Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:804

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
200.178.613_03
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

benoeming deskundigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.178.613/03

arrest van 27 februari 2018

in de zaak van

[Management] Management B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. G.J.H. de Vos te Rotterdam,

tegen

[Assurance S.A.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Duitsland,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

als vervolg op het tussenarrest van 22 augustus 2017 op het hoger beroep van het vonnis van 27 mei 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 22 augustus 2017;

  • -

    de akte uitlaten aan deskundige te stellen vragen van [appellante] ;

  • -

    het royement van de procedure;

  • -

    de hervatting van de procedure door [appellante] ;

  • -

    de antwoordakte na tussenarrest van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat er behoefte bestaat aan deskundige voorlichting over de inhoud van het Duitse recht op enkele in het arrest genoemde punten. Het hof heeft zijn voornemen aangekondigd aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag vragen voor te leggen. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van partijen, teneinde zich uit te laten over de te stellen vragen.

6.2.1.

Het hof heeft mr. dr. Richard J. Blauwhoff en mr. David G. Althoff van de Stichting Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag bereid gevonden om in deze zaak te rapporteren.

6.2.2.

Bij hun acceptatie hebben de deskundigen aangegeven dat het aan het intituut vrijstaat om in deze zaak te adviseren. De deskundigen zullen zich bij hun advies in beginsel steeds beperken tot juridische constateringen en bevindingen op basis van het toepasselijke (Duitse) recht en zij zullen zich onthouden van een beoordeling of duiding van deze juridische constateringen in het licht van de specifieke feiten en omstandigheden van de zaak, zo hebben zij aangegeven. Zij hebben tevens aangegeven dat op al hun werkzaamheden de algemene voorwaarden van Stichting Internationaal Juridisch Instituut van toepassing zijn, die staan vermeld op de website www.iji.nl.

6.2.3.

De deskundigen hebben hun kosten voorlopig begroot op € 5.250,00 incl. btw en reiskosten. Zoals reeds geoordeeld komen deze kosten voorshands ten laste van [appellante] .

6.4.1.

In het tussenarrest had het hof reeds aangegeven welke vragen het hof aan de deskundige wil voorleggen. De door partijen gemaakte opmerkingen geven geen aanleiding deze vragen aan te passen.

6.4.2.

Het hof bepaalt dat de deskundige gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:

1. Kunt u aangeven hoe in het algemeen naar Duits recht een clausule in Algemene Voorwaarden bij een verzekeringsovereenkomst wordt uitgelegd? Is dat (strikt) taalkundig en/of naar objectieve feiten en omstandigheden of spelen ook andere (bijvoorbeeld subjectieve) omstandigheden en/of een contra-proferentem-regel daarbij een rol?

2a. Hoe dient naar Duits recht, in aanmerking genomen de bovenbeschreven feiten en omstandigheden en met name indachtig het feit dat de bewuste vlucht is verricht zonder te beschikken over een (voor het geplande IFR-vluchtgedeelte) benodigde Nederlandse IFR-licentie, het begrip "verhüllte Obliegenheit" in § 1.3.2 van de AVB-400 en § 4.1.3 van de AVB-300, te worden geduid?

2b. En, wat is, tegen de achtergrond van de geschetste feiten en omstandigheden, in dit verband naar uw deskundige mening volgens het Duitse recht aan te merken als “Eintritt des (Schaden)Ereignisses”? Is dat het moment van het ongeval/het neerstorten van het vliegtuig, het moment van het aanvangen van de vlucht zonder (voor het IFR-vluchtgedeelte van de geplande vlucht) in het bezit te zijn van de benodigde IFR-licentie of enig ander moment (in het laatste geval: welk is dat moment)?

3. Wat is het toetsingskader dat naar Duits recht in aanmerking dient te worden genomen bij de beantwoording van de causaliteitsvraag, zoals voortvloeiend uit het bepaalde in artikel 28 lid 3 van het Duitse Versicherungsvertragsgesetz (VVG)?

4. Hoe dienen de termen "vorsätzlich" en "grob fahrlässig", zoals genoemd in artikel 28 lid 2 VVG in dit verband naar Duits recht te worden geïnterpreteerd?

5. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

6.5.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7 De beslissing

Het hof:

7.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 6.4.2. onder 1 tot en met 5 van dit arrest geformuleerde vragen;

7.2.

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:

mr. dr. Richard J. Blauwhoff

mr. David G. Althoff,

beiden verbonden aan de Stichting Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag

[adres]

[postcode] [kantoorplaats]

Tel. [netnummer + telefoonnummer]

Mail [mailadres]

7.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

7.4.

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek beginnen nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

7.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote bedrag van in totaal € 5.250,00 (incl. btw), tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat [appellante] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundigen, indien hun kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

7.6.

benoemt mr. H.A.G. Fikkers tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffier dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

7.7.

verwijst de zaak naar de rol van 5 juni 2018 in afwachting van het deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellante] ;

7.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, O.G.H. Milar en J.I.M.W. Bartelds en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 februari 2018.

griffier rolraadsheer