Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1030

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
200.236.177_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanspraak op uitoefening van erfdienstbaarheid nadat alternatief daarvoor, waarover partijen afspraken hadden gemaakt, is komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.236.177/01

arrest van 19 maart 2019

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

verder: [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. J.J.M. Boot te Steenbergen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M. Oudriss te Leusden,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 8 mei 2018 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer/rolnummer C/02/341460 / KG ZA 18-84 tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 6 maart 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 8 mei 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 10 juli 2018, waarbij geen minnelijke regeling van het geschil is bereikt (doorverwezen naar mediation, maar deze is niet gestart);

  • -

    de memorie van grieven van [appellanten c.s.] van 13 november 2018;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 8 januari 2019 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De verdere beoordeling

6.1

In overweging 2. heeft de voorzieningenrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

  1. Partijen zijn buren. [geïntimeerde] is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] (perceel [perceelletter] nummer [perceelnummer 1] , voorheen nummer [oude nummer 1 van perceelnummer 1] en [oude nummer 2 van perceelnummer 1] ) en [appellanten c.s.] is eigenaar van het perceel aan de [adres 2] (perceel [perceelletter] nummer [perceelnummer 2] , voorheen [oude nummer 1 van perceelnummer 2] en [oude nummer 2 van perceelnummer 1] ) te [plaats] .

  2. Bij notariële akte van 22 januari 1959 is ten behoeve van het erf van [geïntimeerde] en ten laste van het erf van [appellanten c.s.] een erfdienstbaarheid van voetpad gevestigd. In deze akte staat daarover het volgende opgenomen:

“Ten behoeve van de kadastrale percelen Gemeente Sint Philipsland, sectie [sectieletter] , nummers [sectienummer 1] , [sectienummer 2] , [oude nummer 1 van perceelnummer 1] , [oude nummer 1 van perceelnummer 2] , [sectienummer 3] , [sectienummer 4] , [sectienummer 5] en [sectienummer 6] en de achter die nummers gelegen gedeelten van [oude nummer 2 van perceelnummer 1] wordt hiermede de erfdienstbaarheid van voetpad gevestigd ten laste van de gedeelten van [oude nummer 2 van perceelnummer 1] gelegen achter de gemelde nummers, alsmede ten laste van de gang welke is gelegen naast [sectienummer 6] , en deel uitmaakt van de gemeente Sint Philipsland, sectie [sectieletter] nummer [sectienummer 7] , eigendom van verkoper, zodanig dat de eigenaren van de heersende erven blijvend achterom kunnen komen zoals dit thans reeds het geval is.”

Het perceel van [appellanten c.s.] is omsloten door een schutting op de erfgrens. Ter hoogte van het voetpad bevindt zich aan weerszijden in de schutting een poort. [appellanten c.s.] heeft de toegang tot de poort aan de zijde van [geïntimeerde] geblokkeerd met pallets.

[geïntimeerde] heeft tegen [appellanten c.s.] een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin op 4 juli 2017 een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben partijen een regeling getroffen omtrent de erfdienstbaarheid. Zij zijn onder meer het volgende overeengekomen, voor zover hier van belang:

“ 1. Zij houden de erfdienstbaarheid op het bestaande tegelpad van vier stoeptegels breed in stand.

2. [geïntimeerde] maakt van dit pad geen gebruik, zolang boer [boer] het gebruik van de weg achter de percelen [adres 3] tot en met [adres 1] toestaat.

(…)

4. In die situatie mag [appellanten c.s.] over het tegelpad waarop de erfdienstbaarheid rust op de perceelsgrens tussen de percelen [adres 4] en [adres 5] een poort plaatsen die hij afgesloten mag houden.

5. Zodra boer [boer] het gebruik van zijn weg door [geïntimeerde] niet meer toestaat, dan wel [geïntimeerde] haar huis verkoopt, verplicht [appellanten c.s.] zich ertoe voornoemde poort zodanig te construeren dat [geïntimeerde] c.q. haar opvolgend eigenaar die zelfstandig open en dicht kan doen, dus vrijelijk kan gebruiken om te gaan over het tegelpad waarop de erfdienstbaarheid rust. (...)”

Deze zaak is daarna doorgehaald.

Via de boerenweg van [boer] achter de percelen [adres 3] tot en met [adres 1] is de [straatnaam] vanaf de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] bereikbaar. [geïntimeerde] heeft geen persoonlijk of zakelijk recht om gebruik te maken van de boerenweg van [boer] .

Boer [boer] heeft onlangs zijn weg afgesloten met een ketting die aan weerszijden is bevestigd aan twee palen. Aan de ketting hangt een bordje met de tekst “verboden toegang”.

Naar aanleiding hiervan heeft [geïntimeerde] [appellanten c.s.] verzocht de blokkade van de toegang tot de erfdienstbaarheid ongedaan te maken. Dat verzoek is niet ingewilligd.

6.2

Bij dagvaarding van 16 februari 2018 heeft [geïntimeerde] het onderhavige kort geding tegen [appellanten c.s.] aanhangig gemaakt. In dit kort geding stelt [geïntimeerde] dat nu de boerenweg niet langer gebruikt kan worden, [appellanten c.s.] het pad waarop de erfdienstbaarheid rust voor haar toegankelijk zou moeten maken, maar dat hij dit weigert. Op grond hiervan vordert [geïntimeerde] , samengevat, hoofdelijke veroordeling van [appellanten c.s.] tot het verlenen van vrije toegang tot het voetpad van vier stoeptegels breed overeenkomstig de notariële akte van 22 januari 1959 en opheffing van de belemmeringen, een en ander op verbeurte van een dwangsom.

[appellanten c.s.] heeft de vorderingen van [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling op 27 februari 2018 bestreden. Volgens hem kan [geïntimeerde] ondanks de ketting nog steeds gebruik maken van de boerenweg van [boer] , zodat zij het voetpad niet hoeft te gebruiken.

6.3

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 6 maart 2018 het door [appellanten c.s.] betwiste spoedeisend belang aanwezig geacht (r.o. 4.1) en geoordeeld dat ervan uitgegaan moet worden dat boer [boer] het gebruik van de weg niet (meer) toestaat, zoals bedoeld in de regeling die partijen op 4 juli 2017 hebben getroffen. Op grond van die regeling en de bestaande erfdienstbaarheid dient [appellanten c.s.] het gebruik daarvan weer aan [geïntimeerde] toe te staan (r.o. 4.4). De vorderingen van [geïntimeerde] zijn als volgt toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad:

5.1.

gebiedt [appellanten c.s.] hoofdelijk om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis volledige en onvoorwaardelijke en onbelemmerde toegang en doorgang te verlenen en te blijven verlenen, tot het voetpad van vier stoeptegels breed overeenkomstig de notariële akte van 22 januari 1959,

5.2.

gebiedt [appellanten c.s.] om zaken die zich bevinden op het gedeelte van het perceel waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend te verwijderen en verwijderd te houden en verbiedt [appellanten c.s.] hoofdelijk om zaken te plaatsen op het gedeelte van zijn perceel, waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefend,

5.3.

veroordeelt [appellanten c.s.] om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500,= voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1. en/of 5.2. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 5.000,= is bereikt,

met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten met nakosten en wettelijke rente, en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

6.4

[geïntimeerde] heeft niet (incidenteel) geappelleerd zodat in dit hoger beroep haar vordering alleen aan de orde is voor zover deze door de voorzieningenrechter is toegewezen.

6.5

Grief I van [appellanten c.s.] betreft het spoedeisend belang. Volgens [appellanten c.s.] kan [geïntimeerde] nog steeds gebruik maken van de boerenweg door de eigenaar om toestemming te vragen, de ketting op te tillen of langs de palen te lopen. Wanneer zij de weg niet meer mag gebruiken, kan zij via de gang van haar woning de openbare weg bereiken. Van een onhoudbare situatie die een kort geding nodig maakt is volgens [appellanten c.s.] geen sprake. [geïntimeerde] betwist een en ander. Daarbij voert zij onder meer aan dat, anders dan eerder werd verondersteld, inmiddels is gebleken dat [boer] zijn landbouwperceel pacht van verzekeringsmaatschappij ASR en dat de boerenweg niet tot het gepachte behoort. [boer] heeft wel namens ASR het beheer over deze weg. ASR heeft desgevraagd laten weten dat de weg voor eenieder gesloten is, zoals duidelijk wordt door de ketting met het bordje ‘verboden toegang’.

6.6

Het hof overweegt hierover het volgende. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Door de erfdienstbaarheid is voorzien in een uitgang van de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde] naar de openbare weg. Afgezien van de boerenweg die [geïntimeerde] eerder gebruikte is er geen andere uitweg vanaf de achterzijde van het perceel. De suggestie van [appellanten c.s.] dat [geïntimeerde] door haar huis heen de openbare weg kan bereiken acht het hof in dit verband niet realistisch. Wanneer voor [geïntimeerde] de mogelijkheid eindigt om via de boerenweg te gaan, blijft voor haar alleen de erfdienstbaarheid over. Nu deze geblokkeerd wordt door [appellanten c.s.] en die blokkade alleen was toegestaan zolang [geïntimeerde] gebruik kon maken van de boerenweg, acht ook het hof een voldoende spoedeisend belang aanwezig. Hierbij kan in het midden blijven wat [geïntimeerde] in hoger beroep heeft aangevoerd over de eigendomssituatie van de boerenweg en waarop [appellanten c.s.] niet heeft kunnen reageren. Grief I wordt verworpen.

6.7

Met grief II voert [appellanten c.s.] aan dat het aanbrengen van de ketting op de boerenweg niet bedoeld was om omwonenden de toegang te ontzeggen, maar om te voorkomen dat daar voertuigen zouden worden geparkeerd die een belemmering zouden kunnen vormen om met landbouwvoertuigen de akkers te bereiken. De ketting was en is vrijelijk door [geïntimeerde] te passeren. Er is daarom volgens [appellanten c.s.] geen enkele reden voor [geïntimeerde] om weer gebruik te willen maken van het voetpad van de erfdienstbaarheid. [geïntimeerde] heeft een en ander gemotiveerd betwist.

6.8

Het hof overweegt hierover het volgende. Het plaatsen van de ketting over de volle breedte van de boerenweg met een bordje ‘verboden toegang’ kan redelijkerwijze niet anders worden begrepen dan dat de eigenaar/pachter/beheerder van die weg ieder gebruik ervan verbiedt. Wanneer [appellanten c.s.] ingang wil doen vinden dat deze handeling een beperktere strekking heeft dan wel dat daarbij voor bepaalde personen uitzonderingen zijn gemaakt, ligt het op zijn weg om dat met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen, bijvoorbeeld met een daartoe strekkende verklaring van degene die tot plaatsing van de ketting is overgegaan. De enkele stellingen die [appellanten c.s.] daarover aanvoert zijn hiervoor niet toereikend, gelet ook op de mededelingen van omwonenden die [geïntimeerde] in eerste aanleg bij brief van 27 februari 2018 heeft overgelegd en die juist wijzen op een algeheel verbod (behoudens noodsituaties). Grief II wordt verworpen.

6.8

De grieven III en IV van [appellanten c.s.] bouwen voort op zijn twee andere grieven en bevatten geen argumenten die bij de bespreking daarvan nog niet aan de orde zijn geweest. Deze grieven worden daarom eveneens verworpen. [appellanten c.s.] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden maar hieraan wordt voorbijgegaan aangezien een kort geding zich in het algemeen niet leent voor bewijslevering; dit is in dit geval niet anders.

6.9

Nu alle grieven van [appellanten c.s.] zijn verworpen, zal het vonnis van 6 maart 2018 worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten c.s.] in de kosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 6 maart 2018 waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten c.s.] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 318,= aan griffierecht en op € 2.148,= aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en wat de nakosten betreft met € 131,= zonder betekening van het arrest dan wel met € 199,= met betekening van het arrest;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 maart 2019.

griffier rolraadsheer