Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1022

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
200.137.565_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Rol tussenpersoon. Bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.137.565/01

arrest van 19 maart 2019

in de zaak van

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 november 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Breda) gewezen vonnis van 21 augustus 2013 tussen appellante in principaal appel – Dexia – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en geïntimeerde in principaal appel – [geïntimeerde] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 703614 CV EXPL 12-1201)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord in principaal appel en van grieven in incidenteel appel, met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties;

- de akte uitlating van [geïntimeerde] , met producties;

- de antwoordakte van Dexia, met producties;

- de akte uitlaten van Dexia, met productie;

- de antwoordakte van [geïntimeerde] , met producties.

Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Daarbij merkt het hof nog het volgende op. In het bestreden vonnis staat bij de opsomming van de processtukken ook een pleitnota van [geïntimeerde] vermeld. Die pleitnota bevindt zich echter niet in de door partijen overgelegde procesdossiers. Gelet daarop gaat het hof er vooralsnog van uit dat in eerste aanleg geen pleitnota van [geïntimeerde] is overgelegd en dat de andersluidende vermelding in het vonnis op een vergissing berust. Mocht dit anders zijn, dan wordt [geïntimeerde] verzocht die pleitnota alsnog over te leggen aan het hof, met gelijktijdige kennisgeving aan Dexia.

3 De beoordeling

3.1.

In de kern staat tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.

a. [geïntimeerde] heeft in 1995, 1999 en 2000 vier effectenleaseovereenkomsten gesloten met een rechtsvoorganger van Dexia (nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] ) (vonnis, 3.1 a-d). Met Dexia wordt hierna ook haar rechtsvoorganger bedoeld.

De overeenkomsten [nummer 2] en [nummer 3] zijn gesloten door tussenkomst van een tussenpersoon, Adviesgroep [adviesgroep] -De Baronie.

De in 1995 gesloten overeenkomst met nummer [nummer 1] is geëindigd met een batig saldo van € 4.347,68 (vonnis, 3.1 a). De twee in 1999 gesloten overeenkomsten met nummers [nummer 2] en [nummer 3] zijn tussentijds geëindigd met een restschuld van € 1.935,03 respectievelijk € 2.018,55 (vonnis, 3.1 b-c). Op die laatste restschuld strekt een bedrag van € 11,44 in mindering ter zake ‘betalingen/vergoeding (na ontstaan eindafrekening)’, waardoor een restschuld van € 2.007,11 resteert. De op 15 november 2000 gesloten overeenkomst met nummer [nummer 4] is tussentijds geëindigd met een batig saldo (vonnis, 3.1 d).

[geïntimeerde] heeft een ‘opt-out’ verklaring uitgebracht (vonnis, 3.1 e).

De echtgenote van [geïntimeerde] heeft bij brief aan Dexia van 23 april 2007 (productie 3 bij cva conventie/cve reconventie) verklaard overeenkomst [nummer 4] te vernietigen op grond van art. 1:88 en art. 1:89 BW (vonnis, 3.1 g). Dexia heeft deze brief op 24 april 2007 ontvangen.

3.2.

Dexia heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd, samengevat, [geïntimeerde] te veroordelen voormelde bedragen van € 1.935,03 en € 2.007,11 aan haar te betalen, te vermeerderen met rente en kosten.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd, samengevat, (i) voor recht te verklaren (primair) dat overeenkomst [nummer 4] is vernietigd en (subsidiair) dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden ten aanzien van de overeenkomsten [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] en aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden, en (ii) om Dexia te veroordelen (primair) tot terugbetaling van alle betalingen die [geïntimeerde] op grond van overeenkomst [nummer 4] aan Dexia heeft gedaan en (subsidiair) tot terugbetaling van al hetgeen – na verrekening van voordeel – [geïntimeerde] aan Dexia ingevolge de overeenkomsten [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] heeft betaald, zijnde € 11.673,40, een en ander te vermeerderen met rente en kosten.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd tegen elkaars vorderingen.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis het gevorderde in conventie afgewezen en in reconventie:

- voor recht verklaard dat overeenkomst [nummer 4] rechtsgeldig is vernietigd;

- Dexia veroordeeld € 3.996,70 te vermeerderen met rente en € 400,-- te vermeerderen met btw aan [geïntimeerde] te betalen;

- Dexia veroordeeld aan de Stichting BKR mede te delen dat [geïntimeerde] geen financiële verplichtingen jegens Dexia meer heeft; en

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

De kantonrechter heeft Dexia in de proceskosten veroordeeld in conventie en in reconventie.

3.4.

Dexia heeft hoger beroep ingesteld. Dexia heeft acht grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot, samengevat, het alsnog toewijzen van de door haar (in conventie) gevorderde hoofdsommen met rente en tot het alsnog volledig afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] (in reconventie). [geïntimeerde] heeft incidenteel appel ingesteld. [geïntimeerde] heeft vijf grieven aangevoerd. Kort gezegd heeft hij geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis.

3.5.

Partijen twisten onder meer over de vraag of de bevoegdheid van de echtgenote van [geïntimeerde] om de vernietiging in te roepen van overeenkomst [nummer 4] , al was verjaard toen de brief van 23 april 2007 waarbij zij dat deed op 24 april 2007 door Dexia werd ontvangen.

3.6.

De grieven I en II van Dexia in principaal appel zien op de verjaringskwestie. Inmiddels heeft de Hoge Raad in soortgelijke zaken arresten gewezen, die hierna worden aangehaald, maar waarover partijen zich nog niet hebben kunnen uitlaten. Gelet daarop oordeelt het hof, voorlopig, als volgt.

3.7.

In zijn arrest van 9 oktober 2005 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft de Hoge Raad geoordeeld, samengevat, dat als gevolg van de op 13 maart 2003 door onder meer de Stichting Eegalease en de Consumentenbond tegen Dexia ingestelde collectieve actie de verjaring van de bevoegdheid van niet-handelende echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017, overweging 4.7 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt dat dit ook geldt indien sprake is van vorderingsgerechtigden die zich niet hebben aangesloten bij de Stichting Eegalease. Voor het inroepen van de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst op grond van artikel 1:88 BW geldt een verjaringstermijn van drie jaar (artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW). Dat brengt mee dat de verjaring van de bevoegdheid van de echtgenote van [geïntimeerde] tot vernietiging van de op 15 november 2000 gesloten overeenkomst, tijdig is gestuit door de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie, ook wanneer, zoals door Dexia is betoogd, de echtgenote van [geïntimeerde] van het begin af aan op de hoogte zou zijn geweest van deze overeenkomst.

3.8.

Uit genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017, overweging 4.6.5, volgt dat de collectieve procedure geacht moet worden te zijn beëindigd op een andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW) met de beslissing op het verzoek tot verbindend verklaring van de WCAM-overeenkomst op 25 januari 2017. Verder heeft de Hoge Raad in dit arrest (in overweging 4.6.4) geoordeeld dat de door de collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming meebrengt dat een gerechtigde niet reeds bij het tot stand komen van een schikking in een collectieve procedure stuitingshandelingen hoeft te verrichten, dan wel tot vernietiging van de door hem gesloten effectenleaseovereenkomst(en) behoeft over te gaan, indien de schikking inhoudt dat een WCAM-verzoek zal worden ingediend. Uit het voorgaande volgt dat de echtgenote van [geïntimeerde] , tot behoud van de stuitende werking van de collectieve procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering had moeten instellen of een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging (zie genoemd arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015) had moeten uitbrengen. Dat brengt mee dat de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van de echtgenote van [geïntimeerde] tijdig is uitgebracht op 24 april 2007 (datum ontvangst van die verklaring door Dexia). Nu de verjaring tijdig is gestuit, gaat het verjaringsverweer van Dexia niet op en falen haar grieven I en II. Het oordeel van de kantonrechter dat de echtgenote van [geïntimeerde] overeenkomst [nummer 4] rechtsgeldig heeft vernietigd, blijft dus in stand.

3.9.

Partijen kunnen zich te zijner tijd bij memorie na enquête (zie hierna) uitlaten over de hiervoor in 3.7 en 3.8 door het hof gegeven voorlopige oordelen.

3.10.

Wat betreft de overeenkomsten [nummer 2] en [nummer 3] (en overigens ook [nummer 4] ) staat vast dat Dexia tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht (zie onder meer het niet bestreden oordeel van de kantonrechter in overweging 3.9). Partijen verschillen onder meer van mening over de omvang van de schadevergoedingsplicht van Dexia ten aanzien van die overeenkomsten.

3.11.

Grief I van [geïntimeerde] in incidenteel appel heeft onder meer betrekking op de rol van de tussenpersoon die volgens [geïntimeerde] in aanmerking moet worden genomen bij de causaliteitsverdeling in het kader van de eigen schuld ex artikel 6:101 BW (mvg inc. appel, 3.15 en verder). [geïntimeerde] stelt in de kern dat hij geen eigen schuld heeft omdat hij naar Dexia wist is misleid en onvoldoende is voorgelicht door de tussenpersoon. Volgens [geïntimeerde] is hij de overeenkomsten [nummer 2] en [nummer 3] aangegaan op advies van de tussenpersoon, die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, en was Dexia daarvan op de hoogte. Dexia heeft de stellingen van [geïntimeerde] gemotiveerd betwist.

3.12.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, bevestigd in het arrest van 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2018:1935, beslissingen genomen over de gevolgen van advisering door een tussenpersoon onder bepaalde omstandigheden. De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 september 2016 overwogen:

“5.2

Middel 1 komt op tegen het oordeel van het hof dat op grond van het bepaalde in art. 6:101 BW een gedeelte van 20% van de nadelige gevolgen (de betaalde inleg en de restschuld) voor rekening van [eiser] dient te blijven, zodat de verplichting tot schadevergoeding van Dexia 80% van deze nadelige financiële gevolgen bedraagt (rov. 4.14.20-4.14.22). Het middel betoogt dat in de omstandigheden van het geval de schade in zijn geheel voor rekening van Dexia dient te blijven en voert daartoe aan dat (i) de cliënt in een adviesrelatie – met SpaarSelect - in beginsel op het advies mag afgaan, en (ii) Dexia wist of behoorde te weten dat SpaarSelect - handelend zonder de vereiste vergunning - had geadviseerd deze overeenkomst met [eiser] te sluiten. Het middel betoogt voorts dat onbegrijpelijk is dat het hof enerzijds overweegt dat Dexia op de voet van art. 41 NR 1999 verplicht was te weigeren de onderhavige overeenkomst met [eiser] te sluiten, maar anderzijds een gedeelte van de nadelige gevolgen van die overeenkomst aan [eiser] heeft toegerekend.

Het middel bestrijdt niet dat, ook als [eiser] erin slaagt het door het hof verlangde bewijs te leveren, de nadelige financiële gevolgen, voortvloeiende uit het aangaan van de effectenleaseovereenkomst, mede het gevolg zijn van aan hem toe te rekenen omstandigheden (zie hiervoor in 3.2.5 onder (h)). Het strekt echter ertoe dat, gelet op de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden, en anders dan het hof heeft geoordeeld (zie hiervoor in 3.2.5 onder (j)), de billijkheid, gelet op de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval, eist dat de vergoedingsplicht van Dexia niet wordt verminderd. Het andersluidende oordeel van het hof is onjuist of onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus nog steeds het - samengevat weergegeven - middel.

De onderhavige zaak is door partijen als een proefprocedure opgezet. Zoals eerder het geval was in het hiervoor in 5.1.3 samengevat weergegeven arrest [...] /Dexia, is daarmee beoogd een zo groot mogelijke precedentwerking voor andere soortgelijke geschillen te verkrijgen. In het zojuist genoemde arrest is aanstonds, in rov. 4.1, de kanttekening geplaatst dat bij de beoordeling van geschillen omtrent effectenleaseproducten uiteindelijk in individuele zaken niet in onbeperkte mate kan worden geabstraheerd van de omstandigheden van het geval. In dat verband is toen al onder meer genoemd de wijze waarop het desbetreffende product is aangeboden. Deze kanttekening is ook in de onderhavige zaak van belang.

Als uitgangspunt bij de beoordeling van het door Dexia gedane beroep op eigen schuld van [eiser] kan gelden dat de vergoedingsplicht van de aanbieder in beginsel zodanig moet worden verminderd dat de aanbieder een-derde gedeelte van de schade niet behoeft te vergoeden, en dat deze schade derhalve in zoverre voor rekening van de wederpartij (de particuliere belegger) blijft (zie hiervoor in 5.1.5, alsook het mede daarop gebaseerde standpunt van Dexia in dit geding, weergegeven hiervoor in 3.2.1).

Bij de beoordeling van de klachten tegen het oordeel van het hof dat, in afwijking van dit uitgangspunt, in de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, de schade voor 20% voor rekening van [eiser] als particuliere belegger blijft - welke beslissing volgens het middel onjuist of onbegrijpelijk is omdat de schade in de omstandigheden van het geval in zijn geheel voor rekening van Dexia dient te komen - zijn met name de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Gelet op het falen van de onderdelen 1a, 1b, 2, 3a en 3b van het middel in het incidentele beroep, dient bij de beoordeling van het onderhavige middel mede tot uitgangspunt dat Dexia in strijd heeft gehandeld met art. 41 NR 1999 en daarmee (niet alleen wegens schending van haar in het arrest [...] /Dexia vermelde zorgplichten, maar) ook op deze grond jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, indien - zoals het hof [eiser] heeft opgedragen om te bewijzen - SpaarSelect jegens [eiser] als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

Ter voorkoming van mogelijk misverstand ziet de Hoge Raad aanleiding in dit verband op te merken dat niet mede behoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat SpaarSelect niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van [eiser] mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van art. 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt (zie hiervoor in 4.12 en 4.13). Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat SpaarSelect mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of SpaarSelect over de daartoe benodigde vergunning beschikte.

Deze (extra) onrechtmatigheidsgrond is des te ernstiger omdat uit het hiervoor in 5.1.6 samengevat weergegeven arrest [...] c.s./NBG Finance volgt dat op degene die - zoals SpaarSelect, naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen - als beleggingsadviseur optreedt, een bijzondere zorgplicht rust tegenover de cliënt, zulks mede ter bescherming van deze tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van lichtvaardigheid. De cliënt mag in beginsel ervan uitgaan dat de dienstverlener – in de onderhavige procedure: SpaarSelect - die zorgplicht jegens hem naleeft. Hieruit volgt dat de cliënt bij een door de dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op, en zich minder snel eigener beweging behoeft te verdiepen in, niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct als bedoeld in het arrest [...] /Dexia.

Nog steeds aangenomen dat het door het hof opgedragen bewijs wordt geleverd, heeft Dexia niet alleen bij de totstandkoming van de leaseovereenkomst haar in het arrest [...] /Dexia vermelde zorgplichten geschonden, maar heeft zij deze overeenkomst bovendien gesloten terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon SpaarSelect, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, [eiser] had geadviseerd bij haar – Dexia - een effectenleaseproduct te kopen (zie de beoordeling van onderdeel 1a in het incidentele beroep). Deze laatste bijzonderheid, waardoor de onderhavige procedure wordt getypeerd, moet Dexia zwaar worden aangerekend. Het gaat hier immers om een geval waarin een professionele financiële instelling een complex financieel product aan het beleggend publiek aanbiedt zonder eigen specifieke voorlichting aan de potentiële particuliere belegger. Juist in een zodanige verhouding moet de particuliere belegger kunnen vertrouwen op de (deskundigheid en) onpartijdigheid van de door hem ingeschakelde beleggingsadviseur. Indien deze beleggingsadviseur een cliëntenremisier is die, ter bescherming van de positie van de beleggers op de effectenmarkten (zie hiervoor in 4.3), niet zonder vergunning als beleggingsadviseur mag optreden, maar die niet over een zodanige vergunning beschikt, en de aanbieder van het financiële product dit weet of behoort te weten, dient deze laatste - zoals het hof terecht heeft overwogen - te weigeren met de particuliere belegger te contracteren. De omstandigheid dat Dexia het onderhavige product toch zonder meer aan [eiser] heeft verkocht, is dus van groot belang bij de verdeling van de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige op de voet van art. 6:101 BW.

Gelet op het vorenoverwogene zijn weliswaar aan de belegger ( [eiser] ) omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen (zie het arrest [...] /Dexia), maar voert middel 1 terecht aan dat gelet op de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, en de hiervoor in 5.6.1-5.6.3 vermelde omstandigheden van het geval, waaronder de wijze waarop het product aan het beleggend publiek is aangeboden (dat wil zeggen: mede door tussenkomst en op advies van een cliëntenremisier, SpaarSelect, die deze werkzaamheden niet had mogen verrichten zolang zij niet over een vergunning beschikte), de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden.

(…)

6.2.3

Indien echter de particuliere belegger als potentiële cliënt bij de aanbieder is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, dient te worden afgeweken van de hiervoor in 6.2.1 en 6.2.2 vermelde uitgangspunten in die zin dat de billijkheid dan in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden.”

3.13.

[geïntimeerde] heeft het bewijs van zijn stelling dat de tussenpersoon hem heeft geadviseerd en dat Dexia dit wist of behoorde te weten, nog niet geleverd met de door hem overgelegde stukken.

3.14.

Het hof zal [geïntimeerde] , op wie de bewijslast rust, toelaten tot het bewijs van zijn stelling.

3.15.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de tussenpersoon [geïntimeerde] heeft geadviseerd met betrekking tot de onderhavige effectenleaseproducten van Dexia met de nummers [nummer 2] en [nummer 3] en dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon [geïntimeerde] heeft geadviseerd met betrekking tot die effectenleaseproducten van Dexia;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen - op een nader te bepalen tijdstip - zullen worden gehoord ten overstaan van mr. L.S. Frakes als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

bepaalt dat [geïntimeerde] desgewenst uiterlijk vier weken vóór de eerste enquêtezitting (indien getuigen worden gehoord) dan wel bij akte (indien geen getuigen worden gehoord) stukken kan overleggen, voorzien van een toelichting over de relevantie daarvan, voor het door hem te leveren bewijs;

bepaalt dat Dexia desgewenst daarop kan antwoorden, uiterlijk twee weken vóór de eerste enquêtezitting (indien getuigen worden gehoord) dan wel bij antwoordakte (indien geen getuigen worden gehoord);

verwijst de zaak naar de rol van 16 april 2019 voor opgave van het aantal en de namen van de getuigen en van de verhinderdata van de raadslieden in de periode van 8 tot 16 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zullen opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A.E.M. Hulskes, L.S. Frakes en M.B.M. Loos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 maart 2019.

griffier rolraadsheer