Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:895

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.196.397_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:4307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot betaling van schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking, omdat bij een grondtransactie geen rekening is gehouden met de door appellant gestelde eigendomsverkrijging door verjaring; dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.196.397/01

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. R.P.H. Sangers te Maastricht,

tegen

C.V. Projectbureau Grensmaas ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Grensmaas ,

advocaat: mr. H. Zeilmaker te Nijmegen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 september 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer 4331667 / CV EXPL 15-7144 gewezen vonnis van 18 mei 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 20 september 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van 8 november 2016;

  • -

    de memorie van grieven met eiswijziging en met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling


De feiten

6.1.

In r.o. 2. van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feitenvaststelling is door [appellant] bestreden met
grief 1. Indien deze grief slaagt, volledig dan wel op onderdelen, leidt dit echter niet zonder meer tot de vernietiging van het bestreden vonnis. In het navolgende zal dit nader blijken.
Rekening houdend met de feitenvaststelling door de rechtbank, met de daartegen door [appellant] gerichte grief, en met het gegeven dat in hoger beroep niet meer alle kwesties aan de orde zijn gesteld die in eerste aanleg onderwerp van debat waren, stelt het hof de relevante feiten als volgt vast.

a. a) [appellant] was van 1982 tot in oktober 2010 eigenaar van twee naast elkaar gelegen percelen landbouwgrond in de voormalige gemeente Geulle, thans gemeente Meerssen, kadastraal bekend als Geulle, sectie [sectieletter] , nummers [sectienummer 1] en [sectienummer 2] (hierna: perceel [sectienummer 1] en perceel [sectienummer 2] ). Voordien was [appellant] ’ vader eigenaar van deze percelen.

b) Aanvankelijk liep over deze percelen een landweg naar de Maas, zodanig dat een deel van de percelen was gelegen ten noorden van de landweg en een ander deel van de percelen ten zuiden van de landweg.
[appellant] gebruikte de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 1] (en de belendende, door hem gepachte percelen [sectienummer 3] en [sectienummer 4] ) als grasland.

c) In 1981 of 1982 is de landweg in opdracht en voor rekening van [appellant] verlegd in noordelijke richting, met de bedoeling om de weg te laten dienen als grens tussen de percelen van [appellant] en het perceel grond, kadastraal bekend als Elsloo, sector [sectorletter] , nummer [sectienummer 5] (hierna: perceel [sectienummer 5] ).
Perceel [sectienummer 5] was op dat moment als akkerbouwgrond in gebruik bij (pachter) [pachter] . Na overleg met [pachter] heeft [appellant] bij de aanleg van de nieuwe landweg de ‘ploegvoor’ van perceel [sectienummer 5] als grens aangehouden.
Na verplaatsing van de landweg heeft [appellant] perceel [sectienummer 1] (en de percelen [sectienummer 2] , [sectienummer 3] en [sectienummer 4] ) als akkerbouwgrond in gebruik genomen.

d) Perceel [sectienummer 5] is op 6 juni 1988 in eigendom overgaan op [eigenaar 1] .
Vanaf 11 november 2002 behoort het perceel in gezamenlijke eigendom toe aan [eigenaar 1] (1/2), [eigenaar 2] (1/4) en [eigenaar 3] (1/4) (hierna gezamenlijk te noemen: [eigenaren c.s.] ).

e) Ten noorden van perceel [sectienummer 1] en ten westen van perceel [sectienummer 5] is gelegen een perceel grond, kadastraal bekend als Geulle, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 6] (hierna: perceel [sectienummer 6] ).
Perceel [sectienummer 6] is sedert 27 juni 2006 eigendom van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland (hierna: Natuurmonumenten).

f) Grensmaas is belast met uitvoering van het Grensmaasproject en heeft zich in dat kader ten doel gesteld om alle gronden in de locatie ‘Aan de Maas’, waarin de percelen [sectienummer 1] , [sectienummer 2] en [sectienummer 5] zijn gelegen, van de eigenaren te kopen. De onderhandelingen over de grondaankopen zijn gestart in 2005.
Bij Koninklijk Besluit van 14 februari 2009 zijn (zekerheidshalve, om vertraging van het project te voorkomen) de percelen van (onder meer) [appellant] aangewezen ter onteigening.

g) [appellant] heeft op 28 juli 2010 een overeenkomst (hierna: de koopovereenkomst) gesloten met Grensmaas , waarbij onder meer de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 2] zijn verkocht.
De levering van deze percelen heeft plaatsgevonden op grond van een leveringsakte van
25 oktober 2010. Partijen zijn overeengekomen dat [appellant] de percelen kon blijven gebruiken tot de grond nodig was voor de uitvoering van het Grensmaasproject.
Tevens is aan [appellant] bij die overeenkomst een vergoeding toegekend voor de pachtbeëindiging inzake de percelen [sectienummer 3] en [sectienummer 7] .

h) In het kader van de koop/onteigening van perceel [sectienummer 5] van [eigenaren c.s.] heeft Grensmaas op 15 oktober 2010 een terreinuitmeting laten uitvoeren, waarbij piketpalen zijn uitgezet ter markering van de grens van het perceel.
[appellant] heeft bij deze gelegenheid ontdekt dat de landweg niet tegen de grens tussen de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 5] lag, zoals hij tot dan toe had gedacht, maar verscheidene meters verder naar het noorden en dat hij dus, in ieder geval sedert de verplaatsing van de landweg, méér grond in gebruik heeft gehad (als landweg en als ten zuiden daarvan gelegen akkerbouwgrond) dan enkel het kadastrale perceel [sectienummer 1] (en de niet ter discussie staande percelen [sectienummer 2] , [sectienummer 3] en [sectienummer 7] ), namelijk een deel van het kadastrale perceel [sectienummer 5] .

[appellant] heeft toen ook ontdekt dat hij, in ieder geval sedert de verplaatsing van de landweg, ook een deel van perceel [sectienummer 6] in gebruik had.

i. i) [appellant] heeft vervolgens ten opzichte van Grensmaas aanspraak gemaakt op een vergoeding voor het deel van perceel [sectienummer 5] dat hij in gebruik had (hierna: de strook), stellende dat hij door verjaring eigenaar was geworden van de strook. Die vergoeding diende volgens [appellant] te bestaan uit een vergroting van de elders gelegen percelen die [appellant] van Grensmaas zou kopen, ter vervanging van de percelen door hem verkochte percelen in de locatie ‘Aan de Maas’.

j) Grensmaas heeft bij brief van 19 oktober 2010 aan [appellant] meegedeeld dat zij [appellant] ’ wens om meer grond geleverd te krijgen niet kon honoreren, maar dat zij bereid was om de door [appellant] gebruikte extra oppervlakte te vergoeden op dezelfde voorwaarden als in de koopovereenkomst was overeengekomen, onder de voorwaarden:
(1) dat hij zou meewerken aan de levering van die gronden op 22 oktober 2010, en
(2) dat onbetwist en definitief zou komen vast te staan dat [appellant] de door hem geclaimde oppervlakte door verjaring in eigendom had verkregen en dat Grensmaas deze grond zonder uitstel en volledig vrij van aanspraken in eigendom zou verkrijgen.

k) [appellant] heeft vervolgens de Minister van Verkeer en Waterstaat benaderd bij brieven van 23 oktober en 14 december 2010, met het verzoek een beslissing te nemen.
Rijkswaterstaat heeft bij brief van 15 februari 2011 aan [appellant] geantwoord dat hij de kwestie van de verjaring met [eigenaren c.s.] diende te regelen.

l) [appellant] heeft zich vervolgens wederom tot Grensmaas gewend, die de strook op
17 maart 2011 heeft laten uitmeten door PS-Survey.
Grensmaas heeft daarop [appellant] en [eigenaren c.s.] bij brief van 2 mei 2011 meegedeeld dat de strook 1.060 m2 groot was, en heeft zowel [appellant] als [eigenaren c.s.] het aanbod gedaan voor de strook een vergoeding te betalen van € 6,- per m2 voor de landbouwgrond en € 1,- per m2 voor de landweg.
[appellant] heeft dit aanbod afgeslagen, waarna het voorstel van Grensmaas is ingetrokken.

m) Op 12 juli 2011 heeft Grensmaas de grens tussen de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 5] opnieuw laten uitmeten. Bij brief van 14 september 2011 heeft Grensmaas aan [appellant] en [eigenaren c.s.] meegedeeld dat was gebleken dat [appellant] in totaal 530 m2 van perceel [sectienummer 5] in gebruik had en 50 m2 van perceel [sectienummer 6] en dat - zo lang [appellant] het gebruik van perceel [sectienummer 5] zou voortzetten - [eigenaren c.s.] niet in staat zou zijn om het perceel vrij van gebruik en aanspraken te leveren aan Grensmaas .
Grensmaas heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, als zij [appellant] een vergoeding moest betalen voor de beëindiging van diens gebruik van de strook, zij de vergoeding voor [eigenaren c.s.] met eenzelfde bedrag zou verlagen. Grensmaas heeft [appellant] en [eigenaren c.s.] daarom in overweging gegeven om hierover onderling een minnelijke regeling te treffen.
Voorts heeft Grensmaas aan [appellant] coulance halve aangeboden om een vergoeding van
€ 300,- te betalen, bij beëindiging van zijn aanspraken op het door hem gebruikte deel van [sectienummer 6] .
Dit voorstel door [appellant] niet binnen de gestelde vervaldatum aanvaard.

n) Grensmaas heeft op 8 februari 2013 overeenstemming bereikt met [eigenaren c.s.] over de verkoop en levering van perceel [sectienummer 5] . Ter zake de levering van perceel [sectienummer 5] is op
20 december 2013 een notariële leveringsakte gepasseerd, die is ingeschreven in de openbare registers. Zowel de koopovereenkomst als leveringsakte hebben betrekking op perceel [sectienummer 5] inclusief de strook.

o) De gronden in het project ‘Aan de Maas’ zijn in de periode van eind 2012 tot eind 2014 van zuid naar noord ontdaan van grind en zijn daarna door Grensmaas verkocht en geleverd aan Natuurmonumenten.
[appellant] heeft het gebruik van de gronden in het project definitief beëindigd en heeft elders andere gronden van Grensmaas teruggekocht en geleverd gekregen.

De eerste aanleg

6.2.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat:
primair
1. veroordeling van Grensmaas tot deugdelijke nakoming van de koopovereenkomst door aan hem te betalen een bedrag van € 8.541,88, althans een in goede justitie te betalen bedrag, met rente,
subsidiair
2. a. te verklaren voor recht dat partijen bij de totstandkoming van de koopovereenkomst hebben gedwaald, in die zin dat zij een onjuiste voorstelling hadden over de oppervlakte van het verkochte en dus over de koopprijs,
b. de veroordeling van Grensmaas om de gevolgen van de koopovereenkomst te wijzigen, zodat het nadeel voor [appellant] wordt opgeheven, door betaling van € 8.541,88, althans een in goede justitie te betalen bedrag, met rente
meer subsidiair
3. a. te verklaren voor recht dat Grensmaas ongerechtvaardigd is verrijkt, doordat [appellant] feitelijk meer grond heeft geleverd dan hij op basis van de koopovereenkomst heeft verkocht, terwijl Grensmaas hiervoor niet heeft betaald en [appellant] daardoor schade heeft geleden,
b. veroordeling van Grensmaas om alsnog de schade van [appellant] te vergoeden, door betaling van € 8.541,88, althans een in goede justitie te betalen bedrag, met rente,
met veroordeling van Grensmaas in de proceskosten.

6.2.2.

[appellant] heeft hiertoe gesteld, samengevat, dat de strook in gebruik is geweest bij zijn vader en later bij hem, dat hij daarom door verjaring eigenaar is geworden van de strook, en dat Grensmaas om die reden met hem dient af te rekenen met inbegrip van de oppervlakte van de strook.

6.2.3.

Grensmaas heeft verweer gevoerd, onder meer stellende dat zij zowel ten aanzien van de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 5] de desbetreffende koopovereenkomsten is nagekomen, dat deze percelen aan haar zijn geleverd en dat zij de overeengekomen koopprijzen voor alle verkochte vierkante meters van beide percelen heeft betaald.

6.2.4.

De kantonrechter heeft bij rolbeslissing een comparitie na antwoord gelast, die heeft plaatsgevonden op 15 februari 2016.

6.2.5.

In het eindvonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het door [appellant] gevorderde afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

6.2.6.

De kantonrechter heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen.
1) [appellant] heeft ter comparitie de kadastrale grenzen van de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 5] en de omvang van beide percelen erkend. Aan de aanvankelijke stelling van [appellant] dat tussen de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 5] een strook ‘niemandsland’ ligt, is daardoor de feitelijke grondslag ontvallen.
2) Namens [appellant] is verder erkend dat het in de koopovereenkomst genoemde perceel [sectienummer 1] is geleverd aan Grensmaas . Nu [appellant] niet heeft gesteld dat de koopsom niet is betaald, moet het ervoor worden gehouden dat de koopovereenkomst over en weer correct is nagekomen. De primaire vordering dient daarom te worden afgewezen.
3) Als gevolg van de erkenning door [appellant] van de kadastrale grenzen en de omvang van perceel [sectienummer 1] is de feitelijke grondslag ontvallen aan [appellant] ’ beroep op wederzijdse dwaling. Dat [appellant] pas na het sluiten van de koopovereenkomst heeft ontdekt dat hij ook de strook in gebruik had en daarvan (wellicht) eigenaar was, doet hieraan niet af. De strook maakte immers geen deel uit van de koopovereenkomst. Ook de subsidiaire vordering dient daarom te worden afgewezen.
4) [eigenaren c.s.] en Grensmaas betwisten dat [appellant] door verjaring eigenaar is geworden van de strook. [appellant] is niet in staat geweest om de strook te leveren op de door Grensmaas verlangde wijze. Gelet hierop valt niet in te zien op welke grond Grensmaas verplicht zou zijn om met betrekking tot de strook af te rekenen met [appellant] . Van een ongerechtvaardigde verrijking van Grensmaas ten koste van [appellant] is geen sprake. Grensmaas heeft voor beide percelen de overeengekomen koopsommen betaald aan de in het Kadaster geregistreerde eigenaren van de percelen en heeft daarmee voor alle aangekochte vierkante meters betaald. Ook de meer subsidiaire vordering dient daarom te worden afgewezen.
5) Ook ten aanzien van perceel [sectienummer 6] heeft [appellant] zijn vorderingen onvoldoende onderbouwd, omdat hij jegens Grensmaas inzake dit perceel geen in rechte erkende eigendomspretenties geldend kan maken en daarom geen deel van dat perceel aan Grensmaas heeft kunnen leveren.

De grieven en de omvang van het hoger beroep

6.3.1.

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van zijn - in hoger beroep gewijzigde - vordering.

6.3.2.

[appellant] vordert thans, samengevat:
primair
1. a. te verklaren voor recht dat het akkerland en de landweg gelegen op de gedeeltelijke percelen [sectienummer 5] en [sectienummer 6] in eigendom toebehoorden aan [appellant] ,
b. veroordeling van Grensmaas om alsnog de schade van [appellant] te vergoeden, door betaling van € 7.720,93, althans € 6.474,-,
subsidiair
2. a. te verklaren voor recht dat [appellant] bij de totstandkoming van de koopovereenkomst heeft gedwaald, in die zin dat hij een onjuiste voorstelling had over de oppervlakte van het verkochte en dus over de koopprijs,
b. veroordeling van Grensmaas om de gevolgen van de koopovereenkomst te wijzigen, zodat het nadeel voor [appellant] wordt opgeheven, door betaling van € 7.720,93, althans € 6.474,-, met rente,
met veroordeling van Grensmaas in de proceskosten van beide instanties en met veroordeling van Grensmaas om de door [appellant] op grond van het vonnis waarvan beroep betaalde proceskosten aan hem terug te betalen.

Verjaring, ongerechtvaardigde verrijking

6.4.1.

[appellant] stelt in verband met zijn eiswijziging in hoger beroep, onder meer, dat hij in eerste aanleg de grenzen en de omvang van perceel [sectienummer 1] heeft erkend en dat hij zich thans tevens op het standpunt stelt dat de koopovereenkomst over en weer volledig is nagekomen, zodat hij in hoger beroep niet langer nakoming van deze koopovereenkomst door Grensmaas vordert. In plaats daarvan maakt hij thans aanspraak op de schadevergoeding onder 1.

6.4.2.

Met grief 2 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten om ten gronde te beslissen op zijn beroep op de eigendomsverkrijging van de strook door verjaring in de zin van artikel 3:105 BW. Volgens [appellant] heeft hij voldaan aan alle vereisten voor deze eigendomsverkrijging.
Met grief 3 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij ter comparitie de kadastrale grenzen en de omvang van de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 5] heeft erkend. Volgens [appellant] heeft hij dat uitsluitend gedaan met betrekking tot perceel [sectienummer 1] en handhaaft hij zijn aanspraak - op grond van verjaring - op een gedeelte van perceel [sectienummer 5] .
Met grief 4 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte zijn beroep op ongerechtvaardigde verrijking heeft afgewezen. [appellant] stelt daartoe dat hij in 2010 aan Grensmaas heeft verkocht en geleverd de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 2] , met een totale oppervlakte van 2.170 m2, maar dat hij op dat moment ook eigenaar was van de strook, bestaande uit gedeelten van de percelen [sectienummer 5] en [sectienummer 6] , met een oppervlakte van 1.079 m2. Volgens [appellant] heeft hij feitelijk ook deze 1.079 m2 geleverd/overgedragen zonder dat hij hiervoor door Grensmaas is betaald. Daardoor is Grensmaas ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [appellant] . De verrijking bestaat volgens [appellant] uit het te gelde maken van het gewonnen grind in de strook, waarvoor Grensmaas niet de overeengekomen prijs heeft betaald. Volgens [appellant] moet deze verrijking worden gesteld op € 7.720,93, naar analogie van de prijs per m2 die voor de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 2] is gehanteerd, en vormt dit bedrag tevens zijn eigen verarming.
Met grief 5 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] ten aanzien van perceel [sectienummer 6] geen eigendomspretenties geldend kan maken en dat hij geen deel van dit perceel aan Grensmaas heeft kunnen leveren. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter daarmee miskend dat hij wel degelijk een beroep heeft gedaan op zijn eigendomsrecht (als gevolg van verjaring) van een deel van dit perceel.

6.4.3.

Het door [appellant] gestelde is door Grensmaas gemotiveerd betwist.

6.4.4.

[appellant] vordert primair onder 1.a. een verklaring voor recht. Met een dergelijke verklaring voor recht zou onvermijdelijk ook een uitspraak worden gedaan omtrent de rechtspositie van de toenmalige eigenaar ( [eigenaren c.s.] ), zulks terwijl deze geen procespartij is in deze procedure.
Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] desgevraagd echter aangegeven dat zijn primaire vordering tot verklaring voor recht (zie r.o. 6.3.2. onder 1.a.) uitsluitend van belang is, omdat hij de beslissing dat hij eigenaar is geweest van de strook ziet als een noodzakelijke voorwaarde voor de toewijzing van zijn eveneens primaire schadevergoedingsvordering jegens Grensmaas .
Om deze reden zal het hof eerst beoordelen of de vordering van [appellant] tot schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking toewijsbaar is.

6.4.5.

Het hof stelt voorop dat, ingevolge het bepaalde in artikel 6:212 lid 1 BW, hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, de schade van die ander te vergoeden tot het bedrag van de verrijking.

6.4.6.

Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde (thans) primaire schadevergoedingsvordering, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door Grensmaas , onvoldoende heeft onderbouwd.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] in zijn onderbouwing van deze vordering enerzijds ervan uitgaat dat hij de eigendom van de strook heeft verkregen door verjaring, terwijl hij anderzijds ervan uitgaat dat hij de strook heeft geleverd/overgedragen aan Grensmaas .

6.4.7.

Voor zover [appellant] met ‘geleverd/overgedragen’ doelt op een levering/overdracht in juridische zin, overweegt het hof dat de hiervóór vermelde uitgangspunten niet te verenigen zijn, nu vast staat dat de tussen [appellant] en Grensmaas opgemaakte (en ingeschreven) leveringsakte geen betrekking heeft gehad op (gedeelten van) de percelen [sectienummer 6] en [sectienummer 5] .
Daarom valt niet in te zien hoe [appellant] , als hij inderdaad door verjaring eigenaar is geworden van de strook, deze eigendom heeft geleverd/overgedragen aan Grensmaas . Bij gebreke van een dergelijke eigendomsoverdracht, heeft [appellant] dan onvoldoende toegelicht waaruit de verrijking van Grensmaas en zijn daarmee corresponderende verarming bestaan.

6.4.8.

Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat de eigendom van de strook is overgegaan op Grensmaas ten gevolge van een levering/overdracht door [eigenaren c.s.] , en Grensmaas daardoor is verrijkt en [appellant] daarmee dienovereenkomstig is verarmd, heeft [appellant] ook dat standpunt tegenover de gemotiveerde betwisting van Grensmaas onvoldoende toegelicht. Tussen partijen staat vast dat de tussen [eigenaren c.s.] en Grensmaas gesloten koopovereenkomst en de tussen hen opgemaakte (en ingeschreven) leveringsakte betrekking hebben gehad op het volledige perceel [sectienummer 5] , met inbegrip van het deel van de strook op dit perceel.
Als [appellant] zich ten aanzien van de strook terecht op verjaring zou beroepen, dan kan voormelde eigendomsoverdracht door [eigenaren c.s.] aan Grensmaas , bij gebreke van beschikkingsbevoegdheid bij [eigenaren c.s.] , geen betrekking hebben gehad op de strook.
Ook in zoverre heeft [appellant] onvoldoende (nader) toegelicht en onderbouwd waaruit de verrijking van Grensmaas en zijn daarmee corresponderende verarming dan hebben bestaan.

6.4.9.

Voor zover [appellant] met ‘geleverd/overgedragen’ doelt op het feitelijk ter beschikking stellen van de strook aan Grensmaas , overweegt het hof dat de gang van zaken waarop [appellant] zich dan beroept in overwegende mate het gevolg is geweest van zijn eigen handelen en verdere opstelling in de periode vanaf oktober 2010.
Tussen partijen staat vast dat de strook in die periode exclusief door [appellant] werd gebruikt. [appellant] beschouwde zich als eigenaar van de strook en had dat standpunt kenbaar gemaakt aan [eigenaren c.s.] en aan Grensmaas . [appellant] heeft er vervolgens echter van afgezien om zijn rechtspositie als (pretens) bezitter en eigenaar daadwerkelijk te handhaven en om daarvoor de vereiste stappen te zetten, met name jegens [eigenaren c.s.] Evenmin heeft hij Grensmaas een concreet aanbod gedaan om de strook van hem te kopen en daarbij aangeboden om in te staan voor een tijdige en bevoegd te verrichten levering. Voorstellen van Grensmaas om anderszins tot een minnelijke regeling te komen, eventueel met een extra financiële bijdrage van haar zijde, zijn door [appellant] niet aanvaard (zie r.o. 6.1. onder l) en m)).
Gelet op dit een en ander kan Grensmaas niet worden verweten dat zij er van heeft afgezien om in verband met de strook te contracteren met [appellant] . Het is volgens het hof begrijpelijk dat Grensmaas inzake perceel [sectienummer 5] heeft gecontracteerd met [eigenaren c.s.] , die volgens de openbare registers eigenaren waren van het perceel, en vervolgens ook heeft meegewerkt aan de levering ervan, tegen betaling van de overeengekomen prijs per m2 voor het volledige kadastrale perceel. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] , als (pretens) bezitter en eigenaar, zich tegen deze rechtshandelingen tussen Grensmaas en [eigenaren c.s.] heeft verzet.
Deze gang van zaken staat naar het oordeel van het hof, reeds als zodanig en zonder meer,
in de weg aan de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking, omdat, als al sprake zou zijn van een verrijking van Grensmaas en een verarming van [appellant] (hetgeen Grensmaas gemotiveerd betwist), de redelijkheid zich dan verzet tegen het toekennen van een aanspraak op schadevergoeding deswege.

6.4.10.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat [appellant] jegens Grensmaas geen aanspraak kan maken op de schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking zoals primair gevorderd (zie r.o. 6.3.2. onder 1.b.).
Dit betekent dat grief 4 faalt.

6.4.11.

Het voorgaande brengt mee dat de primaire vordering onder 1.a. (zie r.o. 6.3.2.) evenmin toewijsbaar is, ook niet als ervan wordt uitgegaan dat [appellant] door verjaring eigenaar is geworden van de strook. Mede gelet op de nadere toelichting tijdens het pleidooi zoals hiervoor weergegeven (zie r.o. 6.4.4.), heeft [appellant] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat hij anderszins (voldoende) belang heeft bij toewijzing van zijn primaire vordering tot verklaring voor recht.

6.4.12.

De grieven 2, 3 en 5 behoeven, na het voorgaande, geen verdere behandeling.

Dwaling
6.5.1. [appellant] stelt ter onderbouwing van zijn subsidiaire vordering, zoals gewijzigd in hoger beroep (zie r.o. 6.3.2. onder 2.a.), dat hij niet langer vordert dat voor recht wordt verklaard dat partijen hebben gedwaald, maar dat hij heeft gedwaald.
[appellant] komt terug (terecht, gelet op hetgeen het hof heeft overwogen onder 6.4.7.) van het in eerste aanleg ingenomen standpunt dat hij ten gevolge van een over en weer bestaande onjuiste voorstelling van zaken méér grond heeft geleverd aan Grensmaas dan hij aan haar heeft verkocht (en waarvoor hij een betaling heeft ontvangen).
stelt nu, naar het hof begrijpt, dat hij bij het sluiten van de koopovereenkomst heeft gedwaald omtrent de omvang van zijn eigendom en dat hij, had hij toen beter geweten, een voor hem meer voordelige overeenkomst zou hebben gesloten met Grensmaas .
heeft geen uitdrukkelijke grief gericht tegen de beslissing van de kantonrechter in verband met zijn beroep op dwaling. Het hof begrijpt, net als Grensmaas , dat [appellant] in hoger beroep niettemin vordert dat deze beslissing wordt vernietigd en dat, als zijn primaire vordering niet toewijsbaar is, zijn subsidiaire vordering op grond van dwaling wordt toegewezen.

6.5.2.

Het hof is van oordeel dat deze subsidiaire vordering niet toewijsbaar is en overweegt daartoe dat een beroep op ‘niet-wederzijdse’ dwaling alleen kan slagen als komt vast te staan dat de onjuiste voorstelling van zaken waarop [appellant] zich beroept het gevolg is van, hetzij een inlichting van Grensmaas , hetzij de schending van een op Grensmaas rustende verplichting om [appellant] ter zake in te lichten (zie artikel 6:228 lid 1, aanhef en onder a en b BW).
Gesteld noch gebleken is dat zich in verband met de koopovereenkomst tussen [appellant] en Grensmaas één van deze (of beide) situaties heeft (of hebben) voorgedaan.

6.5.3.

Het vorenstaande brengt mee dat het hof de subsidiaire vordering in haar beide onderdelen niet kan toewijzen omdat de door [appellant] daaraan ten grondslag gelegde stellingen onvoldoende zijn om dienaangaande een beslissing te (kunnen) geven.
Slotsom

6.6.1.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. Grief 6, die is gericht tegen de proceskostenveroordeling in het vonnis waarvan beroep, faalt gelet op het vorenoverwogene.

6.6.2.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Grensmaas zullen worden vastgesteld op € 718,- aan griffierecht en € 1.896,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x € 632,-, tarief I).

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Grensmaas op € 718,- aan griffierecht en op € 1.896,- aan salaris advocaat,

verklaart de proceskostenveroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, W.J.J. Beurskens en M.E. Bruning en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 maart 2018.

griffier rolraadsheer