Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1017

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
20-001277-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:1954, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vleesfraude. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van die valse geschriften tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest. De bedrijven van de verdachte hebben paardenvlees ingekocht, uitgebeend, versnipperd en gemengd met rundvet. Het daaruit gevormde product 'snippers 70/30' is als rundvlees aan afnemers verkocht. De verdachte wordt als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk gehouden.

Overwegingen inzake onder meer:

1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep en het tijdig indienen van een appelmemorie;

2. Intellectuele valsheid door in plaats van een gespecificeerde aanduiding waarin tevens het woord 'paard' of een aanduiding van dienovereenkomstige aard of strekking voorkwam, telkens op facturen en pakbonnen te volstaan met de algemene aanduiding 'snippers 70/30 diepvries' of 'snippers 70/30 bevroren';

3. Opzet op valsheid in geschrift en in strijd handelen met de civiele rechtsplicht om overeenkomstig de verkoopovereenkomst snippers te leveren die uitsluitend bestonden uit rundvlees;

4. Valsheid van drie verklaringen waarin is verklaard dat geen paardenvlees was geproduceerd en/of in de geleverde producten aanwezig was;

5. Facturen inzake al dan niet bestaande leveringen en het indienen van die facturen ter bevoorschotting bij een kredietmaatschappij;

6. Betrouwbaarheid van ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen;

7. Ontslag van alle rechtsvervolging voor het gebruik maken van valse weeglijsten door deze in de administratie op te nemen;

8. Belang van traceerbaarheid van vlees, vertrouwen in het handelsverkeer en misleiding van afnemers en consumenten;

9. Overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001277-15

Uitspraak : 15 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 april 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-997004-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1969,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (feiten 1 en 2) en
- ‘opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (feiten 3 en 4),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.


Voorts heeft de rechtbank de verdachte partieel vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde, voor zover dat ziet op het gebruik maken van valse weeglijsten, alsmede van hetgeen onder de feiten 2 en 4 aan hem ten laste is gelegd, voor zover die feiten zien op valsheid in geschrift met betrekking tot een factuur met nummer 12205464, alsmede 16 andere facturen.

Namens de verdachte en door de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder de feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de appelmemorie te laat is ingediend. Voorts heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd, in die zin dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet overeenkomt met de straffen die blijkens jurisprudentie in soortgelijke gevallen zijn opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en/of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 februari 2013, in de gemeente Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, 9, althans een of meerdere geschrift(en) te weten:
(zaak 1, AMB-054, pg. 354 t/m 367 proces-verbaal)
- een factuur met nummer 12200022 (DOC 3348, pg. 4279 proces-verbaal) en/of
- een pakbon met nummer 108822 (DOC 3349, pg. 4280 proces-verbaal) en/of
- een pakbon met nummer 108787 (DOC 3351, pg. 4282 proces-verbaal) en/of
(zaak 2, AMB-042, pg. 248 t/m 268 proces-verbaal)
- een pakbon met nummer 123252 (DOC 031, pg. 898 proces-verbaal) en/of
- een factuur met nummer 12204916 (DOC 023, pg. 890 proces-verbaal) en/of
- een verklaring van 12 november 2012 (DOC 033, pg. 900 proces-verbaal) en/of
(zaak 3, AMB-031, pg. 179 t/m 195 proces-verbaal)
- een factuur met nummer 12302240 (DOC 597, pg. 1468 proces-verbaal) en/of
- een verklaring van 17 januari 2013 (DOC 925, pg. 1796 proces-verbaal) en/of
(zaak 4, AMB-017, pg. 123 t/m 136 proces-verbaal)
- een verklaring van 31 januari 2013 (DOC 913, pg. 1784 proces-verbaal), ten aanzien van een partij vlees gefactureerd onder nummer 12202666 (DOC 900, pg. 1771 proces-verbaal),
die (telkens) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen (telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt of heeft/hebben laten opmaken dan wel heeft/hebben vervalst of heeft/hebben laten vervalsen, door (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid:
(zaak 1)
- op de factuur met nummer 12200022 en/of op de pakbon(nen) met nummer 108822 en/of 108787 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' te (laten) vermelden terwijl in werkelijkheid het artikel/product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
(zaak 2)
- op de pakbon met nummer 123252 en/of op de factuur met nummer 12204916 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' te (laten) vermelden terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
- in de verklaring van 12 november 2012 te (laten) verklaren dat geen paardenvlees wordt en/of werd verwerkt en/of dat geen paardenvlees aan [afnemer 1] B.V. te Oss was geleverd, terwijl in werkelijkheid paardenvlees was verwerkt en/of (aan [afnemer 1] B.V.) was geleverd en/of
(zaak 3)
- op de factuur met nummer 12302240 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' te (laten) vermelden terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
- in de verklaring van 17 januari 2013 te (laten) verklaren dat 100% rundvlees was geproduceerd en/of dat alleen rundvlees werd verwerkt, terwijl in werkelijkheid zowel rund- als paardenvlees was geproduceerd/verwerkt en/of
(zaak 4)
- in de verklaring van 31 januari 2013 te (laten) verklaren dat de partij rundersnippers 70/30 zoals gefactureerd onder nummer 12202666 slechts bestond uit rundvlees, terwijl in werkelijkheid deze partij uit zowel rund- als paardenvlees bestond,
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte tot het plegen van vorenomschreven feit(en) (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan die verboden gedraging(en) (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.
[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en/of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2012 tot en met 1 april 2013, in de gemeente Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, 19, althans een of meerdere geschrift(en) waaronder:
(zaak 5, AMB-049, pg. 293 t/m 318 proces-verbaal)
- een factuur met nummer 12305257 (DOC 2902, pg. 3832 proces-verbaal) en/of
- een factuur met nummer 12205773 (DOC 884, pg. 1755 proces-verbaal) en/of
- een factuur met nummer 12205464 (DOC 994, pg. 1866 proces-verbaal),
die (telkens) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen (telkens) valselijk hebben/heeft opgemaakt of hebben/heeft laten opmaken dan wel hebben/heeft vervalst of hebben/heeft laten vervalsen, door (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid:
(zaak 5)
- op de factuur met nummer 12305257 een levering (van snippers 90/10) te (laten) vermelden, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden en/of
- op de factuur met nummer 12205773 een levering (van snippers 60/40) te (laten) vermelden, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden en/of
- op de factuur met nummer 12205464 een levering (van magerfleisch 80/20) te (laten) vermelden, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden,
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte tot het plegen van vorenomschreven feit(en) (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan die verboden gedraging(en) (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

3.
[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en/of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 februari 2013, in de gemeente Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt of heeft laten maken van 14, althans een of meerdere vals(e) of vervalst(e) geschrift(en) te weten:
(zaak 1, AMB-054, pg. 354 t/m 367 proces-verbaal)
- een factuur met nummer 12200022 (DOC 3348, pg. 4279 proces-verbaal) en/of
- een pakbon met nummer 108822 (DOC 3349, pg. 4280 proces-verbaal) en/of
- een pakbon met nummer 108787 (DOC 3351, pg. 4282 proces-verbaal) en/of
- een weeglijst met nummer 9997 (DOC 1082, pg. 1954 proces-verbaal) en/of
- een weeglijst met nummer 10237 (DOC 1166, pg. 2038 proces-verbaal) en/of
(zaak 2, AMB-042, pg. 248 t/m 268 proces-verbaal)
- een pakbon met nummer 123252 (DOC 031, pg. 898 proces-verbaal) en/of
- een factuur met nummer 12204916 (DOC 023, pg. 890 proces-verbaal) en/of
- een weeglijst met nummer 11956 (DOC 622, pg. 1493 proces-verbaal) en/of
- een weeglijst met nummer 11803 (DOC 613, pg. 1484 proces-verbaal) en/of
- een verklaring van 12 november 2012 (DOC 033, pg. 900 proces-verbaal) en/of
(zaak 3, AMB-031, pg. 179 t/m 195 proces-verbaal)
- een factuur met nummer 12302240 (DOC 597, pg. 1468 proces-verbaal) en/of
- een weeglijst met nummer 11311 (DOC 635, pg. 1506 proces-verbaal) en/of
- een verklaring van 17 januari 2013 (DOC 925, pg. 1796 proces-verbaal) en/of
(zaak 4, AMB-017, pg. 123 t/m 136 proces-verbaal)
- een verklaring van 31 januari 2013 (DOC 913, pg. 1784 proces-verbaal), ten aanzien van een partij vlees gefactureerd onder nummer 12202666 (DOC 900, pg. 1771 proces-verbaal),
(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat (laten) gebruikmaken (telkens) hierin dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en/of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. (telkens) voornoemd(e) geschriften in haar (bedrijfs)administratie heeft/hebben opgenomen of laten opnemen en/of voornoemde factu(u)r(en) en/of pakbon(nen) en/of verklaring(en) aan haar klant(en)/afnemer(s) heeft/hebben verzonden of laten verzenden althans ter beschikking gesteld of laten stellen en bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat
(zaak 1)
- op de factuur met nummer 12200022 en/of op de pakbon(nen) met nummer 108822 en/of 108787 onder de artikel/omschrijving (telkens) 'snippers 70/30 diepvries' was vermeld, terwijl in werkelijkheid het artikel/product (telkens) uit zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
- op de weeglijst(en) met nummer 9997 en/of 10237 onder artikel/omschrijving (telkens) 'half rund vr' was vermeld terwijl in werkelijkheid het artikel/product (telkens) uit zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
(zaak 2)
- op de pakbon met nummer 123252 en/of op de factuur met nummer 12204916 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' was vermeld terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
- op de weeglijst met nummer 11956 en/of op de weeglijst met nummer 11803 onder artikel/omschrijving 'half rund vr' was vermeld terwijl in werkelijkheid het product uit (onder meer) zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
- in een verklaring van 12 november 2012 was verklaard dat geen paardenvlees wordt en/of werd verwerkt en/of dat geen paardenvlees aan [afnemer 1] B.V. te Oss was geleverd, terwijl in werkelijkheid paardenvlees was verwerkt en/of (aan [afnemer 1] B.V.) was geleverd en/of
(zaak 3)
- op de factuur met nummer 12302240 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' was vermeld terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
- op de weeglijst met nummer 11311 onder artikel/omschrijving 'half rund vr' was vermeld terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en/of
- in een verklaring van 17 januari 2013 was verklaard dat 100% rundvlees was geproduceerd en/of dat alleen rundvlees werd verwerkt, terwijl in werkelijkheid zowel rund- als paardenvlees was geproduceerd/verwerkt en/of
(zaak 4)
- in een verklaring van 31 januari 2013 was vermeld dat een partij rundersnippers 70/30 slechts bestond uit rundvlees, terwijl in werkelijkheid de partij uit zowel rund- als paardenvlees bestond,
zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte tot het plegen van vorenomschreven feit(en) (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan die verboden gedraging(en) (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

4.
[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en/of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2012 tot en met 1 april 2013, in de gemeente Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt of laten maken van 19, althans een of meerdere vals(e) of vervalst(e) geschrift(en) waaronder:
(zaak 5, AMB-049, pg. 293 t/m 318 proces-verbaal)
- een factuur met nummer 12305257 (DOC 2902, pg. 3832 proces-verbaal) en/of
- een factuur met nummer 12205773 (DOC 884, pg. 1755 proces-verbaal) en/of
- een factuur met nummer 12205464 (DOC 994, pg. 1866 proces-verbaal),
(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en/of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. (telkens) voornoemd(e) geschriften in haar (bedrijfs)administratie heeft/hebben opgenomen of laten opnemen en/of voornoemde factu(u)r(en) (aan [factoreringmaatschappij] B.V.) heeft/hebben verzonden of laten verzenden althans ter beschikking gesteld of laten stellen en bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat:
(zaak 5)
- op de factuur met nummer 12305257 een levering (van snippers 90/10) was vermeld, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden en/of
- op de factuur met nummer 12205773 een levering (van snippers 60/40) was vermeld, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden en/of
- op de factuur met nummer 12205464 een levering (van magerfleisch 80/20) was vermeld,
terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte tot het plegen van vorenomschreven feit(en) (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan die verboden gedraging(en) (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie


A.

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep, omdat niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven ter griffie van de rechtbank is ingediend. Op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is het aan de rechter overgelaten of hij na weging en waardering van de omstandigheden van het geval hieraan de sanctie van niet-ontvankelijkheid zal verbinden. Nu er geen plausibele reden is gegeven ter rechtvaardiging van de te late indiening van de schriftuur houdende grieven, dient het hof aan de termijnoverschrijding de sanctie van niet-ontvankelijkheid te verbinden, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.


B.

Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt, voor zover hier van belang, dat de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, dient in te dienen op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.

Artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien van de zijde van het Openbaar Ministerie geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Op grond van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad1 en in het licht van de parlementaire geschiedenis2 is deze bepaling mede van toepassing op een geval waarin de schriftuur, ook wel appelmemorie genoemd, niet tijdig is ingediend.

Het hof stelt vast dat de officier van justitie bij akte van 20 april 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 7 april 2015.

Aan de akte is een zogenaamd grievenformulier gehecht, eveneens gedateerd 20 april 2015, met een opgave van de bezwaren van het Openbaar Ministerie, waarop is aangekruist dat het hoger beroep is gericht tegen:

(…)

C. de vrijspraak van het feit/de feiten ten laste gelegd onder de nrs. 2, 3, 4.

(…)

E. de opgelegde straf, met name tegen:

de onvoldoende hoogte van de straf.

Tevens is vermeld dat het een volgappel betreft.

Op 3 november 2015, dus ruim 6,5 maand na indiening van het grievenformulier, is ter griffie van de rechtbank de appelmemorie ontvangen. De reden voor het eerst op 3 november 2015 indienen van een appelmemorie is, zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft medegedeeld, gelegen in de werkdruk op het parket.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of deze omstandigheid, dat eerst op 3 november 2015 een (nadere) appelmemorie is ingediend, in het concrete geval tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden. Daartoe dient te worden beoordeeld welk belang dient te prevaleren: dat van de behandeling van het appel van het Openbaar Ministerie in hoger beroep of het belang van een scherpe sanctionering van de tekortkoming. Het hof is van oordeel dat het pas op 3 november 2015 indienen van de (nadere) appelmemorie in het onderhavige geval niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring. Bij die beoordeling heeft het hof acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden.

Allereerst neemt het hof in aanmerking dat de officier van justitie bij gelegenheid van het instellen van het hoger beroep op 20 april 2015 op het grievenformulier d.d. 20 april 2015, dat achter de akte van beroep is gevoegd, te kennen heeft gegeven dat het appel is gericht tegen de deelvrijspraken van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten en de hoogte van de strafoplegging. Aldus was reeds op 20 april 2015 genoegzaam duidelijk welke grieven het Openbaar Ministerie, in ieder geval op hoofdpunten, had tegen het bestreden vonnis. In die zin is van een te late indiening van een schriftuur houdende grieven geen sprake.

De grieven zijn vervolgens nader onderbouwd bij appelmemorie van 3 november 2015.

Uit hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte en diens raadsman is aangevoerd, is niet gebleken dat de indiening van de (nadere) appelmemorie op 3 november 2015 voor de verdediging, ook met betrekking tot de deelvrijspraken en de strafoplegging, een beletsel heeft gevormd voor een goede voorbereiding van de behandeling van de zaak. In dit verband heeft het hof in aanmerking genomen dat de zaak reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2017 voor regie is behandeld, bij welke gelegenheid de verdediging diverse onderzoekswensen heeft ingediend en de zaak vervolgens inhoudelijk op de zittingen van 6 en 22 februari 2019 is behandeld.

Bovendien is het hof van oordeel dat, gelet op de in deze zaak ter discussie staande aspecten die verband houden met de verdenking van fraude in de voedselketen (vleeshandel) en de impact van de zaak, het maatschappelijk belang van deze zaak zodanig is dat het belang van het appel van het Openbaar Ministerie zwaarder behoort te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim om tijdig een (nadere) appelmemorie in te dienen.


Het hof verwerpt mitsdien het tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer en acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 februari 2013, in de gemeente Oss, althans in Nederland, 9 geschriften, te weten:
- een factuur met nummer 12200022 en
- een pakbon met nummer 108822 en
- een pakbon met nummer 108787 en
- een pakbon met nummer 123252 en
- een factuur met nummer 12204916 en
- een verklaring van 12 november 2012 en
- een factuur met nummer 12302240 en
- een verklaring van 17 januari 2013 en
- een verklaring van 31 januari 2013, ten aanzien van een partij vlees gefactureerd onder nummer 12202666,
die telkens bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen telkens valselijk heeft laten opmaken, door telkens valselijk en in strijd met de waarheid:
- op de factuur met nummer 12200022 en op de pakbonnen met nummers 108822 en 108787 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' te laten vermelden terwijl in werkelijkheid het artikel/product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en
- op de pakbon met nummer 123252 en op de factuur met nummer 12204916 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' te laten vermelden terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en
- in de verklaring van 12 november 2012 te laten verklaren dat geen paardenvlees wordt en werd verwerkt en dat geen paardenvlees aan [afnemer 1] B.V. te Oss was geleverd, terwijl in werkelijkheid paardenvlees was verwerkt en aan [afnemer 1] B.V. was geleverd en
- op de factuur met nummer 12302240 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' te laten vermelden terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en
- in de verklaring van 17 januari 2013 te laten verklaren dat 100% rundvlees was geproduceerd en dat alleen rundvlees werd verwerkt, terwijl in werkelijkheid zowel rund- als paardenvlees was geproduceerd/verwerkt en
- in de verklaring van 31 januari 2013 te laten verklaren dat de partij rundersnippers 70/30 zoals gefactureerd onder nummer 12202666 slechts bestond uit rundvlees, terwijl in werkelijkheid deze partij uit zowel rund- als paardenvlees bestond,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

2.
[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., op tijdstippen in de periode van 1 november 2012 tot en met 1 april 2013, in de gemeente Oss, althans in Nederland, geschriften, te weten:
- een factuur met nummer 12305257 en
- een factuur met nummer 12205773,
die telkens bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen telkens valselijk heeft laten opmaken, door telkens valselijk en in strijd met de waarheid:
- op de factuur met nummer 12305257 een levering van snippers 90/10 te laten vermelden, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden en
- op de factuur met nummer 12205773 een levering van snippers 60/40 te laten vermelden, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

3.
[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 februari 2013, in de gemeente Oss, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt of heeft laten maken van 14 valse geschriften, te weten:
- een factuur met nummer 12200022 en
- een pakbon met nummer 108822 en
- een pakbon met nummer 108787 en
- een weeglijst met nummer 9997 en
- een weeglijst met nummer 10237 en
- een pakbon met nummer 123252 en
- een factuur met nummer 12204916 en
- een weeglijst met nummer 11956 en
- een weeglijst met nummer 11803 en
- een verklaring van 12 november 2012 en
- een factuur met nummer 12302240 en
- een weeglijst met nummer 11311 en
- een verklaring van 17 januari 2013 en
- een verklaring van 31 januari 2013, ten aanzien van een partij vlees gefactureerd onder nummer 12202666,
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat (laten) gebruikmaken telkens hierin dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. voornoemde geschriften in haar bedrijfsadministratie heeft laten opnemen en/of voornoemde facturen en pakbonnen en verklaringen aan haar klanten/afnemers heeft laten verzenden, althans ter beschikking laten stellen en bestaande die valsheid telkens hierin dat:
- op de factuur met nummer 12200022 en op de pakbonnen met nummers 108822 en 108787 onder de artikel/omschrijving telkens 'snippers 70/30 diepvries' was vermeld, terwijl in werkelijkheid het artikel/product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en
- op de weeglijsten met nummer 9997 en 10237 onder artikel/omschrijving telkens 'half rund vr' was vermeld, terwijl in werkelijkheid het artikel/product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en
- op de pakbon met nummer 123252 en op de factuur met nummer 12204916 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' was vermeld, terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en
- op de weeglijst met nummer 11956 onder artikel/omschrijving 'half rund vr' was vermeld terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en

- op de weeglijst met nummer 11803 onder artikel/omschrijving 'half rund vr' was vermeld terwijl in werkelijkheid het product onder meer uit paardenvlees bestond en
- in een verklaring van 12 november 2012 was verklaard dat geen paardenvlees wordt en werd verwerkt en dat geen paardenvlees aan [afnemer 1] B.V. te Oss was geleverd, terwijl in werkelijkheid paardenvlees was verwerkt en aan [afnemer 1] B.V. was geleverd en
- op de factuur met nummer 12302240 onder artikel/omschrijving 'snippers 70/30 diepvries' was vermeld, terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en
- op de weeglijst met nummer 11311 onder artikel/omschrijving 'half rund vr' was vermeld, terwijl in werkelijkheid het product uit zowel rund- als paardenvlees bestond en
- in een verklaring van 17 januari 2013 was verklaard dat 100% rundvlees was geproduceerd en dat alleen rundvlees werd verwerkt, terwijl in werkelijkheid zowel rund- als paardenvlees was geproduceerd/verwerkt en
- in een verklaring van 31 januari 2013 was vermeld dat een partij rundersnippers 70/30 slechts bestond uit rundvlees, terwijl in werkelijkheid de partij uit zowel rund- als paardenvlees bestond,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

4.
[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., op tijdstippen in de periode van 1 november 2012 tot en met 1 april 2013, in de gemeente Oss, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten:
- een factuur met nummer 12305257 en
- een factuur met nummer 12205773,
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. telkens voornoemde geschriften in haar bedrijfsadministratie heeft laten opnemen en voornoemde facturen aan [factoreringmaatschappij] B.V. heeft laten verzenden, althans ter beschikking laten stellen en bestaande die valsheid telkens hierin dat:
- op de factuur met nummer 12305257 een levering van snippers 90/10 was vermeld, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden en
- op de factuur met nummer 12205773 een levering van snippers 60/40 was vermeld, terwijl in werkelijkheid voornoemde levering nooit heeft plaatsgevonden,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen


C.
Inleiding

Uit het dossier blijkt dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. gezamenlijk vanuit Oss een internationaal opererende onderneming hebben gedreven, die zich bezig hield met het inkopen, uitbenen en het versnijden van rundvlees en het verhandelen van dat vlees. [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. is opgericht op 29 oktober 1998 en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. is opgericht op 16 maart 2000.

De holding [holding/houdstermaatschappij] B.V., opgericht op 29 oktober 1998, waarvan de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder was, was bestuurder en enig aandeelhouder van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en bestuurder van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. De verdachte was voorts enig aandeelhouder van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V.3 De verdachte bepaalde naar eigen zeggen wat er gebeurde binnen de ondernemingen, hij was de baas.4

De onderneming leverde aan verschillende slagerijen en aan de vleesverwerkingsindustrie in binnen- en buitenland. Afhankelijk van de omstandigheid bij welke van de twee vennootschappen de door de factoringmaatschappij [factoreringmaatschappij] B.V. gehanteerde kredietlimiet nog ruimte bood, vond de levering van het vlees en de facturering daarvan afwisselend plaats door hetzij [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V., hetzij [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V.5

Uit Ierland en het Verenigd Koninkrijk zijn meldingen gekomen dat paardenvlees was aangetroffen in hamburgers die volledig uit rundvlees zouden moeten bestaan. Ook was er CIE-informatie dat binnen de onderneming van verdachte [verdachte] paardenvlees vermengd werd met rundvlees en het product vervolgens als rundvlees werd verkocht. Voorts was door een van de afnemers van de onderneming van verdachte [verdachte] , te weten hamburgerproducent [afnemer 1] B.V., een intern onderzoek ingesteld. De conclusie daarvan was dat DNA van paarden in de door [afnemer 1] B.V. geproduceerde hamburgers was aangetroffen. De vleessnippers die in die hamburgers waren verwerkt, bleken afkomstig te zijn van de onderneming van verdachte [verdachte] . Er waren door [afnemer 1] B.V. rundersnippers besteld.6

Daarop is vanaf eind januari 2013 een strafrechtelijk onderzoek, genaamd Loet, ingesteld naar de verdachten [verdachte] , [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. Op 15 februari 2013 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op de bedrijfslocatie van de onderneming en de woning van verdachte [verdachte] . Bij vrieshuizen en later bij de afnemers van de onderneming van [verdachte] zijn diverse monsters genomen van vlees dat afkomstig was van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. In totaal zijn 167 monsters genomen van verschillende vleesproducten, waarvan er 35 positief testten op de aanwezigheid van paarden-DNA. Deze 35 positief geteste bemonsteringen zijn aangetroffen in de volgende producten: snippers 70/30, hamburgervlees, rundersoepballen, beefburgers, snippers 90/10, nek-zonder-been en nek-worst-mix.7

Ook is onderzoek gedaan in de inbeslaggenomen administratie naar facturen, pakbonnen, weeglijsten alsmede naar verklaringen die namens de bedrijven van de verdachte zijn verstrekt aan afnemers, in welke verklaringen is vermeld dat geen paardenvlees is geproduceerd of aanwezig was in geleverde partijen. Voorts volgde onderzoek naar de juistheid van facturen die ter bevoorschotting waren ingediend bij factoringmaatschappij [factoreringmaatschappij] B.V.

D.
Standpunten verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daaraan heeft hij – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord en zoals bij aanvullend pleidooi ter terechtzitting van 22 februari 2019 naar voren gebracht – het volgende ten grondslag gelegd.

D.1 Geen opzet op valsheid in geschrift (feiten 1 en 3)
Volgens de raadsman is het bewijs ontoereikend voor de stelling van het Openbaar Ministerie dat de verdachte opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de valsheid van de in de tenlastelegging genoemde geschriften.

Aan de facturen, pakbonnen en verklaringen komt weliswaar bewijsbestemming toe, maar de omschrijving ‘snippers 70/30 diepvries’ of ‘snippers 70/30’ is geen onjuiste en daarmee valse benaming, aangezien deze benaming steeds de verhouding aangeeft tussen vlees (70%) en rundervet (30%).

Voorts is van het verhullen dat paardenvlees is verwerkt geen sprake. Inkoopfacturen van de paarden waren namelijk geboekt in de administratie van de verdachte. De paardenkarkassen werden aan het eind van de dag uitgebeend en vermengd met rundervet. Daarna werd het gemengde product voorzien van een batchnummer, in rode zakken gedaan en vervolgens ingeslagen bij het vrieshuis onder het speciale artikelnummer ‘2230’. De snippers 70/30 met uitsluitend rundvlees werden door middel van blauwe zakken ingeslagen onder nummer 2523. Het scheiden van het vlees in verschillende kleuren zakken en het inslaan onder verschillende nummers leek de verdachte voldoende onderscheidend.

Met betrekking tot de drie verklaringen van of namens de ondernemingen van de verdachte aan afnemers waarin is verklaard dat geen paardenvlees was geproduceerd en/of in de geleverde producten aanwezig was, heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht.

De verklaring van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 1] B.V. d.d. 12 november 2012 is in strijd met de waarheid omdat er binnen het bedrijf wel degelijk paardenvlees werd verwerkt. De verklaring van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 2] d.d. 17 januari 2013 is daarentegen wel juist omdat er toentertijd geen paardenvlees meer werd verwerkt en uitgeslagen.

Ter zake van de verklaring van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 3] S.A. d.d. 31 januari 2013 heeft de raadsman betoogd dat de verdachte geen opzet heeft gehad om een valse verklaring over de levering op 27 juni 2012 op te stellen door de werkelijke herkomst van het vlees te verhullen. De verdachte was in de veronderstelling dat hij alleen rundvlees had geleverd. Er is ook niet vast te stellen dat er paardenvlees is geleverd op die dag. De partij is volgens de verdachte in Portugal vermengd met een partij van een andere leverancier.

D.2 Daadwerkelijke bestellingen van [afnemer 4] en [afnemer 5] (feiten 2 en 4)

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er door [afnemer 5] en [afnemer 4] bestellingen zijn gedaan. De leveringen hadden nog niet plaatsgevonden. Die zijn uiteindelijk niet doorgegaan omdat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) beslag had gelegd op de partijen vlees. Vervolgens zijn creditfacturen opgemaakt.

De verdachte ging er volgens de raadsman vanuit dat hij, nadat hij een definitieve orderbevestiging van een klant ontving, de factuur kon indienen bij de factoringmaatschappij [factoreringmaatschappij] B.V. ter bevoorschotting van de verkoopsom, ondanks dat er sprake was van een uitgestelde levering.
De verdachte heeft hieraan toegevoegd dat het indienen van facturen van nog niet geleverde partijen vlees volgens de algemene voorwaarden behorende bij de factoringovereenkomst met [factoreringmaatschappij] B.V. eigenlijk niet mag (kortweg: omdat bedrijven eerst een prestatie moeten hebben geleverd alvorens een factuur ter bevoorschotting mag worden ingediend). De verdachte heeft echter ook verklaard dat er diverse audits van [factoreringmaatschappij] B.V. op zijn bedrijf hebben plaatsgevonden en dat er toen niets van deze gang van zaken is gezegd (of door hem om toestemming is gevraagd).

Deze werkwijze is volgens de raadsman door [factoreringmaatschappij] B.V. in het verleden aldus akkoord bevonden. De raadsman stelt dat niet valt in te zien dat de verdachte zich met deze handelwijze schuldig heeft gemaakt aan het opstellen van valse creditfacturen en het opzettelijk gebruikmaken daarvan.

D.3 Getuigenverhoren

Ter terechtzitting van het hof van 6 februari 2019 heeft de verdediging een verklaring d.d. 6 maart 2013 overgelegd, waaruit kort gezegd naar voren komt dat [afnemer 4] het product snippers 60/40 – waarop de factuur met nummer 12205773 d.d. 18 december 2012 van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 4] V.O.F. ziet – daadwerkelijk zou hebben besteld. Indien het hof geen waarde aan die verklaring zal hechten en in raadkamer toekomt aan een bewezenverklaring van de valsheid van de facturen met nummers 12305257 en 12205773 aan [afnemer 4] , is door de verdediging het voorwaardelijke verzoek gedaan om [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] van [afnemer 4] als getuige te horen, teneinde hem te kunnen bevragen of de litigieuze bestelling zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.

Naar aanleiding van deze door de verdediging overgelegde verklaring heeft het hof bevolen zowel [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] voornoemd als [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] , het hoofd verkoop van de ondernemingen van [verdachte] , als getuigen op te roepen teneinde hen te horen op de terechtzitting van 22 februari 2019.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 22 februari 2019, nadat beide getuigen zijn gehoord, gesteld dat ofwel de verklaring van getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] ofwel de verklaring van getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] gelogen is. De raadsman heeft vervolgens kanttekeningen geplaatst bij de belastende verklaring die door [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] is afgelegd en deze verklaring als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig aangemerkt. Een en ander dient in de visie van de verdediging te leiden tot vrijspraak waar het gaat om deze twee facturen.

D.4 Voorwaardelijk verzoek tot schriftvergelijking

De verdediging heeft ter terechtzitting van 22 februari 2019 voorts het volgende aanvullende voorwaardelijke verzoek gedaan. Indien het hof mocht oordelen dat de factuur met nummer 12205773 aan [afnemer 4] vals is, dan verzoekt de verdediging om door [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] namens [afnemer 4] geschreven brieven te vergelijken met voormelde verklaring van 6 maart 2013, zodat kan worden geconstateerd of er verschillen bestaan in de opdruk van het briefpapier, opdat de betrouwbaarheid van de belastende verklaring van [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] kan worden getoetst. De verdediging wenst meer specifiek na te gaan of de vermelding van het telefoonnummer op voornoemde verklaring verschilt van de vermelding op brieven die namens [afnemer 4] zijn geschreven. Getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] heeft immers verklaard dat de verklaring niet door hem is afgegeven en ook niet afkomstig is van [afnemer 4] , onder meer omdat het telefoonnummer [telefoonnummer] nimmer met punten op stukken wordt vermeld. Als de opdruk steeds gelijkluidend is, dan dient daaruit de conclusie te worden getrokken dat de belastende verklaring van [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] als onbetrouwbaar terzijde moet worden gesteld, aldus de raadsman.

E.
Standpunten Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaring van de rechtbank ter zake van het onder de feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde stand kan houden. In de visie van het Openbaar Ministerie dient het hof evenwel, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, op de gronden zoals nader in het schriftelijk requisitoir genoemd, tevens bewezen te verklaren dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. valselijk opmaken en gebruikmaken van de overige, niet door de rechtbank bewezenverklaarde facturen (waaronder enkele aan [afnemer 5] GmbH & Co. gerichte facturen), zoals onder de feiten 2 en 4 aan de verdachte ten laste is gelegd. Voorts is gevorderd de verdachte te veroordelen ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het door voornoemde vennootschappen gebruik maken van valse weeglijsten, zoals onder feit 3 op de dagvaarding is vermeld.

F.
Beoordeling van het hof8

Hierna zal het hof eerst de verklaringen van onder andere de verdachte over de feitelijke gang van zaken binnen de ondernemingen (samengevat) weergeven, alvorens tot een beoordeling van het ten laste gelegde te komen.

F.1 De productie, opslag en in- en verkoop van snippers 70/30
De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat zijn bedrijven rundvleesbedrijven waren en ook als zodanig in de markt bekend stonden. Hij is eind maart 2011 echter ook begonnen met de inkoop van paardenvlees, zulks op verzoek van diverse leveranciers van rundvlees. Uiteindelijk is in de tenlastegelegde periode ongeveer 336.000 kilogram paardenvlees ingekocht om te verwerken. De verdachte kocht het paardenvlees zelf in, was bij de levering aanwezig en sorteerde de ingekomen stukken vlees op kwaliteit. Het ingekochte paardenvlees werd door de verdachte standaard onder de codering ‘half rund vr’ (hof: ‘half rund vrouwelijk’) ingeboekt in het administratiesysteem Reflex. In dit systeem werden ook het gewicht en partijnummer ingevoerd.9 Het paardenvlees werd aldus niet onder de benaming ‘paard’ of een soortgelijke benaming geadministreerd in de administratie. Ook op de assortimentenlijst van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., waarop de producten stonden vermeld, kwam het woord ‘paardenvlees’ niet voor.10

De bedrijven van de verdachte hadden het product ‘snippers 70/30’ sinds 1998 in het assortiment. In de verhouding ‘70/30’ staat ‘70’ voor 70% rundvlees en ‘30’ voor 30% rundervet. Het product ‘snippers 70/30’ betrof een rundvleesproduct dat altijd al die naam droeg. Totdat er paardenvlees in was verwerkt, bestond het product uitsluitend uit rundvlees.11

Het ingekochte paardenvlees werd op het eind van de dag verwerkt en opgemengd met rundervet. Het daaruit ontstane product droeg de naam ‘snippers 70/30’ en werd geregistreerd onder artikelnummer 2230. Dat artikelnummer werd ook gebruikt voor rundvleessnippers van mindere kwaliteit, namelijk van vlees dat bacteriologisch gezien aandacht behoefde en daarom een extra bereiding nodig had.12


De snippers gingen bij de productie in zogeheten dolavbakken. Het product ‘snippers 70/30’ waar paardenvlees in zat, ging in rode zakken. Het product ‘snippers 70/30’ kon ook uitsluitend bestaan uit rundvlees. Het product met uitsluitend (naar het hof begrijpt: kwalitatief beter) rundvlees werd in blauwe zakken gedaan en kreeg het artikelnummer 2523. Het product met rundvleessnippers van mindere kwaliteit, namelijk van vlees dat bacteriologisch gezien aandacht behoefde, werd ingeslagen onder hetzelfde nummer waarop het product ‘snippers 70/30’ met daarin paardenvlees werd ingeslagen, namelijk artikelnummer 2230. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat alleen hij kon traceren in welke partijen paardenvlees was verwerkt en waar de producten met paardenvlees opgeslagen waren. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij het administratief beter had moeten regelen.13

Met betrekking tot de tracering van het paardenvlees heeft de verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor door de NVWA meer specifiek verklaard dat de gemengde partijen paard en rund (hof: die door de ondernemingen van verdachte werden geproduceerd) het partijnummer kregen van het rundervet dat bij het paardenvlees werd gemengd. Het paardenvlees is niet te traceren, omdat dit vlees het partijnummer van het rundvlees krijgt. Aan de hand van de inkoopfactuur (het hof begrijpt: de inkoopfactuur gericht aan [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V.) is wel te zien dat paardenvlees is verwerkt.14 Voorts heeft de verdachte verklaard dat paarden normaliter niet werden ingevoerd in Reflex. Als er ook runderen bij het paardenvlees geleverd waren dan werden de paarden in Reflex ingevoerd onder het partijnummer van de runderen.15 Op de vraag van een verbalisant van de NVWA of iemand zelfstandig zonder hulp van de verdachte een tracering kan doen naar het paardenvlees dat op het bedrijf is verwerkt heeft verdachte geantwoord dat zulks zonder hulp van hem, verdachte, niet mogelijk is.16

De verwerkte partijen vlees gingen in rode en blauwe zakken gescheiden naar het vrieshuis [vrieshuis 1] toe, om aldaar op de plaatvriezer te worden ingevroren.17 Bij gelegenheid van zijn verhoor door de NVWA heeft de verdachte verklaard dat, nadat het vlees in de plaatvriezer was geweest en uit de zakken was gehaald, aan het product niet meer zichtbaar was of er paardenvlees in zat.18

De verdachte deed sinds ongeveer 2005 zaken met het vrieshuis [vrieshuis 1] . Het product ‘70/30’ leverde hij altijd al aan [vrieshuis 1] . Dat werd bij [vrieshuis 1] plaatgevroren. Het vrieshuis [vrieshuis 2] is na de zomer van 2012 in beeld gekomen.19

Het was vrieshuis [vrieshuis 1] slechts bekend dat het product ‘snippers 70/30’ enkel rundvlees zou bevatten. De verdachte heeft dat ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd. Hij heeft pas ergens begin november 2012, toen er al problemen waren ontstaan, tegen [vrieshuis 1] gezegd dat er paard in zat. Dat was nadat [afnemer 1] had gemeld dat paardenvlees in de hamburgers was geconstateerd. Daarvoor heeft hij [vrieshuis 1] nooit op de hoogte gebracht van het feit dat in de snippers 70/30 ook paardenvlees zou kunnen zitten. Het is volgens de verdachte juist dat [vrieshuis 1] dus niet heeft kunnen weten dat hij producten met paardenvlees leverde.20
Getuige [directeur vrieshuis 1] van [vrieshuis 1] heeft verklaard dat hij niet beter wist dan dat er bij [verdachte] alleen runderen werden uitgebeend en dat [vrieshuis 1] alleen rundvlees van [verdachte] ontving. Na de melding van [afnemer 1] is pas in opdracht van de verdachte door [vrieshuis 1] de benaming ‘snippers 70/30’ gewijzigd in ‘snippers 70/30 mix’ en is er op de ingeslagen partijen vlees tevens een sticker opgeplakt met de tekst ‘aangepaste receptuur’.21

Op het moment dat het product ‘snippers 70/30’ in opdracht van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., meer in het bijzonder door verdachte in eigen persoon22, werd uitgeslagen aan een afnemer, heeft de verdachte telkens verzuimd die afnemer te laten weten dat er paardenvlees in het geleverde product zat. De verdachte heeft ook verklaard dat het vlees een andere benaming op het etiket had moeten krijgen bij het verlaten van het bedrijf. Er had de benaming paard/rund op moeten komen te staan. Dat heeft hij evenwel nagelaten.23 Verdachte heeft voorts verklaard dat hij denkt dat het gros van zijn afnemers het product niet van hem had afgenomen als men had geweten dat er paard in zat.24

Met betrekking tot de inkoop en verkoop heeft de verdachte verklaard dat de inkoopprijs van een kilo paardenvlees varieerde tussen € 1,00 en € 1,60. De gemiddelde kiloprijs voor de inkoop van rundvlees lag tussen € 2,30 en € 2,35. De verkoopprijs lag vaak ergens tussen € 2,70 en € 2,80 per kilo rundvlees.
Het paardenvlees was dus goedkoper dan rundvlees.
De partijen snippers 70/30 waarin paardenvlees was verwerkt werden telkens verkocht voor de algemene prijs van het product snippers 70/30, bestaande uit rundvlees.25

F.2 Valsheid door vermelding ‘snippers 70/30’ op facturen en pakbonnen (feiten 1 en 3)

In de tenlastelegging zijn facturen en pakbonnen vermeld die – kort gezegd – betrekking hebben op:

  • -

    twee leveringen begin januari 2012 aan [afnemer 1] B.V. van het product ‘snippers 70/30 diepvries’, geproduceerd in 2011;

  • -

    een levering begin november 2012 aan [afnemer 1] B.V. van het product ‘snippers 70/30 diepvries’, geproduceerd in 2012;

  • -

    een levering eind mei 2012 aan [afnemer 2] GmbH van het product ‘snippers 70/30 bevroren’.

Blijkens de inkooporders die horen bij de transacties waarop de in de tenlastelegging onder de feiten 1 en 3 genoemde facturen26 en pakbonnen27 zien, is steeds vermeld dat door [afnemer 1] B.V. rundersnippers 70/30 werden besteld.28 Getuige [directielid afnemer 1] , directielid van [afnemer 1] B.V. en verantwoordelijk voor de productie, heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de NVWA verklaard dat [afnemer 1] B.V. altijd rundersnippers bij [verdachte] bestelde.29


In de tenlastelegging is onder de feiten 1 en 3 voorts de factuur30 opgenomen die hoort bij een transactie tussen [afnemer 2] GmbH en [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. Hoewel de inkooporder in het dossier ontbreekt, stelt het hof vast dat bij die transactie eveneens rundersnippers zijn besteld. Immers, getuige [inkoper afnemer 2] , inkoper van [afnemer 2] GmbH sinds 2005, heeft verklaard dat hij bij [verdachte] , met wie hij al jaren zaken deed, alleen maar rundvlees bestelde.31 Dit wordt bevestigd nu op de vrachtbrief32, ondertekend door het vrieshuis [vrieshuis 1] , eveneens is vermeld dat de partij vlees rundersnippers 70/30 bevat. Ook op de uitslagbon behorende bij deze partij vlees is vermeld dat er rundersnippers 70/30 zijn uitgeslagen.33

[Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. heeft daarentegen slechts volstaan met een algemene aanduiding van de geleverde vleesproducten op de facturen met nummers 1220002234, 1220491635 en 1230224036, alsmede op de pakbonnen met nummers 10882237, 10878738 en 12325239. Daarop hebben zij telkens laten vermelden: ‘snippers 70/30 diepvries’ of ‘snippers 70/30 bevroren’. Deze facturen en pakbonnen zijn vervolgens opgenomen in de bedrijfsadministratie en aan de afnemers verzonden, dan wel anderszins aan hen ter beschikking gesteld.

De NVWA heeft monsters genomen van diverse partijen vlees, waaronder van de hiervoor genoemde leveringen aan [afnemer 1] B.V. en [afnemer 2] GmbH. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat in de aan deze vennootschappen geleverde partijen vlees paarden-DNA aanwezig was.40 Het door [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. onder de naam ‘snippers 70/30 diepvries’ of ‘snippers 70/30 bevroren’ geleverde product bevatte aldus niet – zoals door de afnemers was besteld – (uitsluitend) rundvlees, maar ook paardenvlees.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het op de facturen en pakbonnen laten vermelden van de algemene aanduidingen ‘snippers 70/30 diepvries’ en ‘snippers 70/30 bevroren’ valsheid oplevert in de zin der wet. In dat verband overweegt het hof als volgt.

Uit het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen komt, naar het oordeel van het hof, naar voren dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., voor wat betreft de aan [afnemer 1] B.V. en [afnemer 2] GmbH geleverde vleesproducten, op de in verband daarmee opgemaakte facturen en pakbonnen verhulde wat in werkelijkheid werd geleverd, zulks door in plaats van een gespecificeerde aanduiding waarin tevens het woord ‘paard’ of een aanduiding van dienovereenkomstige aard of strekking voorkwam, telkens op genoemde documenten te volstaan met de algemene aanduiding ‘snippers 70/30 diepvries’ of ‘snippers 70/30 bevroren’, terwijl de verdachte daaraan feitelijk leiding gaf. Dit verhullen geschiedde met het opzet om de afnemers van de snippers te misleiden. Zij wisten immers niet beter dan dat zij, overeenkomstig hun bestelling, rundvleessnippers geleverd kregen. In werkelijkheid kregen de afnemers echter snippers geleverd waarin tevens het goedkopere paardenvlees was verwerkt. De verdachte heeft zijn afnemers dat nimmer laten weten. Als op de etiketten wel zou zijn vermeld dat er paard in de betreffende partij vlees zat, zou volgens verdachte het merendeel van zijn afnemers het product niet hebben afgenomen. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat er slechts een kleine afzetmarkt voor paardenvlees vermengd met rundervet was.41 In dit verband is voorts van belang dat het product ‘snippers 70/30’, totdat er paardenvlees in werd verwerkt, uitsluitend bestond uit rundvlees, alsmede dat de bedrijven van de verdachte in de markt bekend stonden als rundvleesproducent.

De hiertegenover ten verwere door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat het vlees in verschillende kleuren zakken gescheiden de bedrijven verliet en onder verschillende artikelnummers werd ingeslagen in het vrieshuis en aldus van opzettelijk verhullen geen sprake is, kan de verdachte niet baten. Immers, in het product ‘snippers 70/30’ met artikelnummer 2230 dat in rode zakken naar het vrieshuis ging, kon zowel paardenvlees als bewerkt bacteriologisch rundvlees zitten. Volgens getuige [directeur vrieshuis 1] ging men er bij [vrieshuis 1] juist vanuit dat het product ‘snippers 70/30’ dat werd ingevroren en vanuit het vrieshuis werd uitgeslagen, uitsluitend uit rundvlees bestond. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte – die naar eigen zeggen de enige persoon was die wist in welke partijen paardenvlees was verwerkt en die doorgaans bepaalde uit welke partijen werd uitgeslagen – opdracht heeft gegeven om de partijen waarin paardenvlees was verwerkt in het vrieshuis apart te zetten van de partijen snippers waarin uitsluitend bewerkt bacteriologisch rundvlees zat (met artikelnummer 2230) en de partijen snippers die uitsluitend rundvlees van betere kwaliteit zou moeten bevatten (met artikelnummer 2523). Van vergissingen bij de uitslag door [vrieshuis 1] is niet gebleken. Daar komt nog bij dat uit het onderzoek van de NVWA naar voren is gekomen dat ook in partijen met productiecode 2523 paarden-DNA is aangetroffen.42

Gelet op hetgeen hiervoor onder F.1 met betrekking tot de gang van zaken bij de productie, opslag en in- en verkoop van ‘snippers 70/30’ is overwogen, waaronder ook de verklaring van de verdachte dat hij heeft nagelaten het vlees een andere benaming op het etiket te geven toen het zijn bedrijf verliet en voorts dat hij zijn afnemers niet heeft laten weten dat in de snippers paardenvlees zat, kan het hof bezwaarlijk anders concluderen dan dat de verdachte met vol opzet heeft verhuld dat de door hem aan zijn afnemers geleverde snippers tevens paardenvlees bevatten.

Het hof overweegt voorts dat de bij de levering van het vlees behorende facturen en pakbonnen een bewijsbestemming hebben, in die zin dat daarmee onder andere kenbaar wordt gemaakt welk product door de verkoper aan de afnemer is geleverd. Door opzettelijk na te laten op die facturen en pakbonnen te vermelden dat de vleessnippers uit zowel rund- als paardenvlees bestonden, hebben [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. in strijd gehandeld met hun civiele rechtsplicht om overeenkomstig de verkoopovereenkomst snippers te leveren die uitsluitend bestonden uit rundvlees. Het niet specifiek op de facturen en pakbonnen vermelden dat de geleverde vleessnippers eveneens bestonden uit paardenvlees, maar volstaan met de algemene aanduiding ‘snippers 70/30 diepvries’ of ‘snippers 70/30 bevroren’, dient aldus naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als het valselijk opmaken in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Het vermelden van ‘snippers 70/30 diepvries’ of ‘snippers 70/30 bevroren’ op de facturen en pakbonnen brengt onder de gegeven omstandigheden derhalve intellectuele valsheid met zich. Dat deze gebruikte termen in de vleesbranche gebruikelijk zouden zijn voor welk vleesproduct dan ook met een mengverhouding 70% vlees en 30% rundervet, zoals door de verdachte ten overstaan van het hof naar voren is gebracht, doet daar niet aan af, temeer niet nu de afnemers rundvlees hadden besteld, de bedrijven van de verdachte in de markt bekend stonden als rundvleesproducent en op de assortimentenlijst het woord ‘paard’ niet voorkwam.


Door deze valse documenten, te weten facturen en pakbonnen, vervolgens te laten opnemen in de bedrijfsadministratie en toe te zenden aan afnemers, althans anderszins aan hen ter beschikking te stellen, hebben [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. zich voorts schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van die valse documenten, aan welke verboden gedragingen de verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

F.3 Drie verklaringen dat geen paardenvlees was geproduceerd en/of in de geleverde producten aanwezig was (feiten 1 en 3)

In de tenlastelegging zijn drie verklaringen opgenomen die – kort gezegd – betrekking hebben op:

  • -

    een verklaring d.d. 12 november 2012 van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. waarin is vermeld dat geen paardenvlees is verwerkt en geleverd aan [afnemer 1] B.V. te Oss;

  • -

    een verklaring d.d. 17 januari 2013 van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. ten behoeve van [afnemer 2] GmbH waarin is vermeld dat enkel rundvlees is geproduceerd;

  • -

    een verklaring d.d. 31 januari 2013 van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. ten behoeve van [afnemer 3] S.A. waarin is verklaard dat het product dat is geproduceerd alleen rundvlees bevat.

Nadat [afnemer 1] B.V. constateerde dat in de door [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. geleverde vleessnippers paarden-DNA was aangetroffen, heeft [directielid afnemer 1] , directielid en verantwoordelijke voor de productie van [afnemer 1] B.V., contact opgenomen met de verdachte en hem gevraagd een verklaring af te geven dat door zijn bedrijven aan [afnemer 1] B.V. geleverde producten vrij zijn van paardenvlees.43 Daarop is op 12 november 2012 namens [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. een verklaring afgegeven waarin is verklaard:
Zoals vrijdag besproken verklaren wij vleeshandel W. [verdachte] [vestigingsadres] te Oss dat we geen paardenvlees verwerken of het laatste jaar verwerkt hebben binnen ons bedrijf en dit geleverd te hebben aan [afnemer 1] BV te Oss’.44
Uit het hiervoor genoemde onderzoek komt evenwel naar voren dat in de periode voorafgaand aan de verklaring aan [afnemer 1] B.V. partijen vlees zijn geleverd die mede bestonden uit paardenvlees, aangezien daarin paarden-DNA is aangetroffen.45 Het hof stelt derhalve vast dat de verklaring van 12 november 2012 vals en in strijd met de waarheid is, hetgeen overigens niet door de verdediging is bestreden.

Omdat via de media naar buiten kwam dat er paardenvlees in hamburgers zou zijn verwerkt, heeft [inkoper afnemer 2] op 18 januari 2013 per e-mail namens zijn afnemers (waaronder [afnemer 2] GmbH) aan [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] , het hoofd verkoop van de ondernemingen van verdachte, verzocht om een bevestiging dat het geleverde rundvlees geen sporen van paardenvlees kan bevatten.46 Daarop heeft [kwaliteitsbeheerder ondernemingen verdachte] , kwaliteitsbeheerder van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V., diezelfde dag per e-mail een door haar ondertekende verklaring d.d. 17 januari 2013 toegestuurd waarin is verklaard:

Company [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] is confirming that we have produced 100% bovine meat. We are only processing bovine’.47

Hiermee is in de Engelse taal vermeld dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. bevestigt dat zij alleen rundvlees heeft verwerkt.48 Op een eerder moment, namelijk eind mei 2012, was evenwel een partij ‘snippers 70/30’ van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. uitgeslagen aan [afnemer 2] GmbH, welke partij op 1 juni 2012 is gefactureerd.49 Deze partij is later retour gekomen omdat er metaalsplinters in het vlees waren aangetroffen. Uit onderzoek van de NVWA is naar voren gekomen dat deze geleverde partij vlees positief testte op de aanwezigheid van paarden-DNA.50 Naar het oordeel van het hof is ook deze verklaring van 17 januari 2013 derhalve vals en in strijd met de waarheid, omdat in die verklaring is vermeld dat 100% rundvlees was geproduceerd (zie de frase ‘have produced 100% bovine meat’), terwijl in partijen vlees (waaronder de partij die is geleverd aan [afnemer 2] GmbH) paardenvlees was verwerkt.

De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat er ten tijde van de afgifte van deze verklaring geen paardenvlees meer werd verwerkt en uitgeslagen, maakt dat niet anders.

Door commissionair [commissionair] is namens [afnemer 3] S.A. op 31 januari 2013 per e-mail aan [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] , het hoofd verkoop van de ondernemingen van [verdachte] , verzocht om een verklaring dat geen paarden-DNA in de geleverde vleesproducten aanwezig was.51 Daarop is in het Portugees een verklaring opgesteld namens [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V., waarin onder meer is te lezen:

‘(…) declaro que as aparas de carne bovina que produzimos são feitas unicamente com espécie bovina, em total conformidade’ en ‘Por ser verdade certificamos que os produtos se encontram em boas condições químicas e microbiológicas, para poderem ser comercializadas e consumidas, sem qualquer probabilidade de haver vestígios de outras espécies animais a não ser a bovina, e deste modo não representenado qualquer perigo de risco para a saúde pública do consumidor’.52

De verklaring is ondertekend door de verdachte namens [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V.53 en heeft betrekking op een geleverde partij rundersnippers 70/30, waarvan de factuur is gedateerd op 27 juni 2012.54 Vermeld is dat de snippers alleen gemaakt zijn van rundvlees. Gegarandeerd wordt dat de goederen geen sporen bevatten van andere dierlijke speci, behalve runderen.55

De verdachte heeft met betrekking tot deze verklaring ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij de verklaring kent, dat daarmee is bevestigd dat er geen paardenvlees in die partij zat en dat hij wist wat de strekking was.56 Nu uit onderzoek van de NVWA naar voren is gekomen dat ook deze door de onderneming van verdachte [verdachte] geleverde partij vlees positief testte op de aanwezigheid van paarden-DNA57, is de aan [afnemer 3] S.A. afgegeven verklaring eveneens vals en in strijd met de waarheid.

De verdediging heeft in dit verband de stelling ingenomen dat de verdachte ervan overtuigd is dat aan [afnemer 3] S.A. rundvlees is geleverd en dat, indien er paarden-DNA is aangetroffen in bevroren biefburgers en gehaktballen uit Portugal, het door de onderneming van verdachte geleverde vlees in Portugal moet zijn gemengd met een partij paardenvlees uit Spanje.

Deze stelling vindt zijn weerlegging in het hieromtrent opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en de daarbij behorende onderliggende stukken.58 Daaruit komt immers naar voren dat uit een bij [vrieshuis 1] opgeslagen partij snippers 70/30 aan [afnemer 3] S.A. is geleverd en dat die betreffende partij bij [vrieshuis 1] positief testte op de aanwezigheid van paarden-DNA.

F.4 Facturen inzake al dan niet bestaande leveringen en het indienen ter bevoorschotting (feiten 2 en 4)

De verdachte staat ingevolge hetgeen onder feit 2 aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken van in totaal 19 facturen, alsmede het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk gebruik maken van die 19 facturen (feit 4).

De originele 19 facturen zijn op 15 februari 2013 aangetroffen tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van de ondernemingen van verdachte. In de gearchiveerde administratie van de bedrijven zijn de tweede exemplaren aangetroffen van deze facturen.59 De steller van de tenlastelegging heeft in de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten 3 van die 19 facturen nader geduid, te weten twee facturen aan [afnemer 4] V.O.F. en één factuur aan [afnemer 5] GmbH & Co.

Namens [factoreringmaatschappij] B.V. is op 1 juli 2013 aangifte gedaan tegen de verdachte [verdachte] en de vennootschappen [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. Beide vennootschappen hadden op 9 augustus 2010 met [factoreringmaatschappij] B.V. een factoringovereenkomst afgesloten. Daarbij werd overeengekomen dat de debiteurenportefeuilles van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. werden verpand aan [factoreringmaatschappij] B.V. en dat de verkoopsommen van partijen vlees direct bij verkoop, levering en facturering voor 90% door [factoreringmaatschappij] B.V. werden bevoorschot. [factoreringmaatschappij] B.V. ontving als vergoeding voor die bevoorschotting 0,11% van de factuuromzet inclusief BTW. Het vermoeden bestond dat facturen waren vervalst, waarna deze facturen aan [factoreringmaatschappij] B.V. zijn aangeboden en deze kredietmaatschappij vervolgens ten onrechte tot bevoorschotting is overgegaan.60


Op 7 maart 2013 werd [factoreringmaatschappij] B.V., zonder dat zij de voor creditering van facturen contractueel verplichte toestemming had gegeven, geconfronteerd met 23 creditfacturen ten bedrage van € 1.136.000,00, die door de verdachte aan [factoreringmaatschappij] B.V. werden aangeboden. Omdat deze creditfacturen vragen opriepen, is door [factoreringmaatschappij] B.V. een onderzoek ingesteld naar de transacties waarop die facturen betrekking hadden. Bij dat onderzoek is onder meer gesproken met [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] , de plaatsvervangend algemeen directeur van [afnemer 4] V.O.F. te Zoeterwoude. In dat gesprek is een partij vlees ten bedrage van € 182.910,95, die op 18 december 2012 aan [afnemer 4] geleverd zou zijn, aan de orde gekomen. [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] verklaarde de order en de levering van het gefactureerde vlees, de oorspronkelijke factuur en de betreffende creditfactuur niet te kennen. Hij heeft verklaard de bestelling nimmer gedaan te hebben. Hij heeft daarbij naar voren gebracht dat de hoogte van factuurbedragen in de afgelopen jaren maximaal € 70.000,00 betrof, hetgeen in relatie stond tot de leveringen van hoeveelheden vlees per vracht. Een partij van € 182.900,15 (het hof begrijpt dat bedoeld zal zijn: € 182.910,95) zou een levering van 2,5 vrachtauto’s betekenen, hetgeen ondenkbaar was.61

F.4.1 Factuur met nummer 12205773 aan [afnemer 4]

De partij vlees waarover [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] door medewerkers van [factoreringmaatschappij] B.V. is bevraagd, heeft betrekking op een transactie waarop de in de tenlastelegging genoemde factuur met nummer 12205773 d.d. 18 december 2012 ziet.62 Deze factuur betreft de vermeende levering van 69.023 kilogram ‘rundersnippers 60/40’ door [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 4] V.O.F. ten bedrage van € 182.910,95 (exclusief BTW bedraagt het factuurbedrag € 172.577,55). Deze factuur is ingediend bij [factoreringmaatschappij] B.V. en de verkoopsom op die factuur is bevoorschot door [factoreringmaatschappij] B.V.63

De factuur met nummer 12205773 d.d. 10 december 2012 is tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van de ondernemingen van de verdachte aangetroffen in een stapel van 19 originele facturen. Op de eerste factuur van die stapel stond met pen geschreven ‘niet mailen enz.’.64 In de administratie van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. zat weliswaar de (tweede) gearchiveerde factuur met nummer 12205773, maar daarachter bevonden zich geen andere documenten zoals gebruikelijk is. In de e-mailbestanden werd geen enkele correspondentie omtrent de levering of bestelling van rundersnippers 60/40 door [afnemer 4] aangetroffen.65

In de administratie van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. zijn voorts geen uitslagen aan [afnemer 4] geregistreerd op of omstreeks 18 december 2012, zijnde de dag waarop de levering volgens de factuur met nummer 12205773 zou hebben plaatsgevonden.66

Getuige [directeur vrieshuis 1] van het vrieshuis [vrieshuis 1] heeft op 9 september 2013 verklaard dat hij in juli 2013 van [verdachte] de vraag kreeg of hij zich nog wat kon herinneren van voornoemde partij. Zoals weergegeven in een eerdere schriftelijke verklaring van [directeur vrieshuis 1] d.d. 12 juli 201267, heeft [verdachte] hem eind 2012 gebeld met het verzoek om de snippers 60/40 over te boeken naar [afnemer 4] , omdat [verdachte] deze aan [afnemer 4] zou hebben verkocht. De vaste procedure bij [vrieshuis 1] is dat er pas overgeboekt of verladen wordt naar de afnemer als een opdracht op schrift, via de e-mail, is ontvangen. Een dergelijke schriftelijke order is volgens [directeur vrieshuis 1] niet van [verdachte] ontvangen. De betreffende partij is derhalve op naam van [verdachte] blijven staan. [directeur vrieshuis 1] weet niet of deze partij al dan niet door [verdachte] verkocht was aan [afnemer 4] . De betreffende partij is uiteindelijk nooit geleverd aan [afnemer 4] .68

Getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] , plaatsvervangend algemeen directeur van [afnemer 4] V.O.F., is door de NVWA geconfronteerd met de factuur met nummer 12205773. Gevraagd naar een reactie verklaarde hij dat de betreffende partij vlees waar de hem getoonde factuur op ziet niet door [afnemer 4] is besteld en dat deze partij ook niet is geleverd. [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] heeft voorts verklaard dat hij altijd volledig, voor 100%, betrokken is bij bestellingen en ontvangsten.69 De verklaring van [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] vindt steun in de administratie van [afnemer 4] . Uit de factuurhistorie per leverancier en de uitgedraaide e-mails komt de transactie die aan de factuur met nummer 12205773 ten grondslag ligt immers niet naar voren. Voorts komt uit de factuurhistorie naar voren dat bestellingen van een dergelijke omvang nooit zijn gedaan.70


Ter terechtzitting van het hof van 6 februari 2019 is door de verdediging een verklaring van 6 maart 2013 overgelegd. Die verklaring zou afkomstig zijn van [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] van [afnemer 4] en door [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] , het hoofd verkoop van de ondernemingen van [verdachte] , ter schriftelijke bevestiging na het bestuursrechtelijk beslag door de NVWA op partijen vlees ten name van [verdachte] in de vrieshuizen, persoonlijk bij [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] in Zoeterwoude zijn opgehaald. De verklaring is niet ondertekend.

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de partij snippers 60/40, waarop de factuur met nummer 12205773 ziet, daadwerkelijk was verkocht aan [afnemer 4] . In de visie van de verdediging zou de verklaring van 6 maart 2013 deze stelling van de verdachte kunnen bevestigen. In die genoemde verklaring is vermeld:

“Deze produkten (69023 snippers 60/40) wilde wij laden op 18/02/2013. Omdat deze produkten geblokkeerd waren konden wij ze niet afnemen. Wij moesten andere oplossingen vinden om onze produktie to laten doorgaan, waardoor wij geen behoefte voor dit product meer hebben. Wij gebruiken dit product niet op een structureel manier. Gaarne een credit voor deze levering. Wij zullen bij nieuwe kontakt kijken of we dit product in de toekomst kunnen afnemen.

[plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4]
Asst. Manager”

Getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] heeft ter terechtzitting van 22 februari 2019 verklaard dat hij voornoemde verklaring destijds op verzoek van verdachte [verdachte] met de auto is gaan ophalen bij [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] in Zoeterwoude.71

Getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] heeft daarentegen ten overstaan van het hof verklaard en bevestigd dat hij nooit rundersnippers 60/40 bij [verdachte] heeft besteld. Het is ook nooit voorgekomen, zoals door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, dat hij twee verschillende producten heeft besteld en die vervolgens heeft gemengd om het product, de grondstof, te verkrijgen dat benodigd was voor de productie van vleesproducten door [afnemer 4] . Geconfronteerd met de factuur met nummer 12205773 verklaarde [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] dat hij die bestelling nooit heeft gedaan en evenmin iemand anders van [afnemer 4] . Met betrekking tot de verklaring van 6 maart 2013 heeft getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] naar voren gebracht dat die verklaring niet door hem of [afnemer 4] is opgemaakt en/of afgegeven aan [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] . De in de verklaring gebruikte zinsvorming komt niet overeen met die van hem. Ook vermeldt [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] naar eigen zeggen, anders dan op de verklaring is weergegeven, nooit het producentennummer rechtsboven op bescheiden van [afnemer 4] . Voorts verklaarde [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] dat hij van [afnemer 4] afkomstige bescheiden niet ondertekend met ‘assistent manager’ maar met ‘plaatsvervangend algemeen directeur’.72

F.4.2 Factuur met nummer 12305257 aan [afnemer 4]

Ook met betrekking tot een andere beweerdelijk door [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 4] geleverde partij vlees is een factuur opgesteld. Het betreft een transactie waarop de in de tenlastelegging genoemde factuur met nummer 12305257 d.d. 10 december 2012 ziet, betrekking hebbende op de vermeende levering van 17.924,50 kilogram ‘snippers 90/10’ ten bedrage van € 62.699,90 (exclusief BTW bedraagt het factuurbedrag € 59.150,85).
Deze factuur is eveneens ingediend bij [factoreringmaatschappij] B.V. en het factuurbedrag is bevoorschot.73

Getuige [leidinggevende vrieshuis 3] , leidinggevende bij het vrieshuis [vrieshuis 3] te Oss waar vanuit de betreffende partij snippers 90/10 volgens de factuur zou zijn uitgeslagen, heeft verklaard dat van die partij geen gegevens bekend zijn in de administratie van [vrieshuis 3] .74

In de administratie van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. zijn geen uitslagen aan [afnemer 4] geregistreerd op of omstreeks 10 december 2012, zijnde de dag waarop de levering volgens de factuur met nummer 12305257 zou hebben plaatsgevonden.75

De factuur met nummer 12305257 d.d. 10 december 2012 is tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van de ondernemingen van de verdachte aangetroffen in een stapel van 19 originele facturen. Op de eerste factuur van die stapel stond met pen geschreven ‘niet mailen enz.’.76 In de administratie van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. zat weliswaar wel de (tweede) gearchiveerde factuur met nummer 12305257, maar ook achter die factuur bevonden zich geen andere documenten zoals gebruikelijk is. In de e-mailbestanden werd voorts geen enkele correspondentie omtrent de levering of bestelling van snippers 90/10 door [afnemer 4] aangetroffen.77

Getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] , plaatsvervangend algemeen directeur van [afnemer 4] , is door de NVWA geconfronteerd met de factuur met nummer 12305257. Desgevraagd naar een reactie verklaarde hij dat de betreffende partij vlees waar deze factuur op ziet, niet door [afnemer 4] is besteld en/of ontvangen.78 Die verklaring vindt steun in de administratie van [afnemer 4] . Noch uit de factuurhistorie per leverancier, noch uit de uitgedraaide e-mails, komt namelijk iets naar voren van een bestelling van snippers 90/10 waarop de factuur met nummer 12305257 volgens opdruk betrekking zou hebben.79 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] verklaard dat hij bij de NVWA naar waarheid heeft verklaard.80

F.4.3 Valsheid van de facturen met nummers 12205773 en 12305257

Het hof stelt op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden vast dat de op de facturen met nummers 12205773 en 12305257 vermelde bestellingen en leveringen van vleessnippers nimmer hebben plaatsgevonden. Het hof acht de verklaring van getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] daaromtrent betrouwbaar. Hij heeft verklaard dat [afnemer 4] de litigieuze bestellingen niet heeft gedaan en niet heeft ontvangen. Die lezing heeft hij onder ede ten overstaan van het hof bevestigd. [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] heeft derhalve consistent verklaard. Zijn verklaring vindt bovendien steun in de omstandigheid dat in de administratie van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. geen aanwijzingen te vinden zijn dat dergelijke bestellingen en leveringen wel zouden hebben plaatsgevonden. Ook komen de vermeende transacties die aan de facturen met nummers 12205773 en 12305257 ten grondslag liggen niet voor in de administratie van [afnemer 4] .

Anders dan de verdediging naar voren heeft gebracht, doet de – overigens pas eerst ter terechtzitting in hoger beroep op 6 februari 2019 overgelegde en ongetekende – verklaring van 6 maart 2013 aan voorgaande conclusie niet af, temeer niet nu getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] expliciet heeft ontkend dat die verklaring door hem is opgesteld en aan [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] is afgegeven.

Met betrekking tot de door getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] ter terechtzitting van 22 februari 2019 afgelegde andersluidende en tegenstrijdige getuigenverklaring, overweegt het hof als volgt.

Getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] heeft ten overstaan van het hof op vrijdag 22 februari 2019 verklaard dat hij voorafgaand aan zijn getuigenverhoor telefonisch contact heeft gehad met verdachte [verdachte] . Dit telefoongesprek vond plaats op woensdag 20 februari 2019 en duurde ongeveer een half uur. De verdachte heeft [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] in dit telefoongesprek verteld dat er een vraag was over een bepaalde order van [afnemer 4] die gedaan zou zijn. Met betrekking tot die order zou een bepaald papier bestaan. Getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] wist dat het over een partij met snippers 60/40 ging en vermoedde dat het over de verklaring van 6 maart 2013 zou gaan, die hij naar eigen zeggen bij [afnemer 4] heeft opgehaald.

Het hof stelt aldus vast dat getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] kort voorafgaand aan het getuigenverhoor met de verdachte heeft gesproken over de litigieuze transactie waarop de factuur met nummer 12205773 ziet.

Ter terechtzitting in hoger beroep door de voorzitter van het hof gevraagd naar de producten die door [afnemer 4] werden besteld, heeft getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] aanvankelijk verklaard dat er hoofdzakelijk snippers 70/30 en snippers 80/20, alsmede een enkele keer snippers 90/10 werden besteld door [afnemer 4] . Pas toen de getuige vervolgens door het hof werd geconfronteerd met de factuur met nummer 12205773 waarop het product rundersnippers 60/40 was vermeld, verklaarde hij zeker te weten dat [afnemer 4] ook snippers 60/40 kocht van de ondernemingen van verdachte [verdachte] .

Ten slotte heeft getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] in het geheel niet duidelijk kunnen maken waarom hij deze verklaring bij [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] met de auto in Zoeterwoude moest of is gaan ophalen, daar waar hij normaliter telefonisch en per e-mail contact had met [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] .

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en bezien in het licht van de door [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] afgelegde consistente getuigenverklaringen, welke getuigenverklaringen bovendien steun vinden in de administratie van de betrokken ondernemingen, hecht het hof geen geloof aan de verklaring van [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] en acht het de door [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] afgelegde getuigenverklaring onbetrouwbaar. Het hof stelt deze verklaring derhalve als zodanig terzijde.

F.4.4 Oordeel hof met betrekking tot de facturen 12205773 en 12305257
Het hof is resumerend met betrekking tot de onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten, voor zover betrekking hebbend op [afnemer 4] , van oordeel dat [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. de factuur met nummer 12205773 en [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. de factuur met nummer 12305257 valselijk heeft laten opmaken en dat zij deze valse facturen vervolgens ter bevoorschotting hebben laten indienen bij [factoreringmaatschappij] B.V., aan welke verboden gedragingen de verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

F.4.5 Beoordeling voorwaardelijke verzoeken verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte op 6 februari 2019 en 22 februari 2019 twee voorwaardelijke verzoeken gedaan, zoals hiervoor onder D.3 en D.4 vermeld, indien het hof tot het oordeel mocht komen dat het onder de feiten 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Nu het hof tot dat oordeel komt, overweegt het hof aangaande deze verzoeken als volgt.

Ten aanzien van het eerste voorwaardelijke verzoek overweegt het hof dat ter terechtzitting van 6 februari 2019 reeds is bevolen [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] en [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] als getuigen te horen, welk getuigenverhoor op 22 februari 2019 ten overstaan van het hof heeft plaatsgevonden. Gelet daarop behoeft het door de raadsman ter terechtzitting van 6 februari 2019 gedane voorwaardelijk verzoek tot het horen van [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] geen bespreking meer.

Met betrekking tot het hiervoor onder D.4 geformuleerde tweede voorwaardelijk verzoek om brieven die door [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] namens [afnemer 4] zijn geschreven (meer specifiek het briefhoofd en de daarin vermelde gegevens) te vergelijken met de ter terechtzitting van 6 februari 2019 overgelegde verklaring van 6 maart 2013 inzake de bestelling van ‘rundersnippers 60/40’ met factuurnummer 12205773, overweegt het hof het volgende.

Het verifiëren of het briefhoofd boven voornoemde verklaring verschilt van de opdruk op brieven die namens [afnemer 4] zijn geschreven, maakt ‘s hofs beoordeling van de onder de feiten 2 en 4 in de tenlastelegging bedoelde facturen aan [afnemer 4] niet anders. Getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] heeft zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende dat de verklaring van 6 maart 2013 niet van [afnemer 4] afkomstig is, namelijk niet uitsluitend gestoeld op de omstandigheden dat hij het telefoonnummer [telefoonnummer] nimmer met punten en het producentennummer nooit rechtsboven op bescheiden van [afnemer 4] vermeldt, doch ook daarop dat zijn zinsvorming anders is dan in de verklaring van 6 maart 2013 en dat hij brieven niet ondertekent met ‘assistent manager’ maar met ‘plaatsvervangend algemeen directeur’. Voorts vinden de consistent afgelegde getuigenverklaringen van [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] steun in het feit dat in de administratie van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., afgezien van de in het geding zijnde facturen met nummers 12305257 en 12205773, geen andere met die vermeende bestellingen samenhangende documenten zijn aangetroffen die normaliter wel in de administratie voorhanden zijn, zoals uitslagbonnen, orders, CMR-vrachtbrieven en pakbonnen. Het hof vindt dienaangaande voorts bevestiging in de omstandigheid dat de beweerdelijk aan de facturen met nummers 12305257 en 12205773 ten grondslag liggende transacties evenmin te herleiden zijn in de administratie van [afnemer 4] .

Het voorgaande in aanmerking genomen, acht het hof geen noodzaak aanwezig tot vergelijking van de verklaring van 6 maart 2013 met bescheiden in de administratie van [afnemer 4] . Het hof wijst derhalve het aanvullend voorwaardelijk verzoek af.

G.
Partiële vrijspraken van feit 2 en feit 4 ter zake van de overige 17 facturen

Van de in de tenlastelegging onder feit 2 en feit 4 vermelde 19 facturen, waaronder de hierboven besproken twee facturen aan [afnemer 4] ter zake waarvan het hof tot een bewezenverklaring komt, zijn er in totaal 17 gericht aan respectievelijk [afnemer 5] GmbH & Co. in Ahaus, Duitsland (6 facturen), [afnemer 6] in Helsinki, Finland (1 factuur), [afnemer 7] in Segeltorp, Zweden (8 facturen) en [afnemer 8] Ltd. in Derbyshire, Verenigd Koninkrijk (2 facturen). De valsheid van die facturen zou er volgens het Openbaar Ministerie in zijn gelegen dat de leveringen waarop ook die 17 facturen betrekking hebben, nooit hebben plaatsgevonden. In de tenlastelegging zijn drie facturen gespecificeerd, waaronder een factuur van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 5] GmbH & Co. met nummer 12205464 d.d. 30 november 2012, inzake de levering van ‘magerfleisch 80/20’ via vrieshuis [vrieshuis 2] .81

Onder feit 4 op de dagvaarding is ten laste gelegd dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en/of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. van deze vermeende valse 17 facturen opzettelijk gebruik hebben gemaakt door deze facturen op te laten nemen in hun bedrijfsadministratie en aan [factoreringmaatschappij] B.V. te laten verzenden, althans ter beschikking te laten stellen, aan welke verboden gedragingen de verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

G.1 Facturen gericht aan [afnemer 6] , [afnemer 7] en [afnemer 8] Ltd.

Met betrekking tot de 9 facturen gericht aan [afnemer 6] en [afnemer 7]82, die deel uitmaken van de 19 tenlastegelegde beweerdelijk valse facturen, stelt het hof vast dat er op grond van de administratie van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. twijfel zou kunnen bestaan of de aan die facturen ten grondslag liggende leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, doch in het vooronderzoek is door de NVWA in het geheel geen navraag gedaan bij deze afnemers of zij de betreffende partijen vlees al dan niet geleverd hebben gekregen.83

Met betrekking tot de 2 facturen gericht aan [afnemer 8] Ltd., aangetroffen tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van de ondernemingen van de verdachte, stelt het hof vast dat aangaande deze facturen door factoringmaatschappij [factoreringmaatschappij] B.V. geen vermoeden is geuit omtrent valsheid in geschrift.84 Deze 2 facturen zijn vervolgens door de NVWA ook niet meer betrokken in enig nader onderzoek, noch is navraag gedaan bij deze afnemer of de betreffende partijen vlees al dan niet geleverd zijn.85

Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de leveringen aan [afnemer 6] , [afnemer 7] en [afnemer 8] Ltd. niet hebben plaatsgevonden. Het bewijs schiet aldus tekort om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het onder de feiten 2 en 4 ten laste gelegde, voor zover dat ziet op de facturen gericht aan [afnemer 6] , [afnemer 7] en [afnemer 8] Ltd.

G.2 Facturen gericht aan [afnemer 5] GmbH & Co.

Voor wat betreft de 6 facturen gericht aan [afnemer 5] GmbH & Co. d.d. 30 november 2012, overweegt het hof als volgt. Ter terechtzitting van de rechtbank van 24 maart 2015 heeft de raadsman een aantal e-mails overgelegd. Deze e-mails zijn afkomstig van [vertegenwoordiger afnemer 5] van [afnemer 5] GmbH & Co. en zijn verzonden aan [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] , het hoofd verkoop van de ondernemingen van verdachte. In de e-mails wordt gesproken over bestellingen van en leveringen aan [afnemer 5] GmbH & Co.

De e-mail van 19 maart 2013 gaat onder meer over de aankoop op 29 november 2012 van 6 vrachtauto’s ‘rundersnippers 80/20’ door [afnemer 5] GmbH & Co. van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. Leveringen hebben volgens [vertegenwoordiger afnemer 5] plaatsgevonden vanaf 7 januari 2013.

De aankoop op 29 november 2012 heeft – zo begrijpt het hof – onder meer betrekking op de in de tenlastelegging gespecificeerde factuur van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 5] GmbH & Co. d.d. 30 november 2012 met nummer 12205464, inzake de levering van ‘magerfleisch 80/20’.

In hoger beroep is nader onderzoek gedaan naar de transacties met [afnemer 5] GmbH & Co. Op verzoek van het Openbaar Ministerie is naar aanleiding van de ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde e-mails een nader onderzoek ingesteld, waarvan een aanvullend proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt.86 Daarin is gerelateerd dat de factuur met nummer 12205464 nog steeds vraagtekens oproept, aangezien deze factuur eerder is opgemaakt en verzonden dan het moment dat (volgens de e-mails) daadwerkelijk is geleverd. Ook heeft er op 30 november 2012 geen uitslag van vlees vanuit het vrieshuis [vrieshuis 2] naar [afnemer 5] GmbH & Co. plaatsgevonden.

De vertegenwoordiger van [afnemer 5] GmbH & Co., [vertegenwoordiger afnemer 5] , is door de raadsheer-commissaris gehoord. Bij gelegenheid van zijn getuigenverhoor is hem een inkoopbevestiging d.d. 29 november 2012 getoond.87 Op die inkoopbevestiging, gericht aan [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. ter attentie van [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] , is onder meer vermeld:

“Hiermee bevestigen wij jullie verkoop/onze inkoop van:

Artikel: rundersnippers 80/20

Hoeveelheid: 6 x 22 T (het hof begrijpt: ton)

Leverdata: december 2012 n.o.t.k.

Leveradres: [leveradres] , Atorp (…) Sweden”

Na het tonen van deze inkoopbevestiging verklaarde [vertegenwoordiger afnemer 5] : ‘Dit zijn de inkoopbevestigingen zoals ik ze verstuurde, dus ik zal deze ook verstuurd hebben. U vraagt mij wat er besteld werd bij deze inkoop. Dat waren rundersnippers 80/20, dat staat ook bovenaan. (…) Het vlees ging naar een beursgenoteerd bedrijf in Zweden en die kochten rundvlees van hem’.88

Het hof is gelet op het voorgaande, anders dan de advocaat-generaal, maar met de rechtbank en de verdediging, van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat de levering van ‘magerfleisch 80/20’, waarop de factuur met nummer 12205464 betrekking heeft, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Eenzelfde conclusie geldt ten aanzien van de overige vijf, niet nader in de tenlastelegging gespecificeerde, aan [afnemer 5] GmbH & Co. gerichte facturen. Aan de omstandigheid dat de levering (en derhalve de uitslag vanuit het vrieshuis) volgens de e-mails later zou hebben plaatsgevonden dan de datum waarop de factuur is opgemaakt, kan in dit verband naar het oordeel van het hof geen doorslaggevende betekenis worden toegekend om van het tegendeel uit te gaan, temeer niet nu uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen dat het binnen de vleesbranche niet ongebruikelijk is om partijen vlees te kopen, maar pas op een later moment (op afroep) tot afname van de gekochte partij vlees over te gaan. Dit laatste wordt ook bevestigd door de nog nader overeen te komen leverdata, genoemd in de inkoopbevestiging d.d. 29 november 2012.


G.3 Conclusie hof met betrekking tot de overige 17 facturen

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof de verdachte partieel zal vrijspreken van hetgeen aan hem bij dagvaarding onder de feiten 2 en 4 ten laste is gelegd, voor zover de daarin omschreven valsheid in geschrift ziet op de facturen gericht aan [afnemer 5] GmbH & Co., [afnemer 6] , [afnemer 7] en [afnemer 8] Ltd.

H.

Het hof verwerpt de overige tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Al hetgeen overigens door de verdediging naar voren is gebracht, leidt het hof niet tot een andersluidend oordeel.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdachte staat ingevolge hetgeen onder feit 3 aan hem ten laste is gelegd onder meer terecht ter zake van het opzettelijk gebruik maken van valse weeglijsten. De valsheid van de weeglijsten zou er volgens de steller van de tenlastelegging in zijn gelegen dat als artikelomschrijving ‘half rund vr’ is vermeld, terwijl in werkelijkheid het product zowel uit rund- als paardenvlees bestond. Het gebruikmaken zou erin bestaan dat de weeglijsten in de bedrijfsadministratie zijn opgenomen.

De advocaat-generaal heeft zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, dit deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe is, onder verwijzing naar het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2014, aangevoerd dat het in de vleessector gebruikelijk is dat bij de betaling van het vlees door de ontvanger aan de leverancier, wordt uitgegaan van het gewicht zoals dat door de ontvanger is ingewogen en dat de ontvanger zijn weeglijst verzendt aan de leverancier van het vlees. Aangezien die laatstbedoelde weeglijsten onderdeel van de administratie uitmaakten en gebruikt worden om kenbaar te maken welke hoeveelheid vlees is geleverd, is van deze valse weeglijsten in de visie van het Openbaar Ministerie opzettelijk gebruik gemaakt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het klopt dat op de weeglijsten die betrekking hadden op paardenvlees niet de vermelding ‘paard’ stond, maar ‘half rund vr’. Deze weeglijsten werden uitgeprint en bij de kopieën van de slachtlijsten gevoegd. Met de weeglijsten zelf werd niets gedaan, totdat er een factuur door de administratie moest worden gemaakt. De weeglijst bleef intern in het bedrijf. De slachtlijst werd uitgeteld en uitgeschreven en werd doorgestuurd naar leveranciers om de factuur op te kunnen maken. Het was volgens de verdachte geen gebruikelijke gang van zaken om de weeglijst naar de leverancier te verzenden; misschien is slechts af en toe een weeglijst naar de leverancier gestuurd als deze daar specifiek naar vroeg, bijvoorbeeld als de berekening aan de hand van de slachtlijsten door medewerkers van de administratie werd betwijfeld.

Het hof stelt in dit verband voorop dat van gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht waarop de tenlastelegging is toegesneden, slechts sprake kan zijn indien het geschrift zelf, als middel tot misleiding, tegenover derden wordt gebruikt.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting89 en het procesdossier stelt het hof vast dat de in de tenlastelegging genoemde weeglijsten90 vals zijn, aangezien de daarop vermelde aanduiding ‘half rund vr’ niet overeenstemt met hetgeen daadwerkelijk werd gewogen, namelijk paardenvlees dat zich in de bij die weeglijsten behorende partijen vlees bevond. Weliswaar kan wettig en overtuigend worden bewezen dat deze weeglijsten zijn opgenomen in de administratie van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., doch niet kan worden vastgesteld dat die specifieke weeglijsten door deze rechtspersonen zelf als middel tot misleiding aan derden zijn verzonden of anderszins ter beschikking zijn gesteld.

Hetgeen hieromtrent door de advocaat-generaal naar voren is gebracht, alsook hetgeen door de verdachte ten overstaan van het hof is verklaard, is – nog daargelaten dat het tenlastegelegde gebruik slechts ziet op opname in de bedrijfsadministratie en niet bestaat uit het verzenden, althans ter beschikking laten stellen van de weeglijsten aan leveranciers, zoals in het requisitoir is betoogd – naar het oordeel van het hof onvoldoende specifiek om daaraan de gevolgtrekking te kunnen verbinden dat beide rechtspersonen in vorenbedoelde zin opzettelijk gebruik hebben gemaakt van de in de tenlastelegging genoemde weeglijsten. Dat geldt temeer nu het op basis van de weeglijsten opmaken van facturen door de interne administratie, welke facturen vervolgens zijn verzonden, nog niet maakt dat van de weeglijsten zelve tegenover derden gebruik is gemaakt.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, leidt het voorgaande er niet toe dat het onder feit 3 ten laste gelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Immers, wel kan worden bewezen dat [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. de valse weeglijsten in hun administratie hebben laten opnemen.

In aanmerking genomen dat die bewezenverklaring noch in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, noch elders strafbaar is gesteld, brengt de omstandigheid dat niet in rechte kan worden vastgesteld dat de valse weeglijsten tegenover derden als middel tot misleiding zijn gebruikt met zich dat de verdachte in zoverre behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Mitsdien zal het hof dienovereenkomstig beslissen.

Het hof acht het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde, zoals hiervoor is overwogen en behoudens de partiële vrijspraken van het onder feit 2 en feit 4 ten laste gelegde, wettig en overtuigend bewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van die feiten uitsluiten, behoudens het onder feit 3 ten laste gelegde voor zover dat ziet op het opzettelijk gebruik maken van weeglijsten.

Deze bewezenverklaarde feiten zijn als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste en tweede lid, juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wordt telkens als volgt gekwalificeerd:

valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde wordt telkens als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich als feitelijk leidinggevende meermalen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van die valse geschriften. Door [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. is gedurende de periode van 28 maart 2011 tot en met 10 december 2012 ongeveer 336.000 kilogram paardenvlees ingekocht. De verdachte heeft de ingekochte paardenkarkassen in de administratie ingeboekt als ‘half rund vr’. Dat vlees is vervolgens uitgebeend, versnipperd en gemengd met rundvet. Het daaruit gevormde eindproduct ‘snippers 70/30’ is aan diverse afnemers verkocht. De verdachte heeft daarbij bewust nagelaten te vermelden dat het product niet enkel uit rundvlees bestond. Op de facturen en pakbonnen is slechts volstaan met de algemene omschrijving ‘snippers 70/30 diepvries’ of ‘snippers 70/30 bevroren’. Daarmee heeft hij verhuld dat het product paardenvlees bevatte. De afnemers wisten daarom niet beter dat zij, overeenkomstig hun bestelling, rundvlees geleverd kregen. Dat de hoeveelheid paardenvlees slechts een klein gedeelte (volgens de raadsman 0,6%) van het totale volume vlees bedroeg dat bij de bedrijven van de verdachte in voorraad was en werd verwerkt, doet aan het voorgaande niet af.


Nadat partijen vlees positief testten op de aanwezigheid van paarden-DNA, hebben diverse afnemers gevraagd om een verklaring dat aan hen geen paardenvlees was geleverd. Zelfs toen nog zijn onder verantwoordelijkheid van de verdachte verklaringen afgegeven waarin in strijd met de waarheid is verklaard dat door [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. of [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. geen paardenvlees was of werd verwerkt, dan wel dat de aan de betreffende afnemer geleverde partij vlees enkel bestond uit rundvlees.

Doordat het paardenvlees niet als zodanig in de bedrijfsadministratie was geregistreerd, is het controlerende instanties zoals de NVWA bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt, om na te gaan in welke partijen vlees paardenvlees was verwerkt. Alleen de verdachte wist binnen zijn bedrijven waar en hoe de producten met paardenvlees waren opgeslagen.
De traceerbaarheid van vlees is belangrijk omdat de volksgezondheid in gevaar kan komen als besmet of anderszins onveilig vlees niet kan worden getraceerd om uit de handel te worden gehaald. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan evenwel niet worden vastgesteld dat met phenylbutazone besmet paardenvlees door de bedrijven van verdachte is verwerkt en vervolgens in de humane voedselketen terecht is gekomen. Dat doet echter niet af aan de laakbaarheid van het bewezenverklaarde handelen.

Door gebruik te maken van valse documenten heeft de verdachte het vertrouwen dat in het algemeen in geschriften met een bewijsbestemming moet kunnen worden gesteld ernstig geschonden. Meer in het bijzonder heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat bedrijven in het economische verkeer in elkaar stellen. De afnemers, veelal bedrijven uit de vleesverwerkende industrie, vertrouwden er op dat zij rundvlees geleverd kregen, zoals zij hadden besteld. In de onwetendheid dat zij paardenvlees geleverd hadden gekregen, hebben de afnemers dat vlees als rundvlees verwerkt in diverse producten, zoals hamburgers en soepballen. Die producten zijn als zodanig op de markt gebracht en aan de consument verkocht. Uiteindelijk heeft de verdachte dus ook de consument misleid, hetgeen temeer klemt nu in het belang van de volksgezondheid de samenstelling en herkomst van etenswaren boven iedere twijfel verheven dient te zijn. Een consument die een product koopt, zoals rundersoepballen, moet ervan uit kunnen gaan dat daar daadwerkelijk rundvlees en geen paardenvlees in is verwerkt.

Door deze wijze van handelen heeft de verdachte voor lief genomen dat de afnemers van de bedrijven van verdachte in problemen zouden komen en hun reputatie in diskrediet kon worden gebracht.

Voorts hadden [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. een factoringovereenkomst met [factoreringmaatschappij] B.V. gesloten, op grond waarvan de verkoopsom van verkochte partijen vlees door [factoreringmaatschappij] B.V. voor 90% werd bevoorschot. De verdachte heeft, toen het paardenvleesschandaal aan het licht was gekomen en dientengevolge de vleesverkoop van het vlees terugliep, kennelijk uit liquiditeitsoverwegingen twee facturen ter bevoorschotting ingediend, terwijl aan die facturen geen reële verkoop en geen (al dan niet uitgestelde) levering ten grondslag lag. Door deze valse facturen ten onrechte ter bevoorschotting in te dienen heeft de verdachte de juiste werking van het financiële handelsverkeer ondermijnd, het vertrouwen geschonden en is de kredietmaatschappij daadwerkelijk getroffen in haar vermogensbelang. [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. hebben hierdoor kunnen beschikken over een totaalbedrag van ruim € 200.000,00, waarop zij op grond van de contractuele relatie met [factoreringmaatschappij] B.V. in het geheel geen recht hadden.

Het handelen van de verdachte kan bezwaarlijk anders zijn ingegeven dan door geldelijk gewin. Door goedkoper paardenvlees met rundervet te mengen en dit vervolgens te verkopen als duurder rundvlees, zijn inkoopkosten bespaard en is een hogere verkoopopbrengst gerealiseerd.


Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, rekent het hof het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit naar voren komt dat hij niet eerder door de rechter onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij getrouwd is, dat zijn twee vennootschappen, [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., in staat van faillissement zijn verklaard en zijn levenswerk is vernietigd, hij als gevolg van die faillissementen en de gedwongen verkoop van zijn woonhuis enige miljoenen euro’s aan schulden heeft en hij als dagbesteding tegen vergoeding werkzaam is voor zijn dochter in haar handelsonderneming in slachtafval in België. De verdachte heeft verklaard dat hij en zijn vrouw op 31 maart 2018 het slachtoffer zijn geworden van een gewelddadige woningoverval, waarbij zij zijn overgoten met benzine en de verdachte door zijn arm is geschoten. Zijn vrouw kan daardoor moeilijk alleen zijn. Een gevangenisstraf is derhalve volgens de verdachte voor hem ‘een schrikbeeld’.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Aangezien het hof de verdachte partieel zal vrijspreken van hetgeen onder de feiten 2 en 4 aan hem ten laste is gelegd en de verdachte gedeeltelijk van het onder feit 3 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, komt het hof tot een mildere strafoplegging dan door de advocaat-generaal bij requisitoir is gevorderd.

Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarbij heeft het hof tevens de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude, in aanmerking genomen. Voorts is gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd.

De raadsman heeft ten overstaan van het hof uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in den lande aangehaald om daarmee zijn strafmaatverweer kracht bij te zetten. Deze jurisprudentie leidt het hof evenwel niet tot een andersluidend matigend oordeel met betrekking tot de op te leggen straf, nu de ernst van het bewezenverklaarde handelen in de onderhavige specifieke casus, door welk handelen in het bijzonder de integriteit binnen de humane voedselketen is geschonden, alsmede de hoogte van het fraudebedrag ten aanzien van de twee bewezenverklaarde facturen die ter bevoorschotting zijn ingediend bij [factoreringmaatschappij] B.V., daaraan in de weg staat.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak nog het volgende. Het hof stelt vast dat de verdachte op 23 mei 2013 is aangehouden en in verzekering is gesteld, nadat eerder op 15 februari 2013 doorzoekingen hadden plaatsgevonden. Op 15 februari 2013 is de verdachte voor de eerste maal verhoord door de NVWA. Nadat hij was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 7 april 2015 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 20 april 2015 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 15 maart 2019 – einduitspraak.

Het tijdsverloop tussen 15 februari 2013, het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (te weten het eerste verhoor van de verdachte door de NVWA), en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 2 jaren en 2 maanden.

Het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het wijzen van eindarrest bedraagt op basis van het voormelde bijna 3 jaren en 11 maanden.

Voorts behelst de totale procesduur in eerste aanleg en hoger beroep meer dan 6 jaren.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak omvangrijk en complex van aard is en de verdediging diverse (door het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop verklaren.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna 2 maanden alsmede in hoger beroep met bijna 23 maanden is overschreden. Het hof zal deze overschrijdingen in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 4 maanden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde van het onder feit 3 ten laste gelegde, voor zover dat ziet op het opzettelijk gebruik maken van weeglijsten, niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;

verklaart hetgeen overigens bewezen is verklaard strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 15 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hoge Raad 2 februari 2010, NJ 2010, 88, ECLI:NL:HR:2010:BK0910; Hoge Raad 7 juli 2009, NJ 2009, 403, ECLI:NL:HR:2009:BI4078.

2 Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 12, 36 en 51.

3 Uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 631-C, 631-F en 631-I.

4 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 4.

5 Relaasproces-verbaal algemeen dossier, p. 3 en p. 10.

6 Relaasproces-verbaal algemeen dossier, p. 8-9.

7 Tabel met uitslag testresultaten, p. 4238-4239 en het proces-verbaal van bevindingen monstername, p. 196-202.

8 Hiervoor is en hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het overzichtsproces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, kantoor Zwolle, in het onderzoek genaamd ‘Loet’, op ambtseed opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de NVWA, proces-verbaalnummer 93436, afgesloten d.d. 20 september 2013, inhoudende vijftien ordners met doorgenummerde dossierpagina’s 1-5334 en twee aanvullende ordners, telkens bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de NVWA met daarin gerelateerde bijlagen.

9 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 4-6.

10 Assortimentenlijst [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., p. 1221 e.v.

11 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 5.

12 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 7 en p. 10.

13 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8.

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 24 mei 2013, p. 586.

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 24 mei 2013, p. 587.

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 25 mei 2013, p. 599.

17 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 6 en p. 12-13.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 24 mei 2013, p. 585.

19 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 5.

20 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 5-6.

21 Proces-verbaal van getuigenverhoor [directeur vrieshuis 1] , p. 704-705.

22 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 10.

23 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 6-7.

24 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 7.

25 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 9.

26 Factuur van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 1] , factuurnummer 12200022 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 4 en 5 januari 2012, DOC 3348, p. 4279; Factuur van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 1] , factuurnummer 12204916 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 2 november 2012, DOC 023, p. 890.

27 Pakbon 108822 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 4 januari 2012 aan [afnemer 1] B.V., behorende bij de factuur onder documentnummer DOC 3348, p. 4280; Pakbon 108787 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 4 januari 2012 aan [afnemer 1] B.V., behorende bij de factuur onder documentnummer DOC 3348, p. 4282; Pakbon 123252 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 2 november 2012 aan [afnemer 1] B.V., behorende bij de factuur onder documentnummer DOC 023, p. 898.

28 Inkooporders van [afnemer 1] B.V. aan [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. d.d. 1 november 2012, p. 887 en d.d. 31 oktober 2011, p. 4278, telkens in combinatie met het overzicht met inkooporder-, batch-, artikel- en productienummers, p. 4285-4293.

29 Proces-verbaal van verhoor getuige [directielid afnemer 1] , p. 784.

30 Factuur van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 2] GmbH, factuurnummer 12302240 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30’ d.d. 1 juni 2012, DOC 597, p. 1468.

31 Proces-verbaal van verhoor getuige [inkoper afnemer 2] , p. 805.

32 CMR-vrachtbrief opgemaakt op 28 mei 2012, voorzien van een ontvangststempel d.d. 30 mei 2012 van [afnemer 2] GmbH, p. 1467.

33 Bon WSU989257 uitslag 28-05-2012 [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V., vervoerder [vrieshuis 1] B.V., bestemming [afnemer 2] GmbH, p. 1534-1535.

34 Factuur van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 1] , factuurnummer 12200022 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 4 en 5 januari 2012, DOC 3348, p. 4279.

35 Factuur van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 1] , factuurnummer 12204916 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 2 november 2012, DOC 023, p. 890.

36 Factuur van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 2] GmbH, factuurnummer 12302240 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30’ d.d. 1 juni 2012, DOC 597, p. 1468.

37 Pakbon 108822 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 4 januari 2012 aan [afnemer 1] B.V., behorende bij de factuur onder documentnummer DOC 3348, p. 4280.

38 Pakbon 108787 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ d.d. 4 januari 2012 aan [afnemer 1] B.V., behorende bij de factuur onder documentnummer 3348, p. 4282.

39 Pakbon van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. inzake een levering van onder andere ‘snippers 70/30 diepvries’ aan [afnemer 1] B.V., pakbonnummer 123252 d.d. 2 november 2012, behorende bij de factuur met documentnummer DOC 023, p. 898.

40 Overzicht positieve monsters, p. 3616 en overzicht van alle genomen monsters, p. 4238-4239, meer specifiek nr. 162 inzake de geleverde partij vlees van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 1] met factuurnummer 12200022, nr. 12 inzake de geleverde partij vlees van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 1] met factuurnummer 12204916, alsmede nr. 146 inzake de geleverde partij vlees van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 2] GmbH met factuurnummer 12302240, telkens in combinatie met de onderliggende testresultaten, getiteld ‘Detectie van rundvlees en paardenvlees m.b.v. real-time PCR volgens NVWA voorschrift DSO01-OT001’, p. 4240 (nr. 162), p. 4249 (nr. 146) en p. 4264 (nr. 12). Zie ook de hieromtrent opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, p. 354-367, p. 248-268 en p. 179-195.

41 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 7 en p. 11.

42 Overzicht van alle genomen monsters, p. 4238-4239.

43 Proces-verbaal van verhoor getuige [directielid afnemer 1] , p. 783.

44 Verklaring van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 1] B.V. d.d. 12 november 2012, inhoudende dat geen paardenvlees wordt verwerkt of het laatste jaar is verwerkt binnen het bedrijf [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en dit geleverd te hebben aan [afnemer 1] B.V., DOC 33, p. 900.

45 Overzicht positieve monsters, p. 3613 en overzicht van alle genomen monsters, p. 4238-4239, meer specifiek nr. 162 en nr. 12, in combinatie met de onderliggende testresultaten, getiteld ‘Detectie van rundvlees en paardenvlees m.b.v. real-time PCR volgens NVWA voorschrift DSO01-OT001’, p. 4240 (nr. 162) en p. 4264 (nr. 12). Zie verder ook twee processen-verbaal van bevindingen, p. 248-268 en p. 354-367.

46 E-mail van [inkoper afnemer 2] namens [afnemer 2] GmbH aan [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. d.d. 18 januari 2013, p. 1794.

47 Verklaring van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. d.d. 17 januari 2013, inhoudende dat enkel rundvlees is en wordt geproduceerd, welke verklaring blijkens de e-mail met documentnummer DOC 0924 is afgegeven aan [afnemer 2] .

48 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek naar het afleveren van een met paardenvlees gemengde partij vlees aan Vital te Duitsland, p. 187.

49 Factuur van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. aan [afnemer 2] GmbH, factuurnummer 12302240 inzake de levering van onder andere ‘snippers 70/30’ d.d. 1 juni 2012, p. 1468.

50 Overzicht positieve monsters, p. 3616 en overzicht van alle genomen monsters, p. 4238-4239, meer specifiek nr. 146, in combinatie met de onderliggende testresultaten, getiteld ‘Detectie van rundvlees en paardenvlees m.b.v. real-time PCR volgens NVWA voorschrift DSO01-OT001’, p. 4249 (nr. 146). Zie verder ook het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2013, p. 179-195.

51 E-mail van [commissionair] namens [afnemer 3] S.A. aan [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. d.d. 31 januari 2013, p. 1764.

52 Verklaring van [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. d.d. 31 januari 2013, opgesteld in het Portugees, inhoudende dat aan [afnemer 3] S.A. enkel rundvlees is geleverd, DOC 913, p. 1784. Vertaling in de Engelse taal, zie p. 1785.

53 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 11.

54 Factuur van (vermoedelijk, gelet op de vestigingsgegevens) [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 3] SA, factuurnummer 12202666 inzake de levering van ‘snippers 70/30 bevroren’ d.d. 27 juni 2012 en het proces-verbaal overige bevindingen onderzoek Loet, p. 126-127.

55 Proces-verbaal overige bevindingen onderzoek Loet, p. 127

56 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant te ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 24 maart 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 7.

57 Overzicht positieve monsters, p. 3616 en overzicht van alle genomen monsters, p. 4238-4239, meer specifiek nr. 37, in combinatie met de onderliggende testresultaten, getiteld ‘Detectie van rundvlees en paardenvlees m.b.v. real-time PCR volgens NVWA voorschrift DSO01-OT001’, p. 4262 (nr. 37). Zie ook het hieromtrent opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, p. 123-136.

58 Proces-verbaal van bevindingen overige bevindingen onderzoek Loet, p. 123-136.

59 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 299-300.

60 Proces-verbaal van aangifte [factoreringmaatschappij] B.V., p. 396-402, met bijlagen, in het bijzonder de factoringovereenkomst tussen [factoreringmaatschappij] B.V., [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V., [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. en [holding/houdstermaatschappij] B.V. op p. 3834 e.v.

61 Proces-verbaal van aangifte [factoreringmaatschappij] B.V., p. 396-402; Gespreksverslag van [medewerker factoreringmaatschappij] namens [factoreringmaatschappij] B.V. met [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] van [afnemer 4] d.d. 17 april 2013, p. 3856-3857. Mede op grond van een e-mail d.d. 22 april 2013 van S. Staadegaard van [factoreringmaatschappij] B.V., p. 4001-4002, stelt het hof vast dat de factuur met nummer 12205773 d.d. 18 december 2012 de initiële factuur betreft en de factuur met nummer 12206814 de creditfactuur van die transactie.

62 Factuur van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 4] V.O.F., factuurnummer 12205773 inzake de levering van ‘rundersnippers 60/40’ d.d. 18 december 2012, DOC 884, p. 1755.

63 Overzichtlijst bevoorschotting [factoreringmaatschappij] B.V., p. 4459.

64 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 299-300.

65 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 302.

66 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 304-305; Uitdraai uitslagen [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., p. 4437.

67 Verklaring [directeur vrieshuis 1] namens [vrieshuis 1] B.V. inzake de opdracht om een partij snippers 60/40 over te schrijven op naam van [afnemer 4] , p. 4438.

68 Proces-verbaal van verhoor getuige [directeur vrieshuis 1] , p. 712-713.

69 Processen-verbaal van verhoor getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] , p. 856-862 en p. 863-864.

70 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 304; Factuurhistorie per leverancier van [afnemer 4] , p. 3927 en 3948 en Uitgedraaide e-mails van [afnemer 4] , p. 3980-3997.

71 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [hoofd verkoop ondernemingen verdachte] .

72 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] .

73 Overzichtlijst bevoorschotting [factoreringmaatschappij] B.V., p. 4474.

74 Proces-verbaal van verhoor getuige [leidinggevende vrieshuis 3] , p. 865-867.

75 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 304-305; Uitdraai uitslagen [Vleesgroothandel (werkmaatschappij 1)] B.V. en [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V., p. 4437.

76 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 299-300.

77 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 303.

78 Proces-verbaal van verhoor getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] , p. 856-862 en het Proces-verbaal van verhoor getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] , p. 863-864.

79 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 304; Factuurhistorie per leverancier van [afnemer 4] , p. 3927 en 3948 en Uitgedraaide e-mails van [afnemer 4] , p. 3980-3997.

80 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [plaatsvervangend algemeen directeur afnemer 4] .

81 Factuur van [W Import en Export (werkmaatschappij 2)] B.V. aan [afnemer 5] GmbH & Co., factuurnummer 12205464, inzake de levering van ‘magerfleisch 80/20’ via vrieshuis [vrieshuis 2] d.d. 30 november 2012, DOC 994, p. 1866.

82 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 299-301.

83 Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de creditnota’s welke door [factoreringmaatschappij] zijn aangeleverd, p. 319-341.

84 Proces-verbaal van bevindingen ter zake oplichting en valsheid in geschrift [factoreringmaatschappij] en [bank] , p. 296.

85 Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de creditnota’s welke door [factoreringmaatschappij] zijn aangeleverd, p. 319-341.

86 Proces-verbaal van bevindingen omtrent ter zitting overgelegde facturen d.d. 14 september 2016, ambtshandeling 70, afzonderlijk gevoegd in het procesdossier.

87 Inkoopbevestiging [afnemer 5] GmbH & Co. KG, p. 4027.

88 Proces-verbaal van verhoor getuige [vertegenwoordiger afnemer 5] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, d.d. 16 april 2018.

89 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 9-10.

90 Weeglijst van een partij vlees met opschrift ‘half rund vr 6705,0 bruto kg’ afkomstig van [leverancier 1] , weeglijstnummer 9997, DOC 1082, p. 1954; Weeglijst van een partij vlees met opschrift ‘half rund vr 4748,0 bruto kg’ afkomstig van [leverancier 1] , weeglijstnummer 10237, DOC 1166, p. 2038; Weeglijst van een partij vlees met opschrift ‘half rund vr 9547,0 bruto kg’ afkomstig van [leverancier 2] Ltd., weeglijstnummer 11956, p. DOC 622, p. 1493; Weeglijst van een partij vlees met opschrift ‘half rund vr 21390,0 bruto kg’ afkomstig van [leverancier 3] Ltd., weeglijstnummer 11803, DOC 613, p. 1484 en Weeglijst van een partij vlees met opschrift ‘half rund vr 5512,0 bruto kg’ afkomstig van [leverancier 2] Ltd., weeglijstnummer 11311, DOC 635, p. 1506.