Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1108

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
200.253.761_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw nu schuldenaar niet in de staat verkeert dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden alsmede ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw nu schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 21 maart 2019

Zaaknummer : 200.253.761/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/338616 / FT RK 18/827

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J. de Haan te Cuijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 23 januari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 januari 2019, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling (alsnog) op hem van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 maart 2019. Bij die gelegenheid is [appellant] , bijgestaan door mr. De Haan, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 januari 2019;

- de brief met bijlage van de advocaat van [appellant] d.d. 4 maart 2019.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 121.237,57. Daaronder bevinden zich een schuld aan [voormalige echtgenote] (hierna: [voormalige echtgenote] ), zijnde de voormalige echtgenote van [appellant] , van € 105.609,32 alsmede een tweetal belastingschulden voor een totaalbedrag van € 9.419,82. Zijn netto-maandinkomen (inclusief reiskostenvergoeding en zorgtoeslag) bedraagt € 2.250,82 per maand. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat de grootste schuldeiser, [voormalige echtgenote] , niet met het aanbod heeft ingestemd, althans heeft aangegeven hiermee uitsluitend te willen instemmen indien [appellant] afstand van zijn aanspraak op (een deel van) het pensioen van deze schuldeiser zou doen, hetgeen hij niet heeft gedaan.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub a en b Fw overwogen dat [appellant] niet in de staat verkeert dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat het niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.2.2. (…) Nu slechts één schuldeiser het minnelijk aanbod heeft geweigerd en zij een aanvaardbaar tegenaanbod heeft gedaan is de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet in de uitzichtloze financiële situatie verkeert die de wetgever bij de invoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen voor ogen stond. Het verzoek moet dan ook reeds worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub a Fw.

2.2.3. (…)

Het is aan verzoeker om voldoende aannemelijk te maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten (het hof: van) zijn schulden. Hierin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Schuldeisers hadden van verzoeker een saneringsgezinde houding en voortdurende maximale inspanning mogen verwachten om zijn schulden te voldoen. Hierbij hoort fulltime werken, en wanneer een dergelijke baan er nog niet is dient verzoeker hier aantoonbaar naar op zoek te gaan. Dit heeft verzoeker niet gedaan terwijl niet is gebleken dat verzoeker de afgelopen jaren niet in staat is geweest om fulltime te werken. Uit een verklaring van Bureau [bureau] van oktober 2014 blijkt weliswaar dat verzoeker op dat moment laag belastbaar was en onder behandeling stond bij een psycholoog, maar er is geen rapportage over het verloop van deze behandeling of een recentere rapportage van een verzekeringsarts door verzoeker overgelegd. Daarbij komt nog dat het weigeren van het acceptabele (minnelijke) tegenaanbod van [voormalige echtgenote] niet getuigt van een saneringsgezinde houding. Verzoeker heeft naar het oordeel van de rechtbank de afgelopen jaren onvoldoende prioriteit gegeven aan het oplossen van zijn schuldenproblematiek.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] is na het debacle van zijn makelaarskantoor in een ernstige depressie terecht gekomen, zodanig dat hij hier niet zelfstandig uit kon komen. Voor zijn psychische problemen heeft hij, via de gemeente Oss, hulp gehad van mevrouw [medewerkster bureau] . Daarnaast is hij gedurende een jaar onder behandeling geweest bij het Radboud UMC te Nijmegen op de afdeling Medische Psychologie. Nadat zijn psychische gesteldheid wat was verbeterd heeft [appellant] zich allereerst gericht op zijn herstel door, onder begeleiding van medisch en sociaal deskundigen, weer in het arbeidsproces terecht te komen. [appellant] heeft inmiddels een vast arbeidscontract voor 32 uur per week. [appellant] heeft steun gezocht teneinde uit zijn hopeloze financiële situatie te komen. Hierin is hij eveneens begeleid door/via de gemeente. [appellant] heeft zich steeds aan hun adviezen gehouden, waarna er overleg is geweest met de gemeente en vervolgens besloten tot aanvraag van toelating tot de schuldsaneringsregeling. Ook heeft de gemeente voor hem de aanvraag tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ingediend. Nu [appellant] in een voor hem onoplosbare situatie is gekomen meent hij dat hij de adviezen van meer deskundige personen, zoals zijn adviseurs van de gemeente Oss, kon volgen. Van het zelf maken van keuzes die in strijd zouden zijn met de adviezen van de specialisten heeft hij bewust afgezien. Deze opstelling welke getuigt van grote mate van inschikkelijkheid om professionele adviezen op te volgen, dient hem niet tegengeworpen te worden. Over de pensioenaanspraak kon de gemeente geen uitspraak doen.

[appellant] is voorts van mening dat hij geheel te goeder trouw is geweest. In 2003 heeft hij zijn gehele vermogen gestoken in een makelaarskantoor, dat na de ook niet door hem voorspelde crisis uit de latere jaren enorme verliezen leed. Met het eigen vermogen van [appellant] en zijn toenmalige echtgenote zijn deze schulden allemaal voldaan terwijl er geen toereikende inkomsten tegenover stonden. Zo zijn alle salarissen van het personeel voldaan en ook, met uitzondering van de schuld aan Stichting [stichting] waarvan het ontstaan achteraf is gebleken, alle crediteuren voldaan, waaronder eveneens de inmiddels ontstane schulden aan de bank. Reeds hierom kan niet worden gesteld dat [appellant] niet bereid zou zijn zich tot het uiterste in te spannen om aan zijn verplichtingen te voldoen. Alle andere schulden zijn ontstaan na beëindiging van de ondernemingsactiviteiten. De schuld aan de Raad voor Rechtsbijstand is eerst achteraf ontstaan in verband met de procedures in het kader van de echtscheiding en opvolgende boedelscheiding. Omdat er een theoretisch eigen vermogen in onroerend goed zat is eerst achteraf de vordering opgekomen waarbij de Raad voor Rechtsbijstand de proceskosten besloot terug te vorderen. Bij verkoop van het onroerend goed bleek de overwaarde nauwelijks te bestaan en heeft de ex-echtgenote van [appellant] de opbrengst hiervan, na beslaglegging, kunnen incasseren. Voor [appellant] restte slechts de na de verkoop nieuw opgekomen schuldeisers zoals de Belastingsamenwerking Oost-Brabant. [appellant] heeft zich steeds volledig ingezet om al zijn schulden te betalen. Hij heeft dit ook grotendeels bereikt. Alle schulden, behoudens die aan Stichting [stichting] welke samenhingen met de exploitatie van het makelaarskantoor, zijn voldaan. De schulden waarom het in deze handelt zijn nadien ontstaan, of eerst nadien opgevorderd. Na de sanering van zijn bedrijf en gedwongen verkoop van het onroerend goed kon [appellant] met nieuwe schulden financieel geen kant meer op. Nadat de bedrijfsschulden waren voldaan kwam ook eerst de veroordeling tot betaling van de vordering van [voormalige echtgenote] . Niet kan worden gesteld dat [appellant] niet in een uitzichtloze financiële situatie verkeert. Hij heeft er in het verleden alles aan gedaan om juist al zijn schuldeisers te voldoen. Ook na het beëindigen van het makelaarskantoor heeft hij nog van augustus 2012 tot mei 2013 geprobeerd via werk in loondienst tot een oplossing te komen, maar ook deze werkgever moest gezien de marktsituatie in 2013 het bedrijf beëindigen.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] geeft aan dat zijn ex-vrouw, [voormalige echtgenote] , weigerde mee te betalen aan het salaris van een door het hof in het hoger beroep van hun echtscheidingsprocedure aangezochte deskundige. Deze deskundige zou worden belast met onderzoek naar en advies inzake de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Door de weigering van [voormalige echtgenote] heeft er geen deskundigenonderzoek plaatsgevonden en is het volgens [appellant] dan ook maar de vraag of het eindarrest op dat gebied inhoudelijk wel juist is. Mede hierdoor is zijn actuele schuld aan [voormalige echtgenote] wellicht wel (deels) ten onrechte ontstaan. [appellant] had dit destijds graag uitgezocht gezien. Het is ook om deze reden dat hij vooralsnog niet bereid is om de voorwaarde die [voormalige echtgenote] verbindt aan haar instemming van het minnelijk aanbod van [appellant] te accepteren. Omdat de pensioenaanspraken ook zijn opgenomen in de huwelijkse voorwaarden heeft hij hieromtrent ook bij de gemeente geïnformeerd of er juridische gronden zijn waarop hij de door [voormalige echtgenote] gestelde voorwaarde niet zou mogen weigeren. Toen hiervan niet bleek, althans de gemeente hem hierover geen uitsluitsel kon geven, heeft hij de voorwaarde van [voormalige echtgenote] weloverwogen geweigerd in de wetenschap dat, nu [voormalige echtgenote] ook veruit zijn grootste schuldeiser is, de totstandkoming van een minnelijke regeling daarmee van de baan zou zijn.

Voorts geeft [appellant] aan dat hij maandelijks conform betalingsovereenkomst met de fiscus een bedrag van € 28,00 op zijn recente belastingschulden aflost. Deze schulden zien op ten onrechte ontvangen toeslagen, [appellant] erkent dat deze worden teruggevorderd omdat hij zijn gewijzigde inkomensgegevens niet tijdig aan de Belastingdienst had doorgegeven. De schuld aan de Raad voor de Rechtsbijstand zag [appellant] naar eigen zeggen niet aankomen. Aanvankelijk had hij immers wel recht op een toevoeging, maar vanwege de (veronderstelde) overwaarde van de eigen woning is deze uiteindelijk niet verleend. Tot slot geeft [appellant] aan dat al zijn inkomsten op een boedelrekening van de gemeente binnenkomen. Vanaf die rekening verricht de gemeente dan eenmaal per jaar een betaling aan zijn schuldeisers.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

[appellant] heeft zijn schuldeisers voorafgaand aan zijn toelatingsverzoek een minnelijk aanbod gedaan. Hiermee hebben alle schuldeisers, behoudens de grootste schuldeiser, [voormalige echtgenote] , ingestemd. [voormalige echtgenote] heeft evenwel aangegeven ook met het aanbod van [appellant] in te willen stemmen, maar heeft daaraan bij wijze van tegenbod de voorwaarde verbonden dat [appellant] alsdan af zou zien van zijn rechten op het pensioen van [voormalige echtgenote] . Gelet op de hoogte van de schuld van [appellant] aan [voormalige echtgenote] , het aangeboden percentage en de geldwaarde welke aan voornoemde pensioenrechten verbonden kan worden – namelijk een bedrag van circa € 2.400 (naar het hof begrijpt bruto) per jaar – is het hof van oordeel dat het tegenaanbod van [voormalige echtgenote] in de gegeven omstandigheden, zonder meer als aanvaardbaar gekwalificeerd dient te worden. Daarbij komt dat het hof uit de uitlatingen van [appellant] zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan begrijpt dat [appellant] , bij zijn weigering van dit tegenaanbod, zich voornamelijk zo niet uitsluitend door zijn perceptie van de uiteindelijke uitkomst van het inmiddels in kracht van gewijsde gegane arrest ter zake de boedelscheiding heeft laten leiden, alsook door de vraag of hij verplicht was tot instemming tot afstand, in plaats van die afstand gezien het daarmee gemoeide jaarlijkse bedrag te plaatsen in het perspectief van het substantiële bedrag waarvan hij wilde dat [voormalige echtgenote] ten zijne gunste afstand zou doen. Het hof is gelet op het vorengaande dan ook van oordeel dat er geen sprake van is dat [appellant] op dit moment niet zal kunnen voortgaan met het (af)betalen van zijn schulden, althans dat hij niet in een uitzichtloze financiële situatie terecht is gekomen nu een minnelijke regeling binnen handbereik is en [appellant] dus niet tot het uiterste is gegaan om die regeling te bereiken. Hierbij merkt het hof ten overvloede op dat [appellant] ten aanzien van zijn recent ontstane fiscale schulden bovendien een betalingsregeling heeft weten te treffen welke hij naar eigen zeggen tijdig en volledig na weet te komen en de gemeente naar zeggen van [appellant] daarbovenop jaarlijks vanuit de door haar beheerde boedelrekening een uitkering aan de schuldeisers doet.

3.6.3.

Voorts is het hof los van het voorgaande van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend immer te goeder trouw is geweest.

Aangaande zijn fiscale schuld(en) merkt het hof immers op dat een belastingschuld die, zoals in deze zaak aan de orde, is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel dient te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan.

3.6.4.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, R.R.M. de Moor en A.P. Zweers-van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2019.