Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:879

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.210.698_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:10489, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg vaststellingsovereenkomst inzake partneralimentatie waarin opgenomen een verbod om Haviltex toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.210.698/01

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

appellant,

verder: de man,

advocaat: mr. P. Winkens te Hoensbroek,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verder: de vrouw

advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 februari 2017 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 30 november 2016 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5195237 \ CV EXPL 16-6619)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 16 februari 2017 met grieven en producties;

- de memorie van antwoord van de vrouw van 18 april 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de twee grieven van de man verwijst het hof naar de dagvaarding in hoger beroep. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4 De beoordeling

4.1

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

  1. Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. In hun huwelijk is bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 24 december 2008 de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 22 januari 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

  2. In het hoger beroep van deze beschikking hebben partijen op 30 september 2009 met betrekking tot de partneralimentatie een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de beschikking van dit hof van 10 november 2009 is deze vaststellingsovereenkomst opgenomen, met vernietiging van de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel en bekrachtiging ervan voor het overige.

  3. De vaststellingsovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 1. - Partneralimentatie

1.1.

Partijen komen overeen dat de man aan de vrouw een bedrag ad € 1.000,= netto per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal betalen, zulks bij vooruitbetaling te voldoen. Dit bedrag zal (…) jaarlijks worden geïndexeerd.

1.2.

De man zal voornoemd bedrag gaan betalen met ingang van de datum van verkoop en levering van de woning.

1.3.

Met ingang van 1 oktober 2009 zal de man boven op de bij beschikking van de rechtbank te Maastricht vastgestelde partneralimentatie ad € 160,= netto per maand (...) een bedrag ad € 375,= netto per maand voldoen (…).

1.4.

Partijen komen verder overeen dat de man de door de vrouw verschuldigde Inkomstenbelasting over de ontvangen partneralimentatie nadat zij aangifte hiervan heeft gedaan, zal betalen voor de vrouw. (…)

Artikel 5 – Toepasselijk recht en competente rechter

5.2.

Alle geschillen (…) worden in eerste aanleg uitsluitend beslecht door de rechtbank te Maastricht (…), waarbij de letterlijke tekst van deze overeenkomst, in afwijking van het Haviltex-criterium, prevaleert boven eventuele partijbedoelingen zodat de competente rechter de bepalingen zoals opgenomen in de onderhavige overeenkomst uitsluitend grammaticaal dient uit te leggen en toe te passen.

[appellant] heeft in de daarop volgende jaren op basis van de hem door [geïntimeerde] verstrekte belastingaanslagen naast het bedrag van € 1.000,= per maand de daarover verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen aan haar betaald.

De advocaat van de man heeft bij brief van 10 maart 2016 aan de vrouw laten weten dat de man in de jaren 2011, 2012 en 2013 ten onrechte zowel de inkomstenbelasting als de premie volksverzekeringen aan haar heeft vergoed, terwijl dat alleen voor de inkomstenbelasting had moeten gebeuren. Daardoor heeft de man in totaal € 10.316,= te veel betaald, zodat de vrouw hem dat bedrag dient terug te betalen.

De vrouw heeft dit bedrag niet terugbetaald.

4.2

Bij dagvaarding van 8 juni 2016 heeft de man de onderhavige procedure tegen de vrouw aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt hij dat hij haar het bedrag van in totaal € 10.316,= onverschuldigd heeft betaald, aangezien de vaststellingsovereenkomst alleen de verplichting tot betaling van de inkomstenbelasting inhoudt. Op grond daarvan vordert hij veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2016, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten met nakosten.

4.3

De vrouw heeft de vordering bestreden. Zij voert daartoe aan dat de man op grond van artikel 1.1. van de vaststellingsovereenkomst gehouden is het bedrag van € 1.000,= per maand netto te verstrekken, zodat hij zowel de inkomstenbelasting als de premie volksverzekeringen daarover dient te betalen.

4.4

De kantonrechter heeft een comparitie van partijen bepaald, die op 18 oktober 2016 heeft plaatsgevonden.

Bij vonnis van 30 november 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de door partijen overeengekomen grammaticale uitleg van de vaststellingsovereenkomst meebrengt dat de man zowel de inkomstenbelasting als de premie volksverzekeringen dient te betalen. De aanduiding netto in artikel 1.1. houdt naar het oordeel van de kantonrechter in ‘zonder inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen’. De kantonrechter heeft de vordering van de man afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

4.5

De man woont in Duitsland, zodat het geschil internationale aspecten heeft. De kantonrechter is terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en van toepasselijkheid van Nederlands recht.

4.6

Evenals in eerste aanleg gaat het in hoger beroep om de uitleg van artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat uitsluitend een grammaticale uitleg van de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst kan worden toegepast. Dit uitgangspunt is niet alleen verwoord in artikel 5.2. van de overeenkomst, hiervoor in 4.1 onder c) aangehaald, maar ook in de considerans ervan. Het hof zal dienovereenkomstig uitgaan van de letterlijke tekst van de overeenkomst.

4.7

De verplichting tot betaling van partneralimentatie waar het in deze procedure om gaat, is de verplichting van artikel 1.1. tot betaling van € 1.000,= netto per maand. In de vaststellingsovereenkomst zelf wordt niet nader aangeduid wat in dit verband met de term netto wordt bedoeld. Dat brengt mee dat uitgegaan dient te worden van de letterlijke betekenis van dat woord in verband met het verschaffen van financiële middelen zoals bij partneralimentatie het geval is. In het normale spraakgebruik wordt daarbij het verschil tussen bruto en netto gevormd door inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Het nettobedrag is het bedrag dat de ontvanger in handen krijgt, na aftrek van de ingehouden of verschuldigde inkomstenbelasting en premies. In dit geval brengt de letterlijke tekst van artikel 1.1. van de vaststellingsovereenkomst mee dat de vrouw een bedrag van € 1.000,= per maand dient te ontvangen zonder dat daarop nog inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen in mindering komen. Het woord netto komt ook voor in artikel 1.3. van de overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat dit woord daar een andere betekenis heeft dan het hof hiervoor heeft vastgesteld voor artikel 1.1. van de overeenkomst.

4.8

In de praktijk week de werkwijze van partijen in zoverre af van de werkwijze die was voorzien in artikel 1.4. van de overeenkomst dat de man het bijkomende bedrag niet aan de belastingdienst betaalde maar aan de vrouw, die zelf de betaling van de gehele aanslag aan de belastingdienst verzorgde. De man heeft aangevoerd dat in deze bepaling alleen de inkomstenbelasting is vermeld. Hij leidt daaruit af dat de premies volksverzekeringen niet voor zijn rekening komen. Dit argument gaat niet op, aangezien de letterlijke tekst van artikel 1.4. geen verwijzing inhoudt naar het begrip netto in artikel 1.1. en geen nadere omschrijving daarvan bevat. Vermeld is alleen hoe ten aanzien van de inkomstenbelasting moet worden gehandeld; dat wil niet zeggen dat ten aanzien van de premies volksverzekeringen niets gedaan behoeft te worden. Evenmin kan worden gezegd dat onder het begrip ‘inkomstenbelasting’ in artikel 1.4. tevens de premies volksverzekeringen vallen. Dat staat immers ook niet letterlijk in die bepaling of elders in de overeenkomst. Wat daar ook van zij, de tekst van artikel 1.4. brengt niet mee dat het begrip netto in artikel 1.1. anders uitgelegd moet worden dan hiervoor in 4.7 is geoordeeld. Het ligt overigens voor de hand om ten aanzien van de premies volksverzekeringen dezelfde werkwijze te volgen als ten aanzien van de inkomstenbelasting, nu deze bij dezelfde aanslag worden opgelegd. De grammaticale uitleg van de overeenkomst leidt er alles bij elkaar toe dat de man gehouden is de partneralimentatie als nettobedrag aan de vrouw te doen toekomen, zodat de daarover verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor zijn rekening komen.

4.9

In dit verband heeft de vrouw nog aangevoerd dat uit de omstandigheid dat de man die bedragen ook daadwerkelijk voor zijn rekening heeft genomen, volgt dat de door haar voorgestane uitleg de juiste is. De man heeft in verband hiermee aangevoerd dat hij alleen de hem door een accountant/belastingadviseur aangereikte bedragen heeft voldaan. Dat laat onverlet dat hij de bedragen heeft betaald en dat het voor de hand gelegen zou hebben dat hij zich vanaf het begin had beperkt tot alleen de inkomstenbelasting, wanneer dit in zijn visie uit de formulering van de vaststellingsovereenkomst zou voortvloeien. Een en ander doet intussen niet af aan hetgeen hiervoor over de uitleg van de overeenkomst is overwogen.

4.10

Het hof trekt uit dit alles de conclusie dat beide grieven van de man verworpen dienen te worden. De man heeft in algemene termen bewijs aangeboden, maar daarbij niet te kennen gegeven op welke concrete feiten en omstandigheden dit bewijsaanbod betrekking heeft, zodat het hof hieraan voorbijgaat.

4.11

Het vonnis van 30 november 2016 zal worden bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep zal het hof tussen partijen compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 30 november 2016, waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 maart 2018.

griffier rolraadsheer