Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:749

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
17/00433
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2986, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze zaak komt de situatie aan de orde dat er sprake is van een uit Duitsland afkomstige auto met een datum eerste toelating van 9 oktober 2014. De registratie in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 23 april 2015 en de auto verkeerde op het moment van registratie in een onbeschadigde staat en had een kilometerstand van 96. Naar het oordeel van het Hof is de omstandigheid dat de auto voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in Duitsland op kenteken is gezet niet bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gebruikte auto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM 1992. De kilometerstand van de auto en het feit dat de auto onbeschadigd is, leidt, naar het oordeel van het Hof, tot de conclusie dat de auto, op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister, als een nieuwe personenauto is aan te merken. Voorts leidt het Hof uit de jurisprudentie van de Hoge Raad af dat het niet in strijd is met artikel 110 van het VWEU om een nieuwe personenauto te belasten naar het BPM-tarief dat gold op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister. Dit is niet anders indien een personenauto reeds eerder in een buitenlands kentekenregister is geregistreerd. Voorts oordeelt het Hof dat belanghebbendes stelling dat zij op grond van artikel 10b, lid 1, van de Wet BPM 1992 een beroep kan doen op toepassing van het op 1 januari 2014 geldende tarief faalt, aangezien deze bepaling slechts van toepassing is op gebruikte personenauto’s.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 110
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/652
V-N 2018/27.1.5
Viditax (FutD), 22-03-2018
FutD 2018-0922
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00433

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 17 mei 2017, nummer BRE 15/6516, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen voldoening op eigen aangifte.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 25 maart 2015 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) inzake de registratie van een uit Duitsland afkomstig gebruikte personenauto, merk Landrover, [type] , bouwjaar 2014, VIN eindigend op [0000] (hierna: de auto). Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 81.799. Dit bedrag is door belanghebbende op 9 april 2015 voldaan.

1.2.

De Inspecteur heeft het door belanghebbende tegen de voldoening op eigen aangifte ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak op bezwaar is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500, de Minister veroordeeld in de kosten van het geding bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op een bedrag van € 495 en gelast dat de Minister aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 331 aan haar vergoedt.

1.4.

Belanghebbende heeft bij het Hof hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak van de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 250.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur gedupliceerd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 januari 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de heer [A] , adviseur te [H] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door de heer [B] , verbonden aan [E] B.V. te [J] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [K] .
Ter zitting zijn de zaken 16/03957 en 17/00433 gezamenlijk, doch niet gevoegd, behandeld.

1.6.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben ieder te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Aan het einde van het zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 25 maart 2015 aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de registratie van de auto. De uit Duitsland afkomstige auto heeft een datum eerste toelating
9 oktober 2014 en had, op het tijdstip waarop de RDW een schouw heeft uitgevoerd, een kilometerstand van 96. Op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister (23 april 2015) verkeerde de auto in een onbeschadigde staat.

2.2.

Het door belanghebbende ingediende aangiftebiljet vermeldt een bedrag aan verschuldigde BPM van € 81.799, welk bedrag gelijk is aan het historisch bruto BPM-bedrag, uitgaande van een netto catalogusprijs van € 44.264 en het BPM-tarief dat gold op 1 januari 2015.

2.3.

Belanghebbende heeft het op eigen aangifte verschuldigde bedrag op 9 april 2015 voldaan. De Inspecteur heeft het tegen de eigen aangifte gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de auto een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM 1992?

2. Bij bevestigende beantwoording van vraag 1: heeft belanghebbende recht op toepassing van een extra leeftijdskorting?

3. Is, gelet op de datum eerste toelating 9 oktober 2014, het tarief dat gold op 1 januari 2014 van toepassing?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord.
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert primair tot een teruggaaf van € 21.608 van het op aangifte voldane bedrag aan BPM, subsidiair tot een teruggaaf van € 19.838, en meer subsidiair tot een teruggaaf van € 3.119.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1

4.1.

Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de Rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de auto een nieuwe auto is voor toepassing van de Wet BPM 1992. Ter onderbouwing van dit standpunt voert belanghebbende aan, dat de auto reeds eerder in een buitenlands kentekenregister is geregistreerd en derhalve een datum eerste toelating (9 oktober 2014) heeft, die gelegen is vóór de datum van registratie in het Nederlandse kentekenregister (23 april 2015). Belanghebbende stelt zich derhalve op het standpunt, dat er sprake is van een gebruikte auto in de zin van de Wet BPM 1992, indien de desbetreffende auto reeds eerder in een (buitenlands) kentekenregister is geregistreerd. Belanghebbende acht het in strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) dat op grond van de arresten van de Hoge Raad van 27 januari 2017, nr. 16/02949, ECLI:NL:HR:2017:78 en nr. 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:79 (hierna: de arresten van 27 januari 2017) een geïmporteerde buitenlandse auto uitsluitend aangemerkt wordt als een gebruikte auto, indien zowel aan de voorwaarde voldaan wordt, dat dit voertuig geregistreerd is geweest in een buitenlands kentekenregister, als aan de voorwaarde dat dit voertuig daadwerkelijk op de openbare weg is gebruikt.

4.2.

De Inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat een eerder in het buitenland geregistreerd motorrijtuig dat na vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest, voor de toepassing van de
Wet BPM 1992 te gelden heeft als een nieuw voertuig, in lijn is met artikel 110 van het VWEU. Aangezien de onderhavige auto na vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest, is naar het oordeel van de Inspecteur sprake van een nieuwe auto.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat uit de arresten van 27 januari 2017 volgt dat de omstandigheid dat de auto voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in Duitsland op kenteken is gezet en derhalve een eerdere datum eerste toelating heeft, niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gebruikte auto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM 1992. Voorts volgt uit deze arresten dat niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op het in de Leidraad BPM 2006 neergelegde beleid. Onder een nieuwe personenauto moet volgens de Hoge Raad worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. De Hoge Raad heeft in voormelde arresten voorts geoordeeld dat redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat de door hem gegeven uitleg van het begrip gebruikte personenauto’s niet in strijd is met de rechtspraak van het Hof van Justitie over de toepassing van artikel 110 van het VWEU. Belanghebbende heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad van 27 januari 2017. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, en ook overigens, ziet het Hof geen reden om af te wijken van genoemde arresten van de Hoge Raad.

4.4.

Vaststaat dat de auto op het tijdstip, waarop de RDW een schouw heeft uitgevoerd, een kilometerstand had van 96 en dat de auto op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister geen gebruikssporen vertoonde. Deze omstandigheden leiden naar het oordeel van het Hof tot geen andere conclusie, dan dat de auto na de vervaardiging ervan nauwelijks in gebruik is geweest en derhalve bij de registratie in Nederland als een nieuwe personenauto is aan te merken. Het Hof ziet derhalve geen aanleiding om een vermindering toe te staan op het historisch bruto BPM-bedrag.

4.5.

Gelet op het voorgaande beantwoordt het Hof de eerste in geschil zijnde vraag ontkennend. De tweede in geschil zijnde vraag behoeft alsdan geen beantwoording.

Vraag 3

4.6.

Met betrekking tot de hoogte van het historische bruto BPM-bedrag overweegt het Hof als volgt.

Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het strijdig is met artikel 110 van het VWEU om het historische bruto BPM-bedrag te baseren op het tarief, zoals dat gold op 1 januari 2015, terwijl gelijksoortige voertuigen, waaronder belanghebbende verstaat voertuigen van hetzelfde merk, type en bouwjaar als de onderhavige auto, die in 2014 geregistreerd zijn in het Nederlandse kentekenregister, in de BPM-heffing betrokken zijn naar het tarief zoals dat luidde op 1 januari 2014.

4.7.

Het Hof stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt, dat een belastingstelsel slechts verenigbaar is met artikel 110 van het VWEU, indien vaststaat dat dit stelsel zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen is uitgesloten, dat ingevoerde auto’s zwaarder worden belast dan binnenlandse auto’s. Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat artikel 110 van het VWEU wordt geschonden, wanneer het BPM-bedrag dat geheven wordt van een tweedehands voertuig, hoger is dan het BPM-bedrag dat nog rust op gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen (zie onder andere het arrest Hof van Justitie 9 maart 1995, C- 345/93, ECLI:EU:C:1995:66 (Nunes Tadeu)).

4.8.

Het Hof leidt uit de arresten van 27 januari 2017 af dat de Hoge Raad van oordeel is, dat het niet in strijd is met artikel 110 van het VWEU om een nieuwe personenauto te belasten naar het BPM-tarief, dat gold op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister, aangezien, naar het oordeel van de Hoge Raad, als referentievoertuigen te gelden hebben gelijksoortige binnenlandse auto’s, die in dezelfde periode geregistreerd zijn in het Nederlandse kentekenregister. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, en ook overigens, ziet het Hof geen reden om af te wijken van de in de arresten van 27 januari 2017 gegeven uitleg van het begrip referentievoertuigen voor een nieuwe personenauto. Naar het oordeel van het Hof is het derhalve niet in strijd met artikel 110 van het VWEU om in het onderhavige geval het historische bruto BPM-bedrag te baseren op het tarief zoals dat gold op 1 januari 2015.

4.9.

Naar het oordeel van het Hof faalt voorts belanghebbendes stelling dat zij op grond van artikel 10b, lid 1, van de Wet BPM 1992 een beroep kan doen op toepassing van het op 1 januari 2014 geldende tarief. Deze bepaling is naar tekst en strekking namelijk slechts van toepassing op in Nederland te registreren gebruikte personenauto’s (zie het arrest Hoge Raad 27 januari 2017, nr. 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:79). Zoals het Hof hiervoor in onderdeel 4.4 heeft overwogen, is de auto op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister aan te merken als een nieuwe auto. Naar het oordeel van het Hof kan derhalve in het onderhavige geval artikel 10b, lid 1, van de Wet BPM 1992 niet toegepast worden.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dient te worden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond; en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 22 februari 2018

door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.