Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:893

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.194.120_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8667
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verplichting tot het doen van rekening en verantwoording?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.194.120/01

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J. Wouters te Middelburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] (België),

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.G.E. van Hoeve te Middelburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 december 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/291545/HA ZA 14-901)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede naar het vonnis in incident (exceptie van onbevoegdheid) van 22 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met een productie;

  • -

    het exploot van anticipatie van [geïntimeerde] ;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    het pleidooi, waarbij de advocaat van [appellante] een akte houdende vermeerdering c.q. wijziging van eis in het geding heeft gebracht en waarbij beide advocaten pleitaantekeningen hebben overgelegd. [appellante] en [geïntimeerde] zijn niet verschenen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3
3. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [geïntimeerde] heeft enkele jaren bij [appellante] in huis gewoond. Zij heeft een relatie gehad met de zoon van [appellante] , waaruit twee kinderen zijn geboren.

De Sociale Verzekeringsbank heeft in een brief van 1 oktober 2010 aan [appellante] geschreven dat haar AOW-pensioen vanaf oktober 2010 werd overgemaakt op een bankrekening van [geïntimeerde] .

ABN AMRO heeft in een brief van 2 november 2010 aan [appellante] geschreven dat haar uitkering uit een groeipolis van € 9.200,22 is overgemaakt op de bankrekening van [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] heeft op 21 juni 2013 een brommobiel van [appellante] voor € 1.900,- verkocht aan Garage [garage] in [vestigingsplaats] .

De relatie tussen [geïntimeerde] en de zoon van [appellante] is in augustus 2013 geëindigd.

[geïntimeerde] is op 18 augustus 2013 met de kinderen verhuisd. Zij woont nu in België.

3.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd om [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording over haar bankrekeningen en zorgtoeslag en tot teruggave van haar inboedel, en indien [geïntimeerde] hieraan niet zou voldoen, tot betaling van de vervangende waarde daarvan.

3.3

In het beroepen vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellante] afgewezen. [appellante] is veroordeeld in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

3.5.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de grieven en tot bekrachtiging, al dan niet onder verbetering en aanvulling van gronden, van het beroepen vonnis.

Zij heeft in incidenteel hoger beroep, onder aanvoering van één grief, verzocht om de in het beroepen vonnis vastgestelde feiten te wijzigen, in die zin dat zij niet gedurende een periode van zes jaar, maar een periode van drie en een half jaar bij [appellante] in huis heeft gewoond.

3.6.

[appellante] heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep verweer gevoerd in incidenteel hoger beroep. Zij heeft verder bij akte houdende vermeerdering c.q. wijziging van eis haar vordering vermeerderd, in die zin dat zij subsidiair vordert om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 105.700,-, dan wel het bedrag dat het hof in goede justitie meent te behoren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. [geïntimeerde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.7.

[geïntimeerde] woont in België, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis van het geschil te nemen. Dat is het geval.

3.8.

[appellante] heeft gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording van het beheer van haar bankrekeningen en zorgtoeslag, en tot teruggave van haar inboedel, en indien [geïntimeerde] hieraan niet zou voldoen, tot betaling van de vervangende waarde daarvan. De door [appellante] gestelde schade wordt geleden in Nederland. Dit betekent dat [geïntimeerde] kan worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter (art. 5 EEX-Vo).

3.9.

Partijen, noch de rechtbank, hebben zich uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen. Bovendien is geen grief gericht tegen de toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht. Dat betekent dat het Nederlandse recht zal worden toegepast.

omvang van het hoger beroep

3.10.

[appellante] heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep haar vordering vermeerderd.

Het hof stelt voorop dat de twee-conclusie-regel van art. 347 Rv meebrengt dat een wijziging van de (grondslag van de) eis bij pleidooi niet meer toelaatbaar is, tenzij zich een van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel voordoet (Zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045). Gesteld noch gebleken is dat zich een zodanige uitzondering hier voordoet. De eiswijziging van [appellante] in hoger beroep is daarom niet toelaatbaar.

3.11.

[appellante] heeft vernietiging gevorderd van het beroepen vonnis. Zij heeft geen grieven gericht tegen de daarin neergelegde beslissing voor zover haar vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] is afgewezen met betrekking tot:

1.A. het aan [appellante] afleggen van rekening en verantwoording van het beheer van de [appellante] toekomende zorgtoeslag over de jaren 2012 en 2013;

1.B. het aan [appellante] teruggegeven/ter hand stellen van haar inboedel (pannen, handdoeken, huisraad, dressoir, kleding, speelgoed, keukengerei, stofzuigers en gouden sieraden); en

2. indien [geïntimeerde] niet aan voornoemde veroordelingen voldoet, betaling van de vervangende waarde ter zake:

- diefstal van inboedel en sieraden van € 27.500,-;

- diefstal van gouden sieraden van de dochter van [appellante] van € 25.000,-;

- diefstal van roerende zaken uit de schuur van [appellante] van € 2.500,-.

3.12.

Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus – en zo heeft ook [appellante] dit tijdens het pleidooi in hoger beroep bevestigd en [geïntimeerde] dit verstaan – dat [appellante] deze beslissingen niet bestrijdt.
Dat betekent dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep is beperkt tot de vorderingen van [appellante] tot veroordeling van [geïntimeerde] tot:
1.A. het aan [appellante] afleggen van rekening en verantwoording van het beheer van alle bankrekeningen van [appellante] , in het bijzonder van de ABN AMRO-rekeningen;
2. indien [geïntimeerde] niet aan voornoemde veroordeling voldoet, betaling van de vervangende waarde ter zake:
- de verkoop van de brommobiel van € 1.900,-;
- onrechtmatige toe-eigening van AOW-gelden;
- toe-eigening van het afkoopbedrag van de ABN AMRO-levensverzekering van € 9.200,-;
3. en betaling van de proceskosten.

incidenteel hoger beroep

3.13.

De grief van [geïntimeerde] in het incidentele hoger beroep wordt eerst behandeld. Met deze grief klaagt [geïntimeerde] erover dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat zij zes jaar bij [appellante] in huis heeft gewoond, terwijl dat maar een periode van ongeveer drie en een half jaar is geweest. Nu het hof hiervoor een nieuw overzicht heeft gegeven van de feiten, behoeft deze grief geen verdere bespreking en beoordeling.

principaal hoger beroep

3.14.

De grieven in principaal hoger beroep lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij richten zich allereerst tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een rechtsverhouding die verplicht tot het doen van rekening en verantwoording. Volgens [appellante] dient [geïntimeerde] rekening en verantwoording af te leggen van het door haar gevoerde beheer over het vermogen van [appellante] . Zij heeft dit als volgt toegelicht.

3.15.

[geïntimeerde] heeft ermee ingestemd dat de voor haar bestemde bedragen op de rekening van [geïntimeerde] werden gestort. Zo werd voorkomen dat de ex-echtgenoot van [appellante] , die haar in februari 2010 had verlaten, bij haar geld kon komen. [geïntimeerde] heeft echter alles van [appellante] overgenomen en haar weggehouden van haar administratie. Dit was niet zo afgesproken, maar gebeurde als gevolg van de inzinking van [appellante] in die periode. [appellante] vermoedt dat zij in die periode is gedrogeerd en slaapmedicatie kreeg toegediend.

De SVB heeft met ingang van oktober 2010 het AOW-pensioen van [appellante] op de bankrekening van [geïntimeerde] gestort. [geïntimeerde] heeft zich deze bedragen, die tot en met september 2013 neerkomen op in totaal € 31.184,49, ten onrechte toegeëigend.
ABN AMRO heeft in juni 2013 een uitkering uit de groeipolis van € 9.200,- op de bankrekening van [geïntimeerde] gestort. Ook dit bedrag heeft [geïntimeerde] ten onrechte gehouden.

[geïntimeerde] heeft in juni 2013, onder valse voorwendselen, op naam van [appellante] een bankpas voor de bankrekening van [appellante] aangevraagd deze ook verkregen. Zij heeft op 21 juni 2013 de brommobiel van [appellante] verkocht voor € 1.900,-. Dit bedrag is op de bankrekening van [appellante] gestort, maar [geïntimeerde] heeft met de pinpas van [appellante] € 500,- gepind en het resterende bedrag van € 1.400,- overgemaakt naar haar eigen rekening.

3.16.

[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij heeft ingestemd met het verzoek van [appellante] , destijds haar schoonmoeder en vriendin. Zij heeft alle door [appellante] genoemde bedragen aan haar terugbetaald.
Met betrekking tot de door SVB betaalde bedragen aan AOW-uitkering heeft [geïntimeerde] verwezen naar bankafschriften van 2011, waaruit volgens haar blijkt dat zij telkens na ontvangst van de AOW-uitkering van [appellante] dit bedrag doorstortte, of per pin opnam en contant aan [appellante] terugbetaalde (cva productie 3).

De uitkering uit de groeipolis van € 9.200,22 is op deze manier ook volledig terugbetaald, zoals volgens [geïntimeerde] door [appellante] is bevestigd in de door haar in het geding gebrachte, door beide partijen ondertekende verklaring van 2010 (cva productie 9).

[geïntimeerde] heeft de brommobiel in opdracht van [appellante] verkocht voor € 1.900,- om een schuld bij de woningbouwvereniging te voldoen en uitzetting vanwege een huurachterstand te voorkomen. [appellante] heeft op 21 juni 2013 € 1.400,- van haar bankrekening overgemaakt naar [geïntimeerde] , waarna [geïntimeerde] het bedrag diezelfde dag per pin heeft opgenomen. Zo ontving [appellante] dat bedrag en met het restant zijn schulden afgelost (cva productie 10).

[geïntimeerde] heeft geen pinpas van de bankrekening van [appellante] aangevraagd of verkregen. Zij had niets met (het beheer van) de bankrekening van [appellante] te maken. De betalingen liepen juist via de bankrekening van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft ook niet de beschikking over de bankpas en pincode van [appellante] gehad.

3.17.

Het hof overweegt als volgt. Een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording kan worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht. Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (HR 9 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1089).

3.18.

Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een rechtsverhouding op grond waarvan de door [appellante] gevorderde rekening- en verantwoordingsplicht dient te worden aangenomen.

3.19.

[geïntimeerde] heeft in de periode van oktober 2010 tot en met september 2013 haar bankrekening aan [appellante] ter beschikking gesteld. Op die manier kon het AOW-pensioen en de uitkering uit een groeipolis van [appellante] op de bankrekening van [geïntimeerde] worden gestort en werd voorkomen dat de ex-echtgenoot van [appellante] bij deze bedragen kon komen.

3.20.

[geïntimeerde] was aanvankelijk bevriend met [appellante] , vervolgens haar schoondochter en partijen woonden in de hiervoor genoemde periode enige tijd bij elkaar in huis. De samenwoning heeft in elk geval drie en een half jaar geduurd.
[geïntimeerde] heeft in deze procedure inzichtelijk gemaakt wat zij feitelijk met de op haar bankrekening gestorte gelden van [appellante] heeft gedaan, door het geven van een toelichting daarop en het overleggen van bankafschriften. De advocaat van [geïntimeerde] heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep hieraan toegevoegd dat [geïntimeerde] meehielp in de huishouding, weleens boodschappen deed en een stukje huur betaalde en het overige bedrag, dat aan [appellante] toebehoorde, contant aan haar terugbetaalde wegens vrees voor beslag door derden. [appellante] heeft dit niet, althans volstrekt onvoldoende weersproken.

3.21.

Bij [appellante] bestaat het vermoeden dat zij in voornoemde periode is gedrogeerd en slaapmedicatie kreeg toegediend, maar zij heeft dit op geen enkele wijze concreet gemaakt. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat [appellante] steeds in staat was om de handelingen van [geïntimeerde] te overzien en zij haar handelingen heeft goedgekeurd. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] in voornoemde periode op enig moment om rekening en verantwoording heeft gevraagd met betrekking tot de haar toekomende bedragen. De destijds bestaande vriendschappelijke en familiaire relatie tussen [appellante] en [geïntimeerde] bracht kennelijk mee dat geen boekhouding over de door [geïntimeerde] ontvangen bedragen werd gevoerd, maar dat in vertrouwen werd gehandeld. Onder deze omstandigheid bestaat er naar het oordeel van het hof voor [geïntimeerde] (achteraf) geen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording.

3.22.

De stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] haar handtekening zou hebben vervalst op de verklaringen met betrekking tot de uitkering uit de groeipolis en de verkoop van de brommobiel, en haar stelling dat [geïntimeerde] in juni 2013 een bankpas op haar naam zou hebben verkregen waarmee zij het op de bankrekening van [appellante] gestorte verkoopbedrag van de brommobiel zou hebben toegeëigend, is onvoldoende om aan te nemen dat rekening en verantwoording moet worden afgelegd en evenmin dat sprake is van onrechtmatigheid aan de kant van [geïntimeerde] . [appellante] , op wie de last rust te bewijzen dat sprake is van een onrechtmatige daad aan de kant van [geïntimeerde] , heeft in het licht van de betwisting hiervan door [geïntimeerde] onvoldoende gesteld.

3.23.

Ook overigens heeft [appellante] onvoldoende gesteld om te oordelen dat een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan een verantwoordingsplicht moet worden aangenomen die ertoe leidt dat [geïntimeerde] verplicht is tot het doen van rekening en verantwoording. De stelling van [appellante] in hoger beroep dat [geïntimeerde] rekening en verantwoording moet afleggen over het vermogen van [appellante] , terwijl de vordering ziet op de bankrekeningen van [appellante] , kan daarom onbesproken worden gelaten.

3.24.

De slotsom is dat de vordering van [appellante] door de rechtbank terecht is afgewezen. Aan de vordering tot betaling van de vervangende waarde ter zake van de verkoop van de brommobiel, toe-eigening van AOW-gelden en de uitkering uit de groeipolis van ABN AMRO wordt ook in hoger beroep niet toegekomen, omdat de voorwaarde die [appellante] aan deze vordering heeft verbonden niet in vervulling kan gaan. De grieven falen.

principaal en incidenteel hoger beroep

3.25.

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen worden vastgesteld op € 314,- wegens griffierecht en € 2.682,- voor salaris advocaat (liquidatietarief, tarief II, 3 punten x € 894,-). De door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

3.26.

In het incidenteel hoger beroep blijft een kostenveroordeling achterwege omdat het betrekking heeft op een punt dat het hof heeft moeten behandelen vanwege het ingestelde principaal hoger beroep.

4
4. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 314,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J. Henzen, M.E. Smorenburg en W.H. van Empel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 maart 2018.

griffier rolraadsheer