Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:687

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
200.173.887_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1881
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenlevingsovereenkomst met verplichting tot betaling van een uitkering door de man aan de vrouw tot aan haar 65e jaar niet geëindigd door eerder overlijden man, maar in diens nalatenschap gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0030
RFR 2018/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.173.887/01

arrest van 20 februari 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. G.J.A. van Dinter te Herten,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),

geïntimeerden,

advocaat mr. E.R.Th.A. Luijten te Heerlen,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 2 mei 2017 in het hoger beroep van het

door rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer/rolnummer C/04/127284/HA ZA 14-10 tussen partijen gewezen vonnis van 22 april 2015.

6 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 2 mei 2017;

- het proces-verbaal van de enquête van 28 juni 2017;

- het proces-verbaal van de contra-enquête van 11 oktober 2017;

- de memorie na enquête van geïntimeerden van 7 november 2017 met een productie;

- de antwoordmemorie na enquête van appellante van 5 december 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1

Bij tussenarrest van 2 mei 2017 heeft het hof geïntimeerden toegelaten tot het tegenbewijs van de voorshands bewezen geoordeelde stelling dat de verplichting tot uitkering uit hoofde van artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst is blijven bestaan na het overlijden van [erflater] waardoor deze als schuld van de nalatenschap aangemerkt dient te worden. In verband hiermee hebben geïntimeerden oud-notaris [notaris] en geïntimeerde sub 1 als getuigen doen horen. In contra-enquête zijn gehoord appellante, haar zus [zus van appellante] en haar zoon [zoon van appellante] . Alvorens op deze verklaringen in te gaan overweegt het hof het volgende.

7.2

In hun memorie na enquête hebben geïntimeerden aangevoerd dat een grammaticale uitleg van artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst geen ruimte laat voor een andere uitleg dan dat de uitkering zou eindigen bij het overlijden van [erflater] omdat de verplichting daartoe alleen geldt bij beëindiging van de samenleving ‘anders dan door overlijden’ en dus niet in geval van overlijden van [erflater] . Dit betoog faalt aangezien de samenleving niet door het overlijden van [erflater] is geëindigd maar daarvoor reeds op andere wijze. Zoals in het tussenarrest van 2 mei 2017 is geoordeeld, is de bedoeling van partijen bij het sluiten van de samenlevingsovereenkomst beslissend voor het antwoord op de vraag of de verplichting met het overlijden van [erflater] is geëindigd dan wel daarna is blijven bestaan. Daarop ziet ook de bewijslevering.

7.3

Bij memorie na enquête hebben geïntimeerden een testament overgelegd van [erflater] van 30 november 1999, dezelfde datum als die van de notariële akte waarin de samenlevingsovereenkomst is opgenomen. Dit testament, dat nadien kennelijk door andere testamenten (die niet zijn overgelegd) is achterhaald, bevat een legaat ten behoeve van appellante met vrijwel dezelfde tekst als artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst. Volgens geïntimeerden blijkt daaruit dat artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst alleen betrekking heeft op de periode tot aan het overlijden van [erflater] omdat de periode na diens overlijden door het legaat in het testament was afgedekt. Dit betoog kan geïntimeerden niet baten aangezien met evenveel recht gezegd zou kunnen worden dat met het legaat in testament de tussen partijen overeengekomen verplichting van [erflater] door hem in zijn testament werd bevestigd. Hoe dan ook: het gaat om de bedoeling van beide partijen bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst en niet om de naar zijn aard eenzijdige bepaling van [erflater] in zijn testament(en).

7.4

Het hof zal nu ingaan op de afgelegde verklaringen. Getuige [notaris] heeft onder meer het volgende verklaard:

“U houdt mij voor de brief van 26 september 2013 die als productie 12 bij dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd. Die brief heb ik geschreven en de inhoud daarvan is juist. Ik heb deze brief op verzoek van partij [appellante] geschreven. Met betrekking tot de samenlevingsovereenkomst waar het in deze procedure over gaat beroep ik mij op mijn geheimhoudingsplicht.

Op vragen van mr. Luijten antwoord ik als volgt:

Op de vraag waarom ik mij beroep op mijn verschoningsrecht terwijl ik in mijn brief in ga op de bedoeling van partijen antwoord ik dat ik in mijn brief alleen uitleg heb gegeven over artikel 5 van de overeenkomst. De strekking van die bepaling blijkt uit de bepaling zelf. Ik ga niet in op de vraag wat destijds de bedoeling van partijen was. Ik ben ongeveer 10 jaar geleden met pensioen gegaan. Het klopt dat ik in een email aan mr. Luijten heb aangegeven dat mijn geheugen sterk achteruit gegaan is en dat ik voorafgaand aan mijn pensionering veel cliënten heb zien langskomen. Ik kan echter wel, toen mij de samenlevingsovereenkomst werd voorgelegd, uitleggen wat de inhoud van artikel 5 van die overeenkomst inhield. Op de rechtsgrond voor de betalingsverplichting kan ik vanwege mijn geheimhoudingsverplichting niet ingaan.”

De relevante passages uit de brief van 26 september 2013 waar de getuige op doelt, zijn weergegeven in rechtsoverweging 4.1 onder h) van het tussenarrest van 2 mei 2017. Het hof verwijst daarnaar.

7.5

Appellante heeft als getuige onder meer verklaard:

“Artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst waar het hier over gaat is door de notaris zo geformuleerd. Voordat wij gingen samenwonen heb ik met de heer [erflater] gesproken over de financiële regeling daarvan. Onze bedoeling was dat ik financieel niet achteruit zou gaan door het samenwonen. Dat hebben wij zo aan de notaris uitgelegd. Dat was notaris [notaris] . Er is eerst een concept akte geweest. Daarin stond ook al dit zelfde artikel 5. In de tekst van dit artikel is in de eindtekst niets veranderd. Bij de voorbereiding van de akte is ter sprake geweest wat er zou gebeuren wanneer de heer [erflater] zou komen te overlijden. De bedoeling was dat de uitkering ook in dat geval zou doorgaan. Volgens de notaris was die bedoeling in de tekst van artikel 5 tot uitdrukking gebracht en bindend voor beide partijen. De heer [erflater] was het daarmee eens. Het was juist de bedoeling dat ik nooit schade zou lijden door te gaan samenwonen.”

7.6

Getuige [zus van appellante] heeft onder meer verklaard:

“De samenlevingsovereenkomst tussen mijn zus en de heer [erflater] heb ik niet gezien. Ook artikel 5 daarvan niet. Ik weet wel dat er tussen mijn zus en de heer [erflater] een afspraak is gemaakt over de financiën bij het samenwonen. Ik heb dat van heb beiden gehoord. Ik weet dat mijn zus toen recht had op een weduwepensioen. Er zijn tussen hen afspraken gemaakt dat als er iets met de heer [erflater] zou gebeuren dat mijn zus recht zou hebben op een financiële toelage tot haar pensioengerechtigde leeftijd. Ik heb geregeld met de heer [erflater] over verschillende zaken gesproken en ook hier over. Ik heb van hem gehoord dat dit ook is vastgelegd in een akte.”

7.7

Uit de verklaringen van beide andere getuigen blijkt dat zij over het onderwerp van de bewijsopdracht geen relevante wetenschap hebben, zodat deze verklaringen verder buiten beschouwing blijven.

7.8

Volgens geïntimeerden heeft oud-notaris [notaris] als getuige zijn eerdere schriftelijke verklaring ontkracht, aangezien hij niet ingaat op de bedoeling van partijen. Aan geïntimeerden kan worden toegegeven dat de getuigenverklaring van oud-notaris [notaris] op dat punt omzichtiger lijkt te zijn dan zijn brief van 26 september 2013, maar dat betekent niet dat die brief en de getuigenverklaring niet bijdragen aan het bewijs van de stelling van appellante die hier aan de orde is. De getuige heeft de juistheid van zijn brief bevestigd en de betekenis van de zinsnede daarin over de bedoeling van partijen (“De bedoeling van partijen is geweest dat deze uitkering niet eindigt bij overlijden van de Heer [erflater] .”) in die zin toegelicht dat hij beoogd heeft daarmee artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst uit te leggen. Daarmee heeft de getuige naar het oordeel van het hof niets teruggenomen van de kern van zijn schriftelijke verklaring. In ieder geval is uit diens getuigenverklaring op geen enkele wijze af te leiden dat partijen destijds enige andere bedoeling hebben gehad dan dat de verplichting tot uitkering zou voortduren na het overlijden van [erflater] . Dat artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst deze strekking heeft, wordt bevestigd door de verklaring van getuige [zus van appellante] . Het hof ziet in de familierelatie tussen deze getuige en appellante geen grond om, zoals geïntimeerden betogen, te twijfelen aan de geloofwaardigheid van haar verklaring. Daarvoor hebben geïntimeerden trouwens ook geen concrete redenen aangevoerd. De verklaring van appellante zelf, ten slotte, bevestigt eveneens dat de verplichting niet eindigde met het overlijden van [erflater] . Voor haar verklaring geldt op zich de beperking van artikel 164 lid 2 Rv maar het vereiste aanvullend bewijs is in de verklaringen van de getuigen [notaris] en [zus van appellante] voorhanden.

7.9

Ten aanzien van de bewijslevering komt het hof tot de conclusie dat geïntimeerden er, gelet ook op het door appellante geleverde nader bewijs, niet in zijn geslaagd het gevraagde tegenbewijs te leveren. Appellante heeft haar stelling bewezen dat de verplichting tot uitkering uit hoofde van artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst is blijven bestaan na het overlijden van [erflater] waardoor deze als schuld van de nalatenschap aangemerkt dient te worden. Dit betekent dat haar grieven slagen; deze behoeven geen afzonderlijke bespreking.

7.10

Aansluitend bij hetgeen hierover in het tussenarrest van 2 mei 2017 is overwogen, is de slotsom dat het eindvonnis van 22 april 2015 dient te worden vernietigd met toewijzing van de vordering van appellante en met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties.

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het eindvonnis van 22 april 2015 en, opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de vordering van appellante ( [appellante] ) tot betaling van een maandelijks bedrag gelijk aan de uitkering die appellante zou ontvangen in het kader van de Algemene Nabestaandenwet behoort tot de schulden van de nalatenschap van de heer [erflater] overleden op [datum overlijden erflater] 2011 en dat geïntimeerden ( [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , als vereffenaars van de nalatenschap) gehouden zijn de vordering van [appellante] te erkennen en in het kader van de vereffening van de nalatenschap met inachtneming van de wettelijke bepalingen en rangorde te betalen;

veroordeelt geïntimeerden in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van appellante begroot op € 98,73 aan kosten dagvaarding, op € 274,= aan griffierecht en op € 904,= aan salaris advocaat in eerste aanleg, en op € 98,13 aan kosten dagvaarding, € 311,= aan griffierecht en op € 2.682,= aan salaris advocaat, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot aan de voldoening en wat betreft de nakosten met € 130,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en A.A.E. Dorsman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 februari 2018.

griffier rolraadsheer