Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:985

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
200.228.609_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Termijn voor verzilvering machtiging uithuisplaatsing is verstreken. Ter zitting is gebleken dat ook geen nieuw verzoek tot uithuisplaatsing zal worden gedaan.

Verzoek van vader in hoger beroep wordt afgewezen bij gebrek aan belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 maart 2018

Zaaknummer : 200.228.609/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/323468 / JE RK 17-1003

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [belanghebbende] (hierna te noemen: de moeder);

- Coöperatie Jeugd Veilig Verder U.A. (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 november 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 november 2017, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. W. Kolmans, die wegens ziekte van mr. Van der Laar

waarneemt;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de moeder.

2.3.

Het hof heeft de minderjarige [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 oktober 2017;

  • -

    de rapportage van de GI d.d. 30 januari 2018, ingekomen op 1 februari 2018.

3 De beoordeling

3.1.

[de minderjarige] staat sinds 3 augustus 2017 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling eindigt op [geboortedatum] 2018, zijnde datum van meerderjarigheid van [de minderjarige] .

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [de minderjarige] met ingang van 10 november 2017 uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Gebleken is dat de bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer is gelegd. Sinds het verlenen van deze machtiging zijn inmiddels meer dan drie maanden verstreken. Gelet op het bepaalde in artikel 1:265c lid 3 BW is de machtiging vervallen en deze kan derhalve niet meer ten uitvoer worden gelegd.

Ter zitting van het hof is gebleken dat er geen nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing meer zal worden gevraagd.

Afgezien van de leeftijd van [de minderjarige] die nog maar een zeer korte uithuisplaatsing mogelijk maakt, is gebleken dat [de minderjarige] haar verantwoordelijkheid rond de schoolgang in voldoende mate is gaan nemen, waardoor de noodzaak tot uithuisplaatsing niet langer aanwezig is.

Nu vast staat dat het hoger beroep tegen de bestreden beschikking niet langer nodig is om het door de vader beoogde doel te realiseren – namelijk een uithuisplaatsing van [de minderjarige] voorkomen – zal het hof het verzoek in hoger beroep van de vader afwijzen. Het belang is aan het beroep ontvallen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 november 2017;

wijst het verzoek van de vader in hoger beroep af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en E.H. Schijven-Bours, en is op 8 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van E. Verbaarschot-Richie, griffier.