Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:878

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
17/00024
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7483, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 2012 op grond van een beëindigingsovereenkomst met haar werkgever een vergoeding ontvangen. Het Hof is evenals de rechtbank van oordeel dat dit voordeel in het kader van ontslag geacht dient te worden zijn genoten als loon uit dienstbetrekking. Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt, dat de vergoeding niet is aan te merken als een voordeel behorende tot vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/683
V-N 2018/28.15.28
Viditax (FutD), 23-03-2018
FutD 2018-0827
FutD 2018-0828
NTFR 2018/1094 met annotatie van mr. drs. A.C.M. Kuypers
NLF 2018/0774 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00024

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende in [woonplaats] (Canada) en domicilie kiezende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 november 2016, nummer BRE 15/7306 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden aanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie

volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.751. Tevens is bij beschikking € 264 belastingrente in rekening gebracht. De aanslag - en naar het Hof begrijpt - de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 9 februari 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, [A] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] en [C] .

1.6.

Het Hof heeft aan het slot van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn voor zover van belang in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is van 18 februari 2001 tot 1 januari 2013 werkzaam geweest als pedagogisch medewerker bij de Stichting [D] (hierna: de stichting) te [E] . Op 2 juni 2010 heeft een van de cliënten van de stichting haar zodanig mishandeld dat zij lichamelijk letsel aan haar rechter onderarm heeft opgelopen. Belanghebbende heeft zich na dit incident ziek gemeld op haar werk. Zij is op 13 juli 2011 geopereerd en op 8 december 2011 heeft een laatste controle plaatsgevonden, waarna de behandelend chirurg heeft verklaard dat het röntgenonderzoek een fraai geconsolideerde arthrodese laat zien, dat het een en ander gevoelig is bij kracht zetten, er geen tekenen zijn van CRPS, dat patiënte in principe alles mag doen en er geen verdere controles meer zijn afgesproken.

2.2.

Op 22 oktober 2012 is een beëindigingsovereenkomst gesloten tussen de werkgever en belanghebbende (hierna: de beëindigingsovereenkomst). Met betrekking tot de reden van ontslag en de uitkering van een vergoeding staat in de beëindigingsovereenkomst het volgende vermeld:

Pagina 1:

“2. Werkgever heeft te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen in verband met het feit dat tussen partijen zakelijke verschillen van inzicht zijn gerezen die tevens de persoonlijke verhoudingen hebben belast waardoor een vruchtbare samenwerking in de toekomst niet meer mogelijk wordt geacht.

3. Werkgever maakt Werkneemster geen verwijt van de ontstane situatie. Werkgever heeft het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst genomen. Er is uitdrukkelijk geen sprake van een dringende reden.”

Pagina 2 en 3:

“2.1. Terzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal Werkgever aan Werkneemster, onverplicht en zonder daarmee enige aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid te aanvaarden, een vergoeding voldoen ter hoogte van EUR 40.528,28 bruto, strekkende tot aanvulling op een door Werkneemster eventueel te ontvangen bruto sociale uitkering dan wel een door Werkneemster eventueel elders te verdienen lager bruto salaris.

(…)

2.5.

Indien Werkneemster ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst uitzicht heeft op een dienstverband bij een andere werkgever dan wel werk elders en zij hiervan geen melding heeft gemaakt aan Werkgever, heeft zij geen recht op betaling door werkgever van de overeengekomen vergoeding. Indien de Werkgever de vergoeding al heeft betaald aan Werkneemster of een door haar aangewezen derde, dient Werkneemster de vergoeding terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van ontvangst door de Werkneemster of de door haar aangewezen derde.”

Pagina 3 en 4:

“3.1 Werkgever zal eventueel nog verschuldigde vakantietoeslag, berekend tot het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met Werkneemster afrekenen. Werkneemster zal geen aanspraken meer kunnen doen gelden op afrekening van niet-genoten verlofuren, overuren etc. of bonusuitkeringen of enigerlei andere (variabele) beloningsvorm. Voor zoveel nodig en aan de orde doet Werkneemster uitdrukkelijk afstand van haar eventuele aanspraken terzake.

(…)

4.1

Werkgever zal de kosten van rechtsbijstand van Werkneemster voor haar rekening nemen tot een bedrag van EUR 4.500,- inclusief BTW en kantoorkosten, na ontvangst van een daartoe op naam van Werkgever gestelde declaratie van de gemachtigde van Werkneemster.”

2.3.

Bij uitspraak van 26 oktober 2012 heeft de kantonrechter van Rechtbank Arnhem geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2013 zal worden ontbonden en dat de werkgever een bruto vergoeding moet betalen van € 40.528,28.

2.4.

De gemachtigde heeft een verklaring van belanghebbende aan de stukken toegevoegd. Zij heeft daarin onder meer verklaard:

“(…) Daar het de verzekering van mijn werk wel duidelijk werd na alle verhoren dat mijn werk fout zat, hebben ze mij toen de onbelaste afkoop betaald (letselschade) en mij gezegd dat ik weer aan het werk mocht. (…)

De werksfeer was zodanig aangetast dat het mij mentaal kapot maakte, wat resulteerde in een ziekmelding en therapie. Uiteindelijk werd er mediation ingeschakeld en kwam hieruit dat de werk relatie te veel beschadigd was (…) dat er een gerechtelijke uitspraak kwam voor het beiindigen [Hof: beëindigen] van mijn werkcontract met de betaling van de uitbetaling waar deze aangifte over gaat. (…)”

2.5.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2012 tweemaal aangifte IB/PVV gedaan, waardoor zij ook tweemaal een voorlopige aanslag heeft ontvangen. In de eerste aangifte heeft belanghebbende geen negatief inkomen in aanmerking genomen. In de tweede aangifte heeft zij een negatief inkomen van € 46.005 vermeld. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 13 november 2014 om informatie hierover verzocht. De gemachtigde heeft per e‑mail van 7 januari 2015 de volgende informatie verstrekt:

- verklaringen van belanghebbende over het incident van 2 juni 2010;

- de beëindigingsovereenkomst;

- de uitspraak van de kantonrechter van Rechtbank Arnhem van 26 oktober 2012;

- een brief van de behandelend plastisch chirurg;

- een verklaring van belanghebbende over de gang van zaken op haar werk na 2 juni 2010.

De gemachtigde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de van de werkgever ontvangen vergoeding onbelast is vanwege de gemoedstoestand van belanghebbende en het verlies van de handfunctie.

2.6.

Op 11 maart 2015 is de aanslag opgelegd, waarbij het bedrag van € 46.005 alsnog als belast loon in aanmerking is genomen. Belanghebbende heeft hiertegen op 20 april 2015 bezwaar ingediend. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak van 13 oktober 2015 afgewezen.

2.7.

In de beroepsprocedure heeft de gemachtigde een salarisstrook van belanghebbende ingediend. Op de salarisstrook staat een bedrag van € 40.528,28 vermeldt, dat is omschreven als ‘Uitkering SV vrij’. Tevens staat op de salarisstrook vermeld dat over een bedrag van € 46.004,10 een loonheffing van € 19.321,72 (bijzonder tarief 42%) is ingehouden.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2012 te hoog heeft vastgesteld. In het bijzonder houdt partijen verdeeld of het door de voormalige werkgever aan belanghebbende uitgekeerde bedrag van € 46.005 belast is of niet.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat dit bedrag onbelast is. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2012 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.746 en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente. De Inspecteur concludeert tot ongegrondheid van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

De Rechtbank heeft op 25 november 2016 uitspraak gedaan in het door belanghebbende ingestelde beroep. Deze uitspraak is op 28 november 2016 verzonden naar het door haar gekozen domicilie-adres. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een (hoger) beroepschrift zes weken aanvangende met de dag na die, waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Deze termijn eindigde derhalve op 9 januari 2017. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikelen 6:7 en 6:9 van de Awb).

4.2.

Uit de door belanghebbende overgelegde stukken blijkt dat zonder succes is geprobeerd het hoger beroepschrift op 9 januari 2017 op digitale wijze in te dienen. Belanghebbendes gemachtigde heeft in dat kader een tweetal prints overgelegd van het digitale hoger beroepschrift die, blijkens een stempel van ontvangst, op 10 januari 2017 en derhalve één dag na het einde van de (hoger) beroepstermijn bij het Hof zijn binnengekomen. Uit de prints blijkt dat deze door belanghebbende op 9 januari 2017 om 10.37 uur zijn afgedrukt. Met de pen is op bladzijde 1 van 2 vermeld: “3 x geprobeerd.!” Op bladzijde 2 van 2 is met plakband bevestigd een ander geprint document met de foutmelding: “Er is een technische fout opgetreden. Het formulier is niet verzonden. Excuses voor het ongemak.” Ook hier is met de pen opgeschreven: “3x geprobeerd”.

4.3.

Het Hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het hoger beroepschrift op grond van het bepaalde in artikel 6:9, lid 2, van de Awb tijdig is ingediend. Doordat de “foutmelding” met plakband op bladzijde 2 van 2 van de hiervoor bedoelde print is bevestigd en het Hof het niet aannemelijk acht dat de griffie van het Hof de “foutmelding” op een dergelijke wijze zou hebben bevestigd, staat vast dat het hoger beroepschrift het Hof niet op digitale wijze op 10 januari 2017 heeft bereikt. Aangezien belanghebbendes gemachtigde ter zitting – mede in het licht van de met de pen aangebrachte aantekeningen - geloofwaardig heeft verklaard dat hij de prints per post heeft verzonden kan het niet anders zijn dan dat dit hoger beroepschrift voor het einde van de hoger beroepstermijn (9 januari 2017) ter post is bezorgd. Het Hof gaat er namelijk van uit dat een (hoger) beroepschrift tijdig ter post is bezorgd, indien het op de eerste of tweede werkdag na het einde van de hoger beroepstermijn, zoals in het onderhavige geval, is ontvangen, tenzij het tegendeel komt vast te staan (vgl. HR 16 december 2011, nr. 11/00937, ECLI:NL:HR:2011:BU8262). Aangezien van dit tegendeel niets is gebleken is het Hof van oordeel dat belanghebbende tijdig hoger beroep heeft ingesteld.

Inhoudelijk

4.4.

Belanghebbende heeft in 2012 van haar inmiddels voormalige werkgever (de stichting) een bedrag van € 40.528 ontvangen. Deze vergoeding is, aldus de Inspecteur, op grond van de beëindigingsovereenkomst verstrekt in het kader van belanghebbendes ontslag en derhalve belast.

4.5.

Belanghebbende is van mening dat voormelde vergoeding onbelast kan worden genoten, omdat deze niet zijn grond vindt in de dienstbetrekking met de stichting.

4.6.

Op grond van artikel 3:81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) in verbinding met artikel 10, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) is het te belasten loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

4.7.

Op belanghebbende die stelt dat de vergoeding geen dan wel onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking – en derhalve artikel 3.81 van de Wet IB toepassing mist – rust, nu de Inspecteur dit heeft weersproken, de bewijslast om eventuele feiten en omstandigheden aan te dragen die een dergelijk oordeel kunnen rechtvaardigen.

4.8.

Belanghebbende heeft in dat verband gesteld dat zij gedurende verschillende perioden na het ongeval mentaal onder druk werd gezet en getreiterd en dat zij in wisselende gradaties arbeidsongeschikt is verklaard, resulterende in ziekmelding, therapie en mediation. Ook heeft zij gesteld nog steeds veel last van de arm te hebben en dat zij daardoor niet kan werken. Belanghebbende concludeert hier uit dat zij nog steeds verlies aan arbeidskracht heeft en niet in staat is door middel van eigen arbeid een inkomen te verwerven. Dat loonheffing en premies volksverzekeringen door de voormalige werkgever op de vergoeding zijn ingehouden en dat de beëindigingsovereenkomst vermeldt, dat het een bruto-uitkering betreft doet, aldus belanghebbende, niet af aan haar stelling dat de vergoeding niet zijn grond vindt in de dienstbetrekking met de stichting.

4.9.

Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen wordt volgens vaste jurisprudentie een vergoeding die door een werkgever aan zijn werknemer is verstrekt in het kader van ontslag geacht te zijn genoten als loon uit dienstbetrekking, tenzij deze geen dan wel onvoldoende verband houdt met de dienstbetrekking. Dat laatste doet zich voor als een werkgever op grond van diens aansprakelijkheid voor een aan zijn werknemer overkomen ongeval aan deze werknemer vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht – behoudens bijzondere omstandigheden – betaalt. Een dergelijke vergoeding vindt niet zo zijn grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt (HR 29 juni 1983, nr. 21.435, BNB 1984/2).

4.10.

Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld (zie onderdeel 4.5) heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat van een geval zoals bedoeld in het in onderdeel 4.9 vermelde arrest sprake is geweest. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat uit de beëindigingsovereenkomst volgt, dat de vergoeding is uitgekeerd ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en is bedoeld als aanvulling op een door belanghebbende eventueel te ontvangen bruto sociale uitkering dan wel een door belanghebbende eventueel elders te verdienen lager bruto salaris.

4.11.

Evenals de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt, dat de vergoeding niet is aan te merken als een voordeel behorende tot vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren en die derhalve op grond van de wettekst tot en met 2010 (artikel 11, lid 1, onderdeel a, van de Wet LB (oud)) - voor zover al van toepassing - niet tot het loon behoort. Ook het Hof is namelijk van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door de stichting betaalde vergoeding verband houdt met immateriële schade als gevolg van het in onderdeel 2.1 vermelde incident.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 1 maart 2018 door A.J. Kromhout, voorzitter, T.A. Gladpootjes en D.A. Hofland, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.