Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:716

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
15-07-2020
Zaaknummer
200.154.171_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:6126
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3803
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:2166
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oogletsel na arbeidsongeval.

Causaal verband tussen ongeval en de daarna ontstane oog- en hoofdpijnklachten?

Deskundigenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.154.171/01

arrest van 20 februari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. R.M.W.H. Bedaux te Heerlen,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 augustus 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 juli 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

5 Het verdere verloop van de procedure

5.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 29 augustus 2017;

- de brief van mr. Bedaux van 5 december 2017 met bijlage;

- de brief van mr. Kruitwagen van 12 december 2017 met bijlage;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 14 december 2017.

5.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen voornemens te zijn om deskundigen te benoemen en aan de deskundigen als uitgangspunt de IWMD-vraagstelling voor te leggen. [appellant] en [geïntimeerde] zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de personen van de te benoemen deskundige(n), alsmede over de vraagstelling aan deze deskundige(n).

6.2.

[appellant] noemt, met verwijzing naar het advies van zijn medisch adviseur, een tweetal namen van neurologen die het hof als deskundige zou kunnen benoemen. In het advies van zijn medisch adviseur staat aangegeven dat diens verwachtingen ten aanzien van een neurologische expertise niet hoog gespannen zijn. [geïntimeerde] stelt dat een neurologische expertise achterwege kan blijven omdat deze geen toegevoegde waarde heeft. Zij stelt dat de medisch adviseur van [appellant] daar ook zo over denkt.

Beide partijen hebben aangegeven dat, als het hof een neurologische expertise wenst, te kunnen instemmen met het benoemen van de neuroloog dr. H.J.J.A. Bernsen tot deskundige. Het hof heeft, gelet op de aard van de klachten, behoefte aan een neurologische expertise. De heer Bernsen heeft het hof desgevraagd laten weten bereid en in staat te zijn in deze zaak als deskundige op te treden. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij [appellant] eerst in de loop van dit jaar kan onderzoeken. Het hof zal hem tot deskundige benoemen.

6.3.

Beide partijen hebben voorts aangegeven te kunnen instemmen met het benoemen van een psychiater tot deskundige. Zij zijn het niet eens over de persoon van deze deskundige. [geïntimeerde] acht prof. dr. G.F. Koerselman bij uitstek geschikt om als deskundige op te treden. [appellant] heeft hiertegen geen bezwaar geuit. Het hof zal hem als deskundige benoemen. De heer Koerselman heeft het hof desgevraagd laten weten bereid en in staat te zijn in deze zaak als deskundige op te treden. Ook deze deskundige heeft aangegeven dat hij eerst op een termijn van vijf tot zes maanden [appellant] voor onderzoek kan zien.

6.4.

Het hof wijst de deskundigen voor het opstellen van hun bericht op de “Leidraad deskundigen in civiele zaken” (https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Leidraad-deskundigen-WT.pdf).

6.5.

[appellant] heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de voorliggende vraagstelling aan de beide deskundigen. [geïntimeerde] stelt enkele aanvullende vragen voor. Het hof overweegt naar aanleiding daarvan als volgt.

6.5.1.

[geïntimeerde] stelt voor om aan vraag 1a. toe te voegen: “is – en zo ja in hoeverre – sprake van klachten als gevolg van een psychiatrisch erkend ziektebeeld?

Het hof zal de voorgestelde vraag onder 1a. niet toevoegen nu vraag 1a. betrekking heeft op de anamnese terwijl de aanvullende vraag daar los van staat. Het antwoord op de aanvullende vraag zal door de deskundige, indien hij daartoe aanleiding ziet, bij zijn antwoord op vraag 1 f. kunnen worden gegeven.

6.5.2.

[geïntimeerde] stelt voor om een vraag 1 g. toe te voegen, inhoudende: “Kunt u aan de hand van de AMA-guides to the Evaluation of Permanent Impairment (6e editie), aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, aangeven welk percentage blijvende invaliditeit als gevolg van het ongeval op uw vakgebied ontstaan is? Wilt u de wijze waarop het percentage opgebouwd is zo veel mogelijk toelichten”

[appellant] heeft met name bezwaar tegen de formulering in die zin dat hij niet kan overzien welke editie het hier betreft.

Het hof zal de voorgestelde vraag onder g. met een aangepaste formulering toevoegen. Daarmede wordt tegemoetgekomen aan het bezwaar van [appellant] en wordt de vraag ook aan de neuroloog voorgelegd. Het hof heeft deze vraag in het eerste voorstel niet meegenomen nu het antwoord daarop voor de beoordeling van de onderhavige vorderingen niet van belang is. Partijen zullen evenwel mogelijk bij de verdere afwikkeling van de zaak wel belang hebben bij het antwoord op deze vraag.

Het voorstel om vervolgens vraag 1 l. aan te passen en daaraan toe te voegen “voor de mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1 g.)” wordt eveneens opgenomen.

6.5.3.

[geïntimeerde] stelt voor om onder l m. de volgende vraag te formuleren: “Is daarvoor nog behandeling op uw vakgebied nodig?”. Hiertegen heeft [appellant] geen bezwaar geformuleerd. Het hof zal deze vraag toevoegen.

6.5.4.

[geïntimeerde] stelt voor om aan de laatste vraag 3. de tussenzin toe te voegen: “binnen uw vakgebied en in het kader van de aan u verstrekte opdracht”. Dit voorstel is niet nader toegelicht. Het hof ziet geen aanleiding om deze toevoeging aan te brengen. De gevraagde opmerkingen behoeven niet op het vakgebied van de deskundige te liggen; het gaat om opmerkingen die “mogelijk” relevant kunnen zijn. Het hof gaat er bovendien vanuit dat de deskundigen niet buiten hun vakgebied treden.

6.6.

Op grond van het vorenstaande luidt de definitieve vraagstelling als volgt:

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de hoofdpijnklachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Blijvende beperkingen

g. Kunt u aan de hand van de meest recente editie van de AMA-guides to the Evaluation of Permanent Impairment, aangevuld met de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie respectievelijk voor Psychiatrie, aangeven welk percentage blijvende invaliditeit als gevolg van het ongeval op uw vakgebied ontstaan is? Wilt u de wijze waarop het percentage is opgebouwd zo veel mogelijk toelichten?

Beperkingen

h. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie

i. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

j. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

k. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

l. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de mate van functieverlies en voor de beperkingen (als bedoeld in de vragen 1 g. respectievelijk vraag 1 h.)?

m. Is daarvoor nog behandeling op uw vakgebied nodig?

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2 c. – 2 e.) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2 e.)?

3 OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

6.7.

De advocaat van [appellant] zal ervoor zorgdragen dat de deskundigen in het bezit worden gesteld van het volledige procesdossier, inclusief de stukken uit de eerste aanleg. Desgewenst kan de advocaat van [geïntimeerde] hiertoe ook overgaan.

6.8.

De deskundigen dienen eventuele nadere informatie die zij nodig hebben en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft, dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundigen worden verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen.

Het hof gaat ervan uit dat [appellant] de deskundigen desgewenst zal machtigen om relevante gegevens op te vragen bij artsen of instanties.

Indien de deskundigen voor het onderzoek gebruik maken van informatie van derden, dienen zij daarvan melding te maken in het rapport.

6.9.

Het hof wijst er voorts op dat gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, tegelijkertijd in afschrift of ter inzage worden verstrekt aan de wederpartij. Dit geldt echter niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door [appellant] , die als partij eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b, BW. [appellant] is, met het oog op de eventuele uitoefening van zijn blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door hem aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Wel dient [appellant] deze gegevens te verstrekken aan de medisch adviseur van [geïntimeerde] . Aangenomen moet immers worden dat de medisch adviseur, ook ten opzichte van [geïntimeerde] , de aldus verkregen medische informatie als hem onder zijn geheimhoudingsplicht toevertrouwd zal beschouwen en behandelen.

Indien [appellant] van zijn (mogelijke) blokkeringsrecht recht geen gebruik maakt en het deskundigenbericht ter beschikking van de wederpartij wordt gesteld, dan is hij, indien [geïntimeerde] dit verlangt of op bevel van de rechter, alsnog verplicht alle door hem aan de deskundige verschafte medische gegevens aan [geïntimeerde] in afschrift of ter inzage te verstrekken. Weigert [appellant] dit te doen, zonder dat hij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv heeft aangevoerd welke door het hof gegrond zijn geoordeeld, dan zal het hof uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht.

6.10.

Het voorschot voor de beide deskundigenberichten zal door [geïntimeerde] worden gedragen nu zij, binnen de grenzen van artikel 6:98 BW, aansprakelijk is voor alle schade die [appellant] als gevolg van het ongeval heeft geleden en zij in beginsel de redelijke kosten voor de vaststelling van de schade dient te dragen.

6.11.

Het hof biedt partijen de mogelijkheid om door tussenkomst van hun advocaat in overleg met de hierna benoemde raadsheer-commissaris te treden over de volgorde waarin de onderzoeken plaatsvinden. Partijen kunnen er mogelijk belang bij hebben om het psychiatrisch deskundigenonderzoek vooraf te laten gaan aan het neurologisch deskundigenbericht.

6.12.

In afwachting van het deskundigenonderzoek wordt iedere verdere beoordeling aangehouden.

7 De uitspraak

Het hof:

7.1.

bepaalt dat twee deskundigenonderzoeken worden verricht naar de in rechtsoverweging 6.6 van dit arrest geformuleerde vragen;

7.2.

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:

- Dr. H.J.J.A. Bernsen, neuroloog, klinisch neurofysioloog

Canisius Wilhelmina Ziekenhuis

Postbus [postbus]

[postcode] [vestigingsplaats]

Tel: [telefoonnummer]

en

- Prof. G.F. Koerselman, psychiater

[adres]

[postcode] [woonplaats]

Tel: [telefoonnummer] ;

7.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen toezendt;

7.4.

bepaalt dat [appellant] binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zal stellen en dat partijen alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

7.5.

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek beginnen nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

7.6.

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

7.7.

verzoekt aan ieder van de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

7.8.

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op twaalf maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

7.9.

wijst de deskundigen en partijen op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 6.9. is overwogen met betrekking tot het inzage- en blokkeringsrecht;

7.10.

bepaalt dat de deskundigen in hun rapporten aangeven welke medische gegevens zij hebben ontvangen, waaronder ook die welke zij weliswaar hebben ontvangen maar niet aan hun deskundig oordeel ten grondslag hebben gelegd;

7.11.

bepaalt dat de deskundigen in hun rapporten vermelden of en zo ja op welke wijze zij hebben voldaan aan hun verplichting om [appellant] in de gelegenheid te stellen mede te delen of hij van zijn inzage- en blokkeringsrecht gebruik wenste te maken;

7.12.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige Bernsen op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 6.219,40 (inclusief BTW), tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

7.13

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige Koerselman op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 6.050,00 (inclusief BTW), tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

7.14.

bepaalt dat de griffier specificaties van de voorschotten bij het afschrift van dit arrest meezendt aan de advocaten van partijen;

7.15.

bepaalt dat [geïntimeerde] de genoemd voorschotten van € 6.219,40 en € 6.050,00, derhalve € 12.269,40, zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

7.16.

verzoekt de deskundigen, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

7.17.

benoemt mr. J.M.H. Schoenmakers tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

7.18.

verwijst de zaak naar de rol van 16 oktober 2018 in afwachting van de deskundigenberichten;

7.19.

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenberichten naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenberichten aan de zijde van [appellant] ;

7.20.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 februari 2018.

griffier rolraadsheer