder overlegging van een uittreksel uit het curatele- en bewindregister gesteld dat zij vanaf 1 januari 2019 in plaats van [bewindvoerders] q.q. de opvolgend bewindvoerder van [geïntimeerde] is. Dit brengt mee dat dat de betrekking waarin [bewindvoerders] q.q. de onderhavige procedure voerde, namelijk als bewindvoerder van [geïntimeerde] , gedurende het proces is vervallen.

3.4.2.

Volgens artikel 225 lid 1 sub b Rv levert de verandering van de persoonlijke staat van een partij een grond op voor schorsing van het geding. Hetzelfde geldt volgens artikel 225 lid 1 sub c Rv voor het ophouden van de betrekking waarin een partij het geding voerde. Deze schorsing kan volgens artikel 225 lid 2 Rv onder meer plaatsvinden door een daartoe strekkende akte ter rolle. Vervolgens kan het geding hervat worden op de voet van artikel 227 Rv. In het onderhavige geval heeft bij de memorie van antwoord, die na de wisseling van bewindvoerder is genomen en waarin [advies] q.q. als opvolgend bewindvoerder is geïntroduceerd, een partijwisseling in de zin van een schorsing en hervatting van het geding als bedoeld in de artikelen 225 en 227 Rv plaatsgevonden (zie in vergelijkbare zin HR 27 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3193, M. den Besten, Partijwisseling, schorsing en hervatting tijdens het geding, WPNR 6700, 3 maart 2007, en Hof ’s-Hertogenbosch 15 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1076). Dit brengt mee dat [advies] q.q. nu als procespartij heeft te gelden en dat [bewindvoerders] q.q. niet langer als partij in het geding betrokken is. Mede gelet op het spoedeisende karakter van de onderhavige procedure en het feit dat de gegevens in het curatele- en bewindregister openbaar zijn, acht het hof geen termen aanwezig om Balanz q.q. en [appellant 2] nog in de gelegenheid te stellen zich over de positie van [advies] q.q. uit te laten.

Met betrekking tot de positie van [appellant 2] als procespartij

3.5.1.

Ingevolge artikel 1:441 BW vertegenwoordigt de bewindvoerder tijdens het bewind de rechthebbende in en buiten rechte. Volgens vaste rechtspraak zijn ook de uit een huurovereenkomst voortvloeiende rechten aan te merken als onder het bewind vallende goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW (HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525). Dit brengt mee dat [appellant 2] met betrekking tot het geding in conventie niet zelf als eiser kan optreden en ook niet als appellant kan optreden. [appellant 2] wordt als partij immers vertegenwoordigd door Balanz q.q. In de memorie van antwoord heeft [advies] q.q. daar terecht op gewezen.

3.5.2.

Het hof zal het bestreden vonnis daarom vernietigen voor zover bij dat vonnis de vordering van [appellant 2] in conventie is afgewezen. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [appellant 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen.

3.5.3.

Het voorgaande brengt tevens mee dat [appellant 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit hoger beroep. Het hof zal bij de verdere beoordeling van het geschil alleen Balanz q.q. nog als appellante aanmerken.

3.5.4.

Het hof zal hier ten aanzien van de proceskosten geen gevolgen aan verbinden, omdat de proceshandelingen met name betrekking hebben gehad op het inhoudelijke geschil tussen partijen en niet op de vraag of [appellant 2] als procespartij ontvankelijk is.

Met betrekking tot het spoedeisend belang

3.6.

Naar het oordeel van het hof hebben beide partijen voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang hebben bij een beoordeling van hun vorderingen in dit kort geding.

Met betrekking tot de grieven

3.7.1.

Het hof zal de vijf grieven gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt Balanz q.q. dat bij een afweging van de belangen van [appellant 2] bij het verkrijgen van het exclusieve gebruiksrecht van de woning tegen de belangen van [geïntimeerde] bij de verkrijging van dat recht, de belangen van [geïntimeerde] moeten wijken en het huurrecht van de woning aan [appellant 2] moet toekomen.

3.7.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grieven evenals de voorzieningenrechter voorop dat een voortgezet gebruik van de woning door beide partijen gezamenlijk onwenselijk is. Tussen partijen is niet in geschil dat een van hen de woning zo snel mogelijk zal moeten verlaten en elders woonruimte moet zoeken.

3.7.3.

Bij de te maken keuze welke van partijen de woning moet verlaten, acht het hof evenals de voorzieningenrechter een belangrijke omstandigheid dat [geïntimeerde] , voordat partijen hun affectieve relatie begonnen, beschikte over een huurwoning in [plaats 1] . In die woning, waarvan [geïntimeerde] huurster was, hebben [appellant 2] en [geïntimeerde] enige tijd samengewoond. [geïntimeerde] heeft die samenwoning mogelijk gemaakt door [appellant 2] , die in de daaraan voorafgaande periode op een camping verbleef, in de door haar gehuurde woning toe te laten. Vanwege problemen die [appellant 2] in [plaats 1] had met zijn ex-vrouw, bleek het vervolgens wenselijk dat [appellant 2] in een andere plaats zou gaan wonen. Mede op basis van de daartoe verleende urgentieverklaring hebben [appellant 2] en [geïntimeerde] vervolgens samen – als contractuele medehuurders – de nu in geding zijnde woning in [plaats 2] kunnen huren. In verband met die verhuizing heeft [geïntimeerde] de huur van haar woning in [plaats 1] opgezegd. Het hof is evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat bij deze stand van zaken geconcludeerd moet worden dat [geïntimeerde] de huur van haar woning in [plaats 1] heeft opgezegd vanwege omstandigheden die gelegen waren aan de zijde van [appellant 2] . Het hof is evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat deze omstandigheid gewicht in de schaal legt in het voordeel van [geïntimeerde] . In zoverre bestaat er naar het oordeel van het hof aanleiding voor bekrachtiging van het bestreden vonnis.

3.7.4.

De omstandigheden die Balanz q.q. in de toelichting op haar grieven in het belang van [appellant 2] aanvoert, brengen het hof niet tot een andere uitkomst. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat omgang van [appellant 2] met zijn kinderen, voor zover daarvan gelet op de tussen hen gerezen problemen sprake kan zijn, niet noodzakelijk hoeft plaats te vinden in de woning te [plaats 2] . Deze omgang kan ook plaatsvinden op andere locaties.

3.7.5.

Dat sprake zou zijn van huiselijk geweld van [geïntimeerde] jegens [appellant 2] is door Balanz q.q. wel gesteld maar door [advies] q.q. namens [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft Balanz q.q. haar stellingen op dit punt voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt, terwijl dit kort geding zich naar zijn aard niet leent voor bewijslevering door getuigenverhoren. De voorshands onbewezen stelling van Balanz q.q. brengt het hof niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging dan hiervoor in rov. 3.7.3 neergelegd.

3.7.6.

Dat [appellant 2] een bedrag van € 2.500,-- in de woning heeft geïnvesteerd, brengt het hof evenmin tot een ander oordeel. [bewindvoerders] q.q. heeft in de conclusie van antwoord in conventie al gesteld dat deze kosten zijn voldaan uit een door de gemeente [plaats 1] toegekende verhuiskostenvergoeding. Balanz q.q. heeft dat in hoger beroep niet betwist. Bovendien heeft juist [geïntimeerde] tot op zekere hoogte zaken van waarde achtergelaten door haar volledig ingerichte huurwoning in [plaats 1] te verlaten teneinde samen met Huijbers de nu in geding zijnde woning in [plaats 2] te gaan huren.

3.7.7.

Balanz q.q. heeft gesteld dat het voor [geïntimeerde] eenvoudiger is dan voor [appellant 2] om andere woonruimte te vinden. [bewindvoerders] q.q. en vervolgens [advies] q.q. hebben dat namens [geïntimeerde] gemotiveerd betwist en Balanz q.q. heeft deze stelling naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd.

3.7.8.

Ook de overige in de memorie van grieven genoemde omstandigheden doen de balans naar het oordeel van het hof niet omslaan in het voordeel van [appellant 2] . Het hof concludeert daarom dat de grieven van Balanz q.q. geen doel treffen.

Conclusie en afwikkeling

3.8.1.

Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover bij dat vonnis de vorderingen van Balanz q.q. in conventie zijn afgewezen en de vorderingen van [bewindvoerders] q.q. in reconventie zijn toegewezen.

3.8.2.

Het hof zal het vonnis voorts bekrachtigen, voor zover bij het vonnis de proceskosten tussen Balanz q.q. en [bewindvoerders] q.q. zijn gecompenseerd. Het hof acht daarbij evenals de voorzieningenrechter de affectieve relatie die [appellant 2] en [geïntimeerde] hebben gehad redengevend.

3.8.3.

Het bestreden vonnis wordt dus uitsluitend vernietigd voor zover bij dat vonnis de vordering van [appellant 2] in conventie is afgewezen. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [appellant 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen.

3.8.4.

Vanwege de affectieve relatie die [appellant 2] en [geïntimeerde] hebben gehad zal het hof ook de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen compenseren, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant 2] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;

vernietigt het bestreden vonnis in kort geding van 10 december 2018 uitsluitend voor zover bij dat vonnis de vordering van [appellant 2] in conventie is afgewezen;

in zoverre opnieuw rechtdoende: verklaart [appellant 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering in conventie;

bekrachtigt het bestreden vonnis in kort geding van 10 december 2018 voor zover bij dat vonnis:

  • -

    de vorderingen van Balanz q.q. in conventie zijn afgewezen;

  • -

    de vorderingen van [bewindvoerders] q.q. in reconventie zijn toegewezen;

  • -

    de proceskosten van de gedingen in conventie en reconventie tussen partijen zijn gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen Balanz q.q. en [advies] q.q., aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 maart 2019.

griffier rolraadsheer