Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1084

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
20-000891-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van onder meer handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de WWM (voorhanden hebben van airsoftwapens ES-F128, ES-988 en M-303r).

Beroep van de verdediging op de omstandigheid dat de in de tenlastelegging genoemde airsoftwapens speelgoed betreft, dat valt onder de zogenaamde Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG), hetgeen een uitzonderingscategorie vormt in art. 3 Regeling wapens en munitie, faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000891-18

Uitspraak : 13 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 14 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-151471-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

wonende te [adres]

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van gronden.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het hem onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat, indien de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de raadsman per brief d.d. 1 maart 2019 zijn voornemen kenbaar gemaakt het hof te verzoeken het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. De raadsman heeft zijn verzoek per brief d.d. 4 maart 2019 ingediend. Het verzoek houdt -kort samengevat- in dat het hof het onderzoek zal heropenen en deskundige Van Driel ter zitting zal horen. Het hof heeft de raadsman op 1 maart 2019 bericht dat bij arrest op zijn verzoek zal worden beslist.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ter terechtzitting is gebleken dat de heer Van Driel – ter zitting opgeroepen als getuige-deskundige – voorafgaand aan de zitting de beschikking heeft gehad over het volledige strafdossier. Het strafdossier is aan Van Driel toegezonden door de raadsman van de verdachte, buiten medeweten van en/of overleg met het gerechtshof en de advocaat-generaal. Dit heeft tot gevolg dat het hof Van Driel niet meer kan aanmerken als onafhankelijke en onpartijdige getuige-deskundige, nu hij kennis heeft kunnen nemen van alle zich in het dossier bevindende verklaringen en bevindingen. Dat Van Driel is ingeschreven in het NRGD maakt dit oordeel niet anders. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep om die reden afgezien van het verhoor van de getuige-deskundige.

In zijn verzoek tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting voert de raadsman aan dat het zijn indruk is dat het hof de positie van de deskundige verwart met die van een getuige. Het hof is van oordeel dat het standpunt van de raadsman feitelijke grondslag mist; de heer Van Driel is ter terechtzitting opgeroepen als getuige-deskundige. Voorts is het hof van oordeel dat, nu Van Driel kennis heeft genomen van het gehele strafdossier, hij niet meer als onafhankelijke en onpartijdige getuige-deskundige gehoord kan worden en dat zijn inschrijving in het NRGD zijn kennis van het dossier niet wegneemt. Daar komt bij dat de raadsman, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, voorafgaand aan de terechtzitting contact heeft gehad met de getuige-deskundige teneinde zich er van te vergewissen of de deskundige de visie van de raadsman dat het in de onderhavige zaak om “speelgoedwapens” handelt welke op grond van de EG-richtlijnen zouden zijn toegestaan, deelt. Het hof ziet in de inhoud van het verzoek van de raadsman ook overigens geen aanleiding het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. Derhalve wijst het hof het verzoek van de raadsman tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting af.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij, op of omstreeks 4 juni 2017 te Blerick, gemeente Venlo, opzettelijk enige handeling, gedaan door een ambtenaar, [verbalisant 1] (hoofdagent) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, heeft belet, belemmerd en/of verijdeld,

- door in de kleine kassaruimte (oppervlakte ongeveer 2 a 3 vierkante meter) steeds in de weg te lopen bij het verzamelen van de aanwezige airsoft pistolen en/of

- door te gaan met de verkoop van de producten en/of

- de stapel met de reeds verzamelde airsoftpistoolverpakkingen omver te gooien;

2.
hij op of omstreeks 4 juni 2017 te Blerick, gemeente Venlo (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten meerdere, in elk geval één Airsoftwapen (ES-F128) en/of meerdere, in elk geval een Airsoftwapen (ES-988) en/of meerdere, in elk geval één Airsoftwapen (M-303r), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemd(e) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 4 juni 2017 te Blerick, gemeente Venlo, opzettelijk enige handeling, gedaan door een ambtenaar, [verbalisant 1] (hoofdagent) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, heeft belet, belemmerd en verijdeld,

- door in de kleine kassaruimte (oppervlakte ongeveer 2 a 3 vierkante meter) steeds in de weg te lopen bij het verzamelen van de aanwezige airsoft pistolen en

- door te gaan met de verkoop van de producten en

- de stapel met de reeds verzamelde airsoftpistoolverpakkingen omver te gooien.

2.
hij op 4 juni 2017 te Blerick, gemeente Venlo wapens van categorie I onder 7°, te weten Airsoftwapens ES-F128 en ES-988 en M-303r, zijnde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

I.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het hem onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de vermeende wapens speelgoedpistolen betreffen die vallen onder de zogenaamde Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG), hetgeen een uitzonderingscategorie vormt in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de voorwerpen waren voorzien van een CE-markering en voorts dat de verdachte de vermeende wapens als speelgoed heeft gekocht in een detailhandelszaak in Nederland.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het procesdossier volgt dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] op 4 juni 2017 werden verzocht zich naar een speelveldje aan de openbare weg in Venlo te begeven, alwaar een tweetal jongeren aanwezig was dat in een tas een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zou hebben. De verbalisanten benaderden de jongeren met de nodige voorzichtigheid, sommeerden de handen in de lucht te houden en hielden zelf hun handen bij hun dienstwapen. In de tas troffen verbalisanten vervolgens onder meer twee zwarte, op vuurwapens gelijkende, veerdrukpistolen aan. De pistolen zijn voor nader onderzoek in beslag genomen. De jongeren verklaarden dat zij de veerdrukpistolen vandaag op de kermis te Blerick hadden gewonnen bij een speelautomatenkraam genaamd “Golden Nugget”.

Op de kermis te Blerick, gemeente Venlo, zijn de verbalisanten naar de door de jongens omschreven kraam gelopen. In de etalage van de kassaruimte van de kermisattractie “Golden Nugget” (het hof begrijpt: de kermisattractie van de verdachte) zagen zij enkele verpakkingen van airsoft wapens (veerdrukpistolen) liggen. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] probeerden met de verdachte in gesprek te gaan, maar dit ontaarde telkens in boosheid bij de verdachte. Daarop heeft [verbalisant 1] de uitlevering van alle zich in de kassaruimte bevindende airsoft pistolen gevorderd. Verdachte is doorgegaan met zijn verkoopwerkzaamheden en heeft verbalisant [verbalisant 2] de weg versperd toen hij de overige aanwezige airsoft pistolen uit de rekken wilde verzamelen. Even later, toen [verbalisant 2] verdachte vroeg of hij de verpakking van een van de airsoft pistolen wilde aanreiken omdat [verbalisant 2] daar zelf niet bij kon komen in de krappe kassaruimte, zag [verbalisant 2] dat de verdachte de betreffende verpakking uit het schap pakte en vervolgens met kracht op de reeds verzamelde stapel pistoolverpakkingen gooide, waardoor deze gedeeltelijk omviel (dossierpagina 3 t/m 7).

Uit de kennisgeving van inbeslagneming volgt dat onder de verdachte acht airsoftwapens van het type ES-F128, één airsoftwapen van het type ES-988 en vier airsoftwapens van het type M-303R in beslag zijn genomen.

Juridisch kader

De volgende bepalingen zijn van belang:

- Wet wapens en munitie: art. 2, eerste lid, aanhef en onder 7°:

“Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(...)

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.”

- Regeling wapens en munitie (hierna: RWM): art. 3, aanhef en onder a:

“Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.”

- Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (hierna: de Richtlijn of Speelgoedrichtlijn): art. 2, eerste lid:

“Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna “speelgoed” genoemd).

art. 3, aanhef en onder 16:

“Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

16. “ CE-markering”: een markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het speelgoed in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de communautaire harmonisatiewetgeving die in het aanbrengen ervan voorziet.”

art. 16, eerste lid:

“Speelgoed dat op de markt wordt aangeboden, is voorzien van de CE-markering.”

art. 17, eerste lid:

“De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het speelgoed, op een daaraan bevestigd etiket of op de verpakking aangebracht. (...)”

Het hof stelt voorop dat een met de bedoeling van de wetgever strokende uitleg van artikel 3 RWM inhoudt dat onder een lucht-, gas- of veerdrukwapen dat wat betreft vorm en afmetingen “een sprekende gelijkenis” vertoont met een vuurwapen moet worden verstaan: een voorwerp als voormeld dat wat betreft vorm en afmetingen niet of nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden is. Dit sluit ook aan bij de in de in artikel 3 RWM vermelde Richtlijn 2009/48/EG (de zogenoemde Speelgoedrichtlijn) aangezien in artikel 2, eerste lid, in verbinding met bijlage I sub 2 onder e van die Richtlijn is bepaald dat “imitaties van echte vuurwapens” niet als speelgoed in de zin van de Richtlijn worden beschouwd.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een sprekende gelijkenis met een vuurwapen, zijn de volgende vragen van belang:

  • -

    is sprake van een (vrijwel) exacte kopie van één bepaald merk en model wapen? Zo ja, welk merk en model vuurwapen?;

  • -

    indien geen sprake is van een (vrijwel) exacte kopie van een bepaald merk en model wapen: is er sprake van een bewuste nabootsing van een vuurwapen zonder dat de maker hierbij één bepaald merk en model voor ogen heeft gestaan?

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een bewuste nabootsing van een vuurwapen, wordt gekeken naar de niet-functionele onderdelen die de kennelijke bedoeling hebben om het voorwerp het uiterlijk van een vuurwapen te geven. Voorbeelden van niet-functionele onderdelen zijn een uitsparing in het huis van een luchtdrukgeweer, die een hulsuitwerpvenster moet voorstellen, een pseudo-vuurselector en een pseudo-patroonhouder.

Indien sprake is van voorwerpen van categorie I, onder 7°, van artikel 2, eerste lid van de Wet wapens en munitie (die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen), dient te worden nagegaan of deze onder de uitzonderingscategorie van artikel 3 van Regeling wapens en munitie vallen, te weten speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.

De Speelgoedrichtlijn staat er aan in de weg dat voorwerpen, voor zover zij als speelgoed in de zin van de richtlijn zijn aan te merken en aan de in die richtlijn genoemde veiligheidseisen voldoen, in Nederland worden verboden. Nederland is verplicht de Speelgoedrichtlijn na te komen en de nationale regelgeving die daarmee in strijd is aan te passen. Dit betekent dat in artikel 3 van de Rwm voorwerpen als bedoeld in de richtlijn worden uitgezonderd van de werking van dit artikel. De toelichting op de wijziging van de Rwm houdt twee gronden in die kunnen meebrengen dat voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, niet kunnen worden aangemerkt als een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7, van de Wet wapens en munitie. Het moet namelijk gaan om (1) voorwerpen die gelden als speelgoed in de zin van de Richtlijn en (2) die voorwerpen moeten voldoen aan de in de Richtlijn genoemde veiligheidseisen. De veiligheidsvoorschriften resulteren in het vereiste van de aanbrenging van de CE-markering op het voorwerp (artikel 16 van de Richtlijn). De speelgoedrichtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (artikel 2 van de Richtlijn).

Gelet op het doel en de strekking van de CE-markering kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat een lucht-, gas- of veerdrukwapen aangemerkt kan worden als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn, als het is voorzien van een CE-markering, nog daargelaten dat de Speelgoedrichtlijn de mogelijkheid openlaat dat de markering niet is aangebracht op het speelgoed zelf, maar op een daaraan bevestigd etiket of verpakking.

Het hof merkt hierbij nog op dat over de kwestie van speelgoedwapens Kamervragen zijn gesteld (ingezonden 25 februari 2015, 2015Z03276), te weten wat de geldende regels in Nederland zijn voor het verkopen, voorhanden hebben en gebruiken van op echte wapens lijkende speelgoedwapens. Uit de beantwoording daarvan door de Minister van Veiligheid en Justitie bij brief van 16 maart 2015 (kenmerk: 624559) volgt dat het verkopen en dragen van speelgoed dat in de zin van de Speelgoedrichtlijn op een wapen lijkt of kan lijken, niet verboden is op grond van de WWM, tenzij sprake is van een voorwerp dat als een wapen wordt aangemerkt, omdat gelet op de aard of omstandigheden waaronder het voorwerp wordt aangetroffen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het bestemd is om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

Voorwerp ES-F128

Op grond van hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 12-16 politiedossier) en de eigen waarneming van het hof van de foto’s op pagina’s 14, 19 en 20, is het hof van oordeel dat, gelet op de vorm, afmeting en kleur, het voorwerp ES-F128 een sprekende gelijkenis vertoont met het vuurwapen van het merk IMI, type Desert Eeagle .50. Het voorwerp ES-F128 is daarom voor bedreiging of afdreiging geschikt.

Voorts ligt de vraag aan het hof voor of het voorwerp onder de uitzonderingscategorie van artikel 3 van Regeling wapens en munitie valt. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat het onderhavige voorwerp of de verpakking daarvan een aangebrachte CE-markering bevat. Voor zover voornoemd voorwerp of verpakking wel zou zijn voorzien van een CE-markering, stelt het hof vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 4 politiedossier) alsmede uit de foto’s van de verpakking van voorwerp ES-F128 (pagina’s 17-19 politiedossier) blijkt dat het voorwerp ES-F128 enkel voor personen van veertien jaar en ouder is bestemd (“only for 14 years old or up”). Het voorwerp ES-F128 kan daarom op grond van artikel 2, eerste lid eerste volzin, van de Speelgoedrichtlijn niet worden beschouwd als speelgoed. De omstandigheid dat de verdachte het voornoemd voorwerp naar eigen zeggen als speelgoed heeft gekocht in een detailhandelszaak in Nederland doet aan het vorenstaande naar het oordeel van het hof niet af.

Het verweer van de raadsman voor zover inhoudende dat het voorwerp ES-F128 als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn kan worden aangemerkt, wordt – gelet op het vorenstaande – verworpen.

Voorwerp M-303R

Op grond van hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 12-16 politiedossier) en de eigen waarneming van het hof van de foto’s op pagina’s 16, 22 en 23, is het hof van oordeel dat, gelet op de vorm, afmeting en kleur van het voorwerp M-303R, geen sprake is van een (vrijwel) exacte kopie van een bepaald merk en model wapen, maar dat sprake is van een bewuste nabootsing van een vuurwapen zonder dat de maker hierbij één bepaald merk en model voor ogen heeft gestaan. Aan de linkerzijde van het voorwerp zijn een hulsuitwerper en een hulsuitwerpvenster aangebracht en voorts is onder de slede een laserpointer bevestigd. Voornoemde onderdelen zijn niet-functionele onderdelen en deze zijn aangebracht voor geen ander doel dan het voorwerp op een echt vuurwapen te laten lijken. Het hof is van oordeel dat het voorwerp M-303R voor wat betreft zijn vorm, kleur en afmetingen niet of nauwelijks van een echt vuurwapen te onderscheiden is en derhalve voor bedreiging of afdreiging is geschikt.

Voorts ligt de vraag aan het hof voor of het voorwerp onder de uitzonderingscategorie van artikel 3 van Regeling wapens en munitie valt. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.

Het hof heeft op de foto’s van de verpakking van voorwerp M-303R (pagina’s 17 en 21 politiedossier) waargenomen dat de verpakking is voorzien van een CE-markering. Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 4 politiedossier) alsmede uit de foto’s van de verpakking van voorwerp M-303R (pagina’s 17 en 21 politiedossier) blijkt dat het voormelde voorwerp enkel voor personen van achttien jaar en ouder is bestemd (“not for children under 18 years”). Voormeld voorwerp kan reeds op grond van artikel 2, eerste lid, eerste volzin, van de Speelgoedrichtlijn niet worden beschouwd als speelgoed.

De omstandigheid dat de verdachte het voorwerp M-303R naar eigen zeggen als speelgoed heeft gekocht in een detailhandelszaak in Nederland doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

Het verweer van de raadsman voor zover inhoudende dat het voorwerp M-303R als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn kan worden aangemerkt, wordt – gelet op het vorenstaande – verworpen.

Voorwerp ES-988

Op grond van hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 12-16 politiedossier) en de eigen waarneming van het hof van de foto’s op pagina’s 15, 24, 25 en 26, is het hof van oordeel dat, gelet op de vorm, afmeting en kleur, het voorwerp ES-988 een sprekende gelijkenis vertoont met het vuurwapen van het merk Beretta, Model 92F Compact. Het voorwerp ES-988 is daarom voor bedreiging of afdreiging geschikt.

Voorts ligt de vraag aan het hof voor of het voorwerp onder de uitzonderingscategorie van artikel 3 van Regeling wapens en munitie valt.

Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 4 politiedossier) alsmede uit de foto’s van de verpakking van voorwerp ES-988 (pagina’s 17, 25 en 26 politiedossier) blijkt dat op de verpakking van het voorwerp een CE-markering is aangebracht en dat voormeld voorwerp niet geschikt is voor kinderen jonger dan 36 maanden (“not suitable for children under 36 months”). Naar het oordeel van het hof is hiermee niet voldaan aan het criterium van artikel 2, eerste lid, eerste volzin, van de Speelgoedrichtlijn en derhalve niet kan worden aangemerkt als speelgoed in de zin van de richtlijn. Het hof leidt hieruit af dat het voorwerp blijkens zijn verpakking niet is ontworpen of bestemd voor kinderen onder de veertien jaar om bij het spelen te worden gebruikt.

Het hof is van oordeel dat het voorwerp ES-988 niet onder de uitzonderingscategorie van artikel 3 Rwm valt. De omstandigheid dat de verdachte het voorwerp ES-988 naar eigen zeggen als speelgoed heeft gekocht in een detailhandelszaak in Nederland doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

Het verweer van de raadsman voor zover inhoudende dat het voorwerp ES-988 als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn kan worden aangemerkt, wordt – gelet op het vorenstaande – verworpen.

II.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

III.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet opvolgen van een ambtelijk bevel en het voorhanden hebben van meerdere speelgoedwapens. Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat het ambtelijk gezag is geschonden en dat het bezit van imitatie vuurwapens als de onderhavige grote veiligheidsrisico’s met zich brengt. Doordat deze voorwerpen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens, zijn deze voorwerpen geschikt voor bedreiging of afdreiging. Tegen het bezit van dergelijke wapens dient derhalve streng te worden opgetreden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat hij, blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 januari 2019, reeds diverse malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. Voorts heeft het hof acht geslagen op zijn overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden ten aanzien van het voorhanden hebben van een speelgoedpistool of
-revolver (categorie I.7). Ingevolge de LOVS-oriëntatiepunten zou een geldboete ter hoogte van € 550,00 passend zijn voor het verboden bezit van een speelgoedwapen. In de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en voormelde recidive ziet het hof aanleiding ten nadele van de verdachte af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat de ernst van het bewezen verklaarde daarin onvoldoende tot uitdrukking komt. Gelet op het hiervoor overwogene – en in het bijzonder voormelde recidive en de hoeveelheid voorwerpen die de verdachte voorhanden had – acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede een onvoorwaardelijke geldboete ten bedrage van € 1.500,00 een passende en geboden straf.

Met oplegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 184 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.P. Schleijpen, griffier,

en op 13 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Lavrijssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.