Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:857

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
200.215.785_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 maart 2018

Zaaknummer: 200.215.785/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/309596 / FA RK 15-8381

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.A.H. Veldhof,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.G.M. Baas.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ;

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 6 februari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 mei 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het de contactregeling betreft, en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de hierna nader te noemen [minderjarige] bij de man zal verblijven:

  • -

    één weekend per veertien dagen van vrijdag 16.30 uur tot zondag 16.30 uur;

  • -

    eenmaal in de twee maanden een weekend extra;

waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;

 één woensdag per veertien dagen van 14.00 uur tot 18.30 uur;

waarbij de vader [minderjarige] ophaalt van school en de moeder [minderjarige] ophaalt bij de vader en waarbij de vader ervoor zal zorgdragen dat eventuele activiteiten van [minderjarige] zoals kinderfeestjes gewoon doorgang kunnen vinden.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 12 juni 2017, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dit verzoek af te wijzen als onbewezen dan wel ongegrond.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Veldhof;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Baas.

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 december 2016;

  • -

    de brief van de raad d.d. 18 mei 2017;

  • -

    het V-formulier met brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 januari 2018;

  • -

    het V-formulier met brief met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 5 januari 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:

- [minderjarige] op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).

De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:

  • -

    het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder bepaald;

  • -

    bepaald dat partijen de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zullen uitvoeren, conform hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 4.4. van de bestreden beschikking is overwogen.

In rechtsoverweging 4.4. van de bestreden beschikking wordt het volgende overwogen.

Ter zitting zijn partijen een uitbreiding van de lopende zorgregeling overeengekomen, in die zin dat [minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdag 16.30 uur tot zondag 16.30 uur bij de vader zal verblijven en daarnaast eenmaal in de twee maanden een weekend extra. De moeder brengt [minderjarige] naar de vader en de vader brengt [minderjarige] terug naar de moeder.

Voorts zal [minderjarige] iedere woensdag bij de vader verblijven van 14.00 uur tot 18.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de school en de moeder [minderjarige] ophaalt bij de vader en waarbij geldt dat de vader ervoor zorgdraagt dat eventuele activiteiten van [minderjarige] zoals kinderfeestjes, gewoon doorgang kunnen vinden.

3.3.

De moeder heeft verzocht een herstelbeschikking te geven, nu ten onrechte in rechtsoverweging 4.4. van de bestreden beschikking vermeld zou staan dat zou zijn afgesproken dat [minderjarige] iedere woensdag bij de vader zal verblijven van 14.00 uur tot 18.30 uur, terwijl ter zitting is overeengekomen dat [minderjarige] één woensdag per veertien dagen van 14.00 uur tot 18.30 uur bij de vader zal verblijven.

Bij beschikking van 16 juni 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, het verzoek van de moeder tot herstel van de bestreden beschikking afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met de bestreden beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voert het volgende aan.

Partijen zijn ter zitting in eerste aanleg niet overeengekomen dat [minderjarige] iedere woensdagmiddag bij de vader zal verblijven, maar dat zij één woensdagmiddag per veertien dagen bij hem zal verblijven.

Een regeling waarbij [minderjarige] iedere woensdagmiddag bij de vader verblijft, is te belastend voor [minderjarige] . [minderjarige] , die last heeft van slaapproblemen, is vermoeid aan het eind van de week. Op school constateert men ook dat [minderjarige] vaak moe is. Daarnaast is het de school opgevallen dat [minderjarige] erg gespannen is en zich moeilijk uit.

Op de woensdag heeft [minderjarige] – zeker als de moeder die dag moet werken – te maken met veel wisselingen qua hechtingsfiguren, hetgeen voor onrust zorgt.

Omgang op de woensdagen tot 18.30 uur is sowieso te lang; [minderjarige] ligt dan te laat in bed.

De vader staat niet open voor overleg. Het lukt de moeder niet tot een verbetering van de communicatie met de vader te komen.

3.5.

De vader voert het volgende aan.

De moeder is niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep nu zij niet binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak, hoger beroep heeft ingesteld.

Partijen zijn ter zitting in eerste aanleg uiteindelijk overeengekomen dat [minderjarige] iedere woensdagmiddag bij hem verblijft.

[minderjarige] verblijft vanaf de bestreden beschikking iedere woensdagmiddag bij hem. Het is niet in haar belang hier wijziging in te brengen. Uit niets blijkt dat een regeling waarbij [minderjarige] iedere woensdagmiddag bij hem verblijft niet in haar belang is. Dat het te belastend voor [minderjarige] zou zijn, blijkt nergens uit. De vader merkt hier niets van. Dat [minderjarige] aan het einde van de week moe is, hoeft niet door het contact met hem op woensdag te komen.

Dat [minderjarige] op woensdag soms met veel verschillende hechtingsfiguren te maken heeft, maakt niet dat zij niet naar de vader kan gaan op die dag. Er zou dan eerder voor moeten worden gezorgd dat de wisselingen anderszins beperkt blijven. [minderjarige] zou – als de moeder moet werken op woensdag – ook dinsdagavond al naar hem toe kunnen komen.

Als de moeder [minderjarige] op woensdag komt ophalen staat [minderjarige] helemaal klaar en heeft ze al gegeten.

De vader betwist dat de communicatie tussen de moeder en hem slecht is.

Ontvankelijkheid

3.6.

Ingevolge artikel 806 eerste lid Rv, voor zover hier van belang, kan van een beschikking hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

Ingevolge artikel 1 eerste lid van de Algemene Termijnenwet wordt een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

3.7.

Op grond van artikel 806 Rv eindigde de termijn voor het instellen van hoger beroep in onderhavige zaak op 6 mei 2017. Nu dit op een zaterdag was, wordt de termijn op grond van artikel 1 van de Algemene Termijnenwet verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, te weten tot en met maandag 8 mei 2017. Het beroepschrift van de moeder is ingekomen ter griffie op 8 mei 2017 (en niet op 9 mei 2017 zoals de vader stelt) en is derhalve tijdig ingekomen. De moeder is ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep. Het betoog van de vader dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek faalt.

Zorgregeling

3.8.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.9.

Tussen partijen is enkel in geschil of [minderjarige] iedere woensdagmiddag of één woensdagmiddag per veertien dagen bij de vader dient te verblijven.

3.10.

Het hof overweegt hieromtrent, wat er ook zij van de discussie tussen partijen over wat men hierover ter zitting in eerste aanleg is overeengekomen, als volgt.

Niet in geschil is dat [minderjarige] sinds de bestreden beschikking van 6 februari 2017 iedere woensdagmiddag naar de vader toe gaat. De moeder heeft haar betoog dat dit te belastend is voor [minderjarige] niet dan wel onvoldoende onderbouwd. De adviezen van mevrouw [orthopedagoog-generalist NVO, GZ psycholoog] (orthopedagoog-generalist NVO, GZ psycholoog) rechtvaardigen die conclusie niet, nu daaruit niet blijkt van enige overweging over de woensdagen. Bovendien is [minderjarige] door mevrouw [orthopedagoog-generalist NVO, GZ psycholoog] niet gezien. Weliswaar betoogt de vrouw dat de oorzaak hiervan is gelegen in een weigerachtige houding van de man, doch dit is niet aannemelijk geworden. Evenmin is dit een aanwijzing voor haar betoog dat het wekelijks verblijf van [minderjarige] bij de vader op woensdagmiddag te belastend voor haar is.

Ook de stelling van de moeder over de constateringen van de school van [minderjarige] heeft de moeder niet onderbouwd. Bovendien heeft hierbij te gelden dat het feit dat [minderjarige] (aan het einde van de week) vermoeid is niet (enkel) veroorzaakt hoeft te worden door het feit dat zij iedere woensdagmiddag bij de vader verblijft. [minderjarige] kan – mede gezien haar leeftijd – evenzeer moe zijn als gevolg van de voor haar lange intensieve dagen op school.

Voor zover de moeder wijst op de vele wisselingen voor [minderjarige] op de woensdagen, overweegt het hof dat dit, nog daargelaten de omstandigheid dat dit kennelijk mede wordt veroorzaakt door de afwezigheid van moeder zelf, niet tot een ander oordeel kan leiden. Als de vele wisselingen, die zich naar eigen zeggen van de moeder met name voordoen als de moeder moet werken op woensdag, (in de ogen van de moeder) een probleem vormen, zou een oplossing veeleer anderszins kunnen worden gezocht, bijvoorbeeld door [minderjarige] reeds op dinsdagavond naar de vader te laten gaan (als de moeder moet werken op woensdag) en haar op de woensdag eventueel op een eerder tijdstip weer naar de moeder te laten gaan. Partijen zouden hierover in onderling overleg afspraken kunnen maken, zo zij dit wensen.

Het hof ziet in het betoog van de moeder evenmin aanleiding het tijdstip van 18.30 uur op woensdagmiddag, te vervroegen.

3.11.

Nu niet aannemelijk is geworden dat een wekelijks contact tussen de vader en [minderjarige] op woensdag (tot 18.30 uur) te belastend is voor [minderjarige] , ziet het hof geen aanleiding het verzoek van de moeder om de bestreden beschikking te vernietigen en de zorgregeling wat de woensdagen betreft zo vorm te geven dat er om de week contact is tussen de vader en [minderjarige] , toe te wijzen

Conclusie

3.12.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten voor zover het de zorgregeling betreft.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 6 februari 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.D.M. Lamers en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.