Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:898

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.200.868_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:7790
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag van gewijsde.

Onderhandelingen over voortzetting huurrelatie.

Gerechtvaardigd vertrouwen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.200.868/01

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P.J.M. Brouwers te Maastricht,

tegen

Mercedes Benz Customer Assistance Center [vestigingsnaam] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Mercedes,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 september 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer 4356550 CV EXPL 15-7652 gewezen vonnis van 7 september 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 september 2017, waarbij pleidooi is bepaald;

- het mondeling pleidooi gehouden op 31 januari 2018, waarbij de advocaten van partijen pleitnotities hebben overgelegd. Voorts heeft [appellant] het woord gevoerd. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] op voorhand toegezonden producties (genummerd 1 tot en met 8) in het geding hebben gebracht.

Arrest is bij vervroeging bepaald op heden. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Voor zover relevant in dit hoger beroep kan uitgegaan worden van de volgende feiten.

6.1.1.

Mercedes heeft van [appellant] verschillende onroerende zaken (kantoorpanden) gehuurd, in die zin dat de huurrelatie is voortgezet nadat [appellant] de panden had overgenomen van de partij van wie Mercedes oorspronkelijk huurde.

6.1.2.

In de tussen partijen geldende huurovereenkomsten is een verplichting voor Mercedes tot het stellen van bankgaranties opgenomen. Deze bankgaranties zijn aanvankelijk niet gesteld. Bij arrest van 22 december 2009 van dit hof is Mercedes op vordering van [appellant] geboden om:

‘de in de huurovereenkomsten (…) bedongen bankgaranties te (doen) stellen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat Mercedes vanaf de veertiende dag na betekening van dit arrest in gebreke blijft met de nakoming van deze verplichting, tot een maximum van € 25.000,--’;

6.1.3.

Bij brief van 1 oktober 2010 heeft Mercedes aan [appellant] het volgende bericht:

“With regards to our meeting intended on the 28th of October 2010 we hereby would like to inform you that the necessity of having this meeting is no longer required.

It was recently decided that Daimler Real Estate (DRE) will take over all future handling discussions and negotiations concerning the rental of the building which we are currently using.

Additionally, Daimler Real Estate (DRE) also communicated that they have engaged the real estate agency [the real estate agency] ( [the real estate agency] ) with regards to the renewal of our lease contracts which are due 2012.

Therefore we hereby would like to inform you that you will directly be contacted by [the real estate agency] ( [the real estate agency] ) in order to discuss all relevant lease issues.”

6.1.4.

Ten behoeve van de besluitvorming omtrent de beslissing over haar huisvesting, is door Mercedes een stuk opgemaakt met de titel ‘Update Renewal Building contract, November 11th, 2010’. Van dat stuk maakt deel uit een ‘Location short list’ waarin enkele panden worden vermeld en vergeleken. Ook de panden van [appellant] zijn vermeld. Onder het kopje ‘Comments’ staat daar bij ‘Negotiations with Mr. [appellant] ’.

6.1.5.

De huurrelatie tussen partijen is, na het verstrijken van de overeengekomen termijn en opzegging zijdens Mercedes, per 1 juni 2012 geëindigd. Mercedes heeft het gehuurde op

25 mei 2012 ontruimd.

6.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] vorderingen in conventie en Mercedes vorderingen in reconventie ingesteld. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen in reconventie grotendeels toegewezen. Het hoger beroep van [appellant] is hiertegen niet gericht, terwijl Mercedes geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Dit betekent dat de vorderingen van Mercedes in hoger beroep niet aan de orde zijn. Het hof zal daarom alleen de vorderingen van [appellant] weergegeven, zoals die luiden in hoger beroep gezien het petitum van de dagvaarding in hoger beroep tevens memorie van grieven (hierna in rov. 6.2.2).

6.2.2.

[appellant] vordert voor zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat Mercedes wanprestatie heeft gepleegd en/of tevens onrechtmatig gehandeld heeft doordat zij - ondanks Mercedes’ eigen brief van 1 oktober 2010 waarin Mercedes uitdrukkelijk verklaard had dat [the real estate agency] was ingeschakeld met betrekking tot de verlenging van onze huurovereenkomsten [bedoeld is: de tussen Mercedes en [appellant] lopende huurovereenkomsten, hof] en deze daarom dan ook contact met [appellant] zou opnemen om alle relevante punten van het huurcontract te bespreken en ondanks Mercedes eigen Update Renewal Building contract d.d. 11 november 2010 waarin Mercedes had aangetekend en bedongen dat er onderhandelingen met [appellant] moesten plaatsvinden – Mercedes vervolgens niet alleen haar eigen verplichtingen maar ook de alleszins gerechtvaardigde belangen van [appellant] geschonden heeft en [appellant] geheel en al links heeft laten liggen en die onderhandelingen met [appellant] willens en wetens heeft geblokkeerd en daarmee de niet-voortzetting van de huurovereenkomsten heeft veroorzaakt en waardoor [appellant] de voortzetting van de huurovereenkomsten is misgelopen;

2. te verklaren voor recht dat Mercedes wanprestatie heeft gepleegd en/of tevens onrechtmatig gehandeld heeft door niet met [appellant] te onderhandelen over de voortzetting van de huurovereenkomsten zulks in strijd met haar eigen Update Renewal Building contract van d.d. 11 november 2010 en de daarbij op de shortlist door Mercedes uitdrukkelijk opgenomen aantekening Negotations with mr. [appellant] die voorschreef dat dat wel moest gebeuren waardoor Mercedes haar eigen verplichtingen en de alleszins gerechtvaardigde belangen van [appellant] geschonden heeft en [appellant] geheel en al links heeft laten liggen en die onderhandelingen met [appellant] opzettelijk heeft geblokkeerd en daarmee de niet-voortzetting van de huurovereenkomsten heeft veroorzaakt en waardoor [appellant] de voortzetting van de huurovereenkomsten is misgelopen;

3. te verklaren voor recht dat Mercedes wanprestatie heeft gepleegd en/of tevens onrechtmatig gehandeld heeft door niet met [appellant] te onderhandelen over de voortzetting van de huurovereenkomsten niettegenstaande het feit dat Mercedes wist dat [appellant] wist dat het regel was dat die onderhandelingen plaatsvonden en die onderhandelingen met de eigenaar ook in 2007 met succes hadden plaatsgehad en dat [appellant] daarvan kennis gekregen had via de LOI van oktober 2007 en de daarbij behorende brief van CBRE van 26 juni 2007 welke LOI van CBRE [appellant] samen met de brief van CBRE van zijn rechtsvoorganger DG Anlage ontvangen had bij de verkoop van het gebouwencomplex waardoor [appellant] er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat in het verlengde daarvan op een later tijdstip ook met hem als nieuwe eigenaar onderhandeld ging worden;

4. te verklaren voor recht dat Mercedes aansprakelijk is voor de schade van [appellant] voortvloeiend uit haar wanprestatie en/of gewraakt onrechtmatig handelen;

5. Mercedes te veroordelen tot betaling van de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en het schadebedrag te vermeerderen met de handelsrente ex artikel 6:119a BW althans de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;

6. Mercedes te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties waaronder begrepen de proceskosten en de nakosten.

6.2.3.

Tussen partijen staat ter discussie of [appellant] reeds in eerste aanleg zijn eis zoals geformuleerd in de dagvaarding in eerste aanleg heeft gewijzigd bij conclusie van repliek (onder 1), in die zin dat telkens waar in de eerste regel van het petitum sub 1, 2 en 3 het woordje ‘en’ staat dat dient te worden aangevuld met ‘/of’ en dient te worden gelezen als ‘en/of’, hetgeen eveneens geldt voor de tweede regel van sub 4 van het petitum. Het hof gaat aan deze discussie bij gebrek aan belang voorbij, nu het in elk geval in hoger beroep – gezien het petitum van de dagvaarding in hoger beroep tevens memorie van grieven – duidelijk is dat in hoger beroep de vorderingen van [appellant] aldus dienen te worden gelezen. Voor zover dit een eiswijziging in hoger beroep behelst, acht het hof die niet in strijd met de goede procesorde. Mercedes heeft daartegen ook geen bezwaar gemaakt op die grond. Bij de beoordeling zal derhalve worden uitgegaan van de eis zoals weergegeven in rov. 6.2.2.

6.2.4.

Op hetgeen [appellant] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd zal, voor zover relevant, in het navolgende aan de hand van de grieven worden ingegaan.

6.3.

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder het voordragen van 12 grieven. Mercedes heeft deze grieven bestreden. Het hof oordeelt hierover als volgt.

6.4.

Met grieven 1, 2 en 3 klaagt [appellant] over (onderdelen van) de feitenvaststelling in het vonnis waarvan beroep. Het hof heeft hiervoor in rov. 6.1 een eigen overzicht gegeven van de feiten voor zover die tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet voldoende betwist vaststaan. Het hof merkt op dat deze feitenvaststelling niet volledig is maar alleen de in hoger beroep relevante feiten bevat en hoeft te bevatten. In zoverre heeft [appellant] bij de onderhavige grieven geen belang.

Meer specifiek overweegt het hof het volgende. Naar het oordeel van het hof kan hetgeen [appellant] in de toelichting bij grief 1 heeft gesteld omtrent de bankgaranties niet als vaststaand worden beschouwd, nu dit door Mercedes gemotiveerd wordt weersproken. Ten aanzien van grief 2 geldt dat het voor wat betreft de feitenvaststelling volstaat om de inhoud van brief van 1 oktober 2010 te citeren in de Engelse taal, in welke taal de brief is gesteld (overgelegd bij productie 8 bij de inleidende dagvaarding). In reactie op grief 3 heeft het hof in rov. 6.1.4 het woord ‘interne’ voor het woord ‘besluitvorming’ niet opgenomen, anders dan de kantonrechter heeft gedaan in het vonnis waarvan beroep.

Het voorgaande mede in aanmerking genomen, leiden de onderhavige grieven op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en toewijzing van de vorderingen van [appellant] . Dit hangt af van de beoordeling van de grieven 5 tot en met 11 (zie hierna rov. 6.6 e.v.).

6.5.

Grief 4 is gericht tegen de volgens [appellant] onvolledige samenvatting van zijn petitum door de kantonrechter. Bij deze grief heeft [appellant] geen belang. Het hof heeft hiervoor in rov. 6.2.2 zijn vorderingen integraal weergegeven. In rov. 6.2.3 is reeds overwogen dat bij de beoordeling zal worden uitgegaan van de eis zoals weergegeven in rov. 6.2.2.

6.6.

De grieven 5 tot en met 11 lenen zich voor gezamenlijke bespreking, als volgt.

6.7.

Aan de vorderingen van [appellant] ligt, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Blijkens de brief van 1 oktober 2010 heeft DRE [the real estate agency] ingeschakeld om de huurovereenkomsten met [appellant] te verlengen. Zijn uitleg van deze brief baseert [appellant] ook op feiten die aan deze brief zijn voorafgegaan. Volgens hem hebben er toen diverse onderhandelingen plaatsgevonden. Ook had Mercedes [appellant] overgehaald om af te zien van de bankgaranties door hem voor te houden dat hij veel meer had aan een duurzame huurrelatie voor de toekomst.

Voorts beroept [appellant] zich op de aantekening in de Update Renewal Building contract d.d. 11 november 2010 dat er onderhandelingen met hem moesten plaatsvinden (‘Negotiations with Mr. [appellant] ’). Mercedes heeft [appellant] echter genegeerd en de onderhandelingen met hem geblokkeerd.

Ook was het de staande praktijk dat onderhandelingen over voortzetting van de huurovereenkomsten plaatsvonden met de eigenaar. [appellant] verwijst hierbij naar een LOI van oktober 2007 tussen de rechtsvoorganger van [appellant] , DG Anlage, en DaimlerChrysler Customer Assistance Center (productie 1A bij de inleidende dagvaarding) en een daarbij behorende brief van CBRE van 26 juni 2007 (productie 17 bij de inleidende dagvaarding). Mercedes wist ook dat [appellant] dit wist.

Aldus – steeds – [appellant] .

6.8.

Het onderhavige geschil tussen partijen moet worden bezien tegen de volgende achtergrond. [appellant] heeft eerder een procedure gevoerd tegen Mercedes (en Daimler AG) over voortzetting van de tussen partijen bestaand hebbende huurovereenkomsten. Ook daarin beriep [appellant] zich onder meer op de brief van 1 oktober 2010. Bij arrest van 19 april 2016 met zaaknummer HD 200.155.015/01 (overgelegd als productie 46A door Mercedes) heeft dit hof daarover beslist. Het hof heeft geconcludeerd dat met de brief van 1 oktober 2010 de huurovereenkomsten niet zijn verlengd (4.7.1). Vervolgens heeft het hof, in rov. 4.7.2, geoordeeld dat de brief niet kan worden uitgelegd als een partijen bindende verlenging van de huurovereenkomsten op grond van de Haviltex-regel, overwegende aan het einde van die rechtsoverweging: ‘Voor zover [appellant] met deze grieven ook nog heeft willen aanvoeren dat Mercedes c.s. waren gehouden tot doorhandelen (lees: dooronderhandelen, hof), gaat het hof daaraan voorbij alleen al omdat hij onvoldoende feiten heeft aangevoerd die een dergelijke stelling kunnen dragen’. Tussen partijen staat vast dat [appellant] tegen dit arrest geen beroep in cassatie heeft ingesteld, zodat dat arrest in kracht van gewijsde is gegaan.

6.9.

Mercedes voert in de onderhavige procedure onder meer het verweer dat door het hof reeds onherroepelijk is geoordeeld over de uitleg van de brief van 1 oktober 2010.

[appellant] heeft hiertegen ingebracht dat het in de eerdere procedure ging om de vraag of Mercedes zich met de brief van 1 oktober 2010 heeft gebonden aan verlenging van de lopende huurovereenkomsten, terwijl hij zich er in de onderhavige procedure op beroept dat de brief van 1 oktober 2010, in samenhang met andere feiten, in ieder geval de belofte inhield dat met [appellant] over de voortzetting van de huurovereenkomsten had moeten worden gesproken en onderhandeld (pleitnota in hoger beroep, onder 2 en 3).

Het hof volgt [appellant] niet in deze redenering. In de procedure die heeft geleid tot het arrest van 19 april 2016 met zaaknummer HD 200.155.015/01 heeft [appellant] vorderingen ingesteld die zo ruim zijn geformuleerd dat ook zijn vorderingen in de onderhavige procedure daaronder kunnen worden begrepen, met name de vorderingen op basis van de brief van 1 oktober 2010 weergegeven in rov. 4.2 onder 2, 3 en 6 van dat arrest. Ook is van betekenis dat het hof de bewuste rechtsoverweging over het dooronderhandelen heeft gegeven alvorens te concluderen dat, ‘Met het vorenstaande’, de aldaar besproken grieven falen, hetgeen niet duidt op een overweging ten overvloede. Op grond van het voorgaande komt Mercedes in dezen beroep op gezag van gewijsde toe.

6.10.

Voor het geval hierover anders moet worden geoordeeld, zal het hof het geschil tussen partijen in het navolgende inhoudelijk beoordelen.

6.11.

Naar het oordeel van het hof mocht [appellant] er niet op basis van de brief van 1 oktober 2010 op vertrouwen dat DRE [the real estate agency] heeft ingeschakeld om de huurovereenkomsten met hem te verlengen. Om te beginnen behelst deze brief geen mededeling met die inhoud of strekking. Bij die brief wordt juist een onderhoud met [appellant] afgezegd. Verder zijn er gezien de brief nog ‘discussions and negotiations’ nodig. Dat in de brief wordt gesproken over ‘the renewal of our [cursivering hof] lease contracts’ is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake was van exclusiviteit, in de zin dat Mercedes eerst met [appellant] moest onderhandelen over voortzetting van de tussen hen bestaande huurovereenkomsten. Gegeven het beginsel van contractsvrijheid stond het Mercedes immers in beginsel vrij om niet met [appellant] te contracteren. Zij kon dat dus ook met een derde doen, zoals zij later ook heeft gedaan.

6.12.

Ook indien de door [appellant] gestelde feiten voorafgaand aan de brief van 1 oktober 2010 hierbij worden betrokken, kan dit het oordeel niet dragen dat [appellant] deze brief heeft kunnen begrijpen als bevattende een concrete toezegging dat de huurovereenkomsten met hem zullen worden verlengd. De brieven van 15 juni 2010 (productie 5 bij de inleidende dagvaarding) en 24 augustus 2010 (productie 7 bij de inleidende dagvaarding) betreffen slechts de planning van besprekingen tussen partijen. Enig relevant inhoudelijk bericht kan daaruit niet worden afgeleid. [appellant] stelt dat Mercedes hem heeft overgehaald om af te zien van de bankgaranties door hem voor te houden dat hij veel meer had aan een duurzame huurrelatie voor de toekomst. Daargelaten dat Mercedes deze stelling gemotiveerd heeft betwist, zodat de juistheid daarvan niet vast staat, levert dit niet een voldoende concrete toezegging op. Ook dat partijen tijdens de huurperiode over diverse onderwerpen hebben onderhandeld, niet alleen over de bankgaranties, is hiervoor niet toereikend.

6.13.

Het beroep dat [appellant] in dit verband heeft gedaan op de aantekening in de Update Renewal Building contract d.d. 11 november 2010 dat er onderhandelingen met hem moesten plaatsvinden (‘Negotiations with Mr. [appellant] ’) kan niet slagen. Dit reeds omdat [appellant] , naar eigen zeggen, hiervan eerst tijdens de onderhavige procedure kennis heeft gekregen. Dat kan dan ook niet bijdragen aan het vertrouwen dat hij indertijd stelt te hebben gehad dat de huurovereenkomsten zouden worden voortgezet. Overigens is het enkele feit dat nog onderhandelingen moesten plaatsvinden een aanwijzing dat [appellant] er niet van mocht uitgaan dat voortzetting van de huurovereenkomsten zou plaatsvinden. Zoals hiervoor in rov. 6.11 is overwogen, stond het Mercedes immers in beginsel vrij om niet met [appellant] te contracteren.

6.14.

Het hof acht het feit dat er in oktober 2007 een LOI tussen DG Anlage en DaimlerChrysler Customer Assistance Center tot stand is gekomen niet althans onvoldoende relevant voor de thans te beantwoorden vragen. Afgezien van het feit dat Mercedes heeft weersproken dat het een staande praktijk was dat onderhandelingen over voortzetting van de huurovereenkomsten plaatsvonden met de eigenaar, kan [appellant] daaraan niet zonder meer als nieuwe eigenaar rechten ontlenen. Voor zover DG Anlage terzake rechten had, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat die bij de eigendomsoverdracht op [appellant] zijn overgegaan. Dat Mercedes wist dat [appellant] wist van de LOI en de brief van CBRE is daarvoor onvoldoende.

6.15.

Voorts heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan blijken dat Mercedes niet genoeg rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [appellant] . Niet in geschil tussen partijen is dat er een marktonderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij ook [appellant] in de gelegenheid is gesteld een aanbieding te doen, hetgeen hij ook heeft gedaan. Ook is [appellant] direct op de ‘Location short list’ geplaatst, waardoor hij gekwalificeerd was om een aanbieding te doen. Mercedes heeft vervolgens evenwel om haar moverende redenen, waaronder financiële, gekozen voor een derde. De slotsom is dat dit Mercedes vrij stond.

6.16.

Bij deze stand van zaken hoefde Mercedes niet door te onderhandelen of anders te onderhandelen met [appellant] . Mercedes was ook niet verplicht om op de suggestie van [appellant] in te gaan dat hij bereid was een betere aanbieding te doen dan hij heeft gedaan. Daarbij speelt mee dat Mercedes [appellant] al meerdere keren had gevraagd om zijn aanbieding te concretiseren voordat hij bij de brief van 10 januari 2011 (productie 13A bij de inleidende dagvaarding) met zijn aanbieding met de incentive van € 1.500.000,-- kwam. Voor zover [appellant] meent dat Mercedes (of DRE of [the real estate agency] ) fysiek met hem om de tafel had moeten gaan zitten om over zijn aanbieding te spreken, was Mercedes daartoe naar het oordeel van het hof niet gehouden.

6.17.

[appellant] heeft bewijs aangeboden door het horen van [medewerker van ING] , medewerker van ING, met betrekking tot zijn stelling dat er in november 2010 al een deal was met ING – de derde van wie Mercedes uiteindelijk panden heeft gehuurd. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De gevolgtrekking die [appellant] uit een eventuele deal met ING in november 2010 maakt, namelijk dat Mercedes niet in zijn aanbod was geïnteresseerd omdat Mercedes al een deal met ING had, volgt niet uit de door beide partijen gestelde feiten. In de periode medio november 2010/medio januari 2011 is [appellant] tot driemaal toe in de gelegenheid gesteld een concreet en uitgewerkt aanbod te doen, waarbij ook nog eens tot tweemaal toe aan [appellant] deze gelegenheid was gegeven nadat door Mercedes aan hem een herkansing was gegeven. Voorts was ook volgens de stellingen van [appellant] goedkeuring van het bestuur van ING (alsmede van het bestuur van Mercedes) nodig voordat er sprake was van definitieve overeenstemming, welke vooralsnog ontbrak (zie ook het door [appellant] zelf opgestelde gespreksverslag met [medewerker van ING] , overgelegd bij productie 3 bij de memorie van grieven). Ook moest ING nog altijd een aanbieding doen in het kader van het door DRE georganiseerde proces om te komen tot een keuze voor een verhuurder. Aangenomen kan worden dat [the real estate agency] contact heeft opgenomen met ING met de vraag of zij een geschikt pand beschikbaar heeft (zie ook de bij productie 3 bij de memorie van grieven overgelegde verklaring van ING zelf). De gedachte dat de keuze op voorhand in november 2010 was bepaald, berust evenwel al met al te zeer op speculatie. Bewijslevering is daarom niet aan de orde.

6.18.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. De grieven 5 tot en met 11 falen dus.

6.19.

Grief 12 is een algemene grief, volgens welke de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de feitelijke onderbouwing van de vorderingen van [appellant] ondeugdelijk is, zodat zijn vorderingen moeten worden afgewezen. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom verder geen bespreking.

6.20.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, zoals gevorderd vermeerderd met nakosten en wettelijke rente, alsook uitvoerbaar bij voorraad.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde;

wijst het door [appellant] in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Mercedes op € 718,00 aan griffierecht en op € 2.682,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor wat betreft voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, P.P.M. Rousseau en J.K. Six-Hummel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 maart 2018.

griffier rolraadsheer