Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1019

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
18/00133 en 18/00134
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1278, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Forensenbelasting. Vraag of forensenbelasting is verschuldigd is in 2001 uitdrukkelijk besproken met Heffingsambtenaar en Heffingsambtenaar heeft toegezegd dat geen aanslag forensenbelasting zal worden opgelegd. Vanaf 2001 zijn geen aanslagen forensenbelasting aan belanghebbende opgelegd. Heffingsambtenaar handelt in strijd met vertrouwensbeginsel door voor de jaren 2014 en 2015 desondanks aanslagen forensenbelasting op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-05-2019
V-N Vandaag 2019/1146
FutD 2019-1385
V-N 2019/29.19.14
Belastingblad 2019/236
NTFR 2019/1338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00133 en 18/00134

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 14 februari 2018, nummers BRE 16/9977 en 16/9978 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te melden aanslagen forensenbelasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2014 en 2015 aanslagen forensenbelasting opgelegd van respectievelijk € 643,67 en € 935,08, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Heffingsambtenaar zijn gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 126. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd. De Heffingsambtenaar heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een conclusie van dupliek in te dienen.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 februari 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn echtgenote, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [verweerder] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.1

De raad van de gemeente Middelburg heeft op 16 december 2013 de Verordening op de heffing en invordering van een forensenbelasting Middelburg 2014 en op 15 december 2014 de Verordening op de heffing en invordering van een forensenbelasting Middelburg 2015 (hierna worden beide Verordeningen als de Verordeningen aangeduid) vastgesteld. In deze Verordeningen zijn - voor zover relevant - de volgende (voor beide Verordeningen gelijkluidende) bepalingen opgenomen.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht

1. Onder de naam ‘forensensbelasting’ wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

(…)

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld

De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2.

2.1.2.

De vaststelling van de Verordening forensenbelasting 2014 is op 24 december 2013 bekendgemaakt in het huis-aan-huis-blad [naam] . De bekendmaking van de vaststelling van de Verordening forensenbelasting 2015 heeft plaatsgevonden in het Gemeenteblad van 24 december 2014, nr. 81404.

2.2.

Belanghebbende woont op [woonplaats] en is tevens eigenaar van een recreatiewoning gelegen aan de [adres] 12 te [plaats 1] (hierna: de recreatiewoning). Tot zijn verhuizing in 1997 naar [woonplaats] in verband met zijn werk woonde belanghebbende in [plaats 2] en diende de recreatiewoning als vakantieverblijf voor belanghebbende en zijn gezin. Na zijn verhuizing naar [woonplaats] is belanghebbende de recreatiewoning aan derden gaan verhuren ten behoeve van vakantieverblijf. Daarbij maakt belanghebbende sinds 2000 gebruik van de diensten van Novasol AS .

2.3.

Belanghebbende heeft met Novasol AS op 16 november 2000 een verhuurbemiddelingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst gold ook in de jaren 2014 en 2015. In de tot de gedingstukken behorende verhuurbemiddelingsovereenkomst is het eigen gebruik van de recreatiewoning voor belanghebbende niet expliciet gelimiteerd.

2.4.

Belanghebbende is voor de jaren 2001 tot 2014 niet aangeslagen voor de forensenbelasting met betrekking tot de recreatiewoning. Voor de jaren 2014 en 2015 heeft de Heffingsambtenaar met dagtekening 30 juni 2016 aanslagen forensenbelasting aan belanghebbende opgelegd.

2.5.

Nadat belanghebbende ermee bekend was geworden dat de Heffingsambtenaar zich op het standpunt stelde dat belanghebbende forensenbelasting verschuldigd was is hij op 21 december 2016 met Novasol AS een “Allonge verhuurovereenkomst” (hierna: de Allonge) overeengekomen. Hierin is een maximering van het eigen gebruik van de recreatiewoning door belanghebbende opgenomen tot 90 dagen per jaar. Vanaf dat moment zijn aan belanghebbende geen aanslagen forensenbelasting meer opgelegd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1) Heeft de Heffingsambtenaar bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat ter zake van het beschikbaar houden van de recreatiewoning geen aanslagen forensenbelasting zouden worden opgelegd?

2) Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord: heeft belanghebbende de recreatiewoning in de jaren 2014 en 2015 meer dan 90 dagen voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar gehouden als bedoeld in artikel 2 van de Verordeningen?

Belanghebbende is van mening dat vraag 1 bevestigend en vraag 2 ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben hieraan ter zitting, voor zover van belang, zakelijk weergegeven het volgende toegevoegd:

Belanghebbende:

In het verleden is door onze Vereniging van Eigenaren gesproken met de heer [A] , heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg. Hij heeft toegezegd dat de forensenbelasting zal vervallen en wij alleen toeristenbelasting verschuldigd zijn. En daarna heb ik ook nooit meer een aanslag ontvangen. Tot deze aanslagen dan.

Heffingsambtenaar:

Ik heb begrepen dat er destijds een fout zat in de Verordening en dat de aanslagen daarom zijn vernietigd. De heer [A] is inderdaad een oud-medewerker van de gemeente Middelburg. Ik bestrijd niet dat er met de Vereniging van Eigenaren een discussie was over de vraag of toeristenbelasting of forensenbelasting moest worden geheven en dat hierover door hen namens onder andere belanghebbende gesproken is met de heer [A] . De heer [A] heeft naar aanleiding van deze discussie toegezegd dat geen forensenbelasting zou worden geheven en ook bewust afgezien van de heffing van forensenbelasting. Hij heeft alleen toeristenbelasting geheven. Maar dat had alleen betrekking op 2001.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Heffingsambtenaar en van de aanslagen forensenbelasting. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vertrouwensbeginsel

4.1.

Van een in rechte te beschermen vertrouwen is sprake als belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat de Heffingsambtenaar bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald (vergelijk onder meer Hoge Raad 17 januari 2003, nr. 37463, ECLI:NL:HR:2003:AF2996).

4.2.

Ter zitting is vast komen te staan dat de Vereniging van Eigenaren - waarvan belanghebbende lid is – in 2001 de vraag of ter zake van het beschikbaar houden van onder meer de recreatiewoning van belanghebbende forensenbelasting verschuldigd is uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld bij de toenmalige Heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg, de heer [A] . In dit gesprek heeft de heer [A] toegezegd dat heffing van forensenbelasting in verband met het beschikbaar houden van recreatiewoningen door de leden van deze Vereniging, achterwege zou blijven en dat uitsluitend toeristenbelasting verschuldigd was. De Heffingsambtenaar stelt dat de heer [A] deze toezegging alleen heeft gedaan voor het jaar 2001 en niet ook, zoals belanghebbende stelt, voor de onderhavige jaren.

4.3.

Vaststaat dat de heffingsmaatstaf van de Verordeningen én de feitelijke situatie met betrekking tot de recreatiewoning van belanghebbende vanaf de toezegging in 2001 tot en met heden ongewijzigd is gebleven en dat gedurende deze reeks van jaren, tot het belastingjaar 2014, heffing van forensenbelasting steeds achterwege is gebleven. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende uit de omstandigheid dat na de toezegging in 2001 geen aanslagen forensenbelasting zijn opgelegd redelijkerwijs mocht menen dat de toezegging ook betrekking had op alle latere jaren na 2001. Het Hof is daarbij van oordeel dat deze niet zo duidelijk in strijd is met een juiste toepassing van de Verordeningen dat belanghebbende in redelijkheid niet op nakoming van de toezegging mocht rekenen. De Heffingsambtenaar heeft aldus bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat aan hem ter zake van het beschikbaar houden van zijn recreatiewoning geen forensenbelasting zou worden geheven. Nu gesteld noch gebleken is dat de Heffingsambtenaar dit gewekte vertrouwen vóór het opleggen van de onderhavige aanslagen heeft beëindigd, heeft de Heffingsambtenaar door het opleggen van deze aanslagen het vertrouwensbeginsel geschonden. Gelet hierop dienen de voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde aanslagen forensenbelasting te worden vernietigd.

Slotsom

4.4.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Heffingsambtenaar en de voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde aanslagen forensenbelasting moeten worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 respectievelijk € 126 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.

Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Heffingsambtenaar,

  • -

    vernietigt de aanslag forensenbelasting 2014,

  • -

    vernietigt de aanslag forensenbelasting 2015, en

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 172, vergoedt.

Aldus gedaan op 15 maart 2019 door A.J. Kromhout, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.