Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:886

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.178.302_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

: Relatievermogensrecht. Samenlevers. Geen samenlevingsovereenkomst. Verdeling woning (eenvoudige gemeenschap). Onderwaarde. Investeringen met privévermogen. Vergoedingsrecht. (Stilzwijgende) overeenkomst. Natuurlijke verbintenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/37.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.178.302/01

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. M. van Yperen-Groenleer te 's-Gravenhage, voorheen mr. S. Smeets te Venlo,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. S. van Helvert te Nijmegen

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 december 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/03/191545/HAZA 14-285 gewezen vonnis van 5 augustus 2015.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenarrest van 22 december 2015 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  2. een brief van 5 februari 2016 van advocaat van de man met de producties 7 tot en met 9;

  3. een brief van 10 februari 2016 van de advocaat van de man met de producties 10 en 11

  4. het proces-verbaal van de comparitie op 23 februari 2016;

  5. de memorie van grieven met productie 12;

  6. de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

  7. de memorie van antwoord in incidenteel appel;

  8. het bij faxbericht en brief van 2 mei 2017 door de advocaat van de man toegezonden “Overzicht nota’s verbouwing pand [adres] [plaats 1] ” en het “Overzicht nota’s roerende goederen”, met de producties 1 t/m 41;

  9. het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

In rov. 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

6.1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad die in februari 2011 is geëindigd.

Uit de relatie van partijen zijn drie kinderen geboren.

6.1.2.

Partijen hadden aanvankelijk een gezamenlijke woning in [plaats 2] . In 2003 kochten zij de woning aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning), die zij na een grondige verbouwing in 2007 betrokken. De woning te [plaats 2] is toen verkocht.

6.1.3.

Na het einde van de relatie heeft de vrouw de woning met de kinderen verlaten.

6.1.4.

Partijen zijn beiden voor 50% eigenaar van de woning. De woning heeft, blijkens een taxatierapport dat niet ter discussie staat, een waarde van € 540.000,--. Op de woning rust een recht van hypotheek in verband met een door partijen gesloten overeenkomst van geldlening van € 337.000,--. Partijen zijn voor de geldlening hoofdelijk aansprakelijk. Aan de lening is een levensverzekering gekoppeld, een OpMaat-verzekering van de Rabobank, met een waarde per 1 mei 2014 van € 56.159,51.

6.2.1.

De vrouw heeft de man gedagvaard. Zij heeft in conventie, samengevat, gevorderd de verdeling van de woning te gelasten, waarbij de man aan haar zal voldoen de helft van de overwaarde, zijnde € 101.500,--.

6.2.2.

De man heeft in reconventie, samengevat, gevorderd dat het aandeel van de vrouw in de woning op zijn naam zal worden gesteld (overgedragen) zodra ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw verleend zal kunnen worden onder nominale verrekening van de door de man gedane investeringen uit eigen middelen van 347.000,--, te vermeerderen met € 32.500,-- (verbouwing) tevens onder gelijke toedeling van de restschuld (verschil gedane privé-investeringen -/- overwaarde ad € 203.000,--) aan de vrouw.

Voorts heeft de man gevorderd te bepalen dat de roerende goederen:

- tafel van Piet Hein Eek ter waarde van € 7.000,--

- Philips Ambilight Breedbeeld ter waarde van € 4.000,--

- Apple IMac ter waarde van € 1.100,--

- Fiat Punto dagwaarde ter waarde van € 2.500,--

alsmede

- borg voor woning + eerste huur € 400,--

- huur maart en april € 1.200,--

- “ startgeld” cash € 5.250,--

- tandartsrekeningen maart en april € 489,--

- renteaflossing studieschuld € 250,--

door de vrouw aan hem verschuldigd zijn althans voor verrekening in aanmerking komen, alsmede te bepalen dat:

- de waarde van de OpMaat-polis na verrekening van (een gelijk deel) van de restschuld volledig aan hem toekomt.

6.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep:

In conventie, de man veroordeeld:

“- om tot verdeling van de woning (…) over te gaan, waarbij de man de vrouw de helft van de overwaarde ad € 101.500,-- zal voldoen;

- (…) om bij een eventuele verkoop van de woning, na aftrek van hypothecaire lening de overwaarde of de schuld tussen partijen bij helfte te verdelen;

- (…) tot betaling van de helft van de waarde van de OpMaat Verzekering van de Rabobank op het moment van beëindiging van de hypotheek, welk bedrag per 1 mei 2014 € 28.079,74 bedroeg, te voldoen binnen twee maanden nadat tot verdeling van de woning (…) is overgegaan dan wel binnen twee maanden nadat de woning is verkocht;

- (…)

- en (…) het meer of anders gevorderde [afgewezen].”

In reconventie bepaald dat de man:

“- een bedrag van € 5.250,00 kan verrekenen met de vordering die de vrouw toekomt in het kader van het bovenstaande;

- (…) (…) het meer of anders gevorderde [afgewezen];”

In conventie en in reconventie:

“- de kosten van deze procedure tussen partijen [gecompenseerd]”.

Beide partijen kunnen zich niet verenigen met het vonnis en zij zijn daarvan in hoger beroep gekomen.

Op 23 februari 2016 is een comparitie na aanbrengen ten overstaan van het hof gehouden. Partijen hebben bij deze comparitie geen overeenstemming bereikt.

6.4.

De man heeft zeven grieven geformuleerd. Zijn grieven betreffen:

- de verrekening van de door hem betaalde OpMaat-verzekering en vergoeding van door hem gedane investeringen in de woning (grieven I tot en met VI);

- de roerende goederen (grief VII).

De man heeft gevorderd het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“I. te bepalen dat uiterlijk binnen 4 maanden na het door het hof (…) te wijzen arrest het aandeel van [de vrouw] in de woning op naam van [de man] zal worden gesteld zodra ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [de vrouw] verleend zal kunnen worden alsmede, voor zover [de vrouw] niet tijdig zal meewerken aan overdracht van haar aandeel in de woning, aan [de man] een volmacht te verlenen om alle daartoe benodigde handelingen te verrichten alsook dat het arrest van het [hof ] daarvoor in de plaats zal kunnen treden voor het geval [de vrouw] weigerachtig zou blijven;

II. te bepalen dat [de vrouw] in het kader van de verdeling van de woning (…) en de OpMaat Verzekering aan [de man] dient te voldoen een bedrag ter hoogte van € 62.548,75, althans een door het [hof] (…) te bepalen bedrag.

III. te bepalen dat de roerende goederen:

- Tafel van Piet Hein Ek [Eek, hof] ter waarde van € 7.000,--

- Philips Ambilight Breedbeeld ter waarde van € 4.000,--

- Apple I-mac ter waarde van € 1.100,--

- Fiat Punto, dagwaarde ter waarde van € 2.500,--

- Borg voor de woning [van de vrouw] en eerste huur ter waarde van € 400,--

- Huur maart en april ter waarde van € 1.200,--

- ‘Startgeld’ cash ter waarde van € 5.250,--

- Tandartsrekeningen maart en april ter waarde van € 486,--

- Renteaflossing studieschuld ter waarde van € 250,--

Door [de vrouw] aan [de man] verschuldigd zijn althans voor verrekening in aanmerking komen. Indien [de vrouw] deze posten niet zal kunnen voldoen binnen 1 maand na (…) het arrest afgifte van de roerende zaken aan [de man] dient plaats te vinden onder verbeurte van een dwangsom ad € 250,-- per dag gedurende de tijd dat [de vrouw] daarmee in gebreke blijft;

IV. te bepalen dat de waarde van de OpMaat-polis na verrekening van (een gelijk deel) van de restschuld volledig aan [de man] toekomt.

De vrouw heeft twee grieven geformuleerd. Haar grieven betreffen:

- de termijn waarbinnen de man tot verdeling van de woning dient over te gaan (grief 1);

- de post “startgeld” cash ad € 5.250,-- (grief 2).

De vrouw heeft verzocht (voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad):

“I. [de man] te veroordelen om binnen twee maanden na dagtekening van het arrest, althans een door het [hof] (…) te bepalen termijn, het bedrag van € 101.500,00 aan [de vrouw] te voldoen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag (…) voor elke dag dat [de man] in gebreke blijft te voldoen aan het in deze te wijzen vonnis en primair [de man] te veroordelen om binnen twee maanden na dagtekening van het arrest (…) tot verdeling van de woning (…) over te gaan onder ontslag van [de vrouw] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldlening die rust op voornoemde woning dan wel subsidiair [de man] te veroordelen om binnen twee maanden na dagtekening van het arrest (…), zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning indien [de man] de woning niet zelf kan overnemen en in dat kader [de man] tevens te veroordelen tot het verlenen van zijn medewerking aan het verschaffen van de toegang aan de verkoopmakelaar en potentiele kopers, het plaatsen van advertenties op de door de makelaar aangewezen websites, het plaatsen van een bord in de tuin en het aanvaarden van elk bod op de woning dat gelijk of hoger is dan de meest actuele taxatiewaarde, het e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag (…) voor elke dag dat [de man] in gebreke blijft te voldoen aan het in deze te wijze [sic] vonnis;

II. te bepalen dat het startgeld cash ad € 5.250,00 niet dient te worden verrekend met de vordering die [de vrouw] toekomt in het kader van het bovenstaande;

III. [de man] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de 15e dag van respectievelijk het vonnis in eerste aanleg en het in deze te wijzen arrest.”

Verdeling woning

6.5.

De man heeft gevorderd dat het aandeel van de vrouw in de woning binnen vier maanden op zijn naam zal worden gesteld. Het hof begrijpt deze vordering als een vordering tot verdeling met toedeling aan de man. Deze vordering zal als onvoldoende betwist worden toegewezen. Hierdoor behoeft grief I in incidenteel appel, waarin de vrouw zich beklaagt over de onwerkbare beslissing van de rechtbank (“veroordeelt de man om tot verdeling van de woning (…) over te gaan”), geen bespreking meer.

De verdeling die het hof aldus zal vaststellen (toedeling van de woning aan de man) houdt de verplichting voor partijen in uitvoering te geven aan die verdeling door de voor overgang vereiste levering (art. 3:186 BW) te bewerkstelligen. Tussen partijen is niet in geschil dat de levering pas kan plaatsvinden na ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Het hof verstaat partijen aldus dat de man zich zal inspannen om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De vrouw gunt de man daarvoor twee maanden na datum arrest, de man zegt daarvoor vier maanden nodig te hebben. Het hof acht een termijn van drie maanden na datum arrest redelijk.

Het hof zal de vordering van de man om een volmacht te verlenen voor het geval de vrouw niet zal meewerken aan de overdracht (het hof begrijpt: levering) van haar aandeel in de woning afwijzen, nu gesteld noch gebleken is dat de vrouw haar medewerking aan de levering van de woning zal onthouden. Over de financiële afwikkeling van de woning zijn partijen het niet eens en het hof zal daarover hieronder beslissen.

Financiële afwikkeling eenvoudige gemeenschap van woning

6.6.

De man vordert ter zake van de afwikkeling van de eenvoudige gemeenschap van woning en van de OpMaat-verzekering een bedrag van € 62.548,75 van de vrouw. De man komt als volgt tot dit bedrag (mvg, pt. 35):

Waarde woning € 540.000,00

Waarde OpMaat Verzekering € 56.159,51 +

€ 596.159,51

Hypotheek € 337.000.00

Investeringen door de man € 347.000,00

Betalingen OpMaat Verzekeringen door de man € 37.257,00+

€ 721.257,00

Totale onderwaarde (€ 596.159,51 - € 721.257,00) € 125.097,49

Door de vrouw aan de man te voldoen: € 62.548,75

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de man het bedrag van zijn investeringen gecorrigeerd naar € 346.654,--. De omvang van deze investeringen (waarbij de inrichtingskosten niet zijn inbegrepen), wordt, zo heeft de vrouw daarop ter zitting verklaard niet (langer) betwist. Het hof zal daarom uitgaan van het gecorrigeerde bedrag van € 346.654,--. Voorts gaat het hof er op grond van de gedingstukken, die door de vrouw onvoldoende gemotiveerd zijn betwist, van uit dat de man die investeringen uit zijn privévermogen heeft gefinancierd. De waarde van de woning, de waarde van de OpMaat-verzekering en het bedrag van de hypotheek zijn verder niet in geschil.

Wel is nog in geschil hoe bij de afwikkeling van de woning moet worden omgegaan met de betalingen van de OpMaat-verzekering en met de investeringen door de man (de grieven I tot en met VI van de man). Het hof zal deze grieven thans gezamenlijk bespreken.

De OpMaat-verzekering

6.6.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat geen verrekening meer plaatsvindt van de betalingen aan de OpMaat-verzekering.

6.6.2.

De man is het met dit oordeel niet eens. Hij vindt dat nog wel verrekend moet worden (zoals hiervóór schematisch weergegeven). Hij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad van achttien jaar. Zij hebben drie kinderen gekregen. Partijen hebben er bewust voor gekozen om een niet-gereguleerde vorm van samenleven aan te gaan.

- Partijen hebben een strikt gescheiden financiële huishouding gevoerd en zij hebben nooit een gezamenlijke rekening geopend.

- De OpMaat-polis is op beider naam gesteld, vanwege de (overlijdens)risicoverzekering die daarvan deel uitmaakt. De polis vormt een eenvoudige gemeenschap. De man is de verzekeringnemer en de vrouw niet. De verzekering is niet alleen een risicoverzekering, maar ook een verzekering waarin waarde wordt opgebouwd. De vrouw heeft niet bijgedragen aan de betalingen van de premies, waaronder inleg (mvg, pt. 5). Alle premies van de verzekering (ad € 37.257,--) zijn betaald door de man. Verder heeft hij betaald: de verschuldigde hypotheekrente, de kosten van het levensonderhoud van het gezin, en ook de investeringen in de woning.

- De vrouw heeft niet het leeuwendeel van de zorg voor de kinderen op zich genomen. Tussen partijen is nimmer afgesproken dat de vrouw thuis zou blijven om voor de kinderen te zorgen, ook al vroeg de jongste zoon meer aandacht. De vrouw kon ook zelf inkomen genereren. Ook de man heeft een groot deel van de zorgtaken op zich genomen. Na de geboorte van de oudste zoon heeft de man gedurende twaalf maanden onbetaald ouderschapsverlof opgenomen. In de periode van september 2006 tot juni 2008 is de man “zonder werk geweest” (mvg, pt. 16). In die periode heeft de man “zorgtaken” op zich genomen (mvg, pt. 16).

- De vrouw beschikte over voldoende middelen om in haar eigen levensonderhoud en dat van de kinderen te voorzien en om vermogen op te bouwen. Tot 2003 heeft de vrouw namelijk gewerkt. Ook ontving de vrouw kinderbijslag en hypotheekrenteaftrek.

6.6.3.

De vrouw heeft daartegen, samengevat, het volgende ingebracht.

- Bij het aangaan van de relatie hadden partijen gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Tot de komst van het oudste kind (1999) heeft zij altijd fulltime gewerkt. Nadien is zij parttime gaan werken en bij de geboorte van de tweede zoon (juni 2003) is zij helemaal gestopt met werken. Anderhalf jaar later is de derde zoon van partijen geboren en nadat bleek dat hij veel energie en aandacht vroeg, is dit zo gebleven. Partijen deelden dus niet alleen een woning, maar ook een gezin. De vrouw is dus gestopt met werken om voor de kinderen te zorgen en de huishouding voor haar rekening te nemen. Daartegenover zou de man werken en de kosten van de woning dragen. Deze rolverdeling heeft zeven jaar voortgeduurd en de man heeft daar niet tegen geprotesteerd. Het ligt ook niet voor de hand dat partijen wel de financiële investeringen hebben willen verevenen, maar niet de zorgtaken. Partijen hebben nimmer enig bedrag verrekend. De man was er zich ook van bewust dat de vrouw de premie niet voor haar rekening kon nemen, omdat ten tijde van de aankoop van de woning (1 december 2003) de vrouw net bevallen was van de tweede zoon en zij bij aanvang van de verbouwing (februari 2004) zwanger was van de derde zoon.

- De vrouw had geen inzicht in of toegang tot de financiële administratie. De man regelde de financiële zaken tijdens de relatie. De man bepaalde wat er werd betaald. De vrouw kreeg de bankpas van de man als zij inkopen deed. Van eigen inkomsten van de vrouw was geen sprake.

- Partijen hebben de OpMaat-verzekering bewust op beider naam gezet. De verzekering vormt een eenvoudige gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW. Daarbij gold, zoals de rechtbank ook heeft beslist, dat partijen de stilzwijgende afspraak hebben gemaakt om de premie niet te verrekenen.

- De man heeft in de periode van 2003 tot en met 2007 nimmer voor de kinderen gezorgd. Alleen ruim voor aankoop van de woning heeft de man ouderschapsverlof opgenomen.

- De vrouw heeft tijdens de relatie geen vermogen opgebouwd.

6.6.4.

Het hof oordeelt als volgt.

In zijn arrest van 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9539 heeft de Hoge Raad voor gevallen van beëindiging van een affectieve relatie met samenwoning, waaruit kinderen zijn geboren, de betrokkenen geen samenlevingscontract hebben gesloten en zij een eenvoudige gemeenschap van woning hebben, als volgt geoordeeld:

“3.4. In gevallen als het onderhavige dient zowel de vraag of bepaalde afspraken zijn gemaakt, alsook de vraag welke inhoud die afspraken hebben, te worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Bovenstaande maatstaf geldt ook bij beantwoording van de vraag of afspraken (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd (vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876, NJ 2012/75).”

De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635) luidt als volgt:

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493).”

In de onderhavige zaak hebben partijen een affectieve relatie gehad van achttien jaar. Uit de relatie zijn drie kinderen geboren. Na de geboorte van het eerste kind is de vrouw minder gaan werken en na de geboorte van het tweede kind in juni 2003 is de vrouw gestopt met werken (in loondienst of als zelfstandige). In de loop der jaren is daarmee feitelijk een samenwerking tot stand gekomen, gebaseerd op specialisatie, waarbij de man inkomen genereerde en in staat werd gesteld een carrière op te bouwen waartegenover de vrouw het huishouden, een gezin van vijf personen, draaiende hield (waaronder begrepen de zorg voor de drie kleine kinderen).

De man stelt weliswaar dat hij (toen het jongste kind naar school ging) “bij de vrouw heeft aangegeven dat het logisch zou zijn om weer aan het werk te gaan” (mvg, pt. 23), maar dat is onvoldoende om tot het einde (of wijziging) van de bestaande samenwerking te concluderen. Aan de opmerking van de man dat hij na de geboorte van het oudste kind gedurende twaalf maanden onbetaald ouderschapsverlof heeft gehad, gaat het hof voorbij. Dat was namelijk al in 1999 terwijl pas vanaf toen de taakverdeling (met wederzijdse instemming) vorm begon te krijgen. De stelling van de man dat ook hij in de periode van september 2006 tot juni 2008 “zorgtaken” op zich heeft genomen (hetgeen de vrouw deels heeft weersproken), had de man moeten verduidelijken. Als de omvang van de door de man verrichte zorgtaken niet duidelijk is, kan namelijk ook niet worden vastgesteld dat de taakverdeling daardoor wezenlijk is gewijzigd en de vrouw niet langer het leeuwendeel van de huishouding en zorgtaken voor de kinderen voor haar rekening heeft genomen. Hierbij komt nog dat de man alleen maar zorgtaken heeft verricht, omdat hij “zonder werk is geweest”. Dat die werkeloosheid een bewuste keuze van de man (of van partijen) is geweest om zo meer zorgtaken voor zijn rekening te nemen, is gesteld noch gebleken. Een afwijking van de taakverdeling kan daarin dus niet worden gezien, veeleer een bevestiging daarvan.

Met het inkomen dat de man bij deze samenwerking aldus in staat was te genereren, is de OpMaat-verzekering betaald (zie bestreden vs, rov. 4.4). Tegen die vaststelling door de rechtbank heeft de man ook geen grief gericht en overigens is niet gebleken dat de man de OpMaat-verzekering uit andere bron dan zijn inkomen heeft voldaan (dit volgt ook niet uit prod. 8 van de man in hb). In de polis (inl. dv., prod. 2) staat bovendien dat beide partijen verzekerde (degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft) en begunstigde (degene die tot het ontvangen van een uitkering is aangewezen) zijn. De verzekering is daarmee ook in het belang van de vrouw afgesloten.

In die omstandigheden moet van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst worden uitgegaan die inhoudt dat tegenover de geldelijke meer-inbreng van de man (inkomen) de niet-geldelijke meer-inbreng van de vrouw (arbeid) staat, waarbij partijen elkaar ter zake niets meer verschuldigd zijn (in die zin ook AG Huydecoper in zijn conclusie voor HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3636, pt. 8), in het bijzonder ter zake van de door de man “te veel” betaalde premie voor de OpMaat-verzekering (die ook in het belang van de vrouw is afgesloten). Dit is wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten en dat is in wezen ook het standpunt van de man ten aanzien van de hypotheekrente. Ofschoon hij deze volledig voor zijn rekening heeft genomen (hoewel de hypotheek op beider naam stond en de man deze aanduidt als een “gemeenschappelijk goed”, mvg, pt. 11), heeft hij zich ter zake niet op verrekening beroepen. Hetgeen de man overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De slotsom is dat wat de OpMaat-verzekering betreft, de grieven van de man falen.

De investeringen door de man (stilzwijgende overeenkomst of natuurlijke verbintenis)

(Stilzwijgende) overeenkomst

6.6.5.

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat geen verrekening meer plaatsvindt van de investeringen door de man.

6.6.6.

De man is het met dit oordeel niet eens. Hij vindt dat de investeringen nog wel verrekend moeten worden. Hij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

- De vrouw beroept zich op het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst, zodat zij dit ook moet onderbouwen.

- Partijen, beiden hoogopgeleid, hebben, mede gelet op het verschil in vermogenspositie bij aanvang van de relatie, bewust gekozen voor een niet-gereguleerde vorm van samenleving, een gescheiden boekhouding en gescheiden vermogens. Zij hadden de duidelijke wens om de reeds opgebouwde privévermogens gescheiden te houden. De man is tien jaar ouder dan de vrouw en had zelfstandig vermogen opgebouwd uit onder meer onroerend goed en beleggingen. Ook gedurende de samenleving is er nooit voor gekozen een samenvloeiing van vermogens te bewerkstelligen. Partijen hebben ook nooit een gezamenlijke rekening geopend.

- Dat de keuze van partijen gedurende hun samenleving in dit opzicht niet is veranderd blijkt onder meer daaruit dat de overwaarde van de woning te [plaats 2] , circa € 145.000,--, niet tussen partijen is verdeeld, maar geheel aan de man ten goede is gekomen.

- De vrouw heeft haar inkomsten uit werk (en haar WW-uitkering) altijd voor zichzelf gehouden, waardoor de vrouw ook zelf vermogen heeft kunnen opbouwen.

- De vrouw heeft een schenking ter hoogte van € 10.000,-- van haar stiefvader ontvangen en een erfenis van enkele duizenden euro’s van haar grootmoeder. Verder heeft zij gedurende vele jaren kinderbijslag (in totaal € 9.516,37) en hypotheekrenteaftrek (in totaal € 11.920,--) ontvangen. Ook daarmee heeft de vrouw vermogen kunnen opbouwen.

6.6.7.

De vrouw stelt dat, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld, niet verrekend hoeft te worden. Zij beroept zich daarvoor op het volgende.

- Partijen hebben bij de aankoop van de woning, die volledig opgeknapt moest worden, met alle kosten van dien, bewust ervoor gekozen deze op hun beider naam te zetten, evenals de hypothecaire geldlening en de OpMaat-verzekering.

- Partijen hadden bij het aangaan van de relatie en voorafgaand aan de geboorte van de kinderen even goede kansen op de arbeidsmarkt. Beiden hadden een goede opleiding genoten en een goede baan. De vrouw is altijd bereid geweest om te werken, hetgeen ook daaruit blijkt dat zij tot de komst van de kinderen altijd heeft gewerkt.

- De inkomsten die de vrouw heeft genoten tijdens de relatie van partijen, waaronder de erfenis en de schenking, zijn anders dan de man stelt, altijd ten goede gekomen aan het gezin.

- De overwaarde van de woning in [plaats 2] kwam voor de helft aan de vrouw toe. Waar dit geld is gebleven, is de vrouw niet bekend.

- Van een strikt gescheiden “financiële huishouding” was geen sprake. Er is “helemaal geen administratie gevoerd waaruit zou blijken dat het de bedoeling van partijen was om de gemeenschappelijke kosten volgens een bepaalde verdeelsleutel tussen partijen te verdelen” (mva, pt. 15).

- Partijen hebben gedurende hun relatie en samenwoning de stilzwijgende afspraak gemaakt dat de vrouw minder zou gaan werken en uiteindelijk zou stoppen met werken zodat zij de zorgtaken voor de kinderen en de huishouding voor haar rekening kon nemen en de man op zijn beurt zou werken, de kosten van de woning zou dragen en de verbouwing zou regelen. Partijen hebben zich met name gedurende de periode van de verbouwing ook gedragen in overeenstemming met deze (stilzwijgende) afspraken.

- Gezien de feitelijke situatie – bij de aankoop van de woning op 1 december 2003 was de vrouw net bevallen van de tweede zoon en bij aanvang van de verbouwingswerkzaamheden in februari 2004 was zij zwanger van de derde zoon – was de man zich er ook van bewust dat hij alle kosten voor zijn rekening zou moeten nemen, terwijl de vrouw er van uit mocht gaan dat zij de zorg voor de kinderen had en daarnaast gezamenlijk met de man iets zou opbouwen, hetgeen ook daaruit blijkt dat de man aan het eind van de relatie de vrouw een vergoeding heeft willen betalen van € 30.000,-- voor de jaren dat zij niet heeft gewerkt en voor de kinderen heeft gezorgd.

6.6.8.

Het hof is van oordeel dat de vrouw (ook in eerste aanleg) niet, althans onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat sprake is van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst tussen partijen dan wel op grond van welke verklaringen en gedragingen bij haar de verwachting, dan wel het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de man bij het einde van de relatie de door hem gedane investeringen in de woning uit zijn privévermogen niet zou willen verrekenen, dan wel dat dat de helft van de ‘overwaarde’ van de woning, “zonder rekening te houden met de investeringen van de man”, aan haar zou toekomen.

De (stilzwijgende) overeenkomst van partijen dat tegenover de geldelijke meer-inbreng van de man (inkomen) de niet-geldelijke meer-inbreng van de vrouw (arbeid) staat, waarbij partijen elkaar ter zake niets meer verschuldigd zijn, kan naar het oordeel van het hof niet zo ver worden opgerekt dat deze ook zou zien op de investeringen van € 346.654,-- uit privévermogen. Dat partijen de bedoeling hebben gehad behalve inkomen ook nog vermogen te verrekenen of dat de vrouw dit redelijkerwijs mocht verwachten of daarop mocht vertrouwen, is niet gebleken. Uit de afgesproken taakverdeling volgt dit ook niet. De enkele aanschaf van de woning op naam van beide partijen maakt dit niet anders. De vrouw heeft overigens ook onvoldoende onderbouwd dat er van haar zijde sprake was van vermogensvermenging (de blote stelling dat de haar toekomende erfenis en de schenking ten goede zijn gekomen aan het gezin is daartoe onvoldoende; ook de stelling van de man dat de vrouw de kinderbijslag en hypotheekrenteaftrek heeft ontvangen en ook zij daardoor beschikte over vermogen, laat de vrouw onvoldoende weersproken). De verklaring van de vrouw ter zitting, ten slotte, dat zij nimmer bij de financiële kant van de verbouwing betrokken is geweest, waardoor zij geen enkel zicht had op de kosten ervan, biedt evenmin steun voor haar stelling dat partijen gedurende de samenleving (al dan niet stilzwijgende) afspraken hebben gemaakt omtrent de investeringen van de man uit privévermogen

Hetgeen de vrouw voor het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst aanvoert, kan die conclusie dus niet dragen, terwijl een overeenkomst van die strekking (waarbij de financiële baten van de woning uitsluitend aan de vrouw zouden toekomen) het hof bovendien onbegrijpelijk voorkomt. Het enkele feit dat de man haar bij het eind van de relatie € 30.000,-- wilde betalen maar onduidelijk is waarop deze voorgestelde betaling betrekking had, maakt dit niet anders.

In zoverre, wat de investeringen van de man uit privévermogen betreft, slagen de grieven van de man.

Natuurlijke verbintenis

6.6.9.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de man met zijn investeringen uit privévermogen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

6.6.10.

De man is tegen dit oordeel opgekomen. Hij betwist de stelling van de vrouw dat hij met zijn investeringen uit privévermogen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. In aanvulling op het hetgeen hij heeft gesteld als weergegeven in rov. 6.6.6 hiervóór, voert de man, samengevat, het volgende verweer.

- Er was geen financiële vermenging. Partijen voerden een gescheiden administratie.

- Een verzorgingsgedachte ontbrak, terwijl hier ook geen sprake was van een huwelijk. De man had geen testament. Een verblijvensbeding is niet overeengekomen. De man heeft ouderdomspensioen opgebouwd, maar geen nabestaandenpensioen. Bewust is géén samenlevingsovereenkomst gesloten.

- Reden voor het aannemen van een natuurlijke verbintenis kan zijn te bewerkstelligen dat de niet-investerende “echtgenoot” ook na het einde van het “huwelijk” in de woning kan blijven wonen (pleitnotitie, p. 5). Deze reden speelt in deze zaak niet.

- Het salaris van de man ging volledig op aan de huishouding, dus sparen kon hij niet. Daarentegen kon de vrouw de kinderbijslag en hypotheekrenteaftrek voor zichzelf houden. De investeringen door de man zijn verricht met vermogen dat de man had vergaard voorafgaand aan de relatie van partijen. Het vermogen is dus niet verkregen als gevolg van gezamenlijke inspanning.

6.6.11.

De vrouw voert (in aanvulling op het gestelde in rov. 6.6.7) voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis het volgende aan.

In het algemeen zal als objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van de natuurlijke verbintenis mogen worden beschouwd de omstandigheid dat de prestatie bestond uit het verbouwen (en de investering bij de aankoop) van de woning door de man, nu het voor de hand ligt dat deze prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw met de kinderen ook na het einde van de relatie van partijen een goede toekomst tegemoet kan gaan en deze waarborg niet tot zijn recht zou komen, wanneer de vrouw en daarmee ook de kinderen het gevaar lopen bij een overdracht van de woning met een enorme restschuld achter te blijven indien zij aan een vergoedingsplicht jegens de man zou moeten voldoen. Het verschaffen van deze waarborg door de man zal naar maatschappelijke opvattingen worden beschouwd als een prestatie die de vrouw toekomt op grond van een dringende morele verplichting. Temeer gelet op de welstand ten tijde van het samenzijn van partijen en de behoefte van de vrouw (en de kinderen).

6.6.12.

Het hof oordeelt als volgt. Art. 6:3 lid 2 aanhef en onder b BW luidt als volgt:

“Een natuurlijke verbintenis bestaat wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.”

Naar vaste rechtspraak (o.a. Hoge Raad 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:LJN AO9558) moet de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf; aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie verricht komt geen beslissende betekenis toe. Voorts is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie bepalend. Niet van belang is hoe partijen er later financieel blijken voor te staan (HR 17 oktober 1997, nr. 16411, NJ 1998, 692).

Het hof stelt voorop dat partijen niet gehuwd waren, maar samenleefden zonder samenlevingsovereenkomst. Titel 6 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de rechten en verplichtingen van echtgenoten zijn neergelegd, is niet van toepassing op samenlevers. Voor hen geldt in het bijzonder niet de wettelijke bepaling van art. 1:81 BW die inhoudt dat echtgenoten elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn en dat zij verplicht zijn elkander het nodige te verschaffen. De rechtspraak waarop de vrouw zich kennelijk heeft beroepen (in het bijzonder HR 15 september 1995, NJ 1996, 616 m.nt. W.M. Kleijn (Le Miralda); HR 17 oktober 1997, NJ 1998, 692 m.nt. W.M. Kleijn (Premiewoning) en HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 1 m.nt. W.M. Kleijn) betrof ook, anders dan hier, de situatie van gehuwden (en verschilde ook in andere opzichten van de zaak waarin het hof thans dient te beslissen). Ofschoon in beginsel in geval van beëindiging van een relatie – waarbij geen sprake is geweest van een huwelijk, samenlevingsovereenkomst of partnerregistratie – het aannemen van een natuurlijke verbintenis van de ene ex-partner tot het voor kortere of langere tijd onderhouden van de andere ex-partner, goed denkbaar is (aldus AG Rank-Berenschot in haar conclusie (sub 2.5) voor de beschikking van de Hoge Raad van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2925), is dat niet de prestatie waarop de vrouw zegt recht te hebben. De vrouw heeft zich erop beroepen dat zij, toen de investeringen door de man uit zijn privévermogen werden gedaan, daarop een dringende aanspraak had, met name omdat de prestatie ertoe zou strekken te waarborgen dat de vrouw met de kinderen ook na het einde van de relatie van partijen “een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan”. Hoewel (in geval van een huwelijk) het verstrekken door een echtgenoot van gelden voor de aankoop van een mede op naam van de andere echtgenoot te stellen woning een objectieve aanwijzing kan zijn voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis (omdat in de regel de prestatie ertoe strekt dat de andere echtgenoot na het huwelijk in de woning kan blijven wonen), aldus de drie zojuist genoemde arresten, beroept de vrouw zich niet op die strekking, terwijl het hof het bestaan van die strekking ook niet aannemelijk acht (hetgeen de man in wezen ook betoogt) nu op de woning een hypotheek rust van € 337.000,--, en overigens geen sprake is van een huwelijk. De vrouw beroept zich erop dat zij na het einde van de relatie een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan. Het is het hof onduidelijk wat de vrouw daarmee bedoelt (maar het lijkt haar daarbij vooral te gaan om het afwenden van het gevaar van een restschuld), maar ook verder, in het licht van de omstandigheden van dit geval, in het bijzonder dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, ook de vrouw vermogen heeft kunnen opbouwen en een verzorgingsgedachte ontbrak in de door de man betoogde zin (geen testament, geen nabestaandenpensioen, geen samenlevingsovereenkomst), is onvoldoende gebleken van het bestaan van een natuurlijke verbintenis. De investeringen van de man kunnen in dit geval niet naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan de vrouw toekomende prestatie worden aangemerkt.

Het hof oordeelt voorts als volgt. Zo de man wél aan een natuurlijke verbintenis zou hebben voldaan door uit privévermogen in de woning te investeren, brengt dit niet met zich dat de vrouw gerechtigd zou zijn tot (de helft van) de verkoopopbrengst van de woning, met voorbijgaan aan de door de man gedane investeringen in de woning. Voor zover de door de man gedane investeringen worden vergoed uit de gemeenschap, is van een restschuld voor de vrouw ook geen sprake. Mitsdien slagen de grieven van de man dan ook in zoverre. Hetgeen de vrouw in eerste aanleg heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

De investeringen door de man (vergoedingsrecht)

Verjaring

6.6.13.

Als meest verstrekkend verweer heeft de vrouw (ter gelegenheid van het pleidooi) aangevoerd dat de vordering van de man tot vergoeding van zijn investeringen in de woning is verjaard. De vrouw voert ter toelichting op dit verweer, met een verwijzing naar de conclusie van antwoord in reconventie, het volgende aan. De man heeft in het verleden nooit een vergoeding van zijn investeringen gevorderd, totdat de vrouw een procedure is gestart tot verdeling van de woning. De investeringen van de man hebben plaatsgevonden in de periode van 19 januari 2004 tot en met 7 juni 2007. In die periode is de verjaring dan ook aangevangen. De verjaringstermijn is geëindigd op uiterlijk 7 juni 2012. De man heeft echter pas bij brief van 20 maart 2013 (twee jaar na beëindiging van de relatie), een “compensatie” gevorderd. De man heeft nimmer een stuitingshandeling verricht.

6.6.14.

De man heeft de verjaring weersproken.

6.6.15.

Het hof oordeelt als volgt. Het pas bij pleidooi gevoerde verjaringsverweer, is een nieuw verweer dat in strijd met de twee-conclusie-regel, dus te laat, is aangevoerd. Voor zover de vrouw heeft betoogd dat zij reeds in de conclusie van antwoord in reconventie een beroep op verjaring heeft gedaan, is het hof van oordeel dat hetgeen zij dáár, onder de kop Roerende zaken heeft aangevoerd, te weten:

“Pas bij brief van 20 maart 2013, ruim twee jaar na de beëindiging van de relatie, vordert de man de goederen terug dan wel verzoekt hij een vergoeding voor de goederen. Dit is voorts pas op het moment dat de vrouw aan de man kenbaar maakt dat zij tot de afwikkelingen van de gemeenschappelijke woning wenst te komen. Het heeft er derhalve alle schijn van dat de man enige compensatie wenst voor het feit dat de vrouw een beroep doet op de overwaarde van de woning.” (pt. 15).

geen betrekking heeft op de vordering van de man tot vergoeding van zijn investeringen in de woning, maar op zijn vorderingen betreffende de roerende zaken. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die op de twee-conclusie-regel een uitzondering rechtvaardigen en (kunnen) meebrengen dat dit eerst bij pleidooi gevoerde verweer alsnog in de beoordeling wordt betrokken zonder dat dit in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Het hof gaat dan ook aan dit verweer van de vrouw voorbij.

Hoogte vergoedingsrecht en afwikkeling woning

6.6.16

Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW. Dit artikel bepaalt het hiernavolgende.

“1. Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.

2. De aandelen van de deelgenoten zijn gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit.

3. Op de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten is artikel 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.”

In zijn arrest van 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU8938, NJ 2007, 395, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:

“3.4.3 (…) Uit art. 3:166 lid 2 vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privé-vermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. Wel heeft bij verdeling van die gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privé-vermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Niet geheel uitgesloten is, dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt (HR 10 januari 1992, nr. 14631, NJ 1992, 651), maar het onderhavige geval biedt - naar tussen partijen ook niet in geschil is – hiervoor geen grond. Hetgeen na aftrek van het totaal van die vergoedingen van de waarde of, bij vervreemding, van de opbrengst van het goed resteert, komt iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap - en dus niet naar evenredigheid van hetgeen hij ten behoeve van de verkrijging heeft besteed uit zijn privé-vermogen - toe.”

Het hof is van oordeel dat voornoemde overweging zich ook leent voor toepassing op het onderhavige geval, nu de bepaling van art. 3:166 BW betrekking heeft op deelgenoten in het algemeen, ongeacht de aard van het deelgenootschap. Het hof verwijst voorts naar de conclusie van AG Rank-Berenschot van 20 december 2013 (m.n. voetnoot 12), ECLI:NL:PHR 2013:2374; conclusie van AG Wissink voor HR 8 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV9539, pt. 2.4.1.

Het hof is voorts van oordeel dat “het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed” als bedoeld in de zojuist geciteerde rechtsoverweging van de Hoge Raad de door de man gedane investeringen in de woning omvat, nu de aangekochte woning een “bouwval” betrof, waar partijen pas na ruim 3,5 jaar van verbouwen (waarbij volgens de niet betwiste verklaring van de man ter zitting alleen de voor- en zijgevel zijn blijven staan en diverse constructieve aanpassingen zijn gedaan), toen de woning naar de stelling van de vrouw ter zitting ‘bewoonbaar’ was, zijn ingetrokken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de man recht heeft op een (nominale) vergoeding door de eenvoudige gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de woning heeft geïnvesteerd, te weten € 346.654,--. Ter zake van de OpMaat-polis heeft de man geen vergoedingsrecht.

De waarde van de gemeenschap (de woning) is € 540.000,--. Het hof zal de man volgen in zijn berekening dat de waarde van de OpMaat-polis (€ 56.159,51) in de afwikkeling van de gemeenschap van woning moet worden betrokken. Dit sluit ook aan bij de aard van de polis die gekoppeld is aan de hypothecaire geldlening. Het totaal bedraagt dan (€ 540.000,-- + € 56.159,51 =) € 596.159,51. Hierop strekt in mindering het bedrag van de hypotheeklast van € 337.000,--, zodat resteert: € 259.159,51. Dit is het bedrag dat de gemeenschap kan vergoeden aan de man. Het verlies dat de man lijdt op zijn investering is daarmee (€ 346.654,-- minus € 259.159,51 =) € 87.497,49.

Waardeverlies investeringen

6.6.17.

Het standpunt van de man is dat de vrouw voor de helft dient bij te dragen in dit verlies.

De vrouw verweert zich met een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Zij is nimmer op de hoogte gesteld van de bedragen die voor de verbouwing zijn gebruikt, waardoor de omstandigheid dat de investering niet heeft gerendeerd niet voor haar risico mag komen.

6.6.18.

Het hof oordeelt als volgt. De rechter dient de wijze van verdeling te bepalen met inachtneming van de tussen de deelgenoten geldende rechtsverhouding, zulks mede in het licht van het bepaalde in art. 3:166 lid 3 BW (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, (Texelse woning)) rov. 3.5. De affectieve relatie van partijen (zonder samenlevingsovereenkomst) brengt niet mee, ook niet in het licht van de redelijkheid en billijkheid, dat de vrouw in het waardeverlies van de investeringen dient bij te dragen. Een rechtsgrondslag die de vrouw daartoe verplicht, is er niet.

Het hof benadrukt hierbij in het bijzonder dat het delen in de winst (waarover het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006, zojuist aangehaald) niet het tegenovergestelde is van het nemen van verlies (waaraan het argument ontleend zou kunnen worden dat de vrouw het verlies wél mede zou moeten dragen). Bij het nemen van verlies (het delen in de onderwaarde) komt het namelijk aan op de mogelijkheid en bereidheid (hier van de vrouw) risico te dragen. Het gaat niet aan dat de man het risico van zijn investeringen zonder meer, zoals hij wenst, kan afwentelen op de vrouw. Naar zijn eigen stelling hebben partijen bewust voor een ongereguleerde vorm van samenleving gekozen en hebben zij hun financiën altijd gescheiden gehouden. De man heeft dus ook afgezien van de in samenlevingsovereenkomsten wel gebruikelijke clausule dat bij een woning die op beider naam wordt gesteld degene die meer heeft bijgedragen dan de andere deelgenoot, een vorderingsrecht heeft op die andere deelgenoot ten bedrage van de helft van het verschil (zie L.C.A. Verstappen in zijn noot onder HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015: 1871, NJ 2015, 481 (sub 7); P. Blokland, W. Burgerhart & W.D. Kolkman, ‘Hanteerbaar familievermogensrecht in tijden van crisis’, WPNR 2013 (6966), p. 194 (sub 14)). Met die clausule had de man kunnen bewerkstelligen dat beide deelgenoten ieder voor de helft meedoen in de waardeschommeling (niet alleen winst, maar ook verlies) van het goed. Dat hij dit niet gedaan heeft, maar gekozen heeft voor, in zijn woorden, ongereguleerd samenwonen, komt dan voor zijn rekening en risico.

De slotsom van het voorgaande is dat het hof de vordering van de man tot betaling aan hem van het bedrag van € 62.548,75 (die ertoe strekt dat de vrouw de helft van de onderwaarde voor haar rekening neemt) zal afwijzen.

Verdeling OpMaat-verzekering

6.7.

De vordering van de man, te bepalen dat de waarde van de OpMaat-polis na verrekening van (een gelijk deel) van de restschuld volledig aan de man toekomt, begrijpt het hof als een vordering tot toedeling van de polis aan hem. Het hof zal die verzekering aan de man toedelen, omdat het een aan de woning gekoppelde verzekering is, zonder verplichting voor de man de vrouw nog een overbedelingsvergoeding te betalen (de man neemt immers het verlies van de investeringen in de woning voor zijn rekening). In zoverre zal deze vordering worden toegewezen. Verrekening van een gelijk deel van de restschuld – wat de man daarmee ook precies bedoelt – is daarbij dan verder niet aan de orde.

Roerende goederen (grief VII van de man)

6.8.1.

Grief VII van de man richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat de man onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de betreffende goederen (Fiat Punto, Piet Hein Eektafel, Apple I-Mac, Ambilight breedbeeld televisie) door hem aan de vrouw in bruikleen zijn gegeven. Ter toelichting op zijn grief voert de man aan dat bij het uit elkaar gaan van partijen het belang van de kinderen voor hem steeds leidend geweest, in welk kader hij een aantal zaken aan de vrouw in bruikleen heeft gegeven, zodat de vrouw tezamen met de kinderen een normale start kon maken.

6.8.2.

De man heeft zijn grief voor zover deze betrekking heeft op de Fiat Punto ingetrokken, zodat deze grief in zoverre geen bespreking meer behoeft.

6.8.3.

De vrouw heeft verweer gevoerd, onder meer stellende dat de betreffende goederen door de man aan haar cadeau zijn gedaan en zij deze zonder enige discussie heeft mogen meenemen.

6.8.4.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de vrouw thans het bezit van de betreffende goederen heeft. Ingevolge art. 3:119 BW wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn. Het is aan de man om dit vermoeden zodanig te weerleggen dat de vrouw haar eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen. Naar het oordeel van het hof heeft de man ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd gesteld dat de goederen door hem aan de vrouw in bruikleen zijn gegeven. Grief VII slaagt mitsdien niet. In zoverre dient de afwijzing van de reconventionele vordering van de man te worden bekrachtigd aangezien die terecht door de rechtbank is afgewezen.

6.8.5.

Het hof merkt nog op dat de man in hoger beroep vorderingen heeft ingesteld ter zake van borg, huur, tandartsrekeningen en renteaflossing studieschuld, maar nu hij ter zake van de afwijzing daarvan door de rechtbank daar geen grieven tegen heeft gericht, zal het hof de afwijzing van die vorderingen door de rechtbank bekrachtigen.

Post “startgeld” cash ad € 5.250,-- (grief 2 in incidenteel appel van de vrouw)

6.9.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bedrag ‘startgeld’ cash ad € 5.250,-- niet zou zijn betwist. De vrouw betwist deze vordering, daartoe stellende dat zij het bedrag nooit heeft ontvangen.

De man heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel gesteld bereid te zijn bewijs bij te brengen door het overleggen van schriftelijke verklaringen, maar heeft nagelaten dat daadwerkelijk te doen.

Het hof ziet geen aanleiding om de man in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid te stellen bedoelde verklaringen in het geding te brengen. De man had dat uit eigen beweging dienen te doen. Voor het leveren van schriftelijk bewijs is immers geen opdracht van de rechter vereist (zie onder meer HR 19 maart 1999, LJN ZC2874, NJ 1999/496 en HR 9 maart 2012, LJN BU9204, NJ 2012/174).

Nu de man tegenover de betwisting van de vrouw de vordering “startgeld” cash niet heeft onderbouwd, zal het hof deze vordering alsnog afwijzen. De tweede grief van de vrouw slaagt en leidt in zoverre tot vernietiging van de reconventionele toewijzing van voormeld bedrag door de rechtbank.

Proceskosten

6.10.

De vrouw heeft een veroordeling in de proceskosten gevorderd. Het hof wijst die vordering af. Evenals de rechtbank zal het hof met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige levensgezellen) de proceskosten compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Slotsom

6.11.

Voor de duidelijkheid wordt het vonnis waarvan beroep vernietigd en zal opnieuw recht worden gedaan. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

deelt de woning aan de [adres] te [plaats 1] en de OpMaat-polis toe aan de man;

wijst het meer of anders gevorderde af.

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, O.G.H. Milar en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 maart 2018.

griffier rolraadsheer