Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1024

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
200.196.332_02
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:207
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4271
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht.

Bepaling waarde nalatenschap en begroting legitieme portie. Erflater heeft aan zijn kinderen een bedrag in contanten gelegateerd gelijk aan ieders legitieme portie in de nalatenschap, en bepaald dat dit bedrag pas opeisbaar zal zijn bij overlijden van zijn levenspartner (of bij enige omstandigheden die zich in deze zaak niet voordoen). De kinderen vordering in dit geding tegen de levenspartner van erflater onder meer vaststelling van de waarde van de nalatenschap en bepaling van de omvang van de aan ieder van hen toekomende legitieme portie. Kinderen worden toegelaten tot bewijslevering ten aanzien van hun stelling over geld op een Luxemburgse bankrekening. Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 23 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:207 en hof ’s-Hertogenbosch 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4271.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0080
Jurisprudentie Erfrecht 2019/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.196.332/02

arrest van 19 maart 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. R.H.G.M. Kerckhoffs te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.S.J.H. van den Bronk te Maastricht,

met als op de voet van artikel 118 Rv in het geding geroepen partijen

[betrokkene 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna aan te duiden als [betrokkene 1] ,

niet verschenen, verstek verleend,

en

[betrokkene 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna aan te duiden als [betrokkene 2] ,

niet verschenen, verstek verleend,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 23 januari 2018 en 16 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/194295 / HA ZA 14-440 gewezen vonnis van 9 maart 2016.

9 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 16 oktober 2018;

  • -

    de akte na tussenarrest van [appellante] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

10.1.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen teneinde [appellante] in de gelegenheid te stellen een aantal in het tussenarrest opgesomde ontbrekende processtukken en producties in het geding te brengen.

10.1.2.

[appellante] heeft de ontbrekende processtukken en producties in het geding gebracht. Het hof kan nu overgaan tot een beoordeling van de door [appellante] tegen het bestreden vonnis aangevoerde grieven. Het hof zal eerst een beknopte samenvatting geven van de vaststaande feiten, de vorderingen in conventie en in reconventie en de oordelen en beslissing van de rechtbank.

10.2.

In dit hoger beroep staan, kort samengevat, de volgende feiten vast.

  • -

    a) Op 28 oktober 2005 is overleden de heer [de erflater] (verder: de erflater), de vader van [appellante] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (gezamenlijk verder: [de kinderen van erflater c.s.] ), en de toenmalig levenspartner van [geïntimeerde] .

  • -

    b) De erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 11 mei 2004. Hierin heeft de erflater [geïntimeerde] tot zijn enige erfgenaam benoemd en heeft hij aan zijn kinderen, [de kinderen van erflater c.s.] , een bedrag in contanten gelegateerd gelijk aan ieders legitieme portie in de nalatenschap en tevens bepaald dat het legaat pas opeisbaar is bij overlijden van [geïntimeerde] , en bij verschillende omstandigheden van financiële aard die zich thans niet voordoen.

  • -

    c) De erflater heeft in zijn testament voorts bepaald dat de vaststelling van de grootte van het legaat en de waardering van de goederen en schulden van de nalatenschap moet geschieden in onderling overleg. [geïntimeerde] is benoemd tot executeur van de nalatenschap.

  • -

    d) Partijen zijn er tot op heden niet in geslaagd om overeenstemming te bereiken over de bepaling van de omvang van de nalatenschap en de waardering van de legaten.

  • -

    e) Op 16 mei 2012 is ten overstaan van notaris [notaris] te [standplaats] een boedelbeschrijving opgemaakt, voorzien van een vermelding van de door [geïntimeerde] afgelegde eed als bedoeld in artikel 674 sub 7 Rv.

  • -

    f) [de kinderen van erflater c.s.] betwisten de juistheid van de door [geïntimeerde] opgemaakte notariële boedelbeschrijving.

10.3.1.

[de kinderen van erflater c.s.] vorderden in het geding bij de rechtbank in conventie, na hun eis bij conclusie van repliek in conventie te hebben gewijzigd, samengevat:

  • -

    I. vaststelling van de verdeling van de nalatenschap, zoals verwoord in de inleidende dagvaarding;

  • -

    II. een verklaring voor recht dat de onroerende zaak aan [adres 1] te [plaats 1] onderdeel uitmaakt van de nalatenschap en dat hieraan een waarde wordt toegekend van € 900.000,--;

  • -

    III. een verklaring voor recht dat de omvang van de nalatenschap is als omschreven in de inleidende dagvaarding, en vaststelling van de legitieme portie van [de kinderen van erflater c.s.] waarop [de kinderen van erflater c.s.] na het overlijden van [geïntimeerde] aanspraak kunnen maken;

  • -

    IV. veroordeling van [geïntimeerde] om onder overlegging van bescheiden een opgave te doen van alle activa en passiva van de nalatenschap, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Aan deze vordering hebben [de kinderen van erflater c.s.] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De nalatenschap van de erflater bevat meer bestanddelen en heeft een hogere waarde dan door [geïntimeerde] in de notariële boedelbeschrijving is vermeld. De nalatenschap heeft een positieve waarde en dit brengt mee dat de legitieme portie waarop de aan [de kinderen van erflater c.s.] gelegateerde bedragen zijn gebaseerd ook een waarde heeft die moet worden vastgesteld.

10.3.2.

[geïntimeerde] heeft in conventie verweer gevoerd. Voortbouwend op dat verweer vorderde [geïntimeerde] in het geding bij de rechtbank in reconventie, samengevat, vaststelling van de samenstelling en de waarde van de nalatenschap overeenkomstig de als productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie overgelegde notariële boedelbeschrijving, in die zin dat de nalatenschap een negatieve waarde heeft en [de kinderen van erflater c.s.] daarom niets te vorderen hebben op grond van hun aanspraken uit hun legaten.

10.3.3.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 9 maart 2016 allereerst, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    Vordering I in conventie is niet toewijsbaar omdat geen sprake is van een gemeenschap waarvan [de kinderen van erflater c.s.] de verdeling kunnen vorderen. [geïntimeerde] is immers de enige erfgenaam van de erflater en [de kinderen van erflater c.s.] zijn slechts legatarissen (rov. 3.2 en 3.3). Voor zover [de kinderen van erflater c.s.] uitkering hebben willen vorderen van de aan hen toekomende legaten is ook die vordering niet toewijsbaar. De vorderingen uit de legaten zijn volgens het testament immers nog niet opeisbaar (rov. 3.4).

  • -

    Vordering II in conventie is niet toewijsbaar omdat de woning aan [adres 1] te [plaats 1] op 11 mei 2004, dus ruim vóór het overlijden van erflater, aan [geïntimeerde] is verkocht en geleverd. De woning behoorde op het moment van het overlijden van de erflater dus niet tot het vermogen van erflater (rov. 3.5).

  • -

    In verband met vordering III in conventie en de vordering in reconventie moet worden bepaald wat de omvang van de nalatenschap was op het moment van overlijden van de erflater en wat de waarde van de nalatenschap op dat moment was (rov. 3.6 en 3.7).

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld over de navolgende geschilpunten:

  • -

    de woning te [plaats 1] en de daarvoor ontvangen verkoopprijs (rov. 3.8);

  • -

    de woning te [plaats 2] en de daarmee verband houdende hypotheekschuld (rov. 3.9 en 3.10);

  • -

    de woning te [plaats 3] en de daarmee verband houdende hypotheekschuld (rov. 3.11);

  • -

    de door [de kinderen van erflater c.s.] genoemde “diverse vorderingen die [geïntimeerde] zou hebben verstrekt aan erflater” (rov. 3.12);

  • -

    de handelsvoorraad die aanwezig is geweest (rov. 3.13);

  • -

    de verkoopopbrengst van de woning te [plaats 1] (rov. 3.14 tot en met 3.16);

  • -

    de door [de kinderen van erflater c.s.] gestelde “diverse schulden, diverse bankrekeningen en diverse boedelgoederen” (rov. 3.17);

  • -

    een vordering die [geïntimeerde] op de nalatenschap stelt te hebben in verband met een door haar aan erflater verstrekte geldlening (rov. 3.19).

Daarop aansluitend heeft de rechtbank, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    Tegenover de activa van de nalatenschap, bestaande uit de woning te [plaats 2] en de woning te [plaats 3] , staan in ieder geval de met die woning samenhangende hypotheekschulden en de schuld uit de door [geïntimeerde] aan erflater verstrekte geldlening. Dit brengt mee dat het saldo van de nalatenschap, ook indien eventuele andere schulden van de nalatenschap buiten beschouwing worden gelaten, negatief is (rov. 3.21).

  • -

    De in conventie sub III gevorderde verklaring voor recht kan dus niet worden toegewezen (rov. 3.22).

  • -

    Omdat het saldo van de nalatenschap negatief is, moeten de aanspraken van [de kinderen van erflater c.s.] uit de legaten op nihil worden gesteld (rov. 3.23).

  • -

    Vordering IV in conventie moet worden afgewezen omdat [de kinderen van erflater c.s.] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [geïntimeerde] geen opgave heeft gedaan van alle activa en passiva van de nalatenschap (rov. 3.25).

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank in het dictum van het vonnis in conventie en in reconventie:

  • -

    de waarde van de aanspraken van [de kinderen van erflater c.s.] uit hoofde van de ten behoeve van hen in het testament opgenomen legaten op nihil vastgesteld;

  • -

    [de kinderen van erflater c.s.] in de proceskosten veroordeeld;

  • -

    het meer of anders gevorderde afgewezen.

10.4.1.

[appellante] heeft acht grieven aangevoerd tegen het vonnis. Op basis van die grieven heeft [appellante] geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot:

  • -

    vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en in reconventie;

  • -

    het alsnog geheel toewijzen van de vorderingen van [appellante] in conventie;

  • -

    het geheel afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] in reconventie;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

10.4.2.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

Met betrekking tot grief 1: motivering vonnis

10.5.1.

Door middel van grief 1 betoogt [appellante] dat de rechtbank het bestreden vonnis niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens [appellante] moet het bestreden vonnis om die reden worden vernietigd.

10.5.2.

Deze grief kan op zichzelf geen doel treffen. Indien al zou worden aangenomen dat het vonnis niet deugdelijk is gemotiveerd, brengt dat niet mee dat de rechtbank tot een onjuiste beslissing is gekomen over de vorderingen in conventie en in reconventie. Of die beslissing in stand kan blijven zal blijken na behandeling van de andere grieven. Grief 1 heeft, mede gelet op de daarop gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven en moet in zoverre worden verworpen.

Met betrekking tot vordering I in conventie

10.6.

De rechtbank heeft geoordeeld dat vordering I in conventie niet toewijsbaar is omdat geen sprake is van een gemeenschap waarvan [de kinderen van erflater c.s.] de verdeling kunnen vorderen en omdat de vorderingen uit de legaten nog niet opeisbaar zijn. [appellante] heeft tegen dit oordeel geen grieven gericht. Daarom staat in hoger beroep vast dat vordering I in conventie niet toewijsbaar is.

Met betrekking tot grief 2: vordering II in conventie

10.7.1.

De rechtbank heeft in rov. 3.5 en 3.8 van het vonnis geoordeeld dat de voormalige ouderlijke woning te [plaats 1] niet tot de nalatenschap behoort omdat de woning op 11 mei 2004, dus ruim vóór het overlijden van de erflater, aan [geïntimeerde] is verkocht en geleverd.

Grief 2 is tegen dat oordeel gericht. In de toelichting op de grief betoogt [appellante] dat de woning voor een onacceptabel lage prijs aan [geïntimeerde] is verkocht en overgedragen. Volgens [appellante] is hierdoor ‘sprake van een benadelingshandeling aan de zijde van [geïntimeerde] – hetgeen een onrechtmatige daad oplevert’. [appellante] concludeert dat om die reden een waarde van € 600.000,-- in de boedelbeschrijving dient te worden betrokken.

10.7.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief de volgende feiten voorop.

  • -

    De woning is in juli 2003 door 3W Bedrijfsmakelaardij bv te [vestigingsplaats] getaxeerd op € 675.000,-- (prod. 2 bij conclusie van antwoord in conventie).

  • -

    De (blote eigendom van de) woning is op 11 mei 2004 (tevens de dag waarop erflater zijn testament heeft gemaakt) door de erflater verkocht en geleverd aan [geïntimeerde] voor een koopsom van € 391.500,--, onder voorbehoud van een recht van vruchtgebruik door de erflater (prod. 2A bij de conclusie van antwoord in conventie). Erflater was op dat moment 72 jaar oud.

  • -

    [geïntimeerde] heeft de woning enkele jaren na het overlijden van de erflater verkocht en op 15 augustus 2008 overgedragen aan een derde voor een koopsom van € 738.000,-- (prod. 3 bij conclusie van antwoord in conventie);

  • -

    [appellante] heeft als productie 8 bij de memorie van grieven een uitdraai van internet overgelegd betreffende de woning, waarbij een vraagprijs is vermeld van € 795.000,--. Het hof leidt uit de datering die bovenaan de uitdraai staat af dat dit een vraagprijs van eind 2007 betreft, kennelijk toen [geïntimeerde] de woning te koop had gezet.

10.7.3.

[geïntimeerde] heeft reeds in het geding in eerste aanleg betwist dat zij de woning op 11 mei 2004 voor een te lage prijs heeft gekocht. Volgens [geïntimeerde] correspondeerde de prijs van € 391.500,-- die zij op 11 mei 2004 heeft betaald voor de verwerving van de blote eigendom van de woning, met de waarde van € 675.000,-- die 3W Bedrijfsmakelaardij bv in juli 2003 aan de volle eigendom van de woning (zonder voorbehoud van een vruchtgebruik) heeft toegekend. Volgens [geïntimeerde] heeft zij niet onrechtmatig gehandeld en heeft [appellante] aan haar stelling dat wel onrechtmatig is gehandeld geen rechtsgevolg gekoppeld en geen daarop aansluitende vordering ingesteld.

10.7.4.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] dit reeds in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevoerde verweer onvoldoende betwist. [appellante] heeft in de toelichting op haar grief een aantal stellingen ingenomen die onjuist of onvoldoende onderbouwd zijn. Dat betreft allereerst de stelling van [appellante] dat de woning een waarde kende van omstreeks € 1.000.000,--. De door [appellante] overgelegde productie 8, die hiervoor in rov. 10.7.2 is genoemd, is in elk geval onvoldoende als onderbouwing voor die stelling nu de daarin genoemde vraagprijs aanzienlijk lager is, kennelijk uiteindelijk heeft geresulteerd in een verkoop van de (volle eigendom van) de woning voor € 738.000,-- en die verkoop ruim 5 jaar na de taxatie door 3W Bedrijfsmakelaardij bv plaatsvond. Dat de taxatie van juli 2003 onjuist was kan hier dus niet uit worden afgeleid. [appellante] heeft haar desbetreffende standpunt in het geheel niet onderbouwd.

10.7.5.

Ook de in de toelichting op de grief door [appellante] ingenomen stelling dat op de woning geen recht van hypotheek was gevestigd, is onvoldoende onderbouwd en moet daarom worden verworpen. Volgens de notariële afrekening van de overdracht van de woning aan [geïntimeerde] op 11 mei 2004, rustte op de woning immers een hypotheekschuld van € 120.596,63 die vervolgens voldaan is uit de koopprijs die [geïntimeerde] voor de verwerving van de blote eigendom heeft betaald. Overigens ziet het hof in het kader van grief 2 niet de relevantie van de vraag of aan de woning al dan niet een hypotheekschuld was verbonden.

10.7.6.

In de toelichting op de grief staat voorts dat de woning “voor een extreem lage prijs namelijk € 240.000,-- aan [geïntimeerde] is overgedragen”. Ook die stelling moet worden verworpen aangezien uit de afrekening van de notaris blijkt dat de blote eigendom van de woning (dus niet de volle eigendom daarvan) aan [geïntimeerde] is overgedragen voor € 391.500,--.

10.7.7.

[appellante] heeft in de toelichting op de grief niet de stelling van [geïntimeerde] bestreden dat met een waarde van de volle eigendom van € 675.000,--, een waarde van € 391.500,-- voor de blote eigendom, onder voorbehoud van een recht van vruchtgebruik correspondeert. Nu [appellante] dat op geen enkele wijze heeft bestreden en de erflater op het moment van de overdracht van de blote eigendom 72 jaar oud was, heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [de kinderen van erflater c.s.] heeft gehandeld door de blote eigendom van de woning op 11 mei 2014 te verwerven voor een koopprijs van € 391.500,--. Er zijn dus onvoldoende aanknopingspunten om die transactie als een (in de woorden van [appellante] ) “benadelingshandeling” te bestempelen.

10.7.8.

Daar komt bij dat [appellante] in de toelichting op haar grief niet uiteen heeft gezet hoe dit zou kunnen leiden tot het door haar gewenste gevolg dat de waarde van de woning “in de nalatenschap moet worden betrokken”. In de toelichting op de grief valt niet te lezen dat in de overdracht van de blote eigendom voor de genoemde prijs een (materiële) gift besloten ligt die op de voet van de artikelen 4:65 tot en met 4:67 bij de berekening van de zogeheten legitimaire massa moet worden betrokken. Voor zover [appellante] dat al heeft willen betogen, acht het hof dat betoog bovendien onvoldoende onderbouwd. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor in rov. 10.7.2 tot en met 10.7.7. is overwogen.

10.7.9.

Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief 2.

Met betrekking tot grief 3: de koopsom die ontvangen is voor de woning te [plaats 1]

10.8.1.

In rov. 3.14 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld ‘dat tot de nalatenschap behoort een bedrag van € 250.000,--., zijnde (ongeveer) de opbrengst van de woning in [plaats 1] die op of omstreeks 13 mei 2004 is gestort op een Belgische bankrekening van erflater en enkele dagen later contant is opgenomen.’

Grief 3 is tegen dat oordeel gericht.

10.8.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief de volgende feiten voorop.

  • -

    Volgens de notariële afrekening van de overdracht van de woning aan [geïntimeerde] op 11 mei 2004, kwam ter zake die overdracht aan de erflater, na voldoening van de hypotheekschuld van € 120.596,63 en enkele bijkomende kosten, een bedrag toe van € 269.264,51 (prod. 2A bij de conclusie van antwoord in conventie).

  • -

    Op 13 mei 2004 is op de KBC-Zichtrekening van erflater met nummer [KBC-Zichtrekeningnummer] een bedrag van € 247.401,15 bijgeboekt (onderdeel van prod. 8c bij conclusie van repliek in conventie).

  • -

    Op 16 mei 2004 is van diezelfde rekening € 247.000,-- contant opgenomen (onderdeel van prod. 8c bij conclusie van repliek in conventie);

  • -

    Op 18 mei 2004 heeft de erflater voor € 25,39 brandstof getankt.

10.8.3.

In de toelichting op de grief stelt [appellante] :

  • -

    dat de erflater enkele dagen na 18 mei 2004 telefonisch contact heeft opgenomen met haar met de mededeling dat hij met zijn auto achter [plaats 4] zonder brandstof was komen stil te staan;

  • -

    dat [appellante] toen in het begin van de avond brandstof is gaan brengen en ter plaatse in de auto van erflater vier personen aantrof, te weten erflater, [geïntimeerde] , en de heer en mevrouw [kennissen van de erflater] (kennissen van erflater).

Volgens [appellante] is het onmogelijk dat het bedrag van € 247.000,--, dat op 16 mei 2004 contant is opgenomen, geheel verteerd was toen erflater op 28 oktober 2005 overleed. Volgens [appellante] wijzen de feiten erop dat het bedrag van € 247.000,-- in mei 2004 op een bankrekening in Luxemburg is gestort en kan aangenomen worden dat het bedrag nog aanwezig was toen erflater op 28 oktober 2005 overleed. [appellante] heeft bewijs van haar stellingen aangeboden door het als getuigen laten horen van [geïntimeerde] en de heer en mevrouw [kennissen van de erflater] .

10.8.4.

Omdat [appellante] zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat erflater ten tijde van zijn overlijden het bedrag van € 247.000,-- nog geheel of ten dele op een Luxemburgse bankrekening had staan, draagt zij de bewijslast van die stelling. Het hof ziet geen aanleiding om van die in artikel 150 Rv neergelegde hoofdregel van bewijslastverdeling af te wijken. Dat het bedrag op 16 mei 2004 contant is opgenomen, terwijl niet op concrete wijze is gesteld of gebleken waaraan het bedrag vervolgens is besteed (behoudens de door [geïntimeerde] geopperde mogelijkheid dat erflater het bedrag aan zijn kinderen kan hebben geschonken), roept wel vragen op maar is naar het oordeel van het hof onvoldoende om [appellante] voorshands in de bewijslevering geslaagd te achten. Het bewijsaanbod dat [appellante] heeft gedaan is ter zake dienend en voldoende gespecificeerd. Het hof zal [appellante] daarom overeenkomstig haar aanbod toelaten om, in beginsel door het als getuigen te laten horen van [geïntimeerde] en de heer en mevrouw [kennissen van de erflater] , te bewijzen dat het bedrag van € 247.000,-- dat op 16 mei 2004 contant is opgenomen, in mei 2004 op een bankrekening in Luxemburg is gestort en nog geheel of ten dele aan erflater toebehoorde toen erflater op 28 oktober 2005 overleed.

10.8.5.

[appellante] heeft in de toelichting op grief 3 voorts gesteld dat [geïntimeerde] de aangiften inkomstenbelasting van erflater over 2001, 2002 en 2003 in het geding moet brengen. Het hof zal die stelling hierna bij de behandeling van de grieven 4 en 8 bespreken.

10.8.6.

Het hof zal elk verder oordeel over grief 3 aanhouden.

Met betrekking tot de grieven 4 en 8: vordering IV in conventie en de aangiften inkomstenbelasting over 2001, 2002 en 2003

10.9.1.

Het hof zal de grieven 4 en 8 gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat [geïntimeerde] onvoldoende informatie heeft verschaft en tegen het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] geen opgave heeft gedaan van alle activa en passiva. In de toelichting op deze grieven betoogt [appellante] dat [geïntimeerde] de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2003 van erflater moet overleggen omdat die meer inzicht kunnen verschaffen in de vermogenspositie van erflater.

10.9.2.

[geïntimeerde] heeft in het geding in eerste aanleg gesteld dat zij niet meer beschikt over de door [appellante] gevraagde aangiften inkomstenbelasting over 2001 tot en met 2003, behalve voor zover het betreft het deel van de aangifte over 2001 dat zij als productie 11 bij de conclusie van dupliek heeft overgelegd. [appellante] heeft dat niet gemotiveerd betwist en het hof acht het gelet op het tijdsverloop tussen de genoemde jaren en de inleidende dagvaarding van 14 juli 2014 waarmee de onderhavige procedure is aangevangen ook niet onaannemelijk dat [appellante] niet meer over die belastingaangiften van erflater beschikt. Reeds om die reden ziet het hof geen aanleiding om [geïntimeerde] te veroordelen deze belastingaangiften over te leggen.

10.9.3.

Daar komt bij dat [appellante] in de toelichting op de grieven niet heeft toegelicht welk belang die belastingaangiften hebben voor de bepaling van de omvang en waarde die de nalatenschap van erflater op 28 oktober 2005 had. [appellante] heeft in de toelichting op de grieven 4 en 8 voorts niet specifiek duidelijk gemaakt welke andere stukken [geïntimeerde] nog zou moeten overleggen. De grieven 4 en 8 hebben in zoverre ook geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven.

10.9.4.

Het hof concludeert dat de grieven 4 en 8 niet kunnen leiden tot toewijzing van vordering IV in conventie, en dat deze grieven verworpen moeten worden.

Met betrekking tot grief 5: schuld van € 408.175,30 uit geldlening

10.10.1.

De rechtbank heeft in rov. 3.19 van het bestreden vonnis geoordeeld dat tot de nalatenschap behoort een schuld uit leningsovereenkomst van 22 januari 2001 voor een bedrag van € 317.646,15 (fl. 700.000,--) in hoofdsom, vermeerderd met de daarover in de periode van 22 januari 2001 tot 28 oktober 2005 verbeurde rente ten bedrage van € 90.529,15, zodat ter zake die lening een schuld van in totaal € 408.175,30 in de nalatenschap valt. Grief 5 is tegen dat oordeel gericht.

10.10.2.

Ter zake de door de rechtbank bedoelde en door [geïntimeerde] gestelde geldlening ten bedrage van fl. 700.000,-- heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg een notariële akte van 22 januari 2001 overgelegd. Uit die akte blijkt dat [geïntimeerde] en de erflater op die datum bij de notaris zijn verschenen en onder meer hebben verklaard, verkort weergegeven:

  • -

    dat [geïntimeerde] en erflater een overeenkomst van geldlening hebben gesloten;

  • -

    dat erflater wegens van [geïntimeerde] ontvangen gelden fl. 700.000,-- schuldig is aan [geïntimeerde] ;

  • -

    dat leningdeel I ad fl. 400.000,-- is geleend ten behoeve van de aankoop van het woonhuis [adres 2] te [plaats 3] (hof: welke woning door de rechtbank tot de nalatenschap van de erflater is gerekend);

  • -

    dat leningdeel II ad fl. 300.000,-- door de erflater is doorgeleend aan [appellante] ten behoeve van de aankoop door haar van een woning te [woonplaats] (hof: de huidige woning van [appellante] );

  • -

    dat de lening is aangegaan voor onbepaalde tijd;

  • -

    dat de over de lening verschuldigde rente 6% per jaar bedraagt.

Door het overleggen van die akte heeft [geïntimeerde] haar stelling over het bestaan van de betreffende geldlening in beginsel voldoende onderbouwd.

10.10.3.

In de toelichting op de grief betoogt [appellante] dat erflater ten tijde van het passeren van de akte ziek was. [appellante] betwist (naar het hof begrijpt: op grond van die gestelde ziekte) dat erflater de akte bewust heeft laten passeren. Het hof verwerpt dit betoog. [appellante] heeft niets gesteld over de aard van de ziekte waar de erflater ten tijde van het passeren van de akte, ruim viereneenhalf jaar voor zijn overlijden, aan zou hebben geleden. Uit het feit dat de notaris de akte van 22 januari 2001 heeft verleden, mag bovendien worden afgeleid dat de notaris op dat moment geen aanleiding had om te veronderstellen dat de voor hem verschenen erflater niet in staat was om zijn wil te bepalen. Het hof kan [appellante] daarom niet volgen in haar kennelijke stelling dat de erflater ten tijde van het passeren van de akte de strekking van de in die akte neergelegde overeenkomst van geldlening niet heeft begrepen. Die stelling is onvoldoende onderbouwd.

10.10.4.

[appellante] heeft in de toelichting op de grief voorts gesteld dat ‘uit de dagafschriften van de bankrekening’ niet blijkt dat [geïntimeerde] de gestelde bedragen daadwerkelijk ter leen heeft verstrekt aan erflater. [appellante] doelt hier met ‘de dagafschriften van de bankrekening’ kennelijk op de bankafschriften van de drie bankrekeningen die genoemd zijn in de door haar genomen conclusie van repliek sub 7 tot en met 12. Dat zijn de navolgende door erflater aangehouden bankrekeningen:

  • -

    a. de bij de ABN-Amrobank aangehouden bankrekening die genoemd is in de conclusie van repliek sub 10;

  • -

    b. de bij de KBC Bank aangehouden bankrekening die genoemd is in de conclusie van repliek sub 11;

  • -

    c. de bij de KBC Bank aangehouden bankrekening die genoemd is in de conclusie van repliek sub 12.

[geïntimeerde] heeft ter zake die bankrekeningen bankafschriften aan [appellante] ter beschikking gesteld en [appellante] heeft die bankafschriften in het geding gebracht als producties 8a, 8b en 8c.

10.10.5.

Het hof constateert dat het oudste overgelegde bankafschrift van de onder a genoemde bankrekening dateert van 8 januari 2004, terwijl uit dat afschrift blijkt dat de bankrekening ook voordien al bestond. Op het afschrift wordt immers een ‘Vorig saldo’ vermeld. Dat de volgens de akte van 22 januari 2001 ter leen verstrekte bedragen niet blijken uit deze afschriften zegt dus in het geheel niet dat de ter leen verstrekte bedragen niet op of kort voor 22 januari 2001 op deze bankrekening zijn gestort. Hetzelfde geldt ten aanzien van de onder c genoemde rekening. Het oudste overgelegde bankafschrift van die rekening dateert van 26 maart 2001 en ook op dat afschrift is een ‘vorig saldo’ vermeld zodat ook die bankrekening kennelijk al eerder bestond en de volgens de akte van 22 januari 2001 ter leen verstrekte bedragen enige tijd op die bankrekening kunnen hebben gestaan. Kennisname van de afschriften wordt overigens bemoeilijkt door het feit dat [appellante] de afschriften niet geheel chronologisch geordend en ook niet geheel goed gesorteerd in het geding heeft gebracht. Als productie 8b zijn zowel afschriften van de onder b genoemde bankrekening als van de onder c genoemde bankrekening overgelegd. Als productie 8a zijn niet alleen bankafschriften van de onder a genoemde rekening maar ook bankafschriften van een bankrekening van de Postbank overgelegd, naar welke laatstgenoemde bankrekening [appellante] in haar stellingen overigens niet verwijst.

10.10.6.

Dat de volgens de akte ter leen verstrekte gelden op een bankrekening van erflater hebben gestaan en niet al te lang daarna weer zijn opgenomen van de bankrekening waar zij op zijn gestort, komt bovendien niet onlogisch voor in het licht van de in de akte genoemde bestedingsdoelen van de geleende bedragen. [appellante] heeft bij gelegenheid van de bij de kantonrechter gehouden comparitie van partijen erkend dat zij een aanzienlijk bedrag ter leen heeft ontvangen van erflater, hetgeen aansluit bij het in de akte van 22 januari 2001 vermelde doel van ‘leningdeel II’ (zie hiervoor, rov. 10.10.2.). Ook ten aanzien van het in de akte vermelde doel van ‘leningdeel I’ heeft [appellante] in de toelichting op haar grief niet betwist dat het geld geheel of ten dele ten behoeve van de aankoop van de betreffende woning kan zijn besteed.

10.10.6.

[appellante] heeft in hoger beroep evenmin gemotiveerd gesteld dat [geïntimeerde] nog de beschikking heeft over oudere bankafschriften van de betreffende bankrekeningen dan nu in het geding gebracht. Mede gelet op het feit dat [appellante] de onderhavige procedure pas meer dan 10 jaar later (namelijk bij dagvaarding van 14 juli 2014) heeft doen aanvangen, is het niet onlogisch en niet onaannemelijk dat [geïntimeerde] daar niet meer over beschikt.

10.10.7.

Volledigheidshalve overweegt het hof nog het volgende. Uit de notariële akte van boedelbeschrijving blijkt dat [geïntimeerde] de nalatenschap op 25 januari 2006 beneficiair heeft aanvaard. Van de zijde van [geïntimeerde] is bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg gesteld dat nog niet vast staat of zij de nalatenschap definitief met een negatief saldo zal aanvaarden. Maar ook indien [geïntimeerde] de nalatenschap definitief met een negatief saldo aanvaardt, kan daar naar het oordeel van het hof niet het vermoeden aan worden ontleend dat de in de akte van 22 januari 2001 vermelde geldlening niet daadwerkelijk is verleend. Dat de nalatenschap vooralsnog negatief is, wordt in hoofdzaak veroorzaakt door de schuld uit de genoemde geldlening. Indien [geïntimeerde] de nalatenschap definitief aanvaard, wordt die schuld weliswaar niet geheel voldaan maar dat zal bij verwerping van de nalatenschap ook niet het geval zijn. Door aanvaarding van de nalatenschap krijgt [geïntimeerde] in elk geval de beschikking over de activa van de nalatenschap. De schuld zal dan tenietgaan omdat dan de positie van schuldeiser en schuldenaar in één persoon worden verenigd. Om deze redenen kan aan een eventuele aanvaarding van de nalatenschap niet het vermoeden worden ontleend dat [geïntimeerde] ten onrechte doet voorkomen dat de nalatenschap negatief is.

10.10.8.

Het hof concludeert dat [appellante] in de toelichting op grief 5 onvoldoende heeft onderbouwd dat de in de akte van 22 januari 2001 genoemde geldlening niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft ten aanzien van dit geschilpunt ook geen aanbod tot de levering van bewijs of tegenbewijs gedaan. Het bewijsaanbod dat zij in hoger beroep heeft gedaan ziet gelet op de onderdelen 39, 43 en 62 van de memorie van grieven kennelijk uitsluitend op de hiervoor bij grief 3 besproken kwestie.

10.10.9.

Het hof verwerpt om bovenstaande redenen grief 5.

Met betrekking tot de grieven 6 en 7, saldo nalatenschap en omvang legaten

10.11.

Grief 6 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de nalatenschap een negatieve waarde heeft en grief 7 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de aanspraken van [de kinderen van erflater c.s.] uit de legaten op nihil moeten worden gesteld. Deze grieven hebben, mede gelet op de daarop gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven. Het hof zal elk oordeel over deze grieven aanhouden tot na de bewijslevering naar aanleiding van grief 3.

Conclusie

10.12.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat [appellante] nu moet worden toegelaten tot de hierna te vermelden bewijslevering. Het hof zal elk verder oordeel aanhouden.

11 De uitspraak

Het hof:

laat [appellante] toe om, in beginsel door het als getuigen te laten horen van [geïntimeerde] en de heer en mevrouw [kennissen van de erflater] , te bewijzen dat het hiervoor in rov. 10.8.2 genoemde bedrag van € 247.000,-- dat op 16 mei 2004 contant is opgenomen, in mei 2004 op een bankrekening in Luxemburg is gestort en nog geheel of ten dele aan erflater toebehoorde toen erflater op 28 oktober 2005 overleed;

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. I.B.N. Keizer als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 2 april 2019 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 maart 2019.

griffier rolraadsheer