Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:890

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
200.190.434_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:77
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geldigheid opzegging lidmaatschap en opzegging aansluitovereenkomst tussen huisarts en huisartsenpost

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/237
RN 2018/43
GJ 2018/75
JONDR 2018/306
OR-Updates.nl 2018-0053
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.190.434/01

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

de coöperatie Coöperatieve Huisartsenposten Oost-Brabant U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als CHOB,

advocaat: mr. L.A.P. Arends te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C. van der Kolk-Heinsbroek te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 april 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 januari 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch gewezen tussen CHOB als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/294731 / HA ZA 15-423)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 16 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

De feiten

3.1.

In r.o. 2. van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feitenvaststelling is door CHOB bestreden met grief 1, die uiteenvalt in een aantal subgrieven. Indien deze grief slaagt, volledig dan wel op onderdelen, leidt dit echter nog niet tot de vernietiging van het bestreden vonnis. In het navolgende zal dit nader blijken.
Het hof zal hierna een nieuw overzicht geven van de relevante feiten. Het hof merkt daarbij op dat waar hierna in de geciteerde stukken wordt gesproken over CHP, gedoeld wordt op CHOB.

a. a) CHOB is een coöperatieve vereniging. Zij stelt zich als zorginstelling ten doel om, in aansluiting op de huisartsgeneeskundige zorg gedurende de dag door haar leden, het organiseren en leveren van spoedeisende huisartsgeneeskundige zorg in het werkgebied van de coöperatie en meer in het bijzonder gedurende de avond, nacht, het weekend en tijdens de feestdagen, en het verrichten van ondersteunende diensten die voorzien in de behoeften van haar leden, een en ander mede door in het kader van haar onderneming overeenkomsten te sluiten met haar leden en niet-leden. De zorg wordt verricht op de huisartsenposten van CHOB in [huisartsenpost 1] , [huisartsenpost 2] en [huisartsenpost 3] en bij patiënten thuis.
CHOB is ontstaan ten gevolge van de fusie op 1 mei 2015, tussen de Coöperatie Zuidoost Brabant en de Coöperatieve Huisartsendienst Noord Brabant. CHOB heeft alle rechten en plichten van deze coöperaties overgenomen (de drie coöperaties zullen hierna allen worden aangeduid als CHOB).

b) De statuten van CHOB (prod. 19 inleidende dagvaarding) bevatten vanaf 22 april 2011, onder meer, de volgende bepalingen:
LIDMAATSCHAP
Artikel 5
1. Leden kunnen slechts zijn:
a. zelfstandig gevestigde huisartsen, die zijn aangesloten bij een HAGRO, een deelname-overeenkomst met de CHP hebben en het Reglement CHP onderschrijven;
b. huisartsen die niet zijn aangesloten bij een HAGRO, doch zelfstandig patiënten “op naam” hebben en derhalve een overeenkomst hebben met een zorgverzekeraar, een deelname-overeenkomt met de CHP hebben, het reglement CHP onderschrijven en deel uitmaken van een waarneemgroep als bedoeld in artikel 2, sub j;
c. huisartsen in dienst van een rechtspersoon, die zijn aangesloten bij een HAGRO, of waarneemgroep, een deelnameovereenkomst met de CHP hebben en het Reglement CHP onderschrijven.
(…)
EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP
Artikel 7
1. Het lidmaatschap van een lid eindigt:
(…)
d. door opzegging door de Coöperatie van het lidmaatschap aan een lid;
e. door het niet langer voldoen aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 5 lid 1.
De Coöperatie kan het lidmaatschap (al dan niet met onmiddellijke ingang) opzeggen:
1. ingeval redelijkerwijs van de Coöperatie niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren;
(…).
Artikel 8
1. Opzegging kan geschieden zowel door het lid zulks onverminderd het bepaalde in artikel 9 als namens de Coöperatie. Zij moet schriftelijk geschieden en is alleen mogelijk tegen het einde van het boekjaar, met inachtneming van een termijn van ten minste zes (6) maanden. (…)
(…)
RECHTEN EN PLICHTEN VAN LEDEN
(…)
Artikel 13
1. Het bestuur kan in zeer bijzondere gevallen met inachtneming van het bepaalde in het Reglement CHP leden ontheffing verlenen van de verplichting om diensten te leveren, indien - zulks ter beoordeling van het bestuur - de belangen van de Coöperatie door deze ontheffing niet zullen worden geschaad.

(…)”

c) [geïntimeerde] is sinds 1999 werkzaam als huisarts. Vanaf 2000 heeft hij een eigen huisartsenpraktijk in [vestigingsplaats 2] .

d) [geïntimeerde] is op 1 november 2001 lid geworden van CHOB en heeft uit dien hoofde deelgenomen aan de spoedeisende huisartsgeneeskundige zorg binnen de coöperatie.
heeft met CHOB tevens een deelname-overeenkomst (door partijen ook wel ‘aansluitovereenkomst’ genoemd) gesloten.
De op 25 februari 2009 tussen CHOB en [geïntimeerde] gesloten aansluitovereenkomst (hierna: de aansluitovereenkomst; prod. 1 inleidende dagvaarding) bevat, onder meer, de volgende bepalingen:
Artikel 1
De Huisarts is door het Bestuur van de CHP, op grond van artikel 5 van de statuten, toegelaten als lid van de CHP.
(…)
Artikel 7
Deze overeenkomst is aangegaan ingaande 1 november 2001 en is aangegaan voor onbepaalde tijd, behoudens beëindiging en opzegging overeenkomstig het bepaalde in
artikel 8 van deze overeenkomst.
Artikel 8
1. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege
(…)
f. door opzegging van de overeenkomst, conform de overige leden van dit artikel, op de dag waartegen is opgezegd;
(…).
2. De Huisarts is bevoegd deze overeenkomst (…) op te zeggen aan de CHP (…).
(…)
Het bestuur van de CHP is bevoegd deze overeenkomst bij aangetekend schrijven met handtekening retour met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, dan wel ingeval van een dringende aan de wederpartij onverwijld mede te delen reden met onmiddellijke ingang, op te zeggen.’

e) De algemene ledenvergadering van CHOB heeft op 14 juni 2012 besloten dat binnen CHOB een nieuwe aansluitovereenkomst dient te gelden. Deze overeenkomst (hierna: de nieuwe aansluitovereenkomst; productie 4 cva) is begin 2013 ingevoerd. [geïntimeerde] heeft de nieuwe aansluitovereenkomst niet getekend.

f) De nieuwe aansluitovereenkomst bevat, onder meer, de volgende bepalingen:
Artikel 1 Definities
(…)
1.3 Bijna-incident Iedere gebeurtenis in de individuele patiëntenzorg, die tot een
schadelijk gevolg voor de patiënt had kunnen leiden.
1.4 Calamiteit Iedere niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft
op de kwaliteit van zorg en die tot de dood van of een ernstig
schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt van de CHP heeft geleid.
(…)
1.8 Incident Iedere gebeurtenis in de individuele patiëntenzorg, die tot een
schadelijk gevolg voor de patiënt heeft geleid, had kunnen leiden
(bijna-incidenten) of nog zal leiden, en die geen betrekking heeft op
algemeen aanvaarde, tevoren overwogen en/of bewust genomen
risico’s.
(…)’

g) Op 30 januari 2011 is sprake geweest van een - door CHOB als calamiteit aangemerkte - gebeurtenis, waarbij [geïntimeerde] als dienstdoende CHOB-visitearts betrokken was. CHOB heeft melding gemaakt van de (vermeende) calamiteit bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) en heeft ter zake een eigen onderzoek ingesteld.

h) In haar brief van 16 februari 2012 (prod. 40 mvg in principaal hoger beroep) heeft de IGZ in verband met de (vermeende) calamiteit zoals genoemd onder g) CHOB, onder meer, als volgt bericht:
‘De inspectie heeft haar bedenkingen ten aanzien van het huisartsgeneeskundige handelen en de reflectieve vaardigheden van de dienstdoende huisarts. U heeft reeds aangegeven dat dit onderwerp zal zijn van een gesprek binnen uw organisatie.
Inmiddels heeft de inspectie een gesprek gevoerd met de betreffende huisarts. Op basis hiervan is besloten nader onderzoek te verrichten ten aanzien van de huisartsgeneeskundige zorg in de praktijk van de huisarts.’

i. i) Bij brief van 22 februari 2012 (bijl. 6 bij prod. 13 inleidende dagvaarding) heeft de heer [directeur/bestuurder van CHOB] , als directeur/bestuurder van CHOB, [geïntimeerde] , onder meer, als volgt bericht:
‘Er zijn een aantal redenen die me tot deze brief brengen.

(…)
Samenwerking op de post
Reeds enkele malen hebben we met elkaar contact gehad over incidenten die zich voordeden tijdens uw diensten. Als bijlage treft u een aantal e-mails. Uw manier van werken en communiceren leidt te vaak tot wrijvingen en conflicten. Een verstoorde samenwerking, draagt het risico in zich dat er geen sprake is van verantwoorde zorg. Hier wil ik nadrukkelijk met u over spreken en afspraken maken om dit op te lossen.

Betrokkenheid bij calamiteit
In de nacht van 30 op 31 januari 2011 bent u betrokken bij een calamiteit. De onderliggende gegevens zijn u bekend.
In het afsluitende verslag heeft de inspecteur van gezondheidszorg te kennen gegeven dat hij u heeft uitgenodigd voor een gesprek. Uit de brief van IGZ d.d. 16 februari 2012 verneem ik dat de inspectie nader onderzoek instelt naar uw praktijkvoering.
Gelet op de impact van dit onderzoek en onze bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van zorg, verzoek ik u ons continu te informeren over het verloop van het onderzoek door de IGZ en de resultaten daarvan.
Al met al kom ik tot de conclusie dat sprake is van een zorgelijke situatie.
Ik nodig u uit voor een gesprek om de hele situatie te bespreken. (…)
Het gesprek zal plaatsvinden op (…).’.
j) De IGZ heeft op 17 januari 2012 een gesprek gevoerd met [geïntimeerde] en op 2 april 2012 een bezoek gebracht aan de praktijk van [geïntimeerde] en aldaar een onderzoek ingesteld. Bij brief van 22 mei 2012 (bijl. 2 bij prod. 13 inleidende dagvaarding) heeft de IGZ [geïntimeerde] vervolgens meegedeeld dat zijn praktijk per 22 mei 2012 voor een periode van zes maanden onder verscherpt toezicht is gesteld.
De brief bevat, onder meer, het volgende:
‘De inspectie ziet de volgende redenen voor het instellen van het verscherpt toezicht:

1. Dossiervoering
Op grond van de calamiteitenrapportage constateerde de inspectie dat uw registratie in de betreffende casus inadequaat was. Tijdens het gesprek met de inspectie gaf u aan dat ook de medische verslaglegging in uw praktijk niet altijd optimaal was.
Op basis van de beoordeling van een aantal anonieme patiëntdossiers tijdens het inspectiebezoek van uw praktijk, constateerde de inspectie in vrijwel alle dossiers tekortkomingen en onduidelijkheden in de registratie, het medisch beleid, de continuïteit van zorg, de volledigheid van de probleemlijsten en de systematische bewaking van contra-indicaties en interacties. (…)

2. Medisch handelen
Vanwege de beperkte registratie in het journaal van het HIS, was uw medisch handelen amper te toetsen aan de vigerende beroepsnormen (NHG-standaarden). (…)
(…)
10. Reflectieve vermogens/zelfinzicht
Zowel uit de rapportage van de huisartsenpost, alsook tijdens het gesprekken met de inspectie blijkt u zich weinig toetsbaar op te stellen en toont u weinig zelfinzicht.

(…)

Het verscherpt toezicht moet er in elk geval toe leiden dat de continuïteit van zorg voor de patiënten die zijn ingeschreven bij uw huisartspraktijk, geborgd is. Daarnaast dient u uw praktijkvoering op zodanige wijze te organiseren, dat een en ander leidt of redelijkerwijze moet leiden tot verantwoorde huisartsgeneeskundige zorg, hetgeen ook een systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg omvat.’


k) Het verscherpt toezicht op de praktijk van [geïntimeerde] is in november 2012 opgeheven. Het dienaangaande opgemaakte rapport van IGZ van oktober 2012 (bijl. 7 bij prod. 13 inleidende dagvaarding) bevat in verband hiermee, onder meer, het volgende:
2.5 Instellen verscherpt toezicht

In zijn reactie op het conceptverslag van het bezoek op 2 april 2012 geeft de huisarts op 17 mei 2012 aan van oordeel te zijn dat de inspectie ‘haar best heeft gedaan om zijn praktijk en medisch handelen in een zeer negatief daglicht te stellen’. Naar de mening van de huisarts komt het verslag niet met de realiteit overeen. Dit bevestigt de indruk die de huisarts op de inspectie heeft achtergelaten met betrekking tot zijn reflectieve vermogens. In zijn reactie toont de huisarts geen enkel initiatief of intentie om zaken te verbeteren.
(…)
2.6 Samenvatting gesprek met de waarnemer op 13 juni 2012
De waarnemer werkt vanaf oktober 2011 in de praktijk van de huisarts (…).
(…)
Inmiddels heeft de waarnemer het initiatief genomen voor een verbetertraject. In het inmiddels opgestelde verbeterplan neemt hij ook de meeste acties en verantwoordelijkheden voor zijn rekening.

(…)
2.7 Gerealiseerde verbetertrajecten
Naar aanleiding van het verscherpt toezicht, is vanuit de praktijk een verbetertraject opgestart (…).
Per aandachtspunt is door de praktijk het volgende gerealiseerd.

Overname praktijk
De waarnemer neemt momenteel het grootste deel van de huisartsgeneeskundige zorg vanuit de praktijk voor zijn rekening, zo'n vier dagen per week. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor het leeuwendeel van het verbetertraject. De huisarts praktiseert een a twee dagen in de praktijk en is sporadisch in de praktijk aanwezig voor organisatorische zaken. Daarnaast verricht hij diensten bij de CHP.

(…)
Dossiervoering
(…) De huisartsen spreken elkaar aan op het zorgvuldig en gelijkvormig registreren.

(…)
Medisch handelen
De verbeteringen ten aanzien van de registratie hebben tot gevolg dat het huisartsgeneeskundig handelen beter inzichtelijk en transparanter wordt. (…)
Reflectieve vermogens/zelfinzicht van de huisarts
Ten behoeve van het intervisietraject dat de inspectie van hem verlangt, heeft de huisarts ingezet op een tweesporenbeleid.

Hij is een individueel coaching- en supervisietraject gestart onder begeleiding van een specialist ouderengeneeskunde (…).
Gedurende het VT-traject constateert de inspectie dat de huisarts de oorzaken van de problemen met (…) de praktijk generaliseert en externaliseert, maar geen inzicht toont in zijn eigen aandeel. Dit sluit aan bij eerdere signalen die de inspectie hebben bereikt, betreffende het niet beschikken over het vermogen tot adequate zelfreflectie. Dit aspect is nog niet aan de orde geweest bij het supervisietraject. De inspectie heeft tijdens het VT-traject nadrukkelijk gevraagd dit onderwerp op te voeren tijdens supervisiebijeenkomsten.

(…)
3. Conclusie
(…)
Uitgaande van de huidige stand van zaken, is de inspectie van oordeel dat ervan kan worden uitgegaan dat de kwaliteit van de geboden huisartsgeneeskundige zorg vanuit de huisartsenpraktijk, voldoende geborgd is.

De inspectie heeft voldoende vertrouwen in het management en de organisatie van de praktijk, die vooral in handen ligt van de waarnemer, dat de opgaande lijn van structurele verbeteringen van de kwaliteit van de huisartsenzorg, wordt voortgezet. Voorgaande is gebaseerd op:
. De aanstaande overname van de praktijk (uiterlijk 31 december 2013) door de
waarnemer. De inspectie ziet de waarnemer als voortrekker van de
verbetermaatregelen die gedurende de looptijd van het verscherpt toezicht hebben
plaatsgevonden.
(…)’


l) Op 23 april 2013 is opnieuw sprake geweest van een - door CHOB als calamiteit aangemerkte - gebeurtenis, waarbij [geïntimeerde] als CHOB-visitearts betrokken was en die betrekking had op een patiënt met een uitgebreide vasculaire voorgeschiedenis die verdacht werd op een TIA of CVA.


m) Op 9 augustus 2013 is door de moeder van een 16-jarige patiënte, die zich met hevige maagpijn had gewend tot een huisartsenpost van CHOB, een klacht ingediend bij CHOB. Deze klacht had betrekking op het handelen en nalaten in verband met de patiënte van [geïntimeerde] als huisarts op die huisartsenpost in augustus 2013 (het klachtenformulier is overgelegd als bijl. 9 bij prod. 13 inleidende dagvaarding).

n) Bij brief van 31 oktober 2013 (prod. 3 inleidende dagvaarding) heeft [directeur/bestuurder van CHOB] namens CHOB [geïntimeerde] naar aanleiding van de (vermeende) calamiteit zoals genoemd onder l), onder meer, als volgt bericht:
‘Zoals u bekend heeft zich tijdens uw dienst (23 april 2013) een situatie voorgedaan die naar alle waarschijnlijkheid aangemerkt wordt als calamiteit in de zin van de kwaliteitswet zorginstellingen.
Ondanks verschillende pogingen zijn we tot op heden nog niet tot een datum gekomen om deze zaak met u te bespreken. (…)
Een reeds eerder gemaakte afspraak (…) is door u afgezegd omdat u niet kon beschikken over voldoende gegevens.(…)
Tot op heden is het reflectieverslag niet in ons bezit.
[volgt: mededeling van tijd en plaats van het gesprek, hof]
Mede gelet op de gebeurtenissen in 2012 met betrekking tot uw lidmaatschap van de CHP Zuidoost Brabant adviseer ik u dringend gehoor te geven aan deze uitnodiging.’
o) Op 29 oktober 2013 is door de moeder van een vier weken oude baby, die zich vanwege de hoge koorts van de baby had gewend tot een huisartsenpost van CHOB, een klacht ingediend bij CHOB. Deze klacht had betrekking op het handelen en nalaten in verband met de baby van [geïntimeerde] als huisarts op die huisartsenpost op 23 oktober 2013 (de desbetreffende e-mail aan CHOB is overgelegd als bijl. 10 bij prod. 13 inleidende dagvaarding).

p) Bij brief namens [geïntimeerde] van 6 november 2013 (prod. 4 inleidende dagvaarding) is, in reactie op de brief zoals genoemd onder n), aan CHOB meegedeeld dat [geïntimeerde] heeft vernomen dat een klacht is binnengekomen, dat hij om de klacht te kunnen beoordelen bijkomende (nader gespecificeerde) informatie nodig heeft en dat als die informatie in zijn bezit is een afspraak kan worden ingepland. [geïntimeerde] bestrijdt in de brief dat hij niet wil meewerken en geeft aan dat hij eerder het omgekeerde ervaart, namelijk dat door hem gevraagde informatie niet wordt overhandigd.

q) Bij brief van 7 november 2013 (prod. 5 inleidende dagvaarding) heeft [directeur/bestuurder van CHOB] namens CHOB [geïntimeerde] , onder meer, als volgt bericht:
‘Uw brief van 6 november jl. is voor ons aanleiding om e.e.a. nog eens op een rij te zetten.
U schrijft dat er sprake is van een klacht, dit is per se niet het geval: het gaat om een calamiteit.
(…)
Over het calamiteitenonderzoek hebben we u, zowel telefonisch als per e-mail geïnformeerd en we hebben hiervoor uw medewerking gevraagd.
Op ons verzoek om een reflectieverslag te schrijven hebben wij tot op heden geen reactie ontvangen. Ook is het nog niet gelukt om met u een afspraak te maken voor een gesprek, om uw aandeel in de calamiteit met u te bespreken.
We stellen vast dat u tot op heden niet heeft meegewerkt aan het calamiteitenonderzoek, ondanks herhaalde verzoeken van onze kant. We vertrouwen er op dat u aan de afspraak van volgende week donderdag (…) gehoor zult geven, zodat wij het onderzoek kunnen afronden.
Mocht dit niet het geval zijn, dan rest ons geen andere optie dan de IGZ op de hoogte te stellen van het feit dat u geen medewerking wilt verlenen aan het onderzoek.
Een consequentie hiervan kan zijn dat de IGZ dan zal besluiten het onderzoek zelf uit te voeren.’.

r) [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van de gebeurtenis op 23 april 2013 een reflectieverslag (prod. 6 inleidende dagvaarding) opgesteld en aan CHOB doen toekomen.
Op 27 november 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] enerzijds en het bestuur van CHOB ( [directeur/bestuurder van CHOB] en de heer [bestuurder van CHOB] ) anderzijds.

s) Bij brief van 6 december 2013 (prod. 7 inleidende dagvaarding) heeft CHOB [geïntimeerde] als volgt bericht:

‘Op woensdag 27 november jl. hebben we een calamiteit en een klacht besproken en uw reflectie daarop. Na afloop gaven we aan dat we onze conclusies na een week aan u kenbaar zouden maken. In deze brief gaan we daarop in.
Uit zowel de reflectieverslagen als de reflectiebespreking hebben wij het sterke vermoeden gekregen dat bij u geen sprake is van een lerende opstelling zoals die van een hoog opgeleide professional, zoals een huisarts, met een risicovol beroep mag worden verwacht.
Op basis daarvan achten wij de veiligheid van de patiëntenzorg tijdens uw avond- nacht- en weekenddiensten dan ook niet gewaarborgd. Gelet op het belang van veilige spoedzorg overwegen wij welke maatregelen nodig zijn voor het waarborgen ervan. Uit oogpunt van zorgvuldigheid zoals neergelegd in het Protocol “Vermeend disfunctionerende huisarts”, artikel 8, zullen wij onze bevindingen bespreken met het voltallige bestuur van de CHP. Deze bespreking vindt plaats op 10 december aanstaande.
Ter bewaking van de veiligheid op de spoedpost zullen wij, in afwachting van het door het voltallig bestuur te nemen besluit, uw handelen op de post nauwgezet volgen. Dit zullen wij doen door uw patiëntencontacten te viseren aan de hand van de waarneemberichten. Deze maatregel gaat per ommegaande in.’

t) Het protocol ‘Vermeend disfunctionerende huisarts’ van CHOB (versie augustus 2012, bijl. 1 bij prod. 13 inleidende dagvaarding) luidt, voor zover relevant, als volgt:
Vermeend disfunctionerende huisarts
Artikel 1 Definities
(…)
Disfunctioneren: Een structurele situatie van onverantwoorde zorg, waarin een
patiënt wordt geschaad of het risico loopt te worden geschaad en
waarbij de betreffende arts niet (meer) in staat of bereid is zelf de
problemen op te lossen. Disfunctioneren kan er ook uit bestaan dat
een arts niet of onvoldoende in staat is tot collegiale samenwerking.
(…)
Artikel 8 Vermoeden van ernstig disfunctioneren
8.1 Indien na een gesprek met de desbetreffende huisarts een vermoeden bestaat van ernstig disfunctioneren, licht de Locatiemanager het bestuur onverwijld van dit vermoeden in.
8.2 Het bestuur beslist of naar aanleiding van deze melding bijzondere maatregelen getroffen moeten worden.
8.3 Onder bijzondere maatregelen zoals bedoeld in artikel 8.2 moeten in ieder geval worden begrepen een op non-actiefstelling als bedoeld in artikel 19 van de aansluitovereenkomst en een melding aan de inspectie van de gezondheidszorg.
8.4 Een melding aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg is aangewezen als er sprake is of duidelijke aanwijzingen te lijken zijn van een calamiteit of seksueel misbruik in de zin van artikel 4a van de Kwaliteitswet zorginstellingen of als de veiligheid van de zorg aan patiënten op andere wijze (ernstig) wordt bedreigd.
(…)
Artikel 10 Inschakelen Commissie van Advies
10.1 De Locatiemanager of het bestuur van de CHP kan in de volgende gevallen de Commissie van Advies inschakelen:
a de vermeend disfunctionerende huisarts en de Locatiemanager of het bestuur van de CHP verschillen van inzicht over de vraag of er sprake is van disfunctioneren van de betreffende huisarts;
(…)
Artikel 12 Het advies van de Commissie van Advies
12.1 Binnen twee weken na de mondelinge behandeling (…), brengt de Commissie haar advies uit aan het bestuur, de Locatiemanager en de betreffende huisarts. (…)
(…)
12.3 De Locatiemanager beslist in overleg met het bestuur over eventuele naar aanleiding van het advies te treffen verbetermaatregelen.
Artikel 13 Beslissing door bestuur van CHP
13.1 Het bestuur beslist in gevallen waarin sprake is van disfunctioneren en, nadat het de Locatiemanager gehoord heeft, indien:
a De betreffende huisarts geen medewerking verleent aan een verbetertraject;
b Het verbetertraject onvoldoende effect heeft.
13.2 Het bestuur kan de disciplinaire maatregelen treffen als bedoeld in artikel 16 van de aansluitovereenkomst die het geraden acht:’
u) Het bestuur van CHOB heeft op 10 december 2013 besloten om [geïntimeerde] op non-actief te stellen, in afwachting van een door [geïntimeerde] aan te leveren plan van aanpak.
Bij brief van 13 december 2013 (prod. 8 inleidende dagvaarding) heeft CHOB [geïntimeerde] dienaangaande, onder meer, als volgt bericht:
‘Het bestuur is het eens met de conclusie dat uw handelen aanleiding geeft om ernstige twijfels te hebben over de veiligheid ban de door u geleverde zorg. Het bestuur acht het daarom noodzakelijk om op korte termijn maatregelen te nemen zodat de zorg die op de posten wordt verleend, veilig is. Tevens acht het bestuur het noodzakelijk om daarnaast maatregelen te nemen zodat de CHP Zuidoost-Brabant ervan overtuigd kan zijn dat u tijdens uw avond-, nacht- en weekenddiensten kwalitatief goede en veilige zorg verleent.’
Aan [geïntimeerde] wordt vervolgens meegedeeld, voor zover van belang en samengevat:
- dat hij op non-actief is gesteld voor de duur van een maand conform artikel 8.1 uit het protocol ‘Vermeend disfunctionerende huisarts’ en de aansluitovereenkomst;
- dat hij uiterlijk op 10 januari 2014 een plan van aanpak dient in te dienen, waarin hij aangeeft op welke wijze hij ervoor gaat zorgdragen dat zijn zorg tijdens ANW-diensten na opheffing van de op non-actiefstelling van goede kwaliteit en veilig is, en waarvan coaching onderdeel uitmaakt;
- dat de op non-actiefstelling zal worden beëindigd als bestuur en directie van CHOB ervan overtuigd zijn dat met het plan van aanpak de kwaliteit en de veiligheid van de geleverde zorg in de toekomst gewaarborgd zullen zijn;
- dat de op non-actiefstelling zal worden verlengd met één maand als het plan van aanpak niet overtuigend is, een acceptabele voordracht van een coach ontbreekt, of als het plan niet tijdig in het bezit van CHOB is;
- dat in geval van een verlenging een traject wordt ingezet om het vermeend disfunctioneren van [geïntimeerde] ter beoordeling voor te leggen aan de Landelijke Commissie van Advies van de LHV (hierna: LCA), zoals beschreven in het protocol ‘Vermeend disfunctionerende huisarts’ en dat CHOB zich conformeert aan de uitspraken van de LCA.
v) [geïntimeerde] heeft geen plan van aanpak ingediend binnen de in de brief van 13 december 2013 gestelde termijn.

w) Bij brief van 20 januari 2014 (prod. 9 inleidende dagvaarding en prod. 22 cva) heeft CHOB [geïntimeerde] , onder meer, als volgt bericht:
‘Sedert het instellen van de maatregelen en tot op de dag van het opstellen van deze brief, hebben wij van u geen enkele reactie ontvangen op de maatregelen die u zijn opgelegd (…).
Aangezien u in gebreke blijft met de opgelegde maatregelen, wordt uw non-actiefstelling verlengd met één maand tot 14 februari 2014 (…). (…) Zoals verwoord in de brief van 13 december jl. bereiden wij vanaf heden de gang naar de [LCA] voor, met als doel uw structureel disfunctioneren te toetsen.
Gelet op uw gedrag, in het bijzonder uw nalaten, sommeren wij u uiterlijk 7 februari a.s. schriftelijk volledig en inhoudelijk te reageren op de brieven van 13 december en 20 december jl.. Indien u volhardt in uw stilzwijgen en wij op 7 februari a.s. van u geen reactie hebben ontvangen, zal uw lidmaatschap met onmiddellijke ingang worden opgezegd. (…)’

x) De advocaat van [geïntimeerde] heeft bij brief van 5 februari 2014 (prod. 10 inleidende dagvaarding) gereageerd op en verweer gevoerd tegen de op non-actiefstelling van [geïntimeerde] en de door CHOB aan hem gestelde eisen.
De advocaten van partijen hebben daarna bij brieven van 19 februari 2014 (prod. 23 cva) en 21 maart 2014 (prod. 24 cva) de standpunten van hun respectieve cliënten nader uiteengezet.

y) Bij brief van 21 juli 2014 (prod. 13 inleidende dagvaarding) heeft de toenmalige advocaat van CHOB een verzoekschrift ingediend bij de LCA. Daarin wordt, onder meer, als volgt gesteld:
‘CHP verzoekt uw commissie in deze kwestie te adviseren. In het bijzonder zou CHP willen vernemen of er naar het oordeel van uw commissie bij [geïntimeerde] sprake is van structureel disfunctioneren zonder reëel uitzicht op een noodzakelijke verbetering van zijn functioneren.’
z) Bij brief van 19 september 2014 (prod. 14 inleidende dagvaarding) heeft de advocaat van [geïntimeerde] een verweerschrift ingediend bij de LCA. Daarin wordt, onder meer, als volgt gesteld:
‘ [geïntimeerde] is het eens met het door de CHP ingediende verzoek, echter met die kanttekening dat mocht uw commissie van mening zijn dat er geen sprake is van structureel disfunctioneren, uw commissie de CHP adviseert haar houding dienaangaande aan te passen van defensief naar toekomstgericht, proactief en oplossingsgericht’.

aa) Op 8 oktober 2014 heeft de LCA (die zichzelf voluit noemt: ‘Landelijke Commissie van Advies ingesteld op basis van het VHN Modelprotocol Disfunctionerende huisarts op de huisartsenpost’) haar advies (prod. 16 inleidende dagvaarding) uitgebracht. Dit luidt onder meer als volgt:
‘Structurele problemen, onverantwoorde zorg en risico patiënten op schade
(…)
Van belang is of die zorg [die [geïntimeerde] aan patiënten geeft, hof] in negatieve zin afwijkt van hetgeen binnen de beroepsgroep gebruikelijk is. Een belangrijke toetsnorm daarbij is of de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de ‘zorg van een goed hulpverlener’ in acht neemt en daarbij handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (…). De invulling van die professionele standaard is te vinden in specifieke wet- en regelgeving, jurisprudentie, gedragscodes, richtlijnen, protocollen van de beroepsgroep. Een van die standaarden is de NHG standaard. De wijze waarop de heer [geïntimeerde] ten aanzien van de 4 weken oude baby met hoge koorts heeft gehandeld, is niet conform de betreffende standaard geweest. Daarbij kan de heer [geïntimeerde] geen goede reden aanvoeren waarom hij van de betreffende standaard is afgeweken. Op grond van die standaard had hij het kind moeten insturen. Door dit niet te doen deed zich een potentieel risico op schade voor de patiënt (de baby) voor. (…) In de casus rond de patiënt met een uitgebreide vasculaire voorgeschiedenis die verdacht werd op een TIA of CVA, heeft de heer [geïntimeerde] het risico op een CVA onvoldoende ingeschat. (…) Uit de stukken die de Commissie heeft ontvangen is sprake van een te beperkt onderzoek door de heer [geïntimeerde] als ook van te summiere verslaglegging. Ook het vervolgbeleid is niet zorgvuldig geweest. (…)
Ten aanzien van de klacht die werd ingediend door de moeder en dochter naar aanleiding van de behandeling op de post (…) op 9 augustus 2013 geeft de heer [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling aan, dat hij bedacht was op een mogelijke appendicitis. De commissie meent dat dan bloedprikken in de avonduren, zoals hij aan de moeder en dochter had voorgesteld, alleen niet voldoende is maar hij de dochter had moeten insturen. Daardoor was sprake van een potentieel risico op schade voor de patiënt. Daarnaast vindt de Commissie het onjuist om de afweging om wel of geen bloedonderzoek te laten doen, bij de patiënt te leggen en deze (met vragen) alleen te laten in de ruimte om daarover na te denken.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf hij aan dat patiënten klachten ook vaak aandikken om geholpen te kunnen worden, zoals in de casus van de CVA patiënt. Indien dit als vast uitgangspunt wordt gezien, baart dit de Commissie zorgen omdat patiënten daarmee niet serieus lijken te worden genomen en een risico op niet, onjuist of te laat handelen daardoor ontstaat.
(…)
De Commissie meent dat sinds 2011 sprake is van een zekere regelmaat in het ontvangen van klachten, signalen, meldingen en incidenten ten aanzien van het handelen van de heer [geïntimeerde] . De Commissie [ziet] een vast patroon in de reactie van de heer [geïntimeerde] op deze signalen. Er is steeds sprake van een ‘welles’nietes’-spel. In ieder geval mist de Commissie een helder gemotiveerde weerlegging van de klachten en signalen zowel in de overgelegde stukken als verzocht tijdens de mondelings behandeling. Nog belangrijker volgens de Commissie is, dat sprake is van het ontbreken van enige herkenning, van zelfinzicht en daardoor leermomenten bij de heer [geïntimeerde] .
Naar het oordeel van de Commissie is dan ook sprake van structurele problemen, onverantwoorde zorg en risico van schade voor de patiënten ten aanzien van het handelen van de heeft [geïntimeerde] , zoals geformuleerd in de definitie van disfunctioneren in het Protocol.
(…)
Zelfinzicht en collegiale samenwerking
(…)
Op grond van het voorgaande is de Commissie dan ook van oordeel dat sprake is van onvoldoende zelfreflectie en zelfinzicht als ook van onvoldoende collegiale samenwerking, zoals geformuleerd in de definitie van disfunctioneren in het Protocol. Door het ontbreken van zelfinzicht blijft het actief werken aan verandering op basis van leermomenten uit.
(…)
6. Het advies van de Commissie
Op grond van bovenstaande is de Commissie van oordeel dat sprake is van disfunctioneren door de heer [geïntimeerde] zoals gedefinieerd in het Protocol. Nu niet is gebleken dat er een enkele opening is voor een verbetertraject, waardoor voor de toekomst structureel verantwoorde zorg kan worden geboden in de zin van het Protocol, heeft het bestuur van de CHP naar het oordeel van de Commissie reden om ten aanzien van de heer [geïntimeerde] een beslissing te nemen op grond van artikel 13 van het Protocol c.q. het model Protocol van de VHN, en een of meer van de in het (model) Protocol of de Aansluitovereenkomst van de CHP genoemde maatregelen te treffen.’

bb) Het modelprotocol ‘Vermeend disfunctioneren huisarts op de huisartsenpost’ (prod. 56 mvg in principaal hoger beroep; hierna: het modelprotocol) van de Vereniging Huisartsenposten Nederland [inmiddels opgegaan in InEen, hof] luidt, voor zover relevant, als volgt:
‘Artikel 13 Beslissing door bestuur HDS [hof: huisartsendienstenstructuur, waaronder CHOB]
In gevallen waarin sprake is van disfunctioneren en de betreffende arts geen medewerking verleent aan een verbetertraject en in gevallen waarin verbetermaatregelen geen of onvoldoende effect hebben beslist het bestuur van de HDS, gehoord hebbende de verantwoordelijke functionaris van de huisartsenpost, over de te treffen maatregelen. (…) Tot de te treffen maatregelen kunnen onder meer behoren:
a. de betreffende huisarts schriftelijke te waarschuwen dat, als zich met betrekking tot hem opnieuw een soortgelijke situatie voordoet, de overeenkomst met de huisarts door de HDS zal worden opgezegd;
b. voorwaarden te verbinden aan de overeenkomst tussen de betreffende huisarts en de HDS;
c. de overeenkomst met de huisarts op te zeggen;
(…).’

cc) Bij e-mail van 22 oktober 2014 van de advocaat van CHOB aan de advocaat van [geïntimeerde] (prod. 25 cva) heeft CHOB [geïntimeerde] op de hoogte gesteld van haar voornemen om de aansluitovereenkomst en het lidmaatschap van [geïntimeerde] van CHOB op te zeggen. CHOB heeft er daarbij op gewezen dat de nieuwe aansluitovereenkomst, die [geïntimeerde] niet heeft getekend (zie hierboven onder e), voor dit geval een hoorzitting voorschrijft. CHOB heeft opgemerkt dat zij [geïntimeerde] zal horen over de voorgenomen opzeggingen, indien hij de nieuwe aansluitovereenkomst alsnog ondertekent.

dd) Bij brief van 5 december 2014 van de advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van CHOB (prod. 17 inleidende dagvaarding) heeft [geïntimeerde] gereageerd op de voornemens van CHOB. In dat verband is puntsgewijs kritiek gegeven op de inhoud van de beslissing van de LCA.
ee) Bij brief van 30 december 2014 (prod. 18 inleidende dagvaarding) heeft CHOB de aansluitovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd tegen 1 juli 2015 op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 2, laatste alinea van de aansluitovereenkomst, op de grond dat [geïntimeerde] structureel disfunctioneert zonder reëel uitzicht op verbetering.
Voorts heeft CHOB zich in de brief op het standpunt gesteld dat het lidmaatschap van [geïntimeerde] van CHOB van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 7 lid 1 sub e van de statuten, omdat [geïntimeerde] niet voldoet aan de kwaliteitseis die wordt gesteld in artikel 5 lid 1 sub a van de statuten.
Voor zoveel nodig heeft CHOB het lidmaatschap van [geïntimeerde] tegen 1 juli 2015 opgezegd, op grond van artikel 7 lid 1 sub e, sub 1 van de statuten, op grond van structureel disfunctioneren zonder reëel uitzicht op verbetering, op grond waarvan van haar niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren.
ff) Bij vonnis in kort geding van 13 juli 2015 in de zaak C/01/293719 / KG ZA 15-297 (prod. 34 cva) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
’s-Hertogenbosch, de door [geïntimeerde] tegen CHOB ingestelde vordering afgewezen om te bevelen, samengevat, dat de opzeggingen van aansluitovereenkomst en lidmaatschap worden opgeschort in afwachting van het oordeel dienaangaande in een bodemprocedure en om [geïntimeerde] in de tussenliggende periode weer toe te laten tot CHOB.
De eerste aanleg
3.2.1. [geïntimeerde] vordert in de onderhavige zaak:
I. een verklaring voor recht dat de opzegging van de aansluitovereenkomst door CHOB geen rechtskracht heeft aangezien de opzegging nietig is dan wel vernietigbaar daar geen sprake is van een voldoende zwaarwegende reden, omdat geen sprake is van structureel disfunctioneren aan de zijde van [geïntimeerde] , althans dat onrechtmatig is opgezegd op basis van valse dan wel voorgewende redenen en vermoedens van structureel disfunctioneren;
II. een verklaring voor recht dat de opzegging van het lidmaatschap van CHOB geen rechtskracht heeft aangezien de opzegging nietig is dan wel vernietigbaar daar geen sprake is van een voldoende zwaarwegende reden, omdat geen sprake is van structureel disfunctioneren, althans dat onrechtmatig is opgezegd op basis van valse dan wel voorgewende redenen en vermoedens van structureel disfunctioneren;
III. veroordeling van CHOB om binnen twee dagen na het vonnis [geïntimeerde] weer officieel toe te laten tot CHOB, waarbij [geïntimeerde] zal zorgen dat zijn diensten worden waargenomen dan wel dat hij zijn diensten zal afkopen, op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 1.000,- voor iedere dag dat CHOB deze veroordeling niet volledig na zal komen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank zal bepalen;
IV. veroordeling van CHOB tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag ad
€ 20.528,76 ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;
V. veroordeling van CHOB in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.2.

In het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindvonnis waarvan beroep heeft de rechtbank, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde:
I. voor recht verklaard dat de opzegging van de aansluitovereenkomst door CHOB geen rechtskracht heeft aangezien de opzegging nietig is daar geen sprake is van voldoende zwaarwegende redenen;
II. voor recht verklaard dat de opzegging van het lidmaatschap van CHOB geen rechtskracht heeft aangezien de opzegging nietig is daar geen sprake is van voldoende zwaarwegende reden;
III. CHOB veroordeeld om binnen vijf werkdagen na het vonnis [geïntimeerde] weer officieel toe te laten tot CHOB, waarbij [geïntimeerde] zal zorgen dat zijn diensten worden waargenomen dan wel dat hij zijn diensten zal afkopen, op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 1.000,- voor iedere dag dat CHOB deze veroordeling niet volledig na zal komen;
IV. CHOB veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag ad € 5.000,- ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;
V. CHOB veroordeeld in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.3.

De rechtbank heeft hiertoe onder andere geoordeeld, samengevat:
- dat de opzegging door CHOB van het lidmaatschap en van de aansluitovereenkomst op de grond dat [geïntimeerde] volgens CHOB structureel zou disfunctioneren, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat [geïntimeerde] als huisarts BIG- geregistreerd is, zijn functioneren voor de bevoegde instanties, zoals de IGZ, geen aanleiding is hem als arts te schrappen en omdat voor de tussen partijen ontstane problemen alternatieve oplossingen mogelijk zijn;
- dat de opzeggingen daarom nietig zijn en geen rechtsgevolgen hebben.

De rechtbank heeft geen oordeel gegeven over de vraag of [geïntimeerde] al dan niet structureel disfunctioneerde.

De grieven en de omvang van het hoger beroep

3.3.1.

CHOB heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. CHOB heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van het door [geïntimeerde] gevorderde, met veroordeling van laatstgenoemde in de proceskosten van beide instanties.

3.3.2

[geïntimeerde] heeft geantwoord in principaal hoger beroep en heeft daarnaast in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. Het incidenteel hoger beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat de grieven 2 en/of 3 in principaal hoger beroep slagen en leiden tot vernietiging van het vonnis. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van CHOB in de proceskosten in hoger beroep, de nakosten daaronder begrepen.

3.3.3.

Met grief 2 in principaal hoger beroep voert CHOB aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de opzegging van de aansluitovereenkomst en van het lidmaatschap van CHOB, op de grond dat [geïntimeerde] structureel disfunctioneert, nietig zijn. CHOB voert in dit verband onder meer aan: (a) dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat CHOB geen kwaliteitseisen mag stellen aan aangesloten huisartsen, (b) dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of [geïntimeerde] structureel disfunctioneert, en (c) dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de opzegging van de aansluitovereenkomst niet overeenstemt met het advies van de LCA, en (d) dat met het aanbod van [geïntimeerde] (om te betalen voor een waarnemer dan wel een waarnemer aan te leveren) geheel wordt tegemoetgekomen aan de bezwaren van CHOB.
Met grief 3 voert CHOB aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de opzegging van het lidmaatschap van CHOB, op de grond dat [geïntimeerde] niet voldoet aan artikel 5 sub a van de statuten, nietig is. CHOB voert in dit verband onder meer aan: (a) dat zij het lidmaatschap niet heeft opgezegd op deze grond, en (b) dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat CHOB weigert om patiënten van [geïntimeerde] te behandelen.

3.3.4.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep voert [geïntimeerde] met zijn grief (zoals verwoord onder nr. 118 in de memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep) aan dat de opzeggingen van de aansluitovereenkomst en van het lidmaatschap van CHOB nietig zijn dan wel wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid buiten beschouwing dienen te worden gelaten. [geïntimeerde] doet in dit kader onder meer (en in aanvulling op hetgeen hij in eerste aanleg heeft gesteld) een beroep op artikel 6 van de Mededingingswet en op artikel 56 VWEU.
De door [geïntimeerde] aangevoerde grief is als zodanig duidelijk kenbaar. Dat is ook het geval geweest voor CHOB, zoals blijkt uit het door haar gevoerde inhoudelijke verweer. Het hof verwerpt daarom het primaire standpunt van CHOB dat [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep geen grief/grieven heeft aangevoerd, zodat hij in dat beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.3.5.

De grieven 2 en 3 in principaal hoger beroep en de grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Deze gezamenlijke behandeling is mogelijk omdat, zoals hierna nader zal blijken, wordt voldaan aan de voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld.

De centrale vraag

3.4.1

De centrale vraag in de onderhavige zaak is of een einde is gekomen aan [geïntimeerde] ’ lidmaatschap van CHOB en aan de contractuele band tussen partijen op grond van de aansluitovereenkomst.

3.4.2.

Het hof stelt voorop dat de statuten van CHOB zowel voorzien in het einde van rechtswege van het lidmaatschap als in de opzegging ervan. Buiten een hier niet aan de orde zijnd geval, is de bevoegdheid tot opzeggen van CHOB beperkt tot situaties waarin in redelijkheid van haar niet langer kan worden gevergd dat zij dat lidmaatschap laat voortduren (zie r.o. 3.1. onder b)).
De aansluitovereenkomst biedt CHOB een niet tot bepaalde gevallen of redenen beperkte mogelijkheid tot opzeggen, mits een opzegtermijn van zes maanden in acht wordt genomen (zie r.o. 3.1. onder d)).

3.4.3.

CHOB stelt zich op het standpunt dat de aansluitovereenkomst met [geïntimeerde] is geëindigd met ingang van 1 juli 2015, ten gevolge van de opzegging bij brief van 30 december 2014 (zie r.o. 3.1. onder ee)). [geïntimeerde] lidmaatschap is volgens CHOB van rechtswege geëindigd op grond van artikel 7 van de statuten (zie r.o. 3.1. onder b)). Zou dit niet het geval zijn, dan is ook [geïntimeerde] lidmaatschap volgens CHOB geëindigd op 1 juli 2015, ten gevolge van de opzegging bij voormelde brief.
De beide opzeggingen waren volgens CHOB in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen in de met [geïntimeerde] gesloten aansluitovereenkomst en de statuten, reglementen en protocollen van CHOB.
De opzeggingen waren volgens CHOB geboden met het oog op de kwaliteit van de door haar te verlenen spoedeisende huisartsgeneeskundige zorg. Bij [geïntimeerde] was namelijk sprake van structureel disfunctioneren, zonder reëel uitzicht op verbetering. Om deze reden - en vanwege de ten gevolge van het optreden van [geïntimeerde] ernstig en onherstelbaar verstoorde relatie tussen partijen - kon in redelijkheid van CHOB niet langer worden gevergd dat zij het lidmaatschap en de aansluitovereenkomst zou laten voortduren. Daarom bestonden voldoende zwaarwegende redenen voor de opzeggingen, aldus CHOB.
CHOB voert in dit verband aan dat zij een eigen taak en verantwoordelijkheid heeft om, als zorginstelling, te waken voor de kwaliteit van de door haar te verlenen zorg. Zij beroept zich in dit verband op de Kwaliteitswet zorginstellingen (Wet van 18 januari 1996, S. 1996, 80) en op de meer recente Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wet van 7 oktober 2015, S. 2015, 407). De omstandigheid dat ook andere instanties, zoals de IGZ en het Medisch Tuchtcollege, taken en verantwoordelijkheden hebben op het gebied van de kwaliteit van de zorg, doet niet af aan haar eigen taak en verantwoordelijkheid op dat gebied, aldus CHOB.

3.4.4.

Het hof deelt de opvatting van CHOB dat zij een eigen taak en verantwoordelijkheid heeft om toe te zien op de kwaliteit van de door haar geboden zorg (zie inmiddels ook het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2445).
Deze opvatting wordt door [geïntimeerde] ook niet ten principale betwist. [geïntimeerde] betwist evenmin dat hij wordt gebonden door de desbetreffende bepalingen in zijn aansluitovereenkomst en in de statuten, reglementen en protocollen van CHOB. Ook [geïntimeerde] neemt, in het verlengde hiervan, tot uitgangspunt dat CHOB in december 2014 bevoegd was om zijn lidmaatschap en de met hem gesloten aansluitovereenkomst op te zeggen, op voorwaarde dat daar voldoende zwaarwegende redenen voor waren.

3.4.5.

Nu partijen het erover eens zijn dat de opzeggingen mogelijk waren als daarvoor voldoende zwaarwegende redenen bestonden, zal het hof hierna nader ingaan op de vraag of CHOB in december 2014 inderdaad beschikte over voldoende zwaarwegende redenen om [geïntimeerde] ’ lidmaatschap en aansluitovereenkomst op te zeggen.
De onderhavige procedure is geëntameerd door [geïntimeerde] , die vordert dat in rechte wordt vastgesteld dat deze zwaarwegende redenen in december 2014 niet aanwezig waren en die tevens vordert dat aan deze constatering de gevolgen zoals genoemd in r.o. 3.2.1. onder III en IV worden verbonden. Op [geïntimeerde] rusten daarom de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast ter zake.

Voldoende zwaarwegende redenen
3.5.1. [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij probleemloos samenwerkte met en binnen CHOB tot hij begin september 2013 door de kwaliteitsfunctionaris van CHOB werd benaderd in verband met een klacht over zijn optreden als huisarts. Die klacht ( [geïntimeerde] doelt op de gebeurtenis zoals genoemd in r.o. 3.1. onder l)) werd door CHOB vervolgens aangemerkt als een calamiteit en vormde de aanleiding tot tal van maatregelen, zoals het viseren van de patiëntcontacten van [geïntimeerde] en - later - een op non actief-stelling en de verlenging daarvan. Dat zijn optreden in april 2013 heeft geleid tot een calamiteit is volgens [geïntimeerde] in het geheel niet vast komen te staan. Ook de andere gebeurtenissen waarop CHOB zich beroept, kunnen volgens [geïntimeerde] niet zonder meer worden aangemerkt als (terechte) klachten, incidenten dan wel calamiteiten. Het gaat hoe dan ook om incidentele gebeurtenissen, deels van oudere datum, die CHOB er op den duur bij heeft gehaald om het lidmaatschap en de aansluitovereenkomst op te kunnen zeggen. CHOB heeft uit het oog verloren dat [geïntimeerde] in 2014 al jaren lang functioneerde als huisarts, en dat tot tevredenheid van zijn patiënten, aldus [geïntimeerde] .
Daarnaast kleven volgens [geïntimeerde] procedurele bezwaren aan het optreden van CHOB. Het verwijt dat [geïntimeerde] niet wilde meewerken aan het onderzoek naar aanleiding van de (gestelde) calamiteit in april 2013 is onterecht. [geïntimeerde] wilde de beschikking krijgen over alle beschikbare informatie, maar die werd hem door CHOB onthouden. Daarom kon CHOB ook niet van hem verlangen dat hij zonder meer zou meewerken aan het door CHOB verlangde verbetertraject. CHOB heeft verder onvoldoende hoor en wederhoor toegepast, is bewust bezig geweest om redenen te ‘zoeken’ om aan de onderlinge relatie een einde te kunnen maken en heeft niet de ruimte geboden om in onderling overleg tot een oplossing te komen.
Gelet op dit alles kon CHOB volgens [geïntimeerde] in december 2014 niet concluderen dat hij disfunctioneerde, althans was er geen sprake van ernstig/structureel disfunctioneren. Dat de samenwerking was verstoord, was het gevolg van de opstelling van CHOB, aldus nog steeds [geïntimeerde] .

3.5.2.

CHOB heeft hier tegenover gesteld dat in de periode vóór de opzeggingen op verschillende momenten sprake is geweest van onjuist medisch handelen door [geïntimeerde] , waardoor patiënten van CHOB ernstig zijn geschaad. Dit was volgens CHOB het geval vanaf 2011 tot en met 2013. In deze periode deden zich twee calamiteiten voor bij het optreden van [geïntimeerde] als CHOB-visitearts (zie r.o. 3.1. onder g) en l)). In 2013 is ook sprake geweest van twee terechte klachten over het optreden van [geïntimeerde] als huisarts binnen CHOB (zie r.o. 3.1. onder m) en o)). Bij die laatste klacht is een nieuwe calamiteit slechts voorkomen door de alertheid van de moeder van de baby. Verder was sprake van oncollegiaal gedrag tijdens zijn werkzaamheden op de huisartsenpost. Dit laatste is volgens CHOB gebleken uit klachten van collega’s in de huisartsenpost, die de herhaalde weigering van [geïntimeerde] om tijdens drukke diensten hulp te bieden als zeer onprofessioneel en oncollegiaal hebben ervaren (de desbetreffende e-mails zijn overgelegd als onderdeel van de producties 10 en 11 bij cva).

CHOB stelt verder dat haar vanaf 2011 is gebleken dat [geïntimeerde] , geconfronteerd met de genoemde calamiteiten, klachten en bezwaren onvoldoende zelfinzicht vertoonde, niet in staat was tot zelfreflectie en daardoor geen toetsbare houding aannam. [geïntimeerde] is volgens CHOB steeds in de verdediging gegaan en heeft de oorzaak voor eventuele problemen bij (een) ander(en) gelegd. Als gevolg hiervan is [geïntimeerde] volgens CHOB niet bereid en in staat gebleken om te leren van gemaakte fouten en is een door haar in gang gezet verbetertraject (met een door [geïntimeerde] op te stellen plan van aanpak en externe coaching) niet van de grond gekomen.
Volgens CHOB heeft zij jegens [geïntimeerde] in procedureel opzicht geheel correct gehandeld, namelijk conform het eigen protocol ‘Vermeend disfunctionerende huisarts’ (zie r.o. 3.1. onder t)), en heeft [geïntimeerde] alle kans gekregen om zijn zienswijze naar voren te brengen en om in overleg te treden over de implicaties van de vanaf 2011 ontstane problemen. In dat verband is van belang dat [geïntimeerde] CHOB in haar optreden jegens hem niet serieus nam. Hij beschuldigde CHOB zonder grond van het smeden van complotten en van het hebben van andere onzuivere motieven. Deze opstelling heeft ertoe geleid dat de onderlinge verhouding tussen CHOB en [geïntimeerde] onherstelbaar is verstoord. CHOB had daarom op goede gronden geen vertrouwen in de samenwerking in de toekomst, aldus nog steeds CHOB.

Gelet op dit alles was volgens CHOB in december 2014 aan de zijde van [geïntimeerde] sprake van structureel disfunctioneren, zonder uitzicht op verbetering. Volgens CHOB is voor deze conclusie nadrukkelijk steun te vinden in de bevindingen van de IGZ vanaf 2011 en in het advies van de LCA van 8 oktober 2014.
3.5.3. In het licht van deze gemotiveerde weerspreking van zijn stellingen had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen om zijn eigen stellingen uit te breiden en nader te motiveren. [geïntimeerde] heeft dat naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende gedaan.

3.5.4.

Zo is [geïntimeerde] in eerste aanleg niet of nauwelijks ingegaan op de bevindingen van de IGZ (zie r.o. 3.1. onder h), j) en k)) en heeft hij zich in hoger beroep beperkt tot de stelling dat de IGZ in haar rapport van oktober 2012 heeft vastgesteld dat er sprake is van structurele verbetering van de kwaliteit van de praktijk en dat alle geconstateerde tekortkomingen zijn beoordeeld als verbeterd, zodat het niet meer van belang is om terug te kijken naar de periode van het verscherpt toezicht (mva in principaal hoger beroep nr. 18).
miskent daarmee dat IGZ de geconstateerde verbeteringen in het genoemde rapport in hoofdzaak toeschrijft aan de waarnemer die op dat moment het grootste deel van de werkzaamheden in de praktijk verrichtte en, in vervolg daarop, de verwachting uitspreekt dat deze waarnemer de praktijk uiterlijk 31 december 2013 zal overnemen (wat uiteindelijk niet is gebeurd).
miskent verder dat in het genoemde rapport geen positieve conclusies worden getrokken ten aanzien van zijn reflectieve vermogens en zelfinzicht. Dienaangaande constateert de IGZ dat dit aspect nog niet aan de orde is geweest in het supervisietraject en dat zij nadrukkelijk heeft gevraagd om dit alsnog te doen.

3.5.5.

[geïntimeerde] heeft verder niet deugdelijk gemotiveerd gesteld welke inspanningen hij vanaf 2011 heeft verricht om tegemoet te komen aan de bezwaren van CHOB en de IGZ op het punt van zijn reflectieve vermogens, zelfinzicht en vermogen om te leren van gemaakte fouten. Het hof deelt niet de opvatting van [geïntimeerde] dat de houding en het optreden van CHOB ervoor hebben gezorgd dat het op dit punt ingezette verbetertraject niet van de grond is gekomen. Gelet op zijn professie mocht van [geïntimeerde] worden verwacht dat hij dienaangaande het initiatief zou nemen. Uit de door partijen overgelegde correspondentie (zie r.o. 3.1. onder i), n), q), s), u) en w)) blijkt dat [geïntimeerde] daartoe alle kans heeft gehad. Ook overigens blijkt daaruit dat het optreden van CHOB jegens [geïntimeerde] in overeenstemmening is geweest met het protocol ‘Vermeend disfunctionerende huisarts’.

3.5.6.

De LCA heeft vervolgens in haar advies uit oktober 2014 geconcludeerd dat sinds 2011 sprake is van een zekere regelmaat in het ontvangen van klachten, signalen, meldingen en incidenten inzake het handelen van [geïntimeerde] en dat zij een helder gemotiveerde weerlegging van de klachten en signalen mist, zowel in de overgelegde stukken als verzocht tijdens de mondelinge behandeling. Verder heeft (ook) de LCA in haar advies geconstateerd dat bij [geïntimeerde] sprake is van het ontbreken van enige herkenning, van zelfinzicht en daardoor van leermomenten.
De LCA heeft op grond hiervan geoordeeld, samengevat: (1) dat sprake is van structurele problemen, onverantwoorde zorg en het risico van schade voor de patiënten, en (2) dat niet is gebleken van een opening voor een verbetertraject, waardoor voor de toekomst structureel verantwoorde zorg kan worden geboden (zie r.o. 3.1. onder aa)).
heeft in reactie op het advies van de LCA kritiek geuit op de procesgang en op de inhoud van het advies. [geïntimeerde] heeft echter niet deugdelijk onderbouwd waarom de gevolgde procesgang - met een schriftelijke ronde en een mondelinge behandeling, een en ander met bijstand van een advocaat - hem niet in staat heeft gesteld om zijn standpunt duidelijk naar voren te brengen en voor zijn belangen op te komen.
In verband met [geïntimeerde] ’ kritiek op de inhoud van het LCA-advies (kenbaar uit zijn verweer tegen het voornemen van CHOB om over te gaan tot de opzegging van lidmaatschap en aansluitovereenkomst, aangehaald in r.o. 3.1. onder dd) overweegt het hof dat [geïntimeerde] grotendeels volstaat met een herhaling van eerder ingenomen standpunten en daarbij niet dan wel onvoldoende ingaat op de concrete bevindingen en conclusies van de LCA. In verband met het belangrijke punt van zijn medische verslaglegging volstaat [geïntimeerde] met de opmerking dat ‘de belangrijkste zaken vermeld zijn’. Die reactie oordeelt het hof onvoldoende, des te meer nu de desbetreffende kritiek van de LCA aansluit op de eerder door de IGZ geuite fundamentele kritiek op [geïntimeerde] ’ medische verslaglegging (zie. r.o. 3.1. onder j)).

Verder valt op dat [geïntimeerde] in zijn inhoudelijke reactie op het LCA-advies nauwelijks ingaat op de uitgebreide overwegingen en oordelen van de commissie ter zake zijn zelfinzicht en leervermogen. [geïntimeerde] volstaat met het niet nader gemotiveerde standpunt dat hij ‘wel bereid (is) tot discussie’ en ‘wel degelijk zelfinzicht (vertoont)’). De mede op de mondelinge behandeling gebaseerde overwegingen en oordelen van de LCA worden daardoor onvoldoende weerlegd.

3.5.7.

In zijn reactie op het advies van de LCA heeft [geïntimeerde] verder gesteld dat de LCA niet heeft vastgesteld dat hij ernstig disfunctioneert (zie o.m. mva in principaal hoger beroep nrs 59 en 64). In het verlengde daarvan heeft [geïntimeerde] bij herhaling gesteld dat aan zijn kant geen sprake is geweest van structureel disfunctioneren (zie o.m. p.v. cna in eerste aanleg p. 3, mvg in incidenteel hoger beroep nr. 100, pleitnota nr. 10).
[geïntimeerde] miskent daarmee dat uit de definitie van ‘disfunctioneren’ in het desbetreffende protocol van CHOB (zie r.o. 3.1. onder t)) volgt dat van disfunctioneren alleen sprake is in structurele situaties waarin, kort gezegd, ernstige zorg bestaat over het functioneren van de huisarts en de (mogelijk ernstige) gevolgen daarvan voor zijn patiënten. Uit het advies van de LCA (zie blz. 9 en 10) blijkt dat zij het handelen van [geïntimeerde] heeft getoetst aan deze definitie en aan de Toelichting op het VHN model protocol (welk protocol de basis vormt voor het CHOB-protocol, meer in het bijzonder aan de vier elementen die blijkens die toelichting centraal staan bij de omschrijving van disfunctioneren, te weten:

‘1. het moet gaan om structurele problemen, en niet om een enkel incident;

2. 2. het moet gaan om onverantwoorde zorg, d.w.z. zorg die in negatieve zin afwijkt van hetgeen binnen de beroepsgroep gebruikelijk is;

3. 3. door de problemen loopt de patiënt schade op, of bestaat het risico daarop; en

4. 4. de huisarts is niet bereid tot discussie, vertoont geen zelfreflectie en/of is niet (meer) bij machte zelf de situatie ten goede te keren.’


Uit het voorgaande blijkt dat disfunctioneren per definitie structureel en ernstig van aard is. Het hof ziet om die reden niet in welk belang toekomt aan het maken van het onderscheid tussen ‘disfunctioneren’ en ‘ernstig/structureel disfunctioneren’. Overigens blijkt ook uit de feitelijke vaststellingen en conclusies van de LCA in haar advies (waarvan een deel hierboven in 3.1 onder aa) is weergegeven), dat de LCA [geïntimeerde] ’ disfunctioneren structureel en ernstig van aard acht.
3.5.8. Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde] , in het licht van het door CHOB gevoerde verweer en het beroep dat laatstgenoemde in dat kader heeft gedaan op, onder meer, de bevindingen van de IGZ en het advies van de LCA, onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld: (1) dat met betrekking tot de door CHOB als calamiteiten/klachten aangemerkte gebeurtenissen in 2013 geen sprake is geweest van onverantwoorde zorg, en (2) dat op het punt van zijn (gebrek aan) zelfinzicht, reflectie en leervermogen in december 2014 geen sprake was van disfunctioneren zonder uitzicht op verbetering. Evenmin heeft [geïntimeerde] deugdelijk gemotiveerd gesteld dat de oorzaak voor de verstoorde onderlinge samenwerking geheel, althans hoofdzakelijk moet worden gezocht bij CHOB.
In het licht hiervan komt het hof tot het oordeel dat in december 2014 van CHOB niet langer kon worden gevergd dat zij [geïntimeerde] ’ lidmaatschap en aansluitovereenkomst zou laten voortduren, zodat op dat moment voldoende zwaarwegende redenen bestonden voor beide opzeggingen.

3.5.9.

Aan het hiervoor gegeven oordeel doet niet af dat de LCA heeft geadviseerd om ten aanzien van [geïntimeerde] ‘een beslissing te nemen op grond van artikel 13 van het Protocol c.q. het model Protocol van de VHN, en een of meer van de in het (model) Protocol of de Aansluitovereenkomst van de CHP genoemde maatregelen te treffen.’
[geïntimeerde] heeft gesteld dat uit dit advies volgt dat CHOB niet had mogen overgaan tot de opzegging van [geïntimeerde] ’ lidmaatschap en aansluitovereenkomst.
Het hof verwerpt dit standpunt, reeds omdat de LCA zowel verwijst naar artikel 13 van het Protocol van CHOB (zie r.o. 3.1. onder t)) als naar artikel 13 van het model-protocol van de VHN (zie r.o. 3.1. onder bb)). In deze laatste bepaling wordt als één van de te nemen maatregelen in geval van disfunctioneren uitdrukkelijk genoemd: de opzegging van de overeenkomst met de huisarts.


Ultimum remedium

3.6.1.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de opzeggingen van het lidmaatschap en de aansluitovereenkomst moeten worden gezien als een ultimum remedium. Hij heeft betoogd dat deze opzeggingen achterwege moeten blijven - naar het hof begrijpt: ook als sprake is van voldoende zwaarwegende redenen - als alternatieven aanwezig zijn die tegemoetkomen aan de bezwaren van CHOB (zie o.m. mva nrs 56 en 60). [geïntimeerde] heeft in dit verband gewezen op de mogelijkheid dat zijn diensten worden waargenomen dan wel dat hij zijn diensten afkoopt. In dat geval behoeft hij zelf geen diensten te verrichten binnen CHOB en kunnen zijn patiënten niettemin onverkort gebruik maken van de spoedeisende huisartsgeneeskundige zorg door CHOB, aldus [geïntimeerde] .

3.6.2.

Het hof volgt [geïntimeerde] niet in deze opvatting en overweegt daartoe dat in artikel 13 van de statuten weliswaar de mogelijkheid wordt geboden om leden te ontheffen van de verplichting om diensten te verlenen, maar dat de bevoegdheid om dit te doen uitdrukkelijk wordt beperkt tot ‘zeer bijzondere gevallen’.
Deze regeling moet, zoals CHOB ook heeft betoogd, worden begrepen tegen de achtergrond van het rechtskarakter van CHOB als coöperatie, waarin leden ten behoeve van andere leden (en hun patiënten) zorg verlenen, en de daaruit voortvloeiende solidariteitsgedachte. Hiermee valt, ook naar het oordeel van het hof, in beginsel niet te verenigen dat een huisarts lid is en blijft van CHOB, terwijl vast is komen te staan dat hij zelf niet bereid dan wel in staat is om in alle opzichten aan de (verder voor een huisarts niet uitzonderlijke) lidmaatschapsvereisten te voldoen.
Dat, zoals [geïntimeerde] nog heeft gesteld, ook andere huisartsen dan CHOB-leden zorg verlenen binnen de coöperatie doet hieraan niet af. Uit hetgeen partijen op dit punt hebben gesteld volgt dat het hier gaat om huisartsen die (nog) geen eigen praktijk hebben en/of die om andere praktische redenen niet in de positie zijn om lid te worden.

Bovendien is bij [geïntimeerde] sprake van disfunctioneren, op grond waarvan opzegging mogelijk is. Zeker ook gelet daarop kan naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet van CHOB worden verlangd dat zij gebruik maakt van haar, voor uitzonderlijke gevallen bedoelde, bevoegdheid om toe te staan dat [geïntimeerde] zijn diensten afkoopt of daarvoor een waarnemer inschakelt, om hem aldus in staat te stellen zijn lidmaatschap van CHOB - ondanks zijn disfunctioneren - te laten voortduren.

3.6.3.

Het hof verwerpt in dit verband ook [geïntimeerde] ’ beroep op artikel 6 van de Mededingingswet en op artikel 56 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) (zie mva nrs 48, 102, 111 en 112).
Het hof overweegt dienaangaande dat de beide opzeggingen door CHOB niet betekenen dat [geïntimeerde] wordt uitgesloten van de ‘markt’ voor spoedeisende huisartsenzorg in de avonden, weekenden en op feestdagen in de regio [regio] . Naar CHOB onvoldoende weersproken heeft gesteld, voorzien de relevante (beleids)regels en overeenkomsten immers ook in andere mogelijkheden om deze zorg te leveren (zoals door afspraken te maken met andere huisartsen over een waarneemregeling of door waarnemers in te huren).
Het hof overweegt verder dat [geïntimeerde] in eerste instantie zonder belemmering lid is kunnen worden van CHOB en dat daaraan een einde is gekomen om de hiervoor behandelde redenen die, per saldo, geheel in de sfeer van [geïntimeerde] liggen.
Om de laatste reden gaat het hof voorbij aan [geïntimeerde] ’ beroep op artikel 56 VWEU, en daarnaast en vooral, omdat is gesteld noch gebleken dat het geschil tussen partijen een internationale dimensie heeft, die tot de toepasselijkheid van de genoemde verdragsbepaling leidt.

3.6.4.

Ook de omstandigheid dat de verbreking van de relatie tussen [geïntimeerde] en CHOB (mogelijk) gevolgen zal hebben voor [geïntimeerde] dagpraktijk en voor zijn patiënten vormt geen reden om aan te nemen dat CHOB [geïntimeerde] , op de door hem geschetste wijze, als lid moet (blijven) accepteren.
CHOB heeft - terecht - met deze belangen rekening gehouden in de periode dat zij met [geïntimeerde] heeft getracht om te komen tot een verbetertraject. Toen dit niet lukte, mocht CHOB het belang van de kwaliteit van de door haar te verlenen zorg voorop stellen (zie onder meer het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2445). Eventuele nadelige consequenties hiervan komen voor rekening van [geïntimeerde] , die in de periode vanaf 2011 voldoende kansen heeft gehad om de ontstane problemen, als lid van CHOB, aan te pakken en op te lossen.
In verband met [geïntimeerde] ’ patiënten overweegt het hof nog dat CHOB, onder meer ten overstaan van de voorzieningenrechter in het door [geïntimeerde] aangespannen kort geding (zie r.o. 3.1. onder ff)), heeft toegezegd dat patiënten die zich na 1 juli 2015 tot de huisartsenposten van CHOB wenden, gewoon zullen worden geholpen. In hoger beroep heeft CHOB gesteld dat zij patiënten van [geïntimeerde] , als hij geen aansluitovereenkomst (meer) heeft, waar het betreft de hulp in urgente gevallen niet anders zal behandelen dan patiënten van wel aangesloten huisartsen. [geïntimeerde] mag zonder aansluitovereenkomst zijn patiënten echter niet actief doorverwijzen naar de huisartsenpost. Dat neemt volgens CHOB niet weg dat patiënten die zich (desondanks) bij de post melden, gewoon zullen worden behandeld (mvg in principaal hoger beroep nrs. 3.90 en 3.91). Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat CHOB deze toezegging na het wijzen van dit arrest niet langer zal nakomen.
3.6.5. Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat CHOB in december 2014 in de hiervoor behandelde zwaarwegende redenen voldoende aanleiding heeft mogen zien om [geïntimeerde] ’ lidmaatschap en aansluitovereenkomst op te zeggen.
Ten gevolge van deze opzeggingen is per 1 juli 2015 een einde gekomen aan de aansluitovereenkomst en aan [geïntimeerde] ’ lidmaatschap van CHOB. De vraag of dat lidmaatschap al eerder van rechtswege is geëindigd, omdat [geïntimeerde] toen niet langer voldeed aan het bepaalde in artikel 5 van de statuten, behoeft daarom geen beantwoording. In verband daarmee kan ook de hagro-kwestie, waaromtrent partijen uitgebreid hebben gedebatteerd, in het midden blijven.


Redelijkheid en billijkheid

3.7.1.

Voor het geval het hof tot het oordeel komt dat CHOB [geïntimeerde] ’ lidmaatschap en aansluitovereenkomst heeft opgezegd, heeft [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep gesteld, zoals het hof het begrijpt, dat dan heeft te gelden dat deze opzeggingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

3.7.2.

Het hof stelt in verband met dit beroep op de redelijkheid en billijkheid voorop dat zowel het lidmaatschap van, als de aansluitovereenkomst met CHOB kunnen worden gezien als voor onbepaalde tijd aangegane rechtsverhoudingen met een duurzaam karakter. Zowel de statuten als de aansluitovereenkomst bevatten een regeling ter zake de opzegging lidmaatschap c.q. aansluitovereenkomst (zie r.o. 3.4.2.). Deze regelingen zijn in beginsel bepalend voor de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder opzegging mogelijk is. De eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als een zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat (zie onder meer HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 en HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1280).

3.7.3.

Het hof heeft in het voorgaande onderzocht of aan de opzeggingen door CHOB in december 2014 (voldoende) zwaarwegende redenen ten grondslag hebben gelegen en is tot een bevestigend antwoord gekomen (zie de r.o. 3.5.8. en 3.6.5.).
[geïntimeerde] ’ beroep op de redelijkheid en billijkheid en hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, doet niet af aan dit oordeel, omdat zijn desbetreffende stellingen in het voorgaande reeds zijn besproken en is gebleken dat zij niet afdoen aan het oordeel dat aan de opzeggingen (voldoende) zwaarwegende redenen ten grondslag hebben gelegen.
Slotsom

3.8.1.

Gelet op al het voorgaande slagen de grieven 2 en 3 in principaal hoger beroep, zowel waar het betreft de bezwaren tegen het door de rechtbank gehanteerde beoordelingskader (subgrieven 2.1.-2.5., 3.2. en 3.6.) als waar het betreft de beoordeling van het concrete geval (subgrieven 2.6.-2.8. en 3.1., 3.3., 3.4.-3.5. en 3.7.).

De grief in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep faalt.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en het door [geïntimeerde] gevorderde, inclusief de nevenvordering ter zake buitengerechtelijke kosten, alsnog afwijzen.

3.8.2.

Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van beide instanties. In het incidenteel hoger beroep blijft een kostenveroordeling achterwege, omdat het betrekking heeft op geschilpunten die het hof ook zonder dat (incidenteel) beroep moet behandelen, vanwege het ingestelde principaal hoger beroep.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van CHOB zullen worden vastgesteld op € 613,- aan griffierecht en € 1.158,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x € 579,-, tarief II).

De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van CHOB zullen worden vastgesteld op € 2.034,75 aan verschotten (€ 77,75 explootkosten en € 1.957,- griffierecht) en € 3.474,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x € 1.158,-, tarief II).
Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

wijst af het door [geïntimeerde] gevorderde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van CHOB op € 613,- aan griffierecht en op € 1.158,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 2.034,75 aan verschotten en op
€ 3.474,- aan salaris advocaat voor het principaal en het incidenteel hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A.E.M. Hulskes, W.J.J. Beurskens en H.R. Quint en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 maart 2018.

griffier rolraadsheer