Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:864

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
200.213.744_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2491
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu voldoende aannemelijk is dat de schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 1 maart 2018

Zaaknummer : 200.213.744/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/316036 / FT RK 16-1429

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. C.J. Driessen te Vianen, gemeente Cuijk.

Als vervolg op het door dit hof op 1 juni 2017 gewezen (tussen)arrest in de zaken van [appellante] en [appellant] .

5 Het (tussen)arrest van 1 juni 2017

Bij dit arrest heeft het hof, zoals verwoord in r.o. 3.8.3 (en niet, zoals foutief vermeld in het dictum van dat arrest, in r.o. 3.7.3.) termen aanwezig geacht om het verzoek van [appellante] aan te houden voor een periode van een half jaar teneinde haar in de gelegenheid te stellen haar behandeling ten behoeve van haar psychosociale problematiek verder te doorlopen. Het hof heeft verder de advocaat van [appellante] in de gelegenheid gesteld om na ommekomst van deze periode een rapportage in het geding te brengen van de behandelaar(s) van [appellante] waarin valt te lezen of [appellante] een zodanige persoonlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt dat zij in staat moet worden geacht aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen (vgl. ook artikel 5.4.3. Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken). Aan de hand van deze rapportage zou dit hof dan vervolgens bezien of de zaak op de stukken kon worden afgedaan dan wel of een hernieuwde mondelinge behandeling moest worden vastgesteld.

6 De verdere loop van de procedure

Het hof heeft kennisgenomen van de verklaringen van de behandelaar van [appellante] , GZ-psycholoog en cognitief gedragstherapeut [Gz-psycholoog] te [kantoorplaats] , d.d. 16 november 2017 en 23 januari 2018. De verklaring van 16 november 2017 vormde voor het hof aanleiding voor het stellen van een aantal (aanvullende) vragen. Daarop volgde de hiervoor al genoemde verklaring van 23 januari 2018.

7 De beoordeling

7.1.

Op grond van de inhoud van voornoemde verklaringen van de behandelaar van [appellante] is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de psychosociale problematiek van [appellante] thans dermate beheersbaar kan worden geacht dat deze problematiek niet langer aan een toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat. [appellante] blijkt, zo valt met name uit de (meest recente) verklaring van [Gz-psycholoog] onder meer op te maken, inmiddels goed hersteld van haar depressies, de angstproblematiek is gereduceerd tot (meestal) hanteerbare proporties en zij heeft de regie over haar leven terug. Bovendien wordt [appellante] weer in staat geacht tot volledige inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Het hof acht het thans dan ook voldoende aannemelijk dat [appellante] – voor wie de behandeling door [Gz-psycholoog] op 23 januari 2018 werd afgesloten gelet op de daarmee behaalde positieve resultaten - de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

7.2.

Ten aanzien van de schuld aan het CJIB oordeelt het hof als volgt. Uit punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan, tenzij de betrokken schuldenaar voldoende aannemelijk maakt dat het tegendeel het geval is en de CJIB-schuld dus wél te goeder trouw is ontstaan. Uit r.o. 3.6.2. van het (tussen)arrest van dit hof van 1 juni 2017 volgt reeds dat de aanzienlijke schuld aan het CJIB die in 2015 is ontstaan en zijn oorzaak vindt in onder meer het niet tijdig keuren van een voertuig uitsluitend, althans overwegend, door de echtgenoot van [appellante] , dat is [appellant] , is veroorzaakt. Nu [appellante] evenwel in (algehele) gemeenschap van goederen met [appellant] voornoemd is gehuwd is ook zij (mede) aansprakelijk voor (het ontstaan van) deze schuld. [appellante] en [appellant] hebben, met name in verband met voornoemde schuld aan het CJIB, evenwel een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw gedaan. In verband met dit door zowel [appellant] als [appellante] gedane beroep op de hardheidsclausule heeft dit hof al eerder, namelijk in r.o. 3.7 van voornoemd (tussen)arrest, overwogen dat dit beroep slaagt. Hieruit volgt reeds dat de schuld aan het CJIB ook voor [appellante] niet langer aan een toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat.

7.3.

Tot slot, en wellicht ten overvloede, merkt het hof nog op dat dit arrest is gewezen in een andere samenstelling dan het (tussen)arrest van 1 juni 2017. Mede gelet op het eindoordeel van het hof, waarbij in navolging van [appellant] ook [appellante] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten, houdt het hof het ervoor dat [appellante] een (specifiek in de nieuwe samenstelling van het hof te houden) voortzetting van de op 17 mei 2017 gehouden mondelinge behandeling in hoger beroep niet nodig acht alvorens dit arrest gewezen kon worden (zie i.h.a. ook r.o. 3.8).

7.4.

In vervolg op de vernietiging van het vonnis waarvan beroep ten aanzien van [appellant] , zal het hof thans ook ten aanzien van [appellante] genoemd vonnis vernietigen en , opnieuw rechtdoende, (ook) ten aanzien van [appellante] haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog toewijzen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van [appellante] en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellante] , wonende te

[postcode] [woonplaats] , aan de

[adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.