Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:686

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
20-001602-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2788
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor het medeplegen van een overval op een juwelier te Breda, voor bedreiging van drie agenten door een vuurwapen te tonen, carjacking (diefstal van een auto, door geweld te gebruiken) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie veroordeeld tot gevangenisstraf van 5 jaar en 8 maanden. Daarbij is ook rekening gehouden met schending van de redelijke termijn.

Anders dan de rechtbank spreekt het hof vrij van de ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel zware mishandeling van de drie verbalisanten. Het hof acht niet bewezen dat er is geschoten, mede gelet op het feit dat er geen redengevende forensisch technische bewijsmiddelen zijn die de verklaringen van de verbalisanten en de getuigen op dat punt ondersteunen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 312
Wet wapens en munitie 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001602-15

Uitspraak : 19 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-800507-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

thans gedetineerd in PI Heerhugowaard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat:

 het gerechtshof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen,

 opnieuw rechtdoende het onder 1, 2, 3 onder A (medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag op [verbalisant 1] , meermalen gepleegd), 3 onder C (medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [verbalisant 1] ), 4 primair (medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag op [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , meermalen gepleegd) en 5 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en

 de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft zich voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen op het standpunt gesteld dat:

 de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 6.203,39;

 de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] kan worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 2.735,97;

 de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1] à € 1.250,00 volledig kan worden toegewezen;

 de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2] à € 750,00 volledig kan worden toegewezen;

 de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3] à € 750,00 volledig kan worden toegewezen,

telkens hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en toepassing van vervangende hechtenis.

Namens de verdachte is:

 geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring van

- het onder 1 ten laste gelegde (de overval op de juwelier), voor zover het gaat om de handelingen achter het eerste tot en met vijfde, het zevende, achtste en tiende gedachtestreepje;

- het onder 2 ten laste gelegde;

- het onder 3 C ten laste gelegde;

- het onder 4 meer subsidiair ten laste gelegde;

- het onder 5 ten laste gelegde;

 vrijspraak bepleit van

- het onder 1 ten laste gelegde, voor zover het gaat om de gedachtestreepjes zes en negen;

- het onder 3 onder A, en B ten laste gelegde;

- het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde;

 verweer gevoerd tegen de vorderingen van de benadeelde partijen;

 een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 30 mei 2014 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een (juweliers)winkel/(juweliers)zaak (gelegen aan de [straat] [nummer] ) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid (gouden) sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), terwijl hij/zij (een) bivakmuts(en) op had(den) en/of handschoen(en) aan had(den),

 de deur van de winkel/zaak heeft/hebben ingetrapt/ingeramd/ingeslagen (met een zgn. bonkie/breekijzer) en/of

 een zgn. bonkie/breekijzer, zichtbaar voor die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 3] , in (een) zijner/hunner handen heeft/hebben gehouden en/of

 alle/een aantal vitrines kapot heeft/hebben geslagen en/of gestoten en/of

 meermalen, althans eenmaal, (een) vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) op (het/de hoofd(en) en/of de buik(en), althans het/de licha(a)m(en) van) die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 3] heeft/hebben gericht en/of heeft/hebben gericht gehouden en/of

 die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 3] , meermalen, althans eenmaal, - zakelijk weergegeven - de woorden heeft/hebben toegevoegd: "waar is de kluis" en/of "dat die [benadeelde partij 1] zijn dochter(s) naar achter moest brengen, omdat er anders doden zouden vallen" en/of "dat ze naar achter moesten gaan" en/of "Deze pistool is geladen en wollah ik ga schieten als jullie niet gaan luisteren wollah", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

 meermalen, althans eenmaal (te Hank, gemeente Werkendam, en/of te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, en/of te Meerkerk, gemeente Zederik, en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland), (een) schot/schoten heeft/hebben gelost naar/in de richting van die [verbalisant 1] , en/of

 meermalen, althans eenmaal (te Hank, gemeente Werkendam, en/of te Meerkerk, gemeente Zederik, en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland), een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond aan die [verbalisant 1] en/of

 meermalen, althans eenmaal, te Nieuwland, gemeente Zederik, in elk geval in Nederland, een of meer (zwa(a)r(e), gr(o)ot(e)) goed(eren) (vanuit een rijdende auto) (op de weg) heeft/hebben gegooid (terwijl die [verbalisant 1] achter die rijdende auto op een motor reed) en/of

 meermalen, althans eenmaal te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, in elk geval in Nederland, (een) schot/schoten heeft/hebben gelost naar/in de richting van die [verbalisant 2] en die [verbalisant 3] en/of

 meermalen, althans eenmaal te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, in elk geval in Nederland, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond aan die [verbalisant 2] en die [verbalisant 3] ;

2.
hij op of omstreeks 30 mei 2014 te Meerkerk, gemeente Zederik, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto ( [merk] [type] , [kenteken] ) , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4] in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

 de deur(en) van die auto heeft/hebben open getrokken/gemaakt en/of

 die [benadeelde partij 4] (met kracht) (met een hard voorwerp) tegen zijn gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt/ gestoten en/of

 die [benadeelde partij 4] uit die auto heeft/hebben getrokken en/of

 (een) vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), zichtbaar voor die [benadeelde partij 4] in zijn/hun hand(en) heeft/hebben gehouden;

3A
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 30 mei 2014 te Hank, gemeente Werkendam, en/of te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, en/of te Meerkerk, gemeente Zederik, en/of te Nieuwland, gemeente Zederik, en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [verbalisant 1] van het leven te beroven, met dat opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

 meermalen, althans eenmaal (vanuit een rijdende auto) (een) schot/schoten heeft/hebben gelost naar/in de richting van die [verbalisant 1] en/of

 meermalen, althans eenmaal, een of meer (zwa(a)r(e), gr(o)ot(e)) goed(eren) (vanuit een rijdende auto) (op de weg) heeft/hebben gegooid (terwijl die [verbalisant 1] achter die rijdende auto op een motor reed)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(welk(e) vorenomschreven poging(en) doodslag (telkens) werd(en) gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld gepleegd in vereniging van een (grote) hoeveelheid (gouden) sieraden, in elk geval enig goed, en welke poging(en) doodslag (telkens) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren);

en/of

3B
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 30 mei 2014 te Hank, gemeente Werkendam, en/of te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, en/of te Meerkerk, gemeente Zederik, en/of te Nieuwland, gemeente Zederik, en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

 meermalen, althans eenmaal (vanuit een rijdende auto) (een) schot/schoten heeft/hebben gelost naar/in de richting van die [verbalisant 1] en/of

 meermalen, althans eenmaal, een of meer (zwa(a)r(e), gr(o)ot(e)) goed(eren) (vanuit een rijdende auto) (op de weg) heeft/hebben gegooid (terwijl die [verbalisant 1] achter die rijdende auto op een motor reed)

en/of


3C
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 30 mei 2014 te Hank, gemeente Werkendam, en/of te Nieuwendijk en/of te Meerkerk en/of te Nieuwland en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

 meermalen, althans eenmaal (vanuit een rijdende auto) (een) schot/schoten gelost naar/in de richting van die [verbalisant 1] en/of

 meermalen, althans eenmaal, (een) vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapens gelijkend(e) voorwerp(en), zichtbaar voor die [verbalisant 1] , in zijn/hun hand(en) gehouden;

4.
hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 30 mei 2014 te Niewendijk, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] van het leven te beroven, met dat opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

 meermalen, althans eenmaal (vanuit een rijdende auto) (een) schot/schoten heeft gelost naar/in de richting van die [verbalisant 2] en/of die [verbalisant 3]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(welke vorenomschreven poging(en) doodslag (telkens) werd(en) gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld gepleegd in vereniging van een (grote) hoeveelheid (gouden) sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s) en welke poging(en) doodslag (telkens) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren);

Subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:


hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 30 mei 2014 te Nieuwendijk, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

 meermalen (vanuit een rijdende auto) (een) schot/schoten heeft/hebben gelost naar/in de richting van die [verbalisant 2] en/of die [verbalisant 3] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 30 mei 2014 te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

 meermalen, althans eenmaal, (vanuit een rijdende auto) een schot/schoten gelost naar/in de richting van die [verbalisant 2] en/of die [verbalisant 3] en/of

 (een) vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapens gelijkend(e) voorwerp(en), zichtbaar voor die [verbalisant 2] en/of die [verbalisant 3] , in zijn/hun handen(en) gehouden;


5.
hij op of omstreeks 30 mei 2014 te Breda en/of te Hank en/of te Meerkerk, en/of te Nieuwland en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Wet wapens en munitie, categorie III, te weten een (semi automatisch) pistool (FEG ARMS, kal. 9 mm) en/of munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 Wet wapens en munitie, categorie III, te weten negen, althans een aantal, (volmantel)patronen (Sellier & Bellot, 9 mm), voorhanden heeft/hebben gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

1.

Het hof zal, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, de verdachte vrijspreken van het hem onder 3 A, 3 B, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde. Het hof overweegt daartoe het navolgende.

2.

Onder 3 A is – zakelijk weergegeven – aan de verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot (gekwalificeerde) doodslag op verbalisant [verbalisant 1] , door een- of meermalen, al dan niet vanuit een rijdende auto, een of meer schoten naar of in de richting van die verbalisanten te lossen en door vanuit een rijdende auto (zware, grote) goederen op de weg te gooien, terwijl verbalisant [verbalisant 1] op een motor achter die auto reed.

Onder 3 B zijn deze handelingen ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling van de hiervoor genoemde verbalisanten.

Onder 4 primair is – zakelijk weergegeven – aan de verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot (gekwalificeerde) doodslag op de verbalisanten [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] , door een- of meermalen, al dan niet vanuit een rijdende auto, een of meer schoten naar of in de richting van die verbalisanten te lossen.

Onder 4 subsidiair is deze handeling ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling van de hiervoor genoemde verbalisanten.

3.

Het hof zal eerst ingaan op de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat er is geschoten.

4.

Het hof stelt voorop dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachten na de overval te Breda op juwelier [naam] in een personenauto van het merk [merk] , type [type] , voorzien van het kenteken [kenteken] , via de autosnelwegen A58/A59 en A16 naar de A27 zijn gereden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op de dienstmotor de achtervolging ingezet. Op de A27 hebben verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] zich in hun dienstvoertuig bij de achtervolging gevoegd. Verbalisant [verbalisant 3] trad daarbij op als bestuurder van het dienstvoertuig, verbalisant [verbalisant 2] was de bijrijder. Alle drie de verbalisanten waren in opvallend uniform gekleed.

5.1

Ten aanzien van het daarop volgende feitencomplex zijn verschillende gebeurtenissen te onderscheiden. Meer specifiek gaat het om de vraag wat zich heeft afgespeeld (1) tijdens de autorit van Breda, via Hank en Nieuwkerk, naar de rotonde te Meerkerk, (2) op de rotonde te Meerkerk en (3) tijdens de vlucht vanaf die rotonde naar de plaats (Nieuwland) waar de verdachten zijn aangehouden.

5.2

Verdachte [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij weliswaar met het vuurwapen op de verbalisanten heeft gericht, maar dat hij niet heeft geschoten. Hij heeft met zijn arm terugslagbewegingen gemaakt, om de indruk te wekken dat hij wel schoot, zodat de verbalisanten daarvan zouden schrikken en de achtervolging zouden staken.

5.3

Uit de voorhanden zijnde verklaringen van de verbalisanten en andere getuigen zou kunnen worden afgeleid dat op de momenten (1) en (2) verschillende keren zou zijn geschoten. Het hof stelt echter ook de volgende contra-indicaties vast.

Het hof constateert dat de verklaringen die zijn afgelegd gedurende het onderzoek van de getuigen ten aanzien van de gebeurtenissen op de A27, tijdens de autorit van Breda, via Hank en Nieuwkerk, naar de rotonde te Meerkerk, op wezenlijke onderdelen verschillend zijn. Zo hebben de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] uiteenlopend verklaard over:

 de vraag hoe vaak er zou zijn geschoten: verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat er twee maal een vuurwapen op hem is gericht. De eerste keer heeft hij meermalen een terugslagbeweging gezien, maar hij kan zich niet herinneren of de tweede keer is geschoten. De getuige [getuige 1] spreekt in zijn verklaring bij de politie eveneens over twee schietmomenten. Bij het eerste moment werd er veelvuldig, repeterend, geschoten. Hij had het idee dat 'het wapen in een keer werd leeg getrokken'. Bij het tweede moment heeft hij de motoragent in elk geval drie keer zien duiken. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij verklaard dat hij tijdens het eerste moment ongeveer vijf schoten heeft waargenomen.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard dat zij zag dat de loop van een vuurwapen op haar en haar collega [verbalisant 2] werd gericht en dat het wapen een slagbeweging naar boven maakte. Zij herkende deze beweging ambtshalve als een terugslag van het afvuren van een wapen. Verbalisant [verbalisant 2] heeft geverbaliseerd dat er twee à drie maal op hem en zijn collega [verbalisant 3] werd geschoten;

 het horen van het geluid van schoten: alleen de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij een heel licht geluid heeft gehoord;

 het ruiken van kruitdampen: de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben daar wel over verklaard, maar de verbalisanten hebben niet verklaard dat zij de geur van kruitdampen hebben waargenomen;

 het zien van eventuele andere aanwijzingen voor het afvuren van een vuurwapen, zoals bijvoorbeeld mondingsvuur. Alleen verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij rookpluimpjes c.q. kruitdampen bij het vuurwapen heeft gezien.

In geen van de verklaringen wordt melding gemaakt van het uitwerpen van hulzen.

Het hof plaatst daarbij tevens de kanttekening dat de geschetste omstandigheden bij de achtervolging op de snelweg, waarbij op klaarlichte dag, tussen overig verkeer, wisselend van rijstroken en met zeer hoge snelheden – volgens verbalisant [verbalisant 1] tot meer dan 200 kilometer per uur – werd gereden, van grote invloed kunnen zijn geweest op het waarnemingsvermogen van de verbalisanten en de getuigen. Op basis van de voorhanden zijnde stukken valt bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat de kruitdampen waarover de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben gesproken, een andere herkomst hebben, temeer niet nu de verbalisanten daarover niet hebben verklaard.

Ook voor wat betreft de gebeurtenissen op de rotonde te Meerkerk lopen de verklaringen uiteen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben verklaard dat zij geluiden hebben gehoord die zij hebben herkend als schoten, maar verbalisant [verbalisant 2] is daarvan niet zeker en de getuige [benadeelde partij 4] , die ook op die rotonde was en zich, als eigenaar van de gekaapte bestelauto, in de directe nabijheid van de verdachten bevond, heeft geen schoten gezien of gehoord. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij schat dat er vijf à zes keer, gelijk achter elkaar, is geschoten, terwijl verbalisant [verbalisant 3] heeft gesproken over twee schoten.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Naar aanleiding van de verklaring van de getuige [getuige 1] heeft op 7 juni 2014 een zoeking plaatsgevonden op en nabij de A27, in noordelijke richting, ter hoogte van de Keizersveerbrug (pg. 284 eindproces-verbaal). Op dat traject zou twee maal op verbalisant [verbalisant 1] zijn geschoten. Gezocht is vanaf de wegbewijzeringsborden voor de brug tot aan de borden na de brug. Daarbij is ook gezocht op het fietspad, in de berm tussen het fietspad en de vluchtstrook, op beide rijbanen en op beide vluchtstroken. Bij de zoeking zijn twee voorwerpen in beslag genomen, te weten een telefoon en een metalen voorwerp, naar later bleek mogelijk een deel van een klinknagel of soortgelijk voorwerp (pg. 82 proces-verbaal forensisch technisch onderzoek). Er werden verder geen sporen of aanwijzingen gevonden die in relatie met een schietincident konden worden gebracht (pg. 79-80 proces-verbaal forensisch technisch onderzoek).

De [merk] [type] met het kenteken [kenteken] is bij het rechter voorportier zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde bemonsterd met schotrestenfolies. De schotrestenfolies zijn bij het NFI onderzocht. Het onderzoek heeft geen relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van het rechterportier en een schietproces. Over de vraag of er in of vanuit de auto is geschoten, kon het NFI geen uitspraak doen.

Op 30 mei 2014 werd op de [straat] te Nieuwland, in de directe nabijheid van de plaats waar de verdachten zijn aangehouden, een vuurwapen veiliggesteld. Het ging om een semi automatisch pistool van het merk FEG.

Op de locaties waar de verdachte(n) in de visie van het openbaar ministerie zou(den) hebben geschoten, zijn geen hulzen aangetroffen. Op de stubs waarmee delen van de mouwen van de jas van verdachten zijn bemonsterd zijn schotresten aangetroffen die een vrijwel zekere relatie tonen met een schietproces (NFI rapport 2 sept 2014, pag. 457). In deze zaak is er echter geen referentiemateriaal beschikbaar van het incident, bijvoorbeeld bemonsteringen van aangetroffen hulzen, vuurwapen(s) of bemonsteringen van inschotbeschadigingen. Er kan daardoor geen uitspraak worden gedaan over de mogelijke relatie tussen de aangetroffen schotresten en het incident (NFI rapport 26 februari 2015).

Tijdens het ontladen nam de verbalisant waar, dat na het verwijderen van de patroonhouder een losse patroon uit het wapen viel en dat zich in de kamer van het vuurwapen een patroon bevond. In de patroonhouder zaten zeven patronen, zodat in totaal negen patronen uit het vuurwapen werden gehaald (pg. 351 eindproces-verbaal). Bij nader onderzoek bleek dat in totaal vijftien patronen in het vuurwapen kunnen worden geplaatst (pg. 356 eindproces-verbaal).

Het hof is van oordeel dat, uitgaande van de verklaringen van de verbalisanten en de getuigen, het in de rede ligt dat er meer kogels zouden zijn afgevuurd dan er bij onderzoek aan het wapen bleken te ontbreken. Het hof voegt daaraan nog toe dat verbalisant [verbalisant 1] weliswaar heeft verklaard dat hij op de rotonde twee vuurwapens heeft gezien en dat aangever [benadeelde partij 4] heeft verklaard dat alle vier de verdachten naar zijn idee vuurwapens bij zich droegen, maar dat het hof geen aanwijzingen heeft bekomen dat de verdachten daadwerkelijk meer dan één vuurwapen hebben gehad of gebruikt. Ook van de aanwezigheid van een extra patroonhouder is het hof niet gebleken.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) geschetste scenario op basis van de voorhanden zijnde stukken niet kan worden weerlegd. Mede gelet op het feit dat er geen redengevende forensisch technische bewijsmiddelen zijn die de verklaringen van de verbalisanten en de getuigen ondersteunen, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat op enig moment daadwerkelijk schoten zijn gelost.

Aldus heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 A, 3 B, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, voor zover dat betrekking heeft op het schieten.

5.4

Het eenmaal of meermalen lossen van schoten naar of in de richting van verbalisant [verbalisant 1] en verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] is eveneens opgenomen als handeling onder 1, achter het zesde respectievelijk het negende gedachtestreepje. Onder 3 C en onder 4 meer subsidiair is, als verfeitelijking van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, bij het eerste gedachtestreepje eveneens het verwijt opgenomen dat de verdachten, al dan niet vanuit een rijdende auto, een of meer schoten naar of in de richting van die verbalisanten hebben gelost.

Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof de verdachte eveneens vrijspreken van hetgeen hem onder 1, achter het zesde en negende gedachtestreepje, onder 3 C, eerste gedachtestreepje en onder 4 meer subsidiair, eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd.

5.5

Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje bij het onder 3A en 3B ten laste gelegde, kort gezegd het gooien van goederen op de weg, overweegt het hof het volgende.

[verdachte] (hierna: [verdachte] ) heeft verklaard dat hij een aantal goederen, te weten zakken hondenvoer en een reservewiel, uit de laadbak van de [merk] [type] op de weg heeft gegooid of geduwd. Hij heeft verder verklaard dat hij er daarmee voor wilde zorgen dat verbalisant [verbalisant 1] de achtervolging zou staken, maar dat hij de verbalisant niet wilde doden of verwonden.

Het hof moet vervolgens de vraag beantwoorden of de verdachten, al dan niet in voorwaardelijke vorm, opzet hebben gehad op het teweegbrengen van de dood van of het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij verbalisant [verbalisant 1] , zoals ten laste is gelegd.

Vooropgesteld moet worden dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood of zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Het hof overweegt als volgt.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft – voor zover thans relevant – het volgende verklaard:

Ik zag dat de auto in de richting van Nieuwland reed. Ik ben achter de bestelauto aan gereden. Ik schat de afstand tussen mij en de bestelauto op 50 à 60 meter en de snelheid van de bestelauto op 70 à 100 km/u. Ik zag dat de achterdeuren van de bestelauto opengingen en dat er spullen uit de auto werden gegooid. Ik heb een grote zak en een (naar het hof begrijpt:) reservewiel gezien. Ik zag twee personen in de laadruimte zitten. Ik heb de afstand tussen mij en de bestelauto vergroot zodat de kans dat ik zou worden geraakt, minimaal zou zijn. Ik moest een zak ontwijken en een reservewiel rolde naar de berm.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen opgenomen dat hij zag dat een manspersoon, gekleed in donkere kleding, twee zakken en een autowiel uit de achterklep van de bestelauto op de weg gooide. Hij zag dat deze goederen in de berm belandden en geen van de collega's of hun voertuigen raakten.

Naar het oordeel van het hof zijn de in de hiervoor bedoelde verklaringen geschetste omstandigheden, waaronder de afstand tussen de bestelauto en de motor van verbalisant [verbalisant 1] , onvoldoende om te kunnen spreken van een naar ervaringsregels 'aanmerkelijke' kans op het intreden van de dood van of het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij verbalisant [verbalisant 1] . Van bijzondere, risicoverhogende, omstandigheden is het hof niet gebleken. Het hof zal de verdachte om die reden eveneens vrijspreken van het tweede gedachtestreepje bij het onder 3A en 3B ten laste gelegde.

5.6

Conclusie

Het hof spreekt – kort samengevat – de verdachte vrij van:

- het onder 3 A, 3 B, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde;

- het onder 1, achter het zesde en negende gedachtestreepje, ten laste gelegde;

- het onder 3 C, eerste gedachtestreepje ten laste gelegde en

- het onder 4 meer subsidiair, eerste gedachtestreepje ten laste gelegde.

5.7

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen van het lossen van een of meer schoten, zoals ten laste is gelegd, over te gaan tot een reconstructie, althans een proef te laten uitvoeren (in een windtunnel), teneinde de verklaringen van de verbalisanten en de getuigen over wat zij hebben gezien, gehoord en geroken nader te toetsen.

Gelet op de hiervoor gemotiveerde vrijspraken komt het hof aan een beoordeling van dat voorwaardelijk gedane verzoek niet toe.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 C, 4 meer subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 30 mei 2014 te Breda tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een juwelierswinkel (gelegen aan de [straat] [nummer] ) heeft weggenomen een grote hoeveelheid (gouden) sieraden toebehorende aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen [benadeelde partij 1] en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders, terwijl zij bivakmutsen op hadden en handschoenen aan hadden,

 de deur van de winkel heeft ingetrapt en

 een zgn. bonkie, zichtbaar voor die [benadeelde partij 2] , in een hunner handen gehouden en

 vitrines kapot heeft geslagen en

 meermalen een vuurwapen op de lichamen van die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] en die [benadeelde partij 3] heeft gericht en

 die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] en die [benadeelde partij 3] de woorden heeft toegevoegd: "waar is de kluis" en dat “die [benadeelde partij 1] zijn dochter naar achter moest brengen, omdat er anders doden zouden vallen" en dat “ze naar achter moesten gaan” en "Deze pistool is geladen en wollah ik ga schieten als jullie niet gaan luisteren wollah" en

 meermalen in Nederland een vuurwapen heeft/hebben getoond aan die [verbalisant 1] en

 in Nederland zware, grote goederen vanuit een rijdende auto op de weg heeft/hebben gegooid (terwijl die [verbalisant 1] achter die rijdende auto op een motor reed) en

 te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, een vuurwapen heeft getoond aan die [verbalisant 2] en die [verbalisant 3] ;

2.
hij op 30 mei 2014 te Meerkerk, gemeente Zederik, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto ( [merk] [type] , [kenteken] ), toebehorende aan [benadeelde partij 4] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededaders

 de deuren van die auto heeft open getrokken en

 die [benadeelde partij 4] met kracht tegen zijn gezicht/hoofd heeft gestompt/gestoten en

 die [benadeelde partij 4] uit die auto heeft getrokken;

3C.
hij op tijdstippen op 30 mei 2014 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend

 meermalen een vuurwapen, zichtbaar voor die [verbalisant 1] , in hun handen gehouden;

4.

hij op 30 mei 2014 te Nieuwendijk tezamen en in vereniging met anderen [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend:

 een vuurwapen, zichtbaar voor die [verbalisant 2] en die [verbalisant 3] , in hun handen gehouden;

5.
hij op 30 mei 2014 te Breda en te Hank en te Meerkerk en te Nieuwland tezamen en in vereniging met anderen een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Wet wapens en munitie, categorie III, te weten een semi automatisch pistool (FEG ARMS, kal. 9 mm) en munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 Wet wapens en munitie, categorie III, te weten negen volmantelpatronen (Sellier & Bellot, 9 mm), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In het kader van de leesbaarheid zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Het hof overweegt als volgt. Ten behoeve van de leesbaarheid is de bewijsoverweging in chronologische volgorde – en aldus niet geheel in lijn met de volgorde van de ten laste gelegde feiten – opgezet.

De overval

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] op 30 mei 2014 juwelier ‘ [naam] ’ aan de [straat] te Breda zijn binnengedrongen en deze hebben overvallen. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij witte handschoenen droeg, het vuurwapen hanteerde en de in de winkel aanwezige personen bedreigde en zei dat ze naar achteren moesten lopen. Deze verklaring vindt steun in het proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat de persoon die de deur intrapte witte handschoenen droeg en een vuurwapen in zijn hand had (pg. 381). Aangeefster [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat de persoon die de deur intrapte een vuurwapen in zijn hand had en dit op haar ouders en haar richtte en dat hij zei dat het vuurwapen was geladen en dat hij zou schieten als zij niet zouden luisteren (pg. 95). [benadeelde partij 1] verklaarde dat de man met het vuurwapen zei dat hij zijn dochter naar achteren moest brengen en dat er anders doden zouden vallen (pg. 73). [benadeelde partij 2] verklaarde dat de man met het vuurwapen haar man (het hof begrijpt: [benadeelde partij 1] ) met twee handen duwde. [medeverdachte 1] heeft dit ter terechtzitting in hoger beroep bekend. Uit het voorgaande leidt het hof af dat medeverdachte [medeverdachte 1] de deur van de winkel heeft ingetrapt, de in de winkel aanwezige eigenaren [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en diens dochter [benadeelde partij 3] zowel woordelijk als met het vuurwapen heeft bedreigd, en [benadeelde partij 1] heeft geduwd.

[verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vooraf afspraken heeft gemaakt over het plegen van een overval op een juwelier op 30 mei 2014 in Breda. Hij verklaarde dat hij tassen, een stormram, handschoenen en een bivakmuts had meegenomen. Hij verklaarde dat hij de scooter bestuurde waarmee zij naar de juwelier reden en dat hij in de juwelier vitrines kapot heeft geslagen en sieraden heeft weggenomen. [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat een persoon een ketting van zijn nek wilde trekken en vroeg waar de kluis was (pg. 73). [verdachte] heeft verklaard dat hij de persoon was die de ketting van de nek van [benadeelde partij 1] wilde trekken.

[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met [medeverdachte 1] en [verdachte] een plan had beraamd op 30 mei 2014 een overval te plegen in Breda. Hij verklaarde dat hij voor het vuurwapen en de chauffeur ( [medeverdachte 3] ) heeft gezorgd en dat hij handschoenen had meegenomen. Hij verklaarde dat hij als tweede persoon de juwelier binnenging en een stormram mee naar binnen nam en sieraden heeft weggenomen. De stormram is ook gezien door aangeefster [benadeelde partij 2] (pg. 84). [medeverdachte 2] verklaarde voorts dat hij op de terugweg de bestuurder van de scooter was en dat hij riep dat de stormram moest worden meegenomen.

[medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens op de scooter vertrokken na het wegnemen van een zeer grote hoeveelheid sieraden. Zo heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat 90% van zijn sieraden zijn weggenomen (pg. 74). Zij zijn vervolgens met de scooter naar de plek gereden waar [medeverdachte 3] met de vluchtauto op hen wachtte.

Naar het oordeel van het hof staat op grond van het voorgaande onomstotelijk vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Zij hebben gezamenlijk het plan beraamd de juwelier te overvallen en hebben zowel voor als tijdens de overval intensief samengewerkt. Zij zijn met de scooter naar de juwelier gereden, waren lijfelijk aanwezig in de juwelierswinkel tijdens de overval en zijn op de scooter gevlucht. Bovendien was er sprake van een onderlinge taakverdeling waarbij elke verdachte een duidelijke rol had, zowel bij de voorbereiding als bij de feitelijke uitvoering van de overval. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging de overval hebben gepleegd en dat [medeverdachte 3] daarbij – door hen te brengen, in de vluchtauto te wachten en vervolgens terug te rijden – behulpzaam is geweest.

De wetenschap van het vuurwapen

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte] vanaf het moment dat hij op 30 mei 2014 uit Amsterdam naar Breda vertrok om daar een overval te plegen, tezamen en in vereniging met anderen een vuurwapen voorhanden heeft gehad. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het vuurwapen enkele dagen voor de overval van een kennis heeft geleend. Hij verklaarde dat hij de nacht voor de overval met het wapen in het park heeft geschoten en het vóór de rit naar Breda aan [medeverdachte 1] heeft overhandigd. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het vuurwapen vlak voor het vertrek naar Breda van [medeverdachte 2] overhandigd heeft gekregen en dat hij de enige is geweest die het wapen in zijn handen heeft gehad. Hij verklaarde dat hij wist dat het een echt vuurwapen was. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat er een vuurwapen zou worden meegenomen naar de overval omdat dit van tevoren was besproken. Hij verklaarde dat hij wist dat [medeverdachte 1] het vuurwapen zou hanteren en dat hij het vuurwapen in de auto op de heenweg naar Breda voor het eerst heeft gezien. Voorts blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de overval dat tijdens de overval door [medeverdachte 1] een vuurwapen is gebruikt en op de plaats waar de verdachten zijn aangehouden is een semi automatisch vuurwapen aangetroffen (pg. 353).

De bedreigingen op de snelweg en op de rotonde

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 1] na de overval tijdens de vlucht voor de politie verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] met dit vuurwapen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. [verbalisant 1] heeft bij gelegenheid van zijn aangifte verklaard dat hij op de rijksweg A27 achter de [merk] [type] aan reed en optische- en geluiddsignalen had aangezet en een stopteken gaf. Hij zag dat de auto op de vluchtstrook versnelde tot een snelheid boven de 200 km/u en dat er een hand met een lichtgekleurde of witte handschoen uit het raam van het bijrijdersportier stak met een zwartkleurig vuurwapen. Hij keek recht in de loop en zag het vuurwapen meerdere malen een terugslagbeweging maken. Even later hoorde hij op zijn mobilofoon collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] roepen dat er werd geschoten. Hierop zag hij dat er nogmaals vanuit het raam van het bijrijdersportier van de [merk] [type] een zwartkleurig vuurwapen op hem werd gericht. Hij zag dezelfde lichtkleurige handschoen en keek wederom recht in de loop. [verbalisant 1] zag op de rotonde bij Meerkerk dat de vier verdachten uitstapten en dat de bestuurder met een vuurwapen in de hand met uitgestrekte arm op hem af kwam gerend. [verbalisant 1] keek recht in de loop, zag een beweging in de pols van de rechterhand van de bestuurder en dat hij deze beweging meerdere malen herhaalde (pg. 254-257).

[verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij zag dat uit het raam van het bijrijdersportier van de [merk] [type] een zwartkleurig vuurwapen op collega [verbalisant 3] en hem werd gericht. Hij zag dat het vuurwapen werd vastgehouden door een hand met een witte handschoen. Hij zag dat het vuurwapen een terugslag gaf. Hij zag de hand en arm meermalen naar achteren bewegen (pg. 264).

[verbalisant 3] heeft gerelateerd dat zij zag dat er een hand met een witte handschoen uit het raam van het bijrijdersportier van de [merk] [type] verscheen. Zij zag dat de persoon een vuurwapen vast had en dit op collega [verbalisant 2] en haar richtte. Zij zag de loop van het vuurwapen. Zij zag de beweging van een vuurwapen dat afvuurt (pg. 266).

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] tijdens de vlucht bijrijder was van de [merk] [type] . [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij tijdens de vlucht voor de politie op de snelweg meermalen met het vuurwapen op de hem achtervolgende agenten heeft gericht. Hij wilde angst bezorgen bij de agenten en zorgen dat zij afstand van hen namen. Hij verklaarde dat hij terugslagbewegingen met het vuurwapen maakte. Voorts verklaarde [medeverdachte 1] dat hij op de rotonde na de afrit te Meerkerk uit de [merk] [type] is gestapt omdat de auto een klapband had gekregen en dat hij met het vuurwapen naar de achtervolgende motoragent wees. De agent nam afstand en ging achter zijn motor zitten.

Uit het voorgaande blijkt dat het de bijrijder van de [merk] [type] , medeverdachte [medeverdachte 1] , is geweest die tijdens de vlucht na de overval op de snelweg verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] met het vuurwapen heeft bedreigd. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij door met het vuurwapen terugslagbewegingen in de richting van de achtervolgende agenten te maken, naar uiterlijk vertoon de kracht die tijdens het afvuren van een vuurwapen op het wapen wordt uitgeoefend, heeft nagebootst. Naar het oordeel van het hof kon onder deze omstandigheden bij de verbalisanten zonder meer de redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zouden verliezen en is aldus sprake van een strafbare bedreiging.

Naar het oordeel van het hof moet ervan worden uitgegaan dat verbalisant [verbalisant 1] en getuige [benadeelde partij 4] zich voor wat betreft de persoon die het vuurwapen op de rotonde op [verbalisant 1] heeft gericht, gezien de hectische situatie op de rotonde hebben vergist. Het hof gaat op dat punt uit van de lezing van medeverdachte [medeverdachte 1] , inhoudende dat hij de enige is geweest die het vuurwapen heeft gehanteerd, zowel tijdens de overval als op de snelweg en de rotonde.

Het hof stelt bij de vraag of sprake is van medeplegen van voornoemde bedreigingen voorop dat in een geval als het onderhavige, waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, geenszins is uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien – in het onderhavige geval: in het kader van het medeplegen van de overval – is ontstaan. In het licht daarvan overweegt het hof dat vlak voor deze bedreigingen een geplande, goed voorbereide gewapende overval op een juwelier had plaatsgevonden, waarbij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] lijfelijk aanwezig waren. Daarbij is op zeer dreigende wijze gebruik gemaakt van een vuurwapen. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] waren van de aanwezigheid van dit vuurwapen op de hoogte en vooraf was besproken dat het wapen zou worden gebruikt ter bedreiging (proces-verbaal getuigenverhoor [medeverdachte 2] bij de raadsheer-commissaris).

In het voorbereiden van een gewapende overval ligt besloten dat men niet wil worden gepakt. Na de overval zijn de verdachten daadwerkelijk weggevlucht in een vluchtauto die door [medeverdachte 3] werd bestuurd. Dat het vuurwapen vervolgens door [medeverdachte 1] zou worden gebruikt om de vlucht tot een succes te maken, was voor [verdachte] en [medeverdachte 2] te voorzien. Door met anderen een gewapende overval met een vuurwapen voor te bereiden en uit te voeren, hebben [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zich verbonden aan hetgeen in die voorbereidingen is afgesproken, en dus in de uitvoering van het plan, besloten lag, te weten een eventuele vlucht voor de politie en het gebruik van het vuurwapen daarbij. Het hof is dan ook van oordeel dat de wijze waarop de verdachten zijn gevlucht – met de daarbij behorende bedreigingen met het vuurwapen door [medeverdachte 1] teneinde de verbalisanten op afstand te houden – als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot de overval, dat ook wat betreft het met die vlucht verband houdend misdrijf van artikel 285 Wetboek van Strafrecht, zo nauw en bewust is samengewerkt dat van medeplegen van dat misdrijf kan worden gesproken. Dat geldt ook voor de bedreiging van [verbalisant 1] op de rotonde, welke bedreiging evenzeer een uit de vlucht voortvloeiende gedraging was. Overigens zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit zou volgen dat [medeverdachte 2] en [verdachte] niet met de vlucht en de daarmee samenhangende bedreigingen instemden. Integendeel, [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij er in eerste instantie niet lekker voor zat toen hij met het wapen in zijn rechterhand uit het raam zwaaide. Daarna heeft hij zichzelf omgedraaid, ging met zijn knieën op de passagiersstoel stoel zitten en herhaalde de bedreiging met het vuurwapen in zijn linkerhand. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben op geen enkel moment geprobeerd het vuurwapen af te pakken of hem anderszins fysiek tegen te houden.

Carjacking

Aangever [benadeelde partij 4] heeft verklaard dat hij op 30 mei 2014 in zijn [merk] [type] met kenteken [kenteken] over de [straat] te Meerkerk reed. Hij zag dat op de rotonde een zwarte auto voor hem stopte en dat er meerdere mannen uit de auto sprongen. De mannen trokken beide deuren van zijn auto open. De persoon die de bijrijdersdeur opende sloeg hem tegen de rechterkant van zijn gezicht en de mannen hebben hem vervolgens uit zijn auto getrokken. Vervolgens zijn de mannen in zijn auto weggereden (pg. 286).

[verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de [merk] [type] na de afrit te Meerkerk een klapband kreeg. Hij verklaarde dat hij op de rotonde is uitgestapt en bij het bijrijdersportier van een [merk] instapte. Hij verklaarde met zijn vuist een stoot op het oog van de bestuurder van de auto te hebben gegeven, zijn gordel te hebben los gemaakt en te hebben geprobeerd hem uit de auto te trekken. Ook verklaarde hij dat hij zich herinnerde dat hij [benadeelde partij 4] heeft geduwd.

[verbalisant 1] heeft gerelateerd dat twee verdachten de bestuurder van de bestelauto uit zijn auto trokken en dat alle vier verdachten in de bestelauto plaatsnamen.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de [merk] [type] tijdens de vlucht voor de politie na de afrit te Meerkerk een klapband kreeg. Op de rotonde is de auto voor een andere auto (een [merk] [type] ) gestopt, waarna de verdachten (uiteindelijk) allen uit de [merk] [type] stapten. Terwijl [medeverdachte 1] , zoals hiervoor reeds is overwogen, agent [verbalisant 1] op afstand hield door hem met het vuurwapen te bedreigen, is voor een nieuw voertuig gezorgd door [benadeelde partij 4] met toepassing van geweld uit zijn auto te werken. [verdachte] is aan de passagierskant van de [merk] [type] ingestapt en heeft hem een stoot op het hoofd gegeven. Het hof gaat er, anders dan de lezing van de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , van uit dat [verdachte] vervolgens bij het uit de auto trekken van [benadeelde partij 4] hulp heeft gehad van ten minste één persoon. Immers heeft [verbalisant 1] gerelateerd dat hij zag dat twee personen [benadeelde partij 4] uit de auto trokken en vindt zijn relaas steun in de verklaring van [benadeelde partij 4] , die verklaarde dat beide deuren open werden getrokken en meerdere personen hem uit zijn auto trokken. Daarbij neemt het hof bovendien mede in overweging dat het hof het moeilijk voorstelbaar acht dat [verdachte] slachtoffer [benadeelde partij 4] vanaf de passagiersstoel zonder hulp uit de auto heeft kunnen duwen. Nu het hof er gelet op het voorgaande van uitgaat dat [medeverdachte 1] de politie met het vuurwapen op afstand hield en [verdachte] aan de passagierskant is ingestapt om [benadeelde partij 4] uit de auto te werken, moet [verdachte] daarbij assistentie hebben gehad van [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] . Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld van de [merk] [type] .

Gooien van goederen uit de auto

[verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij achter de bestelauto (het hof begrijpt: de gestolen [merk] [type] ) aan reed. Hij schatte de afstand tussen hem en de bestelauto op 50 à 60 meter en de snelheid van de bestelauto op 70 à 100 km/u. Hij zag dat de achterdeuren van de bestelauto opengingen en dat er spullen uit de auto werden gegooid, waaronder een grote zak en een reservewiel. De zak moest hij ontwijken. Hij zag twee personen in de laadruimte zitten (pg. 258).

[verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de laadruimte van de [merk] [type] zat en dat hij spullen uit de rijdende auto gooide. Hij verklaarde dat het zware zakken waren.

[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de deuren van de laadruimte open zijn geweest terwijl zij in de [merk] [type] reden.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte] , nadat de verdachten in de gestolen [merk] [type] hun vlucht vervolgden, zware goederen vanuit de laadruimte uit de rijdende auto naar [verbalisant 1] , die de achtervolging had op de [merk] had ingezet, gooide. [verbalisant 1] moest een zak ontwijken en heeft afstand van de auto genomen om te voorkomen dat hij door de goederen zou worden geraakt. Daaruit leidt het hof af dat bij [verbalisant 1] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij door de zware goederen zou worden geraakt. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat daarmee sprake is van een bedreiging met geweld teneinde de vlucht mogelijk te maken, zoals onder 1 (het achtste gedachtenstreepje) ten laste is gelegd.

Het hof is van oordeel dat sprake is van medeplegen van deze bedreiging met geweld. Zoals reeds hiervoor is overwogen, is verdachte met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] na een gewapende overval met een vuurwapen op de vlucht geslagen voor de politie. Tijdens deze vlucht werd geweld niet geschuwd, zo blijkt uit de bedreigingen met het vuurwapen op de snelweg en de rotonde en de diefstal met geweld op de rotonde. Dat tijdens de voortgezette vlucht met de [merk] [type] wederom (bedreiging met) geweld werd toegepast, was voor de overige verdachten te voorzien. Het hof is dan ook van oordeel dat de bedreiging door [verdachte] tijdens de vlucht als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking van de overval en de geweldshandelingen tijdens de vlucht, dat ook wat betreft het met die vlucht verband houdend gooien van goederen naar [verbalisant 1] , zo nauw en bewust is samengewerkt dat van medeplegen van die bedreiging met geweld kan worden gesproken.

Conclusie

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3C, 4 meer subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan. Het hof is van oordeel dat het onder 3C en 4 meer subsidiair bewezen verklaarde is gepleegd in eendaadse samenloop met het onder 1 bewezen verklaarde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 3 C en 4 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf neemt het hof de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, tot uitgangspunt. Gelet daarop zou voor het onder 1 bewezen verklaarde, te weten een overval in een juwelierswinkel waarbij geweld – anders dan een enkele ruk/duw – is toegepast in beginsel reeds een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar passend zijn. Het geweld bestond uit het duwen van aangever [benadeelde partij 1] en uit het trachten een ketting van zijn hals te trekken.

In de onderhavige zaak is naar het oordeel van het hof echter sprake van strafverzwarende omstandigheden, te weten:

  • -

    verdachte en zijn mededaders hebben bij de overval gebruik gemaakt van een vuurwapen en hebben dit aan aangevers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] getoond. Naast aangevers was ook het destijds zesjarige dochtertje van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in de winkel aanwezig;

  • -

    verdachte en zijn mededaders hebben hun gezichten bedekt/afgedekt met bivakmutsen en ook gebruik gemaakt van andere, hun identiteit verhullende, kleding;

  • -

    verdachte en zijn mededaders hebben die [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] gedwongen om naar de ruimte achter de winkel te gaan, onder meer door op dwingende toon te zeggen “Deze pistool is geladen en wollah ik ga schieten als jullie niet gaan luisteren wollah”;

  • -

    verdachte en zijn mededaders hebben de vitrines stuk geslagen en ongeveer negentig procent van de aanwezige sieraden weggenomen;

  • -

    de mate waarin het bewezen verklaarde materiële schade teweeg heeft gebracht;

  • -

    de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht. Uit de (slachtoffer)verklaringen die aangevers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben afgelegd en opgesteld, volgt dat de overval op hen grote impact heeft gehad en nog heeft, met name vanwege het zeer intimiderende karakter ervan en de wijze waarop verdachte en zijn mededaders te werk zijn gegaan;

  • -

    het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is. Daarbij merkt het hof nog op dat de overval op klaarlichte dag heeft plaatsgevonden en dat verdachte [medeverdachte 1] ook op straat met het vuurwapen heeft gezwaaid om voorbijgangers op afstand te houden, hetgeen voor die voorbijgangers zeer beangstigend moet zijn geweest.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich daarnaast schuldig gemaakt aan 'carjacking', het door geweld en bedreiging met geweld wegnemen van de bestelauto van aangever [benadeelde partij 4] . De verdachten hebben de heer [benadeelde partij 4] mishandeld en uit zijn auto getrokken, waarna zij hun vlucht hebben voortgezet en [benadeelde partij 4] beduusd en gewond op de rotonde te Meerkerk hebben achtergelaten. Hij is niet alleen zeer angstig geweest, maar heeft ook fors letsel opgelopen en pijn ondervonden, hetgeen uit de namens hem ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring naar voren is gekomen. De heer [benadeelde partij 4] was ten tijde van het voorval 75 jaar oud. Zijn auto heeft hij beschadigd en incompleet teruggekregen.

Het hof acht voorts bewezen dat de verdachten zich ten aanzien van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] schuldig hebben gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, door het tonen van een vuurwapen. De verbalisanten hebben hierdoor veel angst ervaren en voor hun leven gevreesd. Ook zij hebben dit in hun ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen tot uitdrukking gebracht.

Verdachten hebben kennelijk op geen enkel moment stilgestaan bij de gevolgen voor de slachtoffers, maar hebben, het met oog op geldelijk gewin, alleen aan hun eigen belang gedacht.

Hoewel aan dit feit voor de strafoplegging een minder doorslaggevende betekenis moet worden toegekend, moet voorts worden opgemerkt dat het hof tot slot bewezen heeft geacht dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Het hof heeft bovendien rekening gehouden met de omstandigheid dat blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie sprake is van een aan de verdachte voorafgaand aan het plegen van het thans bewezen verklaarde reeds eerder onherroepelijk opgelegde straf ter zake van een geweldsdelict.

Gelet op het voorgaande acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest in beginsel passend en geboden. Het hof constateert evenwel dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, is geschonden, nu het hof niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. De overschrijding van de redelijke termijn is deels ingegeven door de processuele houding van een aantal verdachten, nu zij gedurende het hoger beroep alsnog een verklaring hebben willen afleggen, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de onderzoekswensen die de verdediging heeft ingediend, maar is niet volledig aan de verdediging te wijten.

Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof een strafkorting van vijf procent toepassen en volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 8 maanden.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen en kennelijk nog niet teruggegeven kleding van verdachte, nu hij blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en het hof van oordeel is dat het belang van strafvordering zich niet langer verzet tegen de teruggave ervan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.250,00 ter zake van immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 1.750,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de vordering namens de benadeelde partij nader toegelicht. De benadeelde partij vordert in totaal een bedrag van € 5.500,- ter zake de geleden immateriële schade. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft aan de benadeelde partij een uitkering van € 1.750,00 voor immateriële schade toegekend. Gelet daarop bedraagt de vordering thans nog € 3.750,00.

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.750,00, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal, gelet op vergelijkbare zaken en naar maatstaven van billijkheid, een bedrag van € 1.750,00 ter zake immateriële schade toewijzen. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van het meer gevorderde is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 51.703,39. De vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 5.750,00 ter zake van immateriële schade, een bedrag van € 15.000,00 als voorschot op het verlies van verdienvermogen, een bedrag van € 30.000,00 voor schade aan de sieraden en een bedrag van € 953,39 ter zake van de kosten voor het opnieuw inrichten van de juwelierszaak. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.703,39.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de vordering namens de benadeelde partij nader toegelicht. De benadeelde partij vordert in totaal een bedrag van € 7.500,- ter zake de geleden immateriële schade. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft aan de benadeelde partij een uitkering van € 1.750,00 voor immateriële schade toegekend. Gelet daarop bedraagt de vordering thans nog € 5.750,00.

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is tot een bedrag van € 2.703,39, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.703,39. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof zal, gelet op vergelijkbare zaken en naar maatstaven van billijkheid, een bedrag van € 1.750,00 ter zake immateriële schade toewijzen. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van het meer gevorderde is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen.

De post met betrekking tot de kosten voor het opnieuw inrichten van de juwelierszaak (de schade aan de vitrines, plateaus en het deurslot) is voldoende onderbouwd en voor toewijzing gereed. Het gaat om een bedrag van € 953,39.

Het gevorderde bedrag aan materiële schade bestaat verder onder andere uit een voorschot op het verlies aan verdienvermogen en schade aan de sieraden. Deze kostenposten zijn voor het hof in het kader van het strafproces, nauwelijks tot niet verifieerbaar, temeer nu deze posten summier zijn onderbouwd. De verdediging heeft de vordering gemotiveerd betwist. Om tot een gedegen afweging te komen omtrent de werkelijk geleden schade, dient (veel) meer tijd te worden genomen dan in dit strafproces voorhanden is. Het hof is dan ook van oordeel dat de behandeling van deze onderdelen van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.750,00 ter zake van immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 1.750,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de vordering namens de benadeelde partij nader toegelicht. De benadeelde partij vordert in totaal een bedrag van € 4.500,- ter zake de geleden immateriële schade. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft aan de benadeelde partij een uitkering van € 1.750,00 voor immateriële schade toegekend. Gelet daarop bedraagt de vordering thans nog € 2.750,00.

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.750,00, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal, gelet op vergelijkbare zaken en naar maatstaven van billijkheid, een bedrag van € 1.750,00 ter zake immateriële schade toewijzen. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van het meer gevorderde is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.735,97, bestaande uit een bedrag van

€ 1.735,97 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 ter zake van immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.735,97.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof acht het gevorderde bedrag ter zake van materiële schade ter hoogte van € 1.735,95 voldoende aannemelijk gemaakt en wijst dit bedrag volledig toe. Het hof zal, gelet op vergelijkbare zaken en naar maatstaven van billijkheid, een bedrag van € 1.000,00 ter zake immateriële schade toewijzen. Het toe te wijzen bedrag van € 2.735,97 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij [verbalisant 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.250,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 C bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal, gelet op vergelijkbare zaken en naar maatstaven van billijkheid, een bedrag van € 1.250,00 ter zake immateriële schade toewijzen. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ziet het hof, gelet op de aard en de intensiteit van de bewezen verklaarde bedreiging, geen aanleiding om dit bedrag te matigen.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

De benadeelde partij [verbalisant 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 750,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal, gelet op vergelijkbare zaken en naar maatstaven van billijkheid, een bedrag van € 750,00 ter zake immateriële schade toewijzen. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ziet het hof, gelet op de aard en de intensiteit van de bewezen verklaarde bedreiging, geen aanleiding om dit bedrag te matigen.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3]

De benadeelde partij [verbalisant 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 750,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal, gelet op vergelijkbare zaken en naar maatstaven van billijkheid, een bedrag van € 750,00 ter zake immateriële schade toewijzen. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ziet het hof, gelet op de aard en de intensiteit van de bewezen verklaarde bedreiging, geen aanleiding om dit bedrag te matigen.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 a, 3 b, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 c, 4 meer subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 C, 4 meer subsidiair en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 paar schoenen, merk Frankie Morello (goednummer [nummer] )

- 1 t-shirt, kleur zwart (goednummer [nummer] )

- 1 paar handschoenen, kleur zwart (goednummer [nummer] )

- 1 jas, kleur blauw (goednummer [nummer] )

- 1 broek, merk G-star, kleur blauw (goednummer [nummer] ).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.703,39 (tweeduizend zevenhonderddrie euro en negenendertig cent) bestaande uit € 953,39 (negenhonderddrieënvijftig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.703,39 (tweeduizend zevenhonderddrie euro en negenendertig cent) bestaande uit € 953,39 (negenhonderddrieënvijftig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.735,97 (tweeduizend zevenhonderdvijfendertig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 1.735,97 (duizend zevenhonderdvijfendertig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 mei 2014.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.735,97 (tweeduizend zevenhonderdvijfendertig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 1.735,97 (duizend zevenhonderdvijfendertig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 mei 2014.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het onder 3 C bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1] , ter zake van het onder 3 C bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 2] ter zake van het onder 4 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 2] , ter zake van het onder 4 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 3] ter zake van het onder 4 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 3] , ter zake van het onder 4 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman en mr. J.E. van Dijk, griffiers,

en op 19 februari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

BIJLAGE

Parketnummer: 20-001602-15

Datum uitspraak: 19 februari 2018

Aanvulling bewijsmiddelen

Arrest inzake:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1995,

thans gedetineerd te PI Heerhugowaard.

Aangevuld door het gerechtshof op 19 februari 2018

en ondertekend op die datum door mr J.T.F.M. van Krieken.

In de hierna genoemde bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar de pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Baronie, zaaknummer [nummer] , gesloten d.d. 1 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina’s 1-525. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Alle bewijsmiddelen gelden ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten, voor zover zij daar, blijkens de inhoud ervan, betrekking op hebben.

1. Het proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 30 mei 2014 (pg. 94-96), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 3]:

Ik was bij mijn ouders, die hebben een juwelierszaak genaamd [naam] aan de [straat] [nummer] te Breda. Ik was rond 13.40 uur in de winkel met mijn zusje. Ik was samen met mijn moeder voor in de winkel en mijn vader was achterin de winkel sieraden repareren. De deur zit op slot en gaat alleen open via een knopje. Ik zag twee jongens richting de deur rennen en de voorste jongen (dader 1) trapte de deur in. Op dat moment drukte ik de alarmknop in. Ik zag wel dat deze jongen een pistool in zijn handen had. Deze jongen kwam op mij en mijn moeder af. Hij richtte het pistool op ons allemaal en voornamelijk op mijn vader. Hij vertelde ons dat wij naar achteren moesten. Hij zei wel drie keer: “Neem de kleine mee.” Ik dacht dat hij hiermee mijn zusje bedoelde. Ik zag dat twee andere personen de toonbank bij de etalage vernielden en de spullen eruit haalden.

Achterin de winkel zei dader 1 “Deze pistool is geladen en wollah ik ga schieten als jullie niet luisteren wollah”. Ik heb het vermoeden dat dit een Marokkaans accent was. Hij richtte het pistool op ons allemaal. Ongeveer een minuut later kwam er iemand anders naar achteren (dader 2), deze was een stuk kleiner dan dader 1. Dader 2 had een grote zwarte tas met goudkleurige/geelkleurige strepen. Ik denk dat in die tas al het goud zat omdat je kon zien dat er een duidelijke vorm in de tas zat. Hij schreeuwde “Waar is de kluis”. Hij probeerde de ketting van mijn vaders nek te trekken.

Dader 1, de persoon die de deur intrapte en na binnenkomst op ons afstapte met het pistool, had een bivakmuts op.

2. Het proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 30 mei 2014 (pg. 83-86), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:

Op 30 mei 2014 is de juwelierszaak [naam] van mijn man en mij omstreeks 13.45 uur overvallen. Onze toegangsdeur zit altijd op slot en moeten wij middels een knopje openmaken. Ik zag een man in het zwart gekleed met een breekijzer in zijn hand (zo’n breekijzer die jullie, agenten, gebruiken als jullie ergens binnen vallen) (het hof begrijpt aldus: een stromram/bonkie. In een mum van tijd was de deur open. Ik zag dat een man een pistool in zijn hand vast had. Ik zag dat hij het pistool op ons richtte en riep dat wij naar achteren moesten gaan. De man met het pistool is met ons naar achteren gelopen. Ik zag dat mijn man niet mee liep en bleef staan. Ik zag dat de man met het pistool mijn man met twee handen tegen zijn schouders duwde en zei dat mijn man ook naar achteren moest. Daarna liep de man met het pistool de winkel weer in en liet ons in de werkkamer achter. De mannen sloegen alle vitrines kapot.

Enkele seconden later kwam een andere man de werkkamer binnengelopen. Hij vroeg om een kluis.

3. Een proces-verbaal aangifte d.d. 30 mei 2014 (pg. 72-76), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 1]:

Ik zag een persoon met een bivakmuts op voor mij staan en ik zag dat hij een vuurwapen op mijn buik richtte (dader 1). Ik hoorde dader 1 zeggen: “Breng je dochter naar achteren anders gaan er doden vallen.”. Ik zag nog twee andere personen in mijn winkel met bivakmutsen op. Ik hoorde dader 1 zeggen dat wij naar achteren moesten gaan omdat hij anders ging schieten. Dader 1 richtte het wapen op mijn hoofd. Ik zag dat hij het wapen op mijn vrouw en beide dochters richtte. Ik zag dat alle vitrines in mijn winkel werden ingeslagen door twee personen. Ik zag dat veel sieraden werden weggenomen en in tassen werden gedaan. Dader 1 bleef het wapen constant op ons richten. Ik hoorde dader 1 tegen ons zeggen: “Blijf achteraan, als je naar voren komt zal ik schieten.”. Ik hoorde dader 2 zeggen: “Waar is de kluis?”. Ik had een gouden ketting om mijn nek en ik zag dat hij met zijn hand richting mijn nek ging. Ik schat dat de mannen 90% van mijn sieraden weggenomen. De mannen droegen handschoenen. Daders 1 en 2 droegen een zwarte sporttas bij zich.

4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2014 (pg. 159-160), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4]:

Ik zag dat de vitrines in de winkel kapot waren en dat overal sieraden lagen.

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juni 2014 (pg. 379-393), met bijlagen, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:

(pg. 380-382)

Door mij werden de camerabeelden bekeken van een bewakingscamera die aan de gevel van de juwelierszaak ‘ [naam] ’ is bevestigd. Op die beelden is te zien dat op 30 mei 2014 twee verdachten uit de richting van een scooter komen en in beeld verschijnen. Door een van de twee verdachten wordt kennelijk de deur open getrapt. Deze verdachte draagt als enige witte handschoenen en heeft in zijn hand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Beide verdachten gaan de juwelierszaak binnen. Een (het hof begrijpt: andere) verdachte zet de scooter op de standaard en gaat de juwelierszaak binnen.

(pg. 384)

De verdachte met de witte handschoenen komt naar buiten met in zijn hand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Deze verdachte blijft ruim een halve minuut buiten en lijkt omstanders te bedreigen om hen op een afstand te houden.

(p. 389-392)

De eerste verdachte die buiten komt gooit een zogenaamde “ram” op de grond. Hij draagt een grote tas die open staat. Vanuit de juwelierszaak lijkt een verdachte de inhoud van een tableau in de tas van een andere verdachte te stoppen. Een tweede en derde verdachte komen uit de juwelierszaak en stappen op de scooter en de verdachten verdwijnen uit beeld.

6. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 mei 2014 (pg. 106-107), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3]:

Nadat mijn zusje vertelde dat er een overval gaande was, ben ik op 30 mei 2014 rond 13.45 uur gaan filmen met mijn telefoon.

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2014 (pg. 394-408), met bijgevoegde screenshots, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6]:

Ik heb het filmpje dat de getuige (het hof begrijpt: [getuige 3] ) met zijn telefoon heeft gemaakt, bekeken. Op dit filmpje is zichtbaar dat er een scooter voor de deur van de juwelierszaak staat en dat een persoon een arm naar buiten steekt, met in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De persoon draagt een witte handschoen.

Even later stapt een tweede persoon in beeld met in zijn hand een op een stormram gelijkend object. Hij draagt zwarte handschoenen. Ook draagt hij een donker gekleurde tas met om zijn schouder een donkere band met een lichte rand. Zichtbaar is dat uit de tas voorwerpen steken. Vervolgens is zichtbaar dat een persoon met witte handschoenen een tableau met daarop sieraden boven de tas van de tweede persoon omkeert. Hij stapt als eerst op de scooter en start deze.

Een derde persoon stapt achterop de scooter. Over zijn schouder heeft hij een hengsel van de tas die op zijn heup hangt. Uit deze tas steken rode tableaus en op deze tableaus lijken sieraden te liggen. Deze persoon draagt zwarte handschoenen en iets zwarts over zijn hoofd. De eerste persoon raapt de stormram op en stapt achterop de scooter. Hij houdt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast en aan zijn linkerschouder hangt een tas. Er loopt een band over zijn rug. Hij draagt witte handschoenen.

8. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 mei 2014 (pg. 120-121), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

Ik zag drie mannen uit de juwelier komen en op een scooter stappen. Ik zag ze wegrijden in de richting van de [straat] . Ik zag dat zij de [straat] in reden en de eerste straat rechts in gingen.

9. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 mei 2014 (pg. 216-217), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5]:

Ik zag dat er een zwarte personenauto stond geparkeerd op de parkeerplaats achter mijn woning aan de [straat] te Breda. Ik zag dat er een persoon achter het stuur van de auto zat. De auto stond zo geparkeerd dat hij direct weg kon rijden. Ik zag dat er drie jongens vanuit de richting van de auto in de richting van het poortje liepen.

10. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 mei 2014 (pg. 188-189), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 6]:

Ik hoorde omstreeks 13.45 uur harde klappen. Ik keek in de brandgang naast mijn woning aan de [straat] te Breda. Ik zag in de brandgang een hoop sieraden liggen. Ik zag twee mannen een zwarte [merk] [type] instappen.

11. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 mei 2014 (pg. 206-207), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 7]:

Ik zag dat er een zwarte [merk] [type] de parkeerplaats aan de [straat] te Breda afreed. Ik heb vandaag diezelfde auto al twee keer door de straat zien rijden. Er zaten toen vier Marokkaanse mannen in.

12. Een proces-verbaal verhoor van bevindingen d.d. 30 mei 2014 (pg. 164-165), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7]:

Ik zag dat er in de brandgang bij de [straat] te Breda een groot aantal sieraden op de grond lag. Deze lagen verspreid door de hele brandgang. Ik zag dat er verschillende sieradentableaus lagen. Ik trof in een brandgang bij de parkeerplaats een zwarte scooter aan.

13. Een proces-verbaal verhoor van bevindingen d.d. 1 juni 2014 (pg. 321-322), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9]:

Op 1 juni 2014 ontvingen wij, verbalisanten, een aantal verpakkingen met verschillende sieraden. De betreffende sieraden waren tijdens een door de forensische opsporing ingesteld onderzoek aangetroffen in een personenauto van het merk [merk] , type [type] , voorzien van kenteken [kenteken] . Deze verpakkingen zijn gekenmerkt als “tas 1”, “tas 2”, “tas 3” en “los in kofferbak”.

14. Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 mei 2014 (pg. 90-91), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:

O: Opmerking verbalisant

A: Antwoord

O: Aan de getuige wordt de inhoud van de zak “los in de kofferbak” getoond.

A: Ik herken deze sieraden als mijn eigendom.

O: Aan de getuige wordt de inhoud van de zak “Tas 3” getoond.

A: Ik herken de plateaus. Op de prijskaartjes staat het handschrift van mijn dochter [naam] .

O: Aan de getuige wordt de inhoud van de zak “Tas 1” getoond.

A: Ik herken deze sieraden als mijn eigendom. Ik herken de plateaus. Op dit prijskaartje staat mijn handschrift.

O: Aan de getuige wordt de inhoud van de dozen “Tas 2” getoond.

A: Ik herken de plateaus en sieraden als mijn eigendom.

15. Een proces-verbaal verhoor van bevindingen d.d. 13 augustus 2014 (pg. 323), met bijlagen (pg. 324-326), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:

Op de bijgevoegde fotobijlagen zijn enkele screenshots van camerabeelden die door getuige [getuige 3] van de overval zijn gemaakt. Daarop is te zien dat de draagband van de door alle daders gedragen zwarte tassen waren voorzien van gouden/gele strepen. Op de bijlage is te zien dat in de kofferruimte van de door de verdachten gebruikte [merk] [type] , met kenteken [kenteken] , soortgelijke tassen lagen.

16. Een proces-verbaal verhoor van bevindingen d.d. 30 mei 2014 (pg. 243-244), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10]:

Op 30 mei 2014 omstreeks 13.45 uur hoorde ik dat er een gewapende overval op de [straat] te Breda was. Ik hoorde dat er drie verdachten op een zwarte scooter waren vertrokken en dat er door een getuige was gezien dat een aantal verdachten waren ingestapt in een zwarte [merk] [type] .

Op 30 mei 2014 omstreeks 13.55 uur zag ik een zwarte [merk] [type] met kenteken [kenteken] onze richting op rijden. Ik zag dat in deze auto in ieder geval twee lichtgetinte mannen aan de voorzijde zaten. Ik zag dat de [merk] [type] rechtsaf de A58 richting Breda-Noord/Rotterdam op reed.

17. Een proces-verbaal aangifte d.d. 5 juni 2014 (pg. 254-261), voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1]:

Op 30 mei 2014 hoorde ik dat er een overval had plaatsgevonden op juwelier [naam] in Breda. Ik hoorde dat de daders waren overgestapt in een zwarte [merk] [type] met kenteken gelijkend op [kenteken] Ik had mij opgesteld bij de A27 op knooppunt Hooipolder. Ik zag een zwarte [merk] [type] 5 met kenteken [kenteken] voor mij langs rijden, uit de richting van knooppunt Zonzeel. Ik zag een bestuurder en een bijrijder in de auto zitten. Ik zag dat de [merk] [type] de A27 opreed in de richting van Utrecht. Ik ben toen achter de auto gaan rijden. Ik zag dat de auto vanaf de linkerrijstrook naar de vluchtstrook stuurde. Ik heb direct optische signalen en geluidssignalen aangezet en een stopteken gegeven. Ik zag dat de auto versnelde op de vluchtstrook en dat de snelheid boven de 200 km/u was. Ik zag dat er een hand uit het raam stak. Ik zag dat er een vuurwapen naar mij werd gericht vanuit het raam van het bijrijdersportier. Ik keek in de loop van het vuurwapen. Ik zag dat het een zwart handvuurwapen was. Ik reed op dat moment op een afstand van ongeveer 30 meter van de [merk] . Ik schrok hiervan en werd bang en heb direct geremd. Ik zag het vuurwapen naar achteren slaan. Ik heb meerdere malen deze terugslag gezien. Ik zag de rug van de hand van de bijrijder om de handgreep van het vuurwapen zitten. Ik zag dat hij een lichtgekleurde handschoen droeg, wit of lichtgrijs. Ik ben de [merk] [type] gaan volgen op een afstand van ongeveer 100 meter. Ik zag dat de [merk] [type] met hoge snelheid zigzaggend door het verkeer ging en de verkeersdeelnemers links en rechts passeerde.

Ik zag ter hoogte van de oprit Nieuwendijk een politievoertuig op de vluchtstrook rijden. Ik zag dat de [merk] [type] met hoge snelheid links om het politievoertuig heen reed. Op dat moment hoorde ik de collega die in genoemd politievoertuig zag via de mobilofoon roepen: “ze schieten, ze schieten!”. Ik herkende de stem van de collega als [verbalisant 2] . Ik wist dat [verbalisant 2] samen met mijn collega [verbalisant 3] in het voertuig zat. Ik heb het politievoertuig ingehaald en ik zag toen dat er nogmaals vanuit het bijrijdersraam van de [merk] [type] een vuurwapen in mijn richting werd gericht. Ik keek wederom in de loop van het vuurwapen. Ik zag dat dit weer een zwart handvuurwapen was en ik zag dezelfde lichtkleurige handschoen.

Ik zag dat de [merk] [type] afslag Meerkerk nam. Ik zag dat de [merk] richting de rotonde reed en op de rotonde tot stilstand kwam, waarna er vier personen uit de auto stapten. Ik zag dat de bestuurder van de [merk] mij tegemoet kwam gelopen. Ik zag dat de bijrijder, die voorin de [merk] zat, uit de [merk] stapte en met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand voor een bestelauto ging staan. Ik zag dat twee andere verdachten, die achterin de [merk] zaten, uit de [merk] stapten. Ik zag dat deze twee verdachten naar de bestelauto liepen en het bestuurdersportier van de bestelauto open trokken.

Ik zag dat de bestuurder met een zwart handvuurwapen in de hand en met uitgestrekte arm op mij afrende. Ik reed op dat moment net de rotonde op. Ik schat de afstand tussen ons 10 meter. Ik keek in de loop van het vuurwapen. Ik zag de terugslag van het wapen. Ik zag een beweging in de pols van de rechterhand van de verdachte. Ik zag dat hij deze handeling meerdere malen herhaalde. Ik werd op dat moment nog banger dan ik al was en dacht bij mezelf “Ik wil hier niet doodgaan”. Ik zag dat deze verdachte terugliep naar de andere drie verdachten. Ik zag dat twee verdachten de bestuurder van de bestelauto uit de auto trokken. Ik zag dat alle vier verdachten in de bestelauto plaatsnamen. Ik zag dat de verdachte die met het pistool op de bestuurder van de bestelauto had gericht aan de bijrijderszijde instapte en de twee verdachten die de bestuurder uit de auto hadden getrokken, aan de bestuurderszijde instapten. Ik zag dat de auto in de richting van Nieuwland reed. Ik ben achter de bestelauto aan gereden. Ik schat de afstand tussen mij en de bestelauto op 50 à 60 meter en de snelheid van de bestelauto op 70 à 100 km/u. Ik zag dat de achterdeuren van de bestelauto opengingen en dat er spullen uit de auto werden gegooid. Ik heb een grote zak en een (naar het hof begrijpt:) reservewiel gezien. Ik zag twee personen in de laadruimte zitten. Ik heb de afstand tussen mij en de bestelauto vergroot zodat de kans dat ik zou worden geraakt, minimaal zou zijn. Ik moest een zak ontwijken en een reservewiel rolde naar de berm.

18. Het proces-verbaal verhoor aangever d.d. 5 juni 2014 (pg. 263-264), voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 2]:

Ik ben op 30 mei 2014 naar aanleiding van een melding van een collega motorrijder die de vluchtauto van de verdachten van een overval op een juwelier volgde, gaan posten bij de oprit Nieuwendijk om uit te kijken naar een [merk] [type] . Ik zag dat de [type] , nadat hij ons had ingehaald, terug ging naar de vluchtstrook en ongeveer 50 à 100 meter voor collega [verbalisant 3] en mij ging rijden. Ik zag dat er uit een raam aan de bijrijderszijde een zwartkleurig vuurwapen op ons werd gericht. Ik zag dat het een rechterhand was met een witte handschoen aan. Ik zag dat het vuurwapen terugslag had. Ik zag dit doordat ik de hand en arm meerdere malen naar achteren zag bewegen.

19. Het proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 5 juni 2014 (pg. 265-266), voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 3]:

Op 30 mei 2014 hoorde ik collega [verbalisant 1] over de portofoon roepen dat hij achter een [merk] met kenteken [kenteken] reed. Ik ben met [verbalisant 2] het dienstvoertuig ingestapt en we gingen posten bij de oprit Nieuwendijk. Ik ben de snelweg opgereden. Ik zag een zwarte [merk] aan komen rijden over de vluchtstrook en ik zag dat de [type] ons links voorbij reed. Vervolgens zag ik de [type] met voornoemd kenteken voor ons rijden. Ik zag dat het raam open was en dat er een hand met een witte handschoen naar buiten kwam. Ik zag dat de persoon een vuurwapen vast had en dat hij dit op ons richtte. Ik zag de loop van het vuurwapen. Ik zag de beweging van een vuurwapen dat afvuurt. Ik denk dat het de bedoeling van de schutter was om ons af te schrikken en vervolgens verder te kunnen rijden.

20. Een proces-verbaal aangifte d.d. 30 mei 2014 (pg. 286-288), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 4]:

Op 30 mei 2014 reed ik in mijn personenauto, een [merk] [type] met kenteken [kenteken] , over de [straat] te Meerkerk. Bij de rotonde zag ik een zwarte auto over de rotonde rijden die ik voorrang moest geven. Ik zag dat de zwarte auto op de rotonde voor mijn auto stopte. Ik zag dat meerdere personen uit de auto stapten. Ze trokken beide deuren open van mijn auto. De persoon die mijn bijrijdersdeur opende sloeg mij tegen de rechterkant van mijn gezicht. Ze hebben mij vervolgens uit de auto getrokken en stapten in mijn auto en zijn weggereden in de richting van Nieuwland. Mijn slaap ter hoogte van mijn rechter oog is dik en blauw.

21. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof

‘s-Hertogenbosch d.d. 19 januari 2018:

Ik heb vooraf onderling met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afspraken gemaakt. Ons doel op 30 mei 2014 was een overval te plegen in Breda bij een juwelier. Ik wist dat er een vuurwapen mee zou worden genomen. Daar was van tevoren over gesproken. Ik zat op de heenweg rechts achterin de auto en herinner mij dat ik het vuurwapen toen voor het eerst gezien in het tasje van [medeverdachte 1] , die rechts voorin zat. Ik wist dat hij het vuurwapen zou hanteren. Ik begon als bestuurder van de scooter op de heenweg naar de juwelier en ik was middenpassagier op de terugweg naar de vluchtauto. Ik had tassen, een moker (het hof begrijpt: stormram/bonkie), handschoenen en een bivakmuts voor mijn vermomming meegenomen. In de juwelier heb ik vitrines kapot geslagen en sieraden weggegrist. Ik herinner mij dat ik heb geprobeerd een gouden ketting van de nek van de oudere man (het hof begrijpt: [benadeelde partij 1] ) te trekken.

Op de terugweg ben ik rechts achterin de vluchtauto gestapt. Ik weet dat er op de snelweg is gedreigd met het vuurwapen. Ik weet dat ik tegen [medeverdachte 1] heb gezegd dat hij niet moest schieten. Ik heb de arm van [medeverdachte 1] uit de auto gezien.

Na de afrit te Meerkerk kreeg de [merk] [type] een klapband. Ik ben op de rotonde te Meerkerk rechts voorin uitgestapt uit het bijrijdersportier. Ik zag een [merk] van het model van een [type] (het hof begrijpt: [merk] [type] ). Ik ben aan de bijrijderskant van de [merk] ingestapt en heb geprobeerd de bestuurder uit zijn auto te trekken. Ik gaf hem met mijn vuist een stoot op zijn oog en heb zijn gordel losgemaakt. Ik herinner mij dat ik hem heb geduwd. De bestuurder is uitgestapt en de anderen zijn ingestapt. Ik heb vervolgens in de laadruimte plaatsgenomen. [medeverdachte 3] was in de [merk] de chauffeur. Wij reden weg en de motoragent kwam weer achter ons aan. Ik heb de achterdeuren van de laadruimte opengemaakt en spullen uit de auto gegooid. Dat waren zware zakken. Ik heb de spullen min of meer uit de auto geduwd.

22. De verklaring van getuige [medeverdachte 1], afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 19 januari 2018:

Het klopt dat ik op 30 mei 2014 betrokken ben geweest bij de overval op juwelier ‘ [naam] ’ aan de [straat] te Breda. Ik was de persoon met de witte handschoenen en ik had het vuurwapen. Ik heb in de juwelier de aanwezige personen bedreigd en gezegd dat zij naar achteren moesten lopen om de winkelruimte vrij te krijgen om te doen wat wij daar wilden doen. Bij binnenkomst waren twee vrouwen binnen. Zij stonden op en gingen mee naar achteren. Achter waren een oudere man en een klein meisje. De oudere man wilde mij tegenhouden. Ik heb de man een duw tegen zijn borst gegeven. Het klopt dat wij in een [merk] [type] van Amsterdam naar Breda reden. Ik had vlak voor het vertrek naar Breda het vuurwapen overhandigd gekregen. Ik had het vuurwapen bij mij in een heuptasje. Ik heb dat tasje tijdens de rit naar Breda open gehad en in dat tasje gerommeld. Ik zat op de heenrit naar Breda en op de terugrit rechts voorin, dus naast de bestuurder. Ik heb tijdens de vlucht voor de politie met het vuurwapen op de achtervolgende agenten heb gericht. Ik maakte een soort terugslaande bewegingen met het vuurwapen. Ik wilde angst bezorgen bij de agenten en zorgen dat zij afstand van ons namen. Ik heb het wapen meermalen op de agenten gericht. In eerste instantie zat ik er niet zo lekker voor en had ik het wapen in mijn rechterhand vast en stak het uit het raam met mijn arm langs de auto. Ik keek tegelijk achterom. Daarna heb ik mijzelf omgedraaid en ging ik met mijn knieën op de passagiersstoel zitten met het vuurwapen in mijn linkerhand. Ik heb alle kanten op gewezen. Het had effect, de agenten namen afstand. Ik wist dat het een echt wapen was en dat het wapen was geladen.

Na de afrit te Meerkerk kreeg de [merk] [type] een klapband. Ik ben op de rotonde bij de afslag Meerkerk uit het bijrijdersportier gestapt. Ik stapte als eerst uit en focuste mij op wat ik voor mij zag. De motoragent reed door. Ik wees met het vuurwapen zijn kant op. Hij nam afstand, stopte en ging achter zijn motor zitten. Ik stond alleen te wijzen. Ik keek achterom, het duurde te lang voor mij. Toen zag ik dat ik plaats kon nemen in een ander voertuig.

23. De verklaring van getuige [medeverdachte 2], afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 19 januari 2018:

Ik heb met [medeverdachte 1] en [verdachte] afgesproken op 30 mei 2014 een overval te plegen in Breda. Ik heb [medeverdachte 3] gevraagd of hij chauffeur wilde zijn. Ik heb het vuurwapen en handschoenen meegenomen. Ik heb het vuurwapen een paar dagen voor de overval van een kennis in de buurt geleend. Ik heb eerst met [medeverdachte 1] afgesproken en het vuurwapen aan hem overhandigd. Ik ging als tweede persoon de juwelier binnen en nam de stormram mee naar binnen. Ik heb in de juwelier vitrines kapot geslagen en sieraden meegegrist. Vervolgens heb ik de stormram naar buiten gegooid, de tas volgeladen en de scooter gestart. Op de terugweg van de juwelier naar de vluchtauto was ik de bestuurder van de scooter. Ik riep dat de stormram mee moest worden genomen.

Ik zat in de [merk] [type] achter de bestuurder, dus links achterin en [medeverdachte 1] zat rechts voorin, dus naast de bestuurder. Ik heb op de snelweg twee keer gezien dat [medeverdachte 1] het raam open deed en een motoragent met een vuurwapen bedreigde. Hij zei dat hij de motoragent bang wilde maken.

Na de afrit te Meerkerk kreeg de [merk] [type] een klapband. Op de rotonde te Meerkerk zijn wij uit de [merk] [type] gestapt. Ik zag links van mij een [merk] [type] . Ik zag dat de auto leeg was en ik heb via de klep van de laadruimte in de laadruimte plaatsgenomen. Natuurlijk wist ik dat de auto was gestolen. Wij gingen met de [merk] verder rijden. De deuren van de achterkant van de laadruimte zijn open geweest.

24. De verklaring van getuige [medeverdachte 3], afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 19 januari 2018:

Ik ben op 30 mei 2014 de chauffeur van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] geweest. Zowel in de [merk] [type] op de heenweg van Amsterdam naar Breda en op de terugweg van Breda naar Amsterdam, als in de [merk] [type] . Ik heb dat van tevoren met [medeverdachte 2] afgesproken. Hij vroeg mij of ik wilde rijden. Ik heb gevraagd wie er mee zouden gaan en [medeverdachte 2] heeft mij dat verteld. Hij heeft mij ook verteld waar ik heen moest rijden. Wij hebben geen verdere details besproken, maar het rook naar strafbare feiten. Dat het geen zuivere koffie leek kon mij niet schelen, ik wilde gewoon rijden. Ik zou er een vergoeding voor krijgen. Ik kon geld gebruiken. [medeverdachte 2] heeft mij verteld waar ik in Breda moest parkeren. Volgens mij reden wij eerst een paar rondjes. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn op dezelfde plek uitgestapt en later weer ingestapt. Ik moest op die plaats blijven wachten. De auto stond om de hoek geparkeerd van de plek waar de scooter en de sieraden zijn aangetroffen. Ik zag ze aan komen rennen en ze deden spullen in de kofferbak. Ik dacht toen: ze zijn er weer, dus ik moet weer gaan rijden. Volgens mij hebben ze toen ze weggingen ook spullen uit de kofferbak gehaald. Het klopt dat ik witte handschoenen aan had.

Op de snelweg was ik bezig met het verkeer om geen ongelukken te veroorzaken. We reden hard. Ik had door dat de politie achter ons reed. Ik heb gemerkt dat het raam op een gegeven moment open ging. Ik merkte dat ik niet verder kon komen op de snelweg, het was druk en we wilden wegkomen. Daarom heb ik de afslag genomen bij Meerkerk genomen. Toen wij de afslag namen, kregen we een klapband.

Bij de rotonde te Meerkerk ben ik nog even in de [merk] [type] blijven zitten toen [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] uitstapten. Ik heb om mij heen gekeken. Toen ik uitstapte kon ik direct instappen in de [merk] [type] en wegrijden. Ik wilde nog steeds aan de politie ontkomen. Ik zag dat [medeverdachte 1] vóór mij bij de bestuurderskant instapte en op de passagiersstoel ging zitten. [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn de achterin gestapt. Ik reed weg en lette weer op de weg.

25. Een proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 30 mei 2014, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 11]:

Op 30 mei 2014 heb ik tijdens het forensisch onderzoek op de [straat] te Nieuwland een vuurwapen veiliggesteld.

26. Een proces-verbaal van politie Den Haag d.d. 1 juni 2014 (pg. 353-355), Team Forensische Opsporing, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 12]:

Op 1 juni 2014 werd mij een wapen overhandigd dat was aangetroffen op de [straat] te Nieuwland.

Soort wapen: Semi automatisch pistool

Fabrikant: FEG ARMS

Model: PJK-9HP

Kaliber: 9 mm (9 x 19 mm)

Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III sub 1 van de Wet Wapens en Munitie.

Bij bovengenoemd vuurwapen werd munitie aangetroffen.

Soort: Volmantelpatronen

Merk: Sellier & Bellot

Kaliber: 9 mm Luger (9 x 19 mm)

Aantal: 9 stuks

De aangetroffen patronen is munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

27. Een proces-verbaal aanhouding d.d. 30 mei 2014 (pg. 419-420), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 13]:

Op 30 mei 2014 hielden wij op de [straat] te Nieuwland, gemeente Zederik, als verdachte aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] .

28. Een proces-verbaal voorgeleiding d.d. 30 mei 2014 (pg. 443-444), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 14]:

Op 30 mei 2014 werd aan mij als verdachte voorgeleid “ [medeverdachte 2] ” (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ). Deze verdachte werd op 30 mei 2014 in Nieuwland aangehouden.

29. Een proces-verbaal aanhouding d.d. 30 mei 2014 (pg. 465-466), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 13]:

Op 30 mei 2014 hielden wij op de [straat] te Nieuwland, gemeente Zederik, als verdachte aan [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1989.

30. Een proces-verbaal aanhouding d.d. 30 mei 2014 (pg. 491-492), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 15]:

Op 30 mei 2014 hielden wij op de [straat] te Nieuwland, gemeente Zederik, als verdachte aan [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] .

31. Een proces-verbaal van bevindingen vuurwapen d.d. 19 juni 2014 (pg. 414-415), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 16]:

Ik, verbalisant, zag de beelden die door getuige [getuige 3] zijn gemaakt ten tijde van de gewapende overval op de juwelier aan de [straat] te Breda op 30 mei 2014. Ik zag dat het vuurwapen, dat een van de overvallers vast heeft tijdens de overval, hoogst waarschijnlijk van hetzelfde merk en type is als het door verbalisant [verbalisant 12] onderzochte (het hof begrijpt: op de [straat] te Nieuwland aangetroffen) vuurwapen, zijnde een FEG PJK-9HP.