Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:744

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
16/03957
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7327, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze zaak komt de situatie aan de orde dat er sprake is van een uit België afkomstige auto met een datum eerste toelating van 30 oktober 2012. De registratie in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2013 en de auto verkeerde op het moment van registratie in een onbeschadigde staat en had een kilometerstand van één. Naar het oordeel van het Hof is de omstandigheid dat de auto voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in Duitsland op kenteken is gezet niet bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gebruikte auto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM 1992. De kilometerstand van de auto en het feit dat de auto onbeschadigd is, leidt, naar het oordeel van het Hof, tot de conclusie dat de auto, op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister, als een nieuwe personenauto is aan te merken. Voorts leidt het Hof uit de jurisprudentie van de Hoge Raad af dat het niet in strijd is met artikel 110 van het VWEU om een nieuwe personenauto te belasten naar het BPM-tarief dat gold op het moment waarop belanghebbende aangifte heeft gedaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister. Dit is niet anders indien een personenauto reeds eerder in een buitenlands kentekenregister is geregistreerd.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 110
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/703
Viditax (FutD), 22-03-2018
FutD 2018-0923
V-N 2018/40.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03957

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

[belanghebbende] B.V,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2016, nummer BRE 14/4204, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur,

en

de Minister van Veiligheid en Justitie,

hierna: de Minister,

betreffende de hierna te noemen naheffingsaanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 22 juli 2013 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) inzake de registratie van een uit België afkomstige personenauto, merk Fiat [type] , bouwjaar 2012, VIN eindigend op [0000] (hierna: de auto). Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 1.802. Dit bedrag is door belanghebbende op 25 juli 2013 voldaan. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] met dagtekening 13 mei 2014 een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.198 (hierna: de naheffingsaanslag) en gelijktijdig is aan belanghebbende bij beschikking € 14 aan belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking belastingrente). Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente.

1.2.

De Inspecteur heeft het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente ingediende bezwaar ongegrond verklaard bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar.

1.3.

Tegen deze uitspraken is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 100, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 742, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht aan haar vergoedt en de Minister veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500.

1.4.

De Inspecteur heeft bij het Hof hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft voorts incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 januari 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , adviseur te [H] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door de heer [B] , verbonden aan [E] B.V. te [J] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [K] . Op deze zitting zijn de zaken met kenmerk 16/03957 en 17/00433 gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld.

1.7.

Aan het einde van het zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 22 juli 2013 aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de registratie van de auto. De uit België afkomstige auto heeft een datum eerste toelating van 30 oktober 2012. Op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister (2 augustus 2013) had de auto een kilometerstand van 1 en verkeerde in een onbeschadigde staat.

2.2.

Het door belanghebbende ingediende aangiftebiljet vermeldt een bedrag aan verschuldigde BPM van € 1.802, met dien verstande dat dit bedrag is berekend door het historische bruto BPM-bedrag van € 2.696 te verminderen op basis van de handelswaarde van de auto zoals deze volgt uit de koerslijst Autotelex. Het historische bruto BPM-bedrag is gebaseerd op het BPM-tarief dat gold op 1 augustus 2012.

2.3.

Belanghebbende is er bij het indienen van de aangifte derhalve vanuit gegaan dat de auto aangemerkt dient te worden als een gebruikte auto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM 1992.

2.4.

Belanghebbende heeft het op eigen aangifte verschuldigde bedrag van € 1.802 op
25 juli 2013 voldaan.

2.5.

De Inspecteur heeft met dagtekening 13 mei 2014 de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is aan belanghebbende de beschikking belastingrente opgelegd. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is de Inspecteur ervan uitgegaan, dat de auto niet aangemerkt kan worden als een gebruikte auto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM 1992. De Inspecteur is bij de berekening van de naheffingsaanslag uitgegaan van het BPM-tarief zoals dat gold op het moment van het doen van aangifte (22 juli 2013).

2.6.

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

De Inspecteur concludeert primair tot gegrondverklaring van het hoger beroep, ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep. Voor het geval het Hof de auto als gebruikt aan zou merken, concludeert de Inspecteur subsidiair tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
Belanghebbende concludeert primair tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht, gegrondverklaring van het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep en vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente. Belanghebbende concludeert subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 894 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Inspecteur stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de auto op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister aangemerkt dient te worden als een nieuwe auto, aangezien deze na vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Ter onderbouwing verwijst de Inspecteur naar de arresten van de Hoge Raad van 27 januari 2017, nr. 16/02949, ECLI:NL:HR:2017:78 en nr. 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:79 (hierna: de arresten van 27 januari 2017), waaruit volgt dat een eerder in het buitenland geregistreerd motorrijtuig, dat na vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest, voor de toepassing van de Wet BPM 1992 te gelden heeft als een nieuw voertuig. De Inspecteur is van mening dat de arresten van 27 januari 2017 in lijn zijn met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU).

4.2.

Belanghebbende is daarentegen van mening dat de auto een gebruikte auto is als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet BPM 1992. Ter onderbouwing van dit standpunt voert belanghebbende aan, dat de auto reeds eerder in een buitenlands kentekenregister is geregistreerd en derhalve een datum eerste toelating (30 oktober 2012) heeft die gelegen is vóór de datum van registratie in het Nederlandse kentekenregister (2 augustus 2013). Volgens belanghebbende is een auto gebruikt, indien deze reeds eerder in een (buitenlands) kentekenregister is geregistreerd. Belanghebbende acht het in strijd met artikel 110 van het VWEU dat op grond van de arresten van 27 januari 2017 een geïmporteerde buitenlandse auto uitsluitend aangemerkt wordt als een gebruikte auto, indien zowel aan de voorwaarde voldaan wordt dat dit voertuig geregistreerd is geweest in een buitenlands kentekenregister als aan de voorwaarde dat dit voertuig daadwerkelijk op de openbare weg is gebruikt.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat uit de arresten van 27 januari 2017 volgt dat de omstandigheid dat de auto voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in België op kenteken is gezet en derhalve een eerdere datum eerste toelating heeft, niet bepalend is voor de vraag of sprake is van een gebruikte auto in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM 1992. Voorts volgt uit deze arresten dat niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op het in de Leidraad BPM 2006 neergelegde beleid. Onder een nieuwe personenauto moet volgens de Hoge Raad worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. De Hoge Raad heeft in voormelde arresten voorts geoordeeld dat redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, dat de door hem gegeven uitleg van het begrip gebruikte personenauto’s niet in strijd is met de rechtspraak van het Hof van Justitie over de toepassing van artikel 110 VWEU. Belanghebbende heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met de hiervoor genoemde arresten van 27 januari 2017. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, en ook overigens, ziet het Hof geen reden om af te wijken van genoemde arresten van de Hoge Raad.

4.4.

Vaststaat dat de auto op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister een kilometerstand had van 1 en dat de auto geen gebruikssporen vertoonde. Deze omstandigheden leiden naar het oordeel van het Hof tot geen andere conclusie, dan dat de auto na de vervaardiging ervan nauwelijks in gebruik is geweest en derhalve bij de registratie in Nederland als een nieuwe personenauto is aan te merken.

4.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur derhalve terecht een naheffingsaanslag opgelegd, aangezien belanghebbende bij de door haar ingediende aangifte BPM ten onrechte een vermindering heeft toegepast op het bruto historische BPM-bedrag.

4.6.

Gelet op het bovenstaande oordeel faalt het door belanghebbende ingestelde incidenteel hoger beroep, waarin zij betoogt, dat de Rechtbank bij de berekening van de hoogte van de naheffingsaanslag een te lage vermindering op het bruto historische BPM-bedrag heeft toegestaan.

4.7.

Met betrekking tot de hoogte van het historische bruto BPM-bedrag overweegt het Hof als volgt.

4.8.

Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het strijdig is met artikel 110 van het VWEU dat de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van het historische bruto BPM-bedrag berekend naar het BPM-tarief, dat gold op het moment van het doen van aangifte (22 juli 2013), terwijl niet uitgesloten is dat gelijksoortige, op het moment van registratie (2 augustus 2013) reeds op de binnenlandse markt aanwezige voertuigen belast zijn naar het (lagere) BPM-tarief, dat gold in het jaar 2012. Volgens belanghebbende is niet uitgesloten dat deze referentievoertuigen op het moment waarop de onderhavige auto in het Nederlandse kentekenregister werd geregistreerd (2 augustus 2013) nog als nieuwe voertuigen in de zin van de Wet BPM 1992 kwalificeerden.

4.9.

Het Hof stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat een belastingstelsel slechts verenigbaar is met artikel 110 van het VWEU, indien vaststaat dat het stelsel zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen is uitgesloten, dat ingevoerde auto’s zwaarder worden belast dan binnenlandse auto’s. Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat artikel 110 van het VWEU wordt geschonden, wanneer het BPM-bedrag, dat geheven wordt van een tweedehands voertuig, hoger is dan het BPM-bedrag dat nog rust op gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen (zie onder andere het arrest Hof van Justitie 9 maart 1995, C- 345/93, ECLI:EU:C:1995:66 (Nunes Tadeu)).

4.10.

Het Hof leidt uit de arresten van 27 januari 2017 af dat de Hoge Raad van oordeel is dat niet in strijd is met artikel 110 van het VWEU om een nieuwe personenauto te belasten naar het BPM-tarief, dat gold op het moment van registratie in het Nederlandse kentekenregister, aangezien, naar het oordeel van de Hoge Raad, in een dergelijk geval als referentievoertuigen te gelden hebben gelijksoortige binnenlandse auto’s, die in dezelfde periode geregistreerd zijn in het Nederlandse kentekenregister. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, en ook overigens, ziet het Hof geen reden om af te wijken van de in de arresten van 27 januari 2017 gegeven uitleg van het begrip referentievoertuigen voor een nieuwe personenauto.

4.11.

Naar het oordeel van het Hof faalt derhalve belanghebbendes stelling dat voertuigen die op 2 augustus 2013 – het moment waarop de auto in het Nederlandse kentekenregister is geregistreerd – reeds op de binnenlandse markt aanwezig waren – en derhalve vóór 2 augustus 2013 in het Nederlandse kentekenregister geregistreerd zijn – als referentievoertuigen voor de auto aangemerkt moeten worden.

4.12.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat het niet in strijd is met artikel 110 van het VWEU om in het onderhavige geval het historische bruto BPM-bedrag te baseren op het BPM-tarief, zoals dat gold op het moment waarop belanghebbende aangifte heeft gedaan (22 juli 2013).

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, het incidentele hoger beroep ongegrond is, de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd behoudens de beslissing omtrent de immateriële schadevergoeding, en het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

De Rechtbank heeft gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan belanghebbende dient te vergoeden. Het Hof is evenwel van oordeel dat, nu uitsluitend de grief slaagt dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van de door haar geleden immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, en die overschrijding geheel aan de Rechtbank is toe te rekenen, het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoed dient te worden door de Minister.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank vernietigd wordt, behoudens de beslissing omtrent de immateriële schadevergoeding, acht het Hof, in verband met het in stand laten van de door de Rechtbank uitgesproken veroordeling van de Minister tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, termen aanwezig de Minister (in plaats van de Inspecteur) te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.16.

Het Hof stelt de tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, op 1 (punt) x € 501 x 0,5 (factor gewicht van de zaak), is € 250,50.

4.17.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de immateriële schade;

- verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

- gelast dat de Minister aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 328 vergoedt, en

- veroordeelt de Minister in de kosten van het geding bij de Rechtbank, vastgesteld op € 250,50.

Aldus gedaan op 22 februari 2018 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.