Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:740

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
200.215.171_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling. Herstel co-ouderschapsregeling niet in belang van kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 22 februari 2018

Zaaknummer: 200.215.171/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/227437 / FA RK 16-3902

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.G. van Ek,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B.M.A. Jegers.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 februari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 april 2017, en zoals nader gespecificeerd ter zitting van het hof, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    primair: het inleidende verzoek van de vader af te wijzen, zodat de co-ouderschapsregeling wordt hersteld;

  • -

    subsidiair: de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling tussen de moeder en de minderjarige [minderjarige] uit te breiden op een wijze die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 juni 2017, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen, dan wel ongegrond te verklaren.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van Ek;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. K. Wöltgens-Daems, waarnemend advocaat voor mr. Jegers;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlagen van mr. Jegers van 2 januari 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI van 10 januari 2018.

2.4.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 24 januari 2017 dat is gevoegd bij het V-formulier van mr. Van Ek van 12 januari 2018, is pas op 18 januari 2018 ter griffie van het hof ingekomen, derhalve na de mondelinge behandeling in hoger beroep. Om die reden heeft het hof de inhoud daarvan niet bij de beoordeling betrokken.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben tot omstreeks medio 2013 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vader.

3.2.

[minderjarige] staat onder toezicht van de GI met ingang van 22 mei 2014.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 22 mei 2018.

3.3.

Partijen hebben op 28 juli 2015 een ouderschapsplan vastgesteld waarbij zij een co-ouderschapsregeling overeengekomen zijn, inhoudende dat [minderjarige] de ene week bij de moeder verblijft en de andere week bij de vader en dat de feestdagen, vakanties en bijzondere dagen zoals verjaardagen in goed onderling overleg bij helfte worden verdeeld.

De rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 4 september 2015 bepaald dat dit ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het bewuste ouderschapsplan gewijzigd voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedtaken betreft, en bepaald dat [minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur alsmede de helft van de feestdagen bij de moeder verblijft.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert zij, kort samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft een beslissing gegeven die is gebaseerd op eenzijdige informatie vanuit de vader en de GI. De moeder is niet ter zitting bij de rechtbank verschenen en heeft daarom geen verweer kunnen voeren tegen het verzoek van de vader. De rechtbank was onvoldoende geïnformeerd om een behoorlijk gemotiveerde beslissing te kunnen nemen. Een raadsonderzoek had meer voor de hand gelegen.

[minderjarige] is gebaat bij een voortzetting van het co-ouderschap. De GI dient zich te richten op de verbetering van de communicatie tussen de ouders. De moeder is bereid om daaraan te werken.

Er zijn zorgen over [minderjarige] , maar de oorzaak van deze zorgen wordt blijkens het OTS-plan en het verzoek verlenging ondertoezichtstelling vooral gezocht in de slechte communicatie tussen de ouders en niet primair in de specifieke situatie van de moeder. De rechtbank heeft onterecht bepaald dat het zwaartepunt van de opvoeding bij de vader dient te liggen. Er is nu nog geen zicht op de thuissituatie bij de vader en op zijn opvoedingsvaardigheden. De vader geeft geen blijk van bereidheid om mee te werken met de gezinsvoogd. Niet alleen ten aanzien van [minderjarige] en de moeder, maar evenzeer ten aanzien van de vader zijn de nodige zorgen gemeld, aldus de moeder.

3.6.

De vader voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan.

De vader is de procedure in eerste aanleg gestart op nadrukkelijk advies van de gezinsvoogd. De gezinsvoogd zag al maandenlang een patroon waarbij de moeder zich onttrok aan hulpverlening, dit ten nadele van [minderjarige] . De moeder weigerde alle hulp. Het was voor de gezinsvoogd onmogelijk om in contact met haar te komen. Een schriftelijke aanwijzing werd niet opgevolgd. Ter zitting bij de rechtbank heeft de gezinsvoogd aangegeven dat het beter zou zijn indien de moeder enkel begeleide omgang zou hebben met [minderjarige] .

Bij [minderjarige] is sprake van ontwikkelings- en gedragsproblemen. De moeder nam op het punt van medische zorg geen verantwoordelijkheid. Als een doktersafspraak was gepland in de week dat [minderjarige] bij de moeder verbleef, werd deze afspraak structureel niet nagekomen. De vader komt de afspraken wel na. De gezinsvoogd heeft laten weten dat het de voorkeur heeft dat de hoofdverantwoordelijkheid van [minderjarige] bij één ouder ligt. De vader beschikt over voldoende draagkracht om de veeleisende opvoeding van [minderjarige] goed te kunnen blijven doen. Hij laat hulpverlening toe en verleent zijn volledige medewerking. Voor co-ouderschap is goede communicatie tussen de ouders een vereiste. Partijen zijn evenwel niet in staat om met elkaar te communiceren en hierin is binnen afzienbare termijn geen verbetering te verwachten. Niet voor niets geldt de afspraak dat partijen elkaar bij de overdracht van [minderjarige] niet zien.

De moeder zegt wel dat zij het beste met [minderjarige] voor heeft, maar de daad bij het woord voegen blijft voor de moeder een lastige opgave. Zij geeft [minderjarige] nog steeds niet de benodigde aandacht en belast hem onnodig met volwassenenproblematiek, aldus de vader.

3.7.

Uit de brief van de GI van 10 januari 2018 en de verklaringen van de GI ter zitting in hoger beroep komt onder meer het volgende naar voren. [minderjarige] heeft te kampen met een sociaal-emotionele achterstand, een spraak-/taalachterstand en een stagnatie in zijn cognitieve ontwikkeling. Sinds de zomervakantie van 2017 gaat [minderjarige] achteruit op didactisch vlak. Vanaf 22 januari 2018 zal een groot meerdaags epilepsie-onderzoek worden afgenomen bij [minderjarige] door de kliniek [kliniek] . Verder is er recentelijk een aanvraag gedaan bij het orthopedagogisch behandelinstituut [behandelinstituut] ( [Groep] Groep) voor het afnemen van een diagnostisch onderzoek bij [minderjarige] . De GI wil de resultaten van de onderzoeken afwachten en aan de hand daarvan een inschatting maken wat er aan de hand is met [minderjarige] . Gezien de wachtlijst bij de [Groep] Groep en de tijd die gepaard gaat met het opstellen van het diagnostisch rapport, schat de GI in dat het nog geruime tijd zal duren voordat er meer duidelijkheid is over de vraag wat er met [minderjarige] aan de hand is en wat hij nodig heeft. De vraag die alsdan gesteld moet worden is of [minderjarige] thuis kan blijven wonen (met mogelijk nóg intensievere hulp) of dat [minderjarige] andere, verderstrekkende hulp nodig heeft.

Ten aanzien van de ouders heeft de GI onder meer het volgende aangevoerd. De ouders kunnen niet met elkaar communiceren. Momenteel verloopt het contact volledig via de gezinsvoogd, dit om heftige escalaties (in het bijzijn van [minderjarige] ) te vermijden. De strijd tussen de ouders blijft een grote belasting voor het systeem, zij het dat de wijziging van de zorgregeling door de rechtbank hierin meer rust heeft gebracht omdat verantwoordelijkheden bij de vader zijn komen te liggen en daarom minder overleg hoeft plaats te vinden. Regelmatig zijn bezoeken van de hulpverlenende instantie [hulpverlenende instantie 1] aan de vader geannuleerd. De samenwerking met hem komt lastig tot stand. De vader laat de hulpverlening slechts moeizaam toe in zijn thuissituatie en hij begrijpt niet goed wat er gezegd wordt. De GI heeft weinig zicht op de opvoedsituatie bij de vader. Het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de vader op 1 november 2017 heeft daarin tot nu toe niet het gewenste resultaat gebracht. De moeder stelt zich inmiddels, anders dan ten tijde van de indiening van het inleidende verzoek door de vader, wél actief en coöperatief op jegens de hulpverlening. Zij doet haar best, neemt adviezen en tips aan en komt afspraken na. Wel blijft zij het moeilijk vinden om goed aan te sluiten op de wensen en behoeften van [minderjarige] . [hulpverlenende instantie 1] en de GI kunnen, ondanks de positieve ontwikkelingen bij de moeder, niet inschatten of frequenter contact tussen [minderjarige] en de moeder tot overvraging van [minderjarige] en de moeder zal leiden.

3.8.

De raad heeft ter zitting verklaard veel zorgen te hebben over [minderjarige] en de wijze waarop de ouders met elkaar omgaan. [minderjarige] is een kwetsbaar kind en kan zich niet goed uiten. Gezien zijn ernstige kindeigen problematiek heeft hij een specifieke aanpak van zijn opvoeder(s) nodig. De raad kan nu niet inschatten wie van de twee ouders het meest in staat is om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft.

[minderjarige] gedijt niet goed indien hij in twee verschillende, niet op elkaar afgestemde leefomgevingen moet opgroeien. Dat kan hij, gezien zijn problematiek, niet aan. Een co-ouderschap acht de raad niet haalbaar; dit zal [minderjarige] beschadigen.

De raad heeft het hof geadviseerd om de zaak aan te houden, de resultaten van de twee onderzoeken (bij [kliniek] en [behandelinstituut] ) af te wachten en naar aanleiding daarvan de afweging te maken wie van de twee ouders het beste kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. In de tussentijd zou de tijd die [minderjarige] met de moeder doorbrengt, voorlopig kunnen worden uitgebreid. De raad denkt aan een uitbreiding met één dag. Het is raadzaam dat een derde (zoals [hulpverlenende instantie 2] of [hulpverlenende instantie 1] ) de overdracht blijft uitvoeren, dit om conflicten tussen de ouders te voorkomen.

Beide ouders hebben ter zitting verklaard bezwaar te hebben tegen aanhouding van de beslissing.

3.9.

Het hof ziet geen aanleiding om de beslissing aan te houden en komt tot de volgende bevindingen en conclusies.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerder door de rechter of door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.9.2.

[minderjarige] is een kwetsbare jongen van tien jaar oud. Als baby heeft hij hersenvliesontsteking gehad waardoor hij verstandelijk beperkt is geraakt. Verder heeft hij een forse taal- en spraakachterstand (waardoor hij zich lastig kan uiten) en een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Bovendien is hij in het verleden regelmatig getuige geweest van escalaties tussen de ouders. [minderjarige] heeft, meer dan een gemiddeld kind, behoefte aan een stabiele, gestructureerde opvoedingsomgeving. Het hof acht het zorgwekkend dat er vanuit de hulpverlening en de school signalen komen dat [minderjarige] sinds/na de zomervakantie van 2017 op verschillende gebieden een terugval heeft laten zien, waaronder in zijn zindelijkheid en in zijn schoolresultaten. Een andere zorg is dat de vader de hulpverlening zoveel mogelijk buiten de deur houdt. Volgens hem gaat alles goed met [minderjarige] . Hij herkent de huidige zorgen vanuit [hulpverlenende instantie 1] , de school, de GI en de moeder over het gedrag van [minderjarige] niet. De houding van de vader heeft er inmiddels toe geleid dat de GI hem op 1 november 2017 een uitgebreide schriftelijke aanwijzing heeft gegeven. Feit is evenwel ook dat op dit moment nog onduidelijk is of de draagkracht van [minderjarige] en die van de moeder een beduidend langer verblijf van [minderjarige] bij de moeder wel toelaten. Daarnaast is er het gegeven dat tussen de ouders nog steeds strijd en spanningen bestaan, dat zij niet in staat zijn op een positieve wijze met elkaar te communiceren en dat de opvoedsituaties bij hen niet op elkaar zijn afgestemd.

3.9.3.

Vanwege de problematiek van [minderjarige] , de zorgen rond zijn gedrag en de ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders acht het hof een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] . Zoals de raad heeft betoogd is voor [minderjarige] – gezien zijn kwetsbaarheid en specifieke opvoedingsbehoefte – het leven in twee, niet op elkaar afgestemde opvoedingsomgevingen belastend. Bij een co-ouderschap zal dit probleem zich sterker manifesteren dan bij een regeling waarin de zorg voor [minderjarige] niet gelijkelijk over beide ouders is verdeeld. Voor een kind als [minderjarige] is eenduidigheid in de opvoedingsstijl van groot belang. Daarbij komt nog dat een co-ouderschap vraagt om goed overleg tussen de ouders over onder meer de planning en verdeling van de frequente bezoeken van [minderjarige] aan artsen en behandelaars. Ouders zijn evenwel niet tot onderling overleg in staat. Naar is gebleken heeft de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling hierin meer rust gebracht omdat de feitelijke verantwoordelijkheid voor de bezoeken aan artsen en behandelaars vanwege die regeling bij de vader is komen te liggen.

Gelet op het voorgaande zal het hof het primaire verzoek van de moeder tot, kort gezegd, herstel van de co-ouderschapsregeling afwijzen.

3.9.4.

Het feit dat het hof het niet in het belang van [minderjarige] acht om de co-ouderschapsregeling te hervatten, neemt echter niet weg dat de moeder naar het oordeel van het hof een wat groter aandeel dient te krijgen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dan thans het geval is.

Het hof constateert dat er sprake is van een positieve ontwikkeling bij de moeder, zowel in haar thuissituatie, als ten aanzien van haar medewerking aan de hulpverlening. Waar de moeder ten tijde van de bestreden beschikking nog onvoldoende bereid was om inzicht te verschaffen in haar problematiek en haar thuissituatie, heeft zij sinds eind maart 2017 [hulpverlenende instantie 1] altijd binnengelaten. Zij stelt vragen, neemt de haar aangereikte tips en adviezen aan en komt de afspraken na. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat het (tweewekelijkse) weekend dat hij bij zijn moeder doorbrengt wordt verlengd tot maandagochtend naar school. Het hof verwacht niet dat deze geringe aanpassing van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling [minderjarige] zal ontregelen en zijn basisrust zal verstoren. In de bestreden beschikking is bepaald dat het (tweewekelijkse) verblijf van [minderjarige] bij de moeder aanvangt op vrijdag 18.00 uur en duurt tot zondag 18.00 uur. Het hof zal bepalen dat het (tweewekelijkse) verblijf van [minderjarige] bij de moeder duurt van vrijdag 18.00 uur tot maandagochtend naar school. Het hof zal daaraan evenwel de voorwaarde stellen dat de moeder het vervoer van [minderjarige] op maandagochtend naar school op een voor [minderjarige] voldoende passende wijze weet te realiseren, dit ter beoordeling van de GI.

3.9.5.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de zorgregeling dient te worden gewijzigd zoals hiervoor omschreven. Tevens zal alsnog een regeling voor de vakanties worden vastgesteld omdat in de bestreden beschikking slechts over de feestdagen is beslist. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in het kader van de verdere verdeling van de zorg- en opvoedtaken met betrekking tot [minderjarige] de vakanties (evenals de feestdagen) tussen hen bij helfte dienen te worden verdeeld. Nu het hof niet is gebleken van strijdigheid van deze verdeling met het belang van [minderjarige] , zal het hof dienovereenkomstig beslissen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de regeling omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedtaken betreffende [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ) zoals opgenomen in het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank Limburg van 4 september 2015, als volgt:

bepaalt dat [minderjarige] bij de moeder verblijft:

  • -

    gedurende één lang weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot maandagochtend naar school, onder de voorwaarde dat de moeder het vervoer van [minderjarige] op maandagochtend naar school op een voor [minderjarige] voldoende passende wijze weet te realiseren, dit ter beoordeling van de GI. Blijkt dit naar het inzicht van de GI niet te realiseren, dan verblijft [minderjarige] tot zondag 18.00 uur bij de moeder;

  • -

    gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.A.R.M. van Leuven, C.L.M. Smeets en is op 22 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.