Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:899

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.199.739_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:7791
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag van gewijsde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.739/01

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P.J.M. Brouwers te Maastricht,

tegen

1 Mercedes Benz Customer Assistance Center [vestigingsnaam] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna afzonderlijk te noemen: Mercedes,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] (Duitsland),

hierna afzonderlijk te noemen: [geïntimeerde 2] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna afzonderlijk te noemen: [geïntimeerde 3] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geintimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 september 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer 4447731 CV EXPL 15-8709 gewezen vonnis van 7 september 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 september 2017;

- het mondeling pleidooi gehouden op 31 januari 2018, waarbij de advocaten van partijen pleitnotities hebben overgelegd. Voorts hebben [appellant] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] het woord gevoerd. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] op voorhand toegezonden producties (genummerd 1 tot en met 16) in het geding gebracht.

Arrest is bij vervroeging bepaald op heden. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Voor zover relevant in dit hoger beroep kan uitgegaan worden van de volgende feiten.

6.1.1.

Mercedes heeft van [appellant] verschillende onroerende zaken (kantoorpanden) gehuurd. De huurrelatie is, na het verstrijken van de overeengekomen termijn en opzegging zijdens Mercedes, per 1 juni 2012 geëindigd. Mercedes heeft vervolgens elders kantoorruimte gehuurd, en wel van ING. Ten tijde van de opzegging van de huurovereenkomsten waren [geïntimeerde 2] (als CEO) en [geïntimeerde 3] (als CFO) werkzaam bij Mercedes.

6.1.2.

Ten behoeve van de besluitvorming rondom het al dan niet verlengen van de huurovereenkomsten met [appellant] , heeft Mercedes ten behoeve van de Raad van Bestuur van moederbedrijf Daimler een opstelling gemaakt waarin de kosten van een tweetal opties - zijnde doorgaan met [appellant] en overstappen naar ING - naast elkaar zijn gezet. Deze opstelling wordt door partijen ‘gate approval’ genoemd. Verder is in dit kader door Mercedes een stuk opgemaakt met de titel ‘Update Renewal Building contract, November 11th, 2010’. Van dat stuk maakt deel uit een ‘Location short list’ waarin enkele panden worden vermeld en vergeleken. Ook de panden van [appellant] zijn vermeld.

6.1.3.

In een tussen [appellant] tegen [geintimeerden c.s.] eerder gevoerde procedure voor de rechtbank Limburg (zaaknummer / rolnummer: C/03/189600 / HA ZA 14-168) heeft [appellant] onder meer gevorderd dat voor recht zou worden verklaard dat [geintimeerden c.s.] onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld en daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem daardoor geleden schade. In dat kader is door [appellant] onder meer aangevoerd dat [geintimeerden c.s.] de Raad van Bestuur van Daimler middels de gate approval onvolledig en/of onjuist heeft geïnformeerd op het punt van het door [appellant] gedane aanbod tot of ter zake van de voortzetting van de huurrelatie. In het in die procedure gewezen eindvonnis van 15 juli 2015 (hierna te noemen: het vonnis van 15 juli 2015) heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

De rechtbank is van oordeel dat, indien het al zo zou zijn dat [appellant] voorstel onjuist in de gate approval is verwerkt, dat niet betekent dat er onrechtmatig jegens [appellant] is gehandeld. Dat zou anders kunnen zijn indien dat zou zijn gebeurd met het opzet [appellant] te benadelen. [appellant] lijkt dat standpunt te zijn toegedaan, maar dit wordt door [geintimeerden c.s.] betwist terwijl [appellant] stellingen op dat punt niet met feiten zijn onderbouwd en (daarmee) een hoog suggestief karakter hebben. Aan de inhoud van de gate approval als zodanig kan [appellant] ook geen steun ontlenen voor dit (door de rechtbank aangenomen) standpunt. Er is immers geen aanleiding te veronderstellen dat die inhoud onjuist is, aangezien [geintimeerden c.s.] de stelling van [appellant] van die strekking uitgebreid en gemotiveerd heeft betwist terwijl [appellant] heeft volstaan met het poneren van stellingen zonder die nader te onderbouwen, waar dat wel op zijn weg lag.

De vorderingen van [appellant] zijn in het vonnis van 15 juli 2015 vervolgens door de rechtbank afgewezen.

6.1.4.

Tegen het vonnis van 15 juli 2015 is geen hoger beroep ingesteld.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] – op ondergeschikte punten verkort weergegeven – voor zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Mercedes te veroordelen alle cijfers van de ‘gate approval’ van 23 februari 2011 aan [appellant] aan te reiken door middel van een niet gelakt exemplaar, zulks op verbeurte van een dwangsom;

2. Mercedes te veroordelen de huurcontracten van de 389 parkeerplaatsen welke Mercedes van het MECC reeds in de jaren 2009, 2010, 2011 en begin 2012 zou hebben gehuurd over die verschillende jaren aan [appellant] aan te reiken, zulks op verbeurte van een dwangsom;

3. te verklaren voor recht dat Mercedes, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ieder afzonderlijk maar ook gezamenlijk wanprestatie hebben gepleegd en/of onrechtmatig gehandeld hebben doordat zij - ondanks Mercedes’ eigen Update Renewal Building contract d.d. 11 november 2010 en de daarbij behorende shortlist waarin Mercedes had aangetekend dat de geldende huurprijs van [appellant] gebouw € 1.578.945 per jaar bedroeg en waarin Mercedes bepaald had dat er onderhandelingen met [appellant] moesten plaatsvinden,- vervolgens in de ‘gate approval’ van 23 februari 2011 de hoogte van de jaarhuur hebben gemanipuleerd door deze veel hoger te maken namelijk € 1.827.185,- per jaar dan deze in werkelijkheid was en met die onjuiste cijfers de alleszins gerechtvaardigde belangen van [appellant] op grove wijze hebben geschaad en met die onjuiste cijfers in de ‘gate approval’ ten onrechte de verhuizing veroorzaakt hebben waardoor [appellant] de voortzetting van de huurovereenkomsten waarop hij in alle redelijkheid mocht rekenen, is misgelopen;

4. te verklaren voor recht dat Mercedes, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ieder afzonderlijk maar ook gezamenlijk wanprestatie hebben gepleegd en/of onrechtmatig gehandeld hebben doordat zij op onrechtmatige wijze zowel de hoogte van het bedrag van de servicekosten maar ook het aantal en de hoogte van de kosten van de parkeerplaatsen van het MECC alsmede ook het zogenaamde besparingsbedrag gemanipuleerd hebben op een zodanige wijze dat zij het daarmee wilden doen voorkomen alsof het bedrag van de huur en operationele kosten van het gebouw van [appellant] voor het eerste jaar € 2.585.750,- bedroeg terwijl die kosten in werkelijkheid slechts iets meer dan € 2.000.000 bedroegen waarmee gedaagden die kosten derhalve hebben opgehoogd met een bedrag van bijna € 600.000 per jaar of wel bijna 6 miljoen euro voor een periode van 10 jaar, en Mercedes, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] met die onjuiste cijfers de alleszins gerechtvaardigde belangen van [appellant] op grove wijze hebben geschaad en met die onjuiste cijfers in de ‘gate approval’ ten onrechte de verhuizing veroorzaakt hebben waardoor [appellant] de voortzetting van de huurovereenkomsten, waarop hij in alle redelijkheid mocht rekenen, is misgelopen;

5. te verklaren voor recht dat Mercedes, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ieder afzonderlijk maar ook gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [appellant] voortvloeiend uit de hunnerzijdse wanprestatie en/of hun gewraakt onrechtmatig handelen;

6. Mercedes, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ieder afzonderlijk maar ook gezamenlijk te veroordelen tot betaling van de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en het schadebedrag te vermeerderen met rente; en,

7. Mercedes, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] te veroordelen in de kosten van de procedure.

6.2.2.

Tussen partijen staat ter discussie of [appellant] reeds in eerste aanleg zijn eis zoals geformuleerd in de dagvaarding in eerste aanleg heeft gewijzigd bij conclusie van repliek (onder 1), in die zin dat telkens waar in de derde regel van het petitum sub 3, 4 en 5 het woordje ‘en’ staat dat dient te worden aangevuld met ‘/of’ en dient te worden gelezen als ‘en/of’. Het hof gaat aan deze discussie bij gebrek aan belang voorbij, nu het in elk geval in hoger beroep – gezien de akte van 27 september 2016 – duidelijk is dat in hoger beroep de vorderingen van [appellant] aldus dienen te worden gelezen. Voor zover dit een eiswijziging in hoger beroep behelst, acht het hof die niet in strijd met de goede procesorde. [geintimeerden c.s.] hebben daartegen ook geen bezwaar gemaakt op die grond. Bij de beoordeling zal derhalve worden uitgegaan van de eis zoals weergegeven in rov. 6.2.1.

6.3.

Bij het vonnis waarvan beroep zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen. De kantonrechter overwoog daartoe, samengevat, dat [geintimeerden c.s.] zich hebben beroepen op het gezag van gewijsde van het vonnis van 15 juli 2015 en dat dit beroep slaagt.

6.4.

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder het voordragen van 7 grieven. [geintimeerden c.s.] hebben deze grieven bestreden. Het hof oordeelt hierover als volgt.

6.5.

Met grief 1 klaagt [appellant] over (een onderdeel van) de feitenvaststelling in het vonnis waarvan beroep. Het hof heeft hiervoor in rov. 6.1 een eigen overzicht gegeven van de feiten voor zover die tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet voldoende betwist vaststaan. Het hof merkt op dat deze feitenvaststelling niet volledig is maar alleen de in hoger beroep relevante feiten bevat en hoeft te bevatten. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] bij de onderhavige grief geen belang.

6.6.

Grief 2 is gericht tegen de volgens [appellant] onvolledige samenvatting van zijn petitum door de kantonrechter. Ook bij deze grief heeft [appellant] geen belang. Het hof heeft hiervoor in rov. 6.2.1 zijn vorderingen (op ondergeschikte punten na) integraal weergegeven. In rov. 6.2.2 is reeds overwogen dat bij de beoordeling zal worden uitgegaan van de eis zoals weergegeven in rov. 6.2.1.

6.7.

De grieven 3 tot en met 6, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, strekken ten betoge dat het oordeel van de kantonrechter onjuist is dat het beroep van [geintimeerden c.s.] op het gezag van gewijsde slaagt. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

6.8.

Artikel 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Vast staat dat het vonnis van 15 juli 2015 in kracht van gewijsde is gegaan. Voorts constateert het hof dat dit vonnis is gewezen tussen dezelfde partijen als de partijen in dit geding. Het geschil tussen partijen in de onderhavige geding spitst zich dan ook toe op de vraag naar de omvang van het gezag van gewijsde van het vonnis van 15 juli 2015, dat wil zeggen de elementen van dit vonnis die de in artikel 236 Rv bedoelde bindende kracht in het onderhavige geding hebben.

6.9.

Naar de kern genomen betwist [appellant] dat [geintimeerden c.s.] beroep op gezag van gewijsde toekomt, omdat de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 15 juli 2015 beperkt was tot het verwijt van [appellant] dat onjuist in de ‘gate approval’ is verwerkt, ten eerste, [appellant] voorstel (aanbod) aan Mercedes ten behoeve van de voortzetting van de huurovereenkomsten, namelijk dat door hem € 1,5 miljoen zou worden betaald, en, ten tweede, het feit dat [appellant] daarenboven bereid was verder te gaan, en voorts omdat [appellant] zich in het onderhavige geding beroept op nieuwe feiten die hem pas bekend werden nadat de zaak destijds voor vonnis stond en Mercedes voor hem verborgen heeft gehouden (zie de samenvatting van [appellant] in zijn pleitnota in hoger beroep, onder 80 en 81).

6.10.

Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 15 juli 2015 in de door hem bepleite zin beperkt was. Blijkens het vonnis van 15 juli 2015 heeft [appellant] een algemene verklaring voor recht gevorderd dat [geintimeerden c.s.] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld en daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem daardoor geleden schade. Van een beperking tot de twee door [appellant] genoemde punten (zie hiervoor rov. 6.9) is bij zijn vorderingen derhalve geen sprake. Uit het vonnis van 15 juli 2015 blijkt verder dat [appellant] als feitelijke grondslag voor deze vorderingen onder meer heeft aangevoerd dat [geintimeerden c.s.] de Raad van Bestuur van Daimler middels de ‘gate approval’ onvolledig en/of onjuist hebben geïnformeerd op het punt van het door [appellant] gedane aanbod tot of ter zake van de voortzetting van de huurrelatie. Ook met betrekking tot de feitelijke grondslag van zijn vorderingen is derhalve geen sprake van een beperking tot de twee door [appellant] genoemde punten. In het vonnis van 15 juli 2015 heeft de rechtbank ook in algemene zin geoordeeld dat indien het al zo zou zijn dat [appellant] voorstel onjuist in de ‘gate approval’ is verwerkt, dat niet betekent dat er onrechtmatig jegens [appellant] is gehandeld en dat dit anders zou kunnen zijn indien dat zou gebeurd met het opzet [appellant] te benadelen, maar dat dit – naar het hof de overweging van de rechtbank begrijpt – niet is gebleken. Het hof ziet geen aanknopingspunten om anders te oordelen over de omvang van het gezag van gewijsde van het vonnis van 15 juli 2015. Anders dan [appellant] meent, is er geen aanleiding om hierbij andere processtukken uit de procedure die heeft geleid tot dit vonnis te betrekken.

6.11.

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de rechtbank in het vonnis van 15 juli 2015 heeft beslist over de rechtsbetrekking in geschil in het onderhavige geding, namelijk dat [geintimeerden c.s.] niet onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld (waaronder moet begrepen dat zij geen wanprestatie hebben gepleegd) door de Raad van Bestuur van Daimler middels de ‘gate approval’ onvolledig en/of onjuist te informeren op het punt van het door [appellant] gedane aanbod tot of ter zake van de voortzetting van de huurrelatie. De onderhavige vorderingen berusten op dezelfde feitelijke grondslag als de vorderingen die zijn afgewezen bij het vonnis van 15 juli 2015, te weten de gestelde onvolledige en/of onjuiste informatie in de ‘gate approval’. Gelet op het bepaalde in artikel 236 lid 1 Rv kan het gezag van gewijsde van het vonnis van 15 juli 2015 in deze procedure evenwel niet met vrucht worden aangetast met een beroep op nieuwe juridische of feitelijke stellingen op grond waarvan thans anders geoordeeld zou moeten worden, wat daar verder ook van zij. Dit geldt ook indien [appellant] over nieuw bewijsmateriaal beschikt, zoals hij stelt.

6.12.

Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] nog kort opgemerkt (pleitnota, onder 77 en 87) dat het beroep op het gezag van gewijsde van [geintimeerden c.s.] is aan te merken als misbruik van recht. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dit in een zodanig laat stadium van de procedure gedaan dat deze opmerkingen wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing behoren te worden gelaten. Volledigheidshalve voegt het hof hieraan toe dat een beroep op misbruik van recht evenmin tot gegrondverklaring van het hoger beroep kan leiden, mede in aanmerking genomen dat de feiten waarop [appellant] zich baseert reeds ruim voor het aflopen van de beroepstermijn tegen het vonnis van 15 juli 2015 bij hem bekend waren, waarbij het met name gaat om de ‘Location short list’, dan wel bekend hadden kunnen zijn. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [appellant] niet in hoger beroep had kunnen gaan tegen het vonnis van 15 juli 2015. Voor zover [appellant] herroepingsgronden heeft aangevoerd, zijn die niet aan de orde, aangezien dit geen herroepingszaak is.

6.13.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de grieven 3 tot en met 6 falen. Bijgevolg kunnen de vorderingen van [appellant] genoemd in het petitum sub 3, 4, 5 en 6 niet worden toegewezen.

6.14.

Ten aanzien van de vorderingen genoemd in het petitum sub 1 en 2 geldt het volgende. De kantonrechter heeft overwogen dat de vordering tot afgifte van stukken kennelijk is ingediend teneinde het standpunt van [appellant] te onderbouwen dat de in de ‘gate approval’ neergelegde berekening onjuist is alsook dat de daaraan ten grondslag gelegde cijfers willens en wetens door [geintimeerden c.s.] zijn gemanipuleerd (rov. 4.1 van het vonnis waarvan beroep). [appellant] heeft niet gesteld dat dit onjuist is. Gegeven de uitkomst van deze procedure heeft [appellant] aldus bij die vorderingen geen belang.

6.15.

Grief 7 is een algemene grief, volgens welke de kantonrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [appellant] moeten worden afgewezen. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom verder geen bespreking.

6.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, zoals gevorderd vermeerderd met nakosten en wettelijke rente, alsook uitvoerbaar bij voorraad.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst het door [appellant] in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerden c.s.] op € 718,00 aan griffierecht en op € 2.682,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor wat betreft voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, P.P.M. Rousseau en J.K. Six-Hummel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 maart 2018.

griffier rolraadsheer