Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1021

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
200.175.437_02
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2783
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.175.437/02

arrest van 19 maart 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. P.J.H.C. Glenz te Landgraaf,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geintimeerden c.s.] ,

advocaat: A.N.A.G. Boer te Klimmen, gemeente Voerendaal,

als vervolg op het tussenarrest van 20 juni 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 20 juni 2017;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van [geintimeerden c.s.] van 17 april 2018;

  • -

    het proces-verbaal van contra-enquête aan de zijde van [appellant] van 9 oktober 2018

  • -

    de memorie na enquête in principaal en incidenteel appel van [geintimeerden c.s.] , met producties;

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [geintimeerden c.s.] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen

(i) dat [appellant] akkoord is gegaan met het vervangen van de rotte panlatten en met het leggen van nieuwe pannen, daar waar de oude pannen werden verwijderd;

(ii) dat de pannen die op het dak van [appellant] liggen, niet meer verkrijgbaar zijn.

Bewijsopdracht (i)

6.2.1.

[geintimeerden c.s.] hebben als getuige doen horen [getuige 1] , de dakdekker die destijds de werkzaamheden aan het dak van [geintimeerden c.s.] heeft uitgevoerd.

[getuige 1] verklaarde dat hij, nadat hij de steigers bij [geintimeerden c.s.] had gezet, bij [appellant] binnen is geweest en toen alles heeft uitgelegd, onder meer dat hij “een goede meter daklatten bij hen moest vervangen om een waterdichte aansluiting te maken. (..) Ik kan niet halverwege twee tengels een panlat gaan doorzagen (..) Tijdens dat gesprek waren meneer en mevrouw [appellant] aanwezig. Aan de achterzijde hadden ze een gezamenlijke schoorsteen en de bak achter die schoorsteen was lek, ik zei ‘die vervang ik meteen’, dat was geen probleem. (..) Ik heb ook met [appellant] besproken dat ik pannen en panlatten aan de voor- en achterzijde op hun dak zou vervangen en zij vonden dat goed. Tijdens de werkzaamheden heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt. (..) Het gesprek waarbij [appellant] akkoord was met de werkzaamheden vond plaats toen ik bij hen was aan het begin van mijn werk. Dat was 7 jaar geleden. Ik weet niet precies meer wanneer. Ik heb niet toegezegd aan [appellant] dat ik anderhalve pan van de dakpannen van [appellant] op de erfscheiding zou laten liggen en dat ik daar af zou blijven. Dat kan helemaal niet.”

Als partijgetuige gehoord heeft [getuige 2] verklaard dat hij over de werkzaamheden alleen schriftelijk met [appellant] heeft gecommuniceerd, maar dat [getuige 1] hem had verteld wat hij met de buren had besproken: “ vertelde mij dat [appellant] hiermee akkoord was en dat hij hem had gezegd ‘als het mij maar geen geld kost’”. [getuige 2] wees er verder op dat [appellant] tijdens de werkzaamheden geen bezwaar had gemaakt.

6.2.2.

In contra-enquête gehoord verklaarde [appellant] dat uit de correspondentie tussen hem en [geintimeerden c.s.] duidelijk blijkt dat hij geen toestemming gaf voor werkzaamheden aan zijn dak. Verder verklaarde hij: “Goltstein [de voormalige advocaat van [appellant] , hof] is komen kijken toen de dakdekker [getuige 1] bezig was met het plaatsen was van de steigers. Hij heeft toen aan [getuige 1] gevraagd: “wat ben je aan het doen” en hij heeft hem gezegd dat hij niet de grens over mocht. Hij bedoelde daarmee de erfgrens op het dak. Naderhand zei Goltstein tegen mij: “hij zal het nu wel laten nu ik hem hier op heb aangesproken”. Het gesprek tussen Goltstein en [getuige 1] vond plaats bij mij thuis, ik wilde dat niet maar Goltstein vond dat netter. Mijn vrouw en ik waren er bij, maar wij hebben niet deelgenomen aan dat gesprek. [getuige 1] heeft toen aan Goltstein uitgelegd wat hij ging doen, niet aan mij. (..)

De raadsheer-commissaris wijst mij op de verklaring van [getuige 1] dat hij alles met mij heeft besproken en dat ik het goed vond dat mijn pannen zouden worden vervangen. Dat is 100 procent gelogen. Hij heeft alles aan Goltstein uitgelegd en hij heeft het alleen gehad over het vervangen van de pannen van [getuige 2] , niet die van ons.”

De echtgenote van [appellant] , [echtgenote van appellant] , heeft als getuige gehoord verklaard: “Over de toestemming kan ik kort zijn: wij hebben nooit toestemming gegeven voor het verwijderen van onze dakpannen. Wij zijn begonnen met een correspondentie met [getuige 2] waarin zin 1 ongeveer was of ze alsjeblieft de grens wilden respecteren. In die correspondentie stond ook dat wij geen toestemming gaven voor het verwijderen van onze dakpannen.”

Als getuige gehoord heeft mr. Goltstein verklaard dat hij de stelling dat er tevoren toestemming is gegeven niet kan plaatsen. Er was een verstoorde relatie tussen [appellant] en [getuige 2] (c.s.) en [appellant] - en ook zijn echtgenote - wilden aan [getuige 2] (c.s.) geen millimeter toegeven. Mr. Goltstein verklaarde verder dat hij toen wist dat [appellant] diverse malen aan [getuige 2] (c.s.) had geschreven dat hij onder geen beding wilde dat er aan het dak werd gewerkt, zonder dat [appellant] wist wat er zou gaan gebeuren. “ had mij gevraagd om alle werkzaamheden aan het dak van [getuige 2] te laten stilleggen. Ik ben daarom zelf naar het pand gaan kijken en daar trof ik de dakdekker. Ik heb met die dakdekker gesproken, ik meen op straat. (..) Ik heb met die dakdekker niet gesproken over de erfgrens of over de dakpannen, maar ik heb wel aan hem laten weten dat ik namens [appellant] zou optreden als er inbreuk op zijn rechten zou worden gemaakt.” Mr. Goltstein voegde daar desgevraagd aan toe dat hij had geprobeerd duidelijk te maken aan de dakdekker dat hij de rechten van [appellant] moest respecteren “ook door mijn aanwezigheid als advocaat” en dat hij “de indruk had” dat de dakdekker ervan overtuigd was dat de werkzaamheden op het dak van [getuige 2] (c.s.) moesten blijven. Het is overigens de vraag of die indruk geheel klopt met de werkelijkheid, want als getuige gehoord kon [getuige 1] zich niet herinneren met mr. Goltstein, de voormalige advocaat van [appellant] , te hebben gesproken.

6.2.3.

Naar het oordeel van het hof kan dat laatste er echter niet aan afdoen, dat [geintimeerden c.s.] niet zijn geslaagd in deze bewijsopdracht dat [appellant] aan hen toestemming had gegeven voor het vervangen van panlatten en dakpannen. [geintimeerden c.s.] steunen hun stelling dat [appellant] toestemming gaf voor het vervangen van de rotte panlatten en de “grensoverschrijdende” pannen eigenlijk alleen maar op de schriftelijke en mondelinge verklaringen van dakdekker [getuige 1] . Zelf heeft [getuige 2] nooit met [appellant] mondeling contact gehad over deze kwestie, zo verklaarde hij (omdat [appellant] geen contact met zijn buren wilde). Over mondeling contact tussen [echtgenote van getuige 2] en [appellant] is niets gesteld of gebleken.

De verklaringen van dakdekker [getuige 1] worden tegengesproken door [appellant] . [appellant] wijst daarbij ook op de correspondentie tussen hem en [geintimeerden c.s.] , die in deze procedure – meermalen – is overgelegd. Uit die correspondentie, bijvoorbeeld de brief aan [geintimeerden c.s.] van 18 mei 2011 blijkt inderdaad dat [appellant] niets aan [geintimeerden c.s.] wilde toegeven, niet met hen wilde samenwerken en evenmin met de dakdekker van [geintimeerden c.s.] wilde overleggen: “Wij hebben geen behoefte en willen ook geen overleg met jullie dakdekker. Jullie zijn opdrachtgever. Het is jullie verantwoordelijkheid”. In diezelfde brief heeft [appellant] ook geschreven “Wij geven jullie dakdekker (..) onder geen enkele voorwaarden toestemming opdrachten op of aan ons dak uit te voeren.” In een eerdere - aangetekende - brief, van 3 mei 2011 schreef [appellant] aan [geintimeerden c.s.] “Gezien jullie houding in het verleden willen wij beslist niets meer met jullie samen doen” en op 20 april 2011 had [appellant] (vetgedrukt) aangegeven dat er niet op zijn terrein gekomen mocht worden en dat hij “een ander soort of teveel afwijkende kleur dakpannen” niet wilde.

De verklaring van mr. Goltstein over de houding van [appellant] sluit hierbij geheel aan.

Gezien deze duidelijke afwijzende - houding van [appellant] en zijn niet mis te verstane schriftelijke mededelingen hadden [geintimeerden c.s.] niet mogen afgaan op de enkele mededeling van dakdekker [getuige 1] , wat daar ook van zij, dat [appellant] akkoord ging met het vervangen van panlatten en pannen. Het ontbreken van toestemming van [appellant] zou mogelijk problemen hebben opgeleverd voor de uitvoering van de dakrenovatie-plannen van [geintimeerden c.s.] , maar die problemen konden op rechtmatige wijze niet worden opgelost door tijdens de afwezigheid van [appellant] de grensoverschrijdende pannen en panlatten te vervangen, zodat het werk gereed was toen hij terug kwam en [appellant] voor een voldongen feit werd gesteld (zoals [appellant] en zijn echtgenote hebben verklaard en [geintimeerden c.s.] niet hebben betwist). Door aldus te handelen zijn, zoals [appellant] heeft gesteld, zijn eigendomsrechten geschonden.

Bewijsopdracht (ii)

6.3.1.

Getuige [getuige 1] heeft over de verkrijgbaarheid van de dakpannen die bij [appellant] liggen allereerst verklaard dat hij bleef bij zijn eerder in het geding gebrachte verklaring, die luidt: “De pannen die door de deskundige in zijn rapport van 11 juni 2014 worden genoemd, de Verbeterde Holle karamische pannen licht genuanceerd, kleur bruin en de pannen die op het dak van [appellant] liggen worden niet meer gemaakt en zijn niet leverbaar en waren ook niet leverbaar in 2014.”

Hij verklaarde dat hij informatie had opgevraagd bij dakpannenfabrieken “ [dakpannenfabriek 1] ” en “ [dakpannenfabriek 2] ”. Met [dakpannenfabriek 1] had hij gebeld, maar over wie hij heeft toen heeft gesproken en wat er precies is gezegd heeft de getuige niet verklaard.

Een vertegenwoordiger van [dakpannenfabriek 2] is in 2014 met [getuige 1] naar de pannen komen kijken: “Zij vertelden mij toen dat die pannen van [appellant] niet meer nieuw verkrijgbaar zijn. Het is een bijzondere bonte kleur, een menging van drie kleuren, en die wordt niet meer gemaakt. (..) De pannen bij [appellant] waren verbeterde Hollandse pannen. Die worden nog wel gemaakt, maar niet in die kleur.”

De advocaat van [appellant] las de getuige voor uit een mail die hij op 11 april 2018 van [dakpannenfabriek 2] had ontvangen, en vroeg de getuige hoe het komt dat in de brochure van [dakpannenfabriek 2] verbeterde Hollandse pannen staan vermeld. Hierop antwoordde de getuige: “Dat klopt wel, maar ze worden niet meer in die bonte kleur gemaakt, dat heeft [dakpannenfabriek 2] mij verteld.

Partijgetuige [getuige 2] kon uit eigen wetenschap over deze bewijsopdracht niets verklaren.

Desgevraagd heeft [getuige 1] op 2 oktober 2018 nog aan de advocaat van [geintimeerden c.s.] geschreven dat de pan die bij [appellant] op het dak ligt een verbeterde holle dakpan vh-vatiabel [variabel, hof] is, en niet de OVH 206-dakpan. In die speciale kleur die bij [appellant] op het dak ligt, is de pan niet meer verkrijgbaar, aldus deze mail (prod. bij memorie na enquête [geintimeerden c.s.] ).

6.3.2.

De eerder door [appellant] aangezochte partijdeskundige [getuige 3] had op 11 april 2018 een email gestuurd aan - de ook door dakdekker [getuige 1] genoemde - dakpannenfabriek [dakpannenfabriek 2] waarin hij vroeg of “de Verbeterde Hollandse pan, herfstkleur en/of rustiek, onverglaasd” nog leverbaar is, omdat de site van [dakpannenfabriek 2] aangaf dat deze pannen nog in productie waren en leverbaar.

[dakpannenfabriek 2] heeft daarop geantwoord: “Alles wat op onze website staat is leverbaar. De brochures betreft de pannen zijn te downloaden via onze site.” (Het was deze mail die tijdens het getuigenverhoor aan [getuige 1] werd voorgelezen.)

De partijdeskundige [getuige 3] schreef vervolgens aan de advocaat van [appellant] dat het ging om OVH206 dakpannen( prod. [appellant] na enquête).

De folder van [dakpannenfabriek 2] , waarover men het had, is niet overgelegd.

6.3.3.

De discussie welke pannen er nu precies op het dak van [appellant] liggen, de Verbeterde Holle pannen (of: Hollandse zoals deze pannen zowel door [getuige 1] als [getuige 3] ook werden genoemd) of de OVH206-pannen, (Opnieuw Verbeterde Holle pannen) is nog niet eerder gevoerd in deze procedure. De eigen deskundige van [appellant] , [getuige 3] , heeft zoals het zich laat aanzien, deze verwarring veroorzaakt. Immers, in zijn eerste rapport van 30 november 2011 vermeldde hij over de pannen van [appellant] slechts dat het ging om “roodkleurige c.q. genuanceerde pannen”. In zijn navraag bij [dakpannenfabriek 2] informeerde [getuige 3] naar de leverbaarheid van de Verbeterde Hollandse pan. Vervolgens schreef [getuige 3] aan de advocaat van [appellant] dat het zou gaan om de OVH206-pan. Nu nergens uit blijkt waarom het opeens om een andere pan zou gaan, houdt het hof dit voor een verschrijving van ing. [getuige 3] . [appellant] en [geintimeerden c.s.] hebben overigens geen van beiden gegriefd tegen de vaststelling door de rechtbank in rov 2.9. van het eindvonnis dat op zijn dak liggen de Verbeterde Holle keramische pannen, licht genuanceerd, kleur bruin. Het hof zal derhalve daar ook in hoger beroep vanuit (blijven) gaan.

6.4.1.

De verklaring van [getuige 1] , dat de pannen die op het dak van [appellant] liggen, niet meer verkrijgbaar zijn, stoelt slechts op door hem gesteld verkregen informatie van dakpannenproducenten [dakpannenfabriek 1] en [dakpannenfabriek 2] . Door [geintimeerden c.s.] zijn geen stukken van [dakpannenfabriek 2] en/of [dakpannenfabriek 1] overgelegd, die deze stelling ondersteunen. Dit had gezien het verweer van [appellant] - onder meer dat [dakpannenfabriek 2] hem heeft geschreven dat de pan wel verkrijgbaar was - wel voor de hand gelegen. Ook de als verweer ingenomen stelling van [appellant] , tijdens het schriftelijke pleidooi, dat hem is gebleken dat dat pannenfabrikant Wienenberger nu nog steeds “Verbeterd Hollandse dakpannen genuanceerd” fabriceert, is door [geintimeerden c.s.] niet weersproken. (Het hof gaat ervan uit dat dit hetzelfde type dakpan is als de Verbeterd Holle dakpannen, nu ook de dakdekker van [geintimeerden c.s.] de woorden Holle en Hollandse door elkaar gebruikt in dit verband).

Daar komt overigens bij, dat [getuige 1] slechts heeft verklaard dat de betreffende pannen “niet nieuw” verkrijgbaar zijn c.q. niet meer gemaakt worden. Dit sluit daarom niet uit dat deze pannen wel nog tweedehands verkrijgbaar zijn.

6.4.2.

De slotsom is dat het hof van oordeel is dat [geintimeerden c.s.] het opgedragen bewijs dat de pannen op het dak van [appellant] niet meer verkrijgbaar zijn, niet geleverd hebben.

6.5.1.

[appellant] zou evenwel (nog steeds) niet tegen de inbreuk door [geintimeerden c.s.] mogen ageren op de wijze zoals hij thans doet (door kort gezegd: herstel in de oude toestand te vorderen), als hij daarmee misbruik van bevoegdheid zou maken. [geintimeerden c.s.] stellen dat dit het geval is, zowel wat betreft de “eigen” pannen van [appellant] als de “grensoverschrijdende” pannen.

6.5.2.

Van misbruik kan in het onderhavige geval sprake zijn als [appellant] , in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen zijn belang bij het uitoefenen van zijn recht tot herstel en het belang van [geintimeerden c.s.] dat daardoor zou worden geschaad, naar redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen (zie artikel 3:13 lid 2-slot BW). Deze norm betekent dat [appellant] in uitgangspunt gebruik mocht maken van het hem toekomende recht, ook als dat [geintimeerden c.s.] schade zou toebrengen. De belangen van [geintimeerden c.s.] worden dus niet op voet van gelijkheid afgewogen met die van [appellant] . Van misbruik (in de hier bedoelde zin) is alleen sprake als er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de met [appellant] ’ optreden te dienen belangen en de voor [geintimeerden c.s.] nadelige gevolgen daarvan.
Het beroep op misbruik van bevoegdheid is een zelfstandig verweer. Dat betekent dat de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast ter zake rusten op [geintimeerden c.s.]

6.5.3.

[geintimeerden c.s.] wijzen in dit verband vooral op het in hun visie geringe kleurverschil tussen hun pannen en de oude pannen van [appellant] (c.q. de resterende pannen van [appellant] ). Kleurverschillen en de appreciatie daarvan betreffen kwesties van smaak, waarover niet te twisten valt. Niet betwist is dat er kleurverschillen zijn, hetgeen het hof (net als de rechtbank) ook op de overgelegde foto’s heeft kunnen constateren. Ook de andere argumenten van [geintimeerden c.s.] , vooral verwoord in nr 29 memorie van grieven in incidenteel appel, maken niet dat geoordeeld kan worden dat er sprake is van genoemde wanverhouding, te meer niet nu de nadelige gevolgen voor [geintimeerden c.s.] bij het weer vervangen van de pannen hooguit van financiële aard kunnen zijn, nu van andere nadelige gevolgen niet is gebleken.

6.6.1.

De grieven van [appellant] in principaal appel slagen derhalve in zoverre, dat het hof [geintimeerden c.s.] zal veroordelen tot het eveneens vervangen van alle grensoverschrijdende pannen - zowel in de rechte lijn als in de hoeken - voor Verbeterde Holle Keramische pannen licht genuanceerd, kleur bruin. In het dictum zal dit worden weergegeven door [getuige 2] c.s te veroordelen tot het aanbrengen van hetzij Verbeterde Holle Keramische pannen licht genuanceerd, kleur bruin. Het hof wijst [appellant] er hierbij op dat enig kleurverschil tussen de nog aanwezige “eigen” pannen op zijn dak en de opnieuw/terug aan te brengen Verbeterde Holle Keramische pannen als gevolg van inwerking van weersomstandigheden en ouderdom niet uit te sluiten zal zijn en dat dit in beginsel geen reden kan zijn die nieuwe pannen te weigeren.

6.6.2.

De door de rechtbank benoemde deskundige had de vervanging van één rij pannen begroot op € 932,00. De rechtbank heeft [geintimeerden c.s.] veroordeeld twee rijen pannen te vervangen op straffe van een dwangsom en daarbij bepaald dat als [geintimeerden c.s.] dit nalaten en het maximum van € 1.500,00 aan dwangsommen is verbeurd, [appellant] dit werk op kosten van [geintimeerden c.s.] mag doen tot een maximum van € 932,00. De vordering tot verklaring voor recht is afgewezen nu daar “gelet op de tegen gedaagden uit te spreken veroordeling” onvoldoende belang bij bestaat.

6.6.3.

Door [appellant] en/of [geintimeerden c.s.] is niet expliciet gegriefd tegen het door de rechtbank toegewezen maximumbedrag voor het geval [appellant] het werk op kosten van [geintimeerden c.s.] zelf zal uitvoeren, dat gezien het oordeel van de rechtbank zag op één rij, doorlopend van voor naar achter. Gelet hierop zal het hof het bedrag dat [appellant] bij [geintimeerden c.s.] in rekening mag brengen voor twee rijen voor en achter en de hoekpannen, ex aequo et bono bepalen op € 2250,00 (zodat thans alsnog in dit verband zal worden toegewezen het bedrag van € 2250,00 minus het reeds toegewezen bedrag van € 932,00). Het vonnis zal op dit punt vernietigd worden, en het hof zal opnieuw oordelen als in het dictum te melden. De gevorderde verklaring voor recht zal eveneens worden gegeven, nu [appellant] daarbij, gezien de aard van de inbreuk, wel belang hebben.

6.7.1.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het principaal appel faalt, uitgezonderd waar de grieven zien op de afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van het vervangen van de pannen en de afwijzing van de vordering met betrekking tot de grensoverschrijdende pannen (in rechte lijn en op de hoeken). Deze verklaring zal worden gegeven als in het dictum weergegeven.

6.7.2.

Het incidenteel appel faalt.

6.7.3.

[appellant] heeft impliciet gegriefd tegen de compensatie van de proceskosten, door opnieuw veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de proceskosten te vorderen. Daarnaast heeft hij veroordeling van [geintimeerden c.s.] gevorderd in de kosten van de deskundige [getuige 3] . [geintimeerden c.s.] hebben in hun grief in incidenteel appel expliciet gegriefd tegen de proceskostencompensatie door de rechtbank. Uit het oordeel van het hof vloeit voort dat beide partijen in eerste aanleg voor een deel in het ongelijk gesteld zijn, zodat de proceskostencompensatie terecht was uitgesproken. De kosten van de eigen deskundigen zijn daarom ook terecht bij de partij gelaten, die de deskundige had aangesteld. In hoger beroep slaagt een deel van de grieven van [appellant] . Gelet hierop zijn ook in principaal appel beide partijen over en weer in het gelijk (c.q. ongelijk) gesteld, en zal het hof deze kosten compenseren. In incidenteel appel faalt de grief, zodat [geintimeerden c.s.] in de kosten daarvan zullen worden veroordeeld.

6.7.4.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het hoger beroep, ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 november 2013 en 29 januari 2014;

vernietigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 5 november 2014, doch slechts voor zover

  • -

    daarin is afgewezen de vordering tot verklaring voor recht dat [geintimeerden c.s.] onrechtmatig hebben gehandeld door bij de renovatie van het dak de erfgrens niet te respecteren en pannen van en op het dak van [appellant] weg te halen en te vervangen door andersoortige pannen, afwijkend ook in kleur, van de rest van [appellant] ’ pannendak;

  • -

    en daarin is afgewezen de vordering van [appellant] tot veroordeling van [geintimeerden c.s.] tot vervanging van de “’grensoverschrijdende pannen” en de hoekpannen,

  • -

    en de bepaling dat de ten laste van [geintimeerden c.s.] te brengen kosten, indien deze het werk niet zelf laat uitvoeren, niet meer zullen bedragen dan € 932,00;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [geintimeerden c.s.] jegens [appellant] onrechtmatig hebben gehandeld door bij de renovatie van het dak in strijd met artikel 3:170 BW de aan partijen gezamenlijk toebehorende pannen weg te halen en de pannen van en op het dak van [appellant] weg te halen en deze weggehaalde pannen te vervangen door andersoortige pannen, afwijkend van de rest van [appellant] ’ pannendak;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] hoofdelijk om binnen zes maanden na betekening van dit arrest de pannen aan de voorzijde, achterzijde en op de hoeken van het dak, welke gedeeltelijk op het dak van [appellant] en gedeeltelijk op het dak van [geintimeerden c.s.] zijn gelegen, te vervangen door Verbeterde Holle Keramische pannen licht genuanceerd, kleur bruin, , zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat [geintimeerden c.s.] daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 2.500,-, en met bepaling dat zodra het maximum aan dwangsommen is verbeurd [appellant] deze werkzaamheden op kosten van [geintimeerden c.s.] zal kunnen uitvoeren, waarbij de ten laste van [geintimeerden c.s.] te brengen kosten niet meer zullen bedragen dan € 2.250,00;

bekrachtigt het beroepen vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten van het principaal hoger beroep zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 1.611,00;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.I.M.W. Bartelds en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 maart 2019.

griffier rolraadsheer